Ds. H. Paul - Mattheüs 13 : 44

De gelijkenis van de schat in de akker

Een gevonden schat
Een verborgen schat
Een verkregen schat

MattheĆ¼s 13 : 44

Mattheüs 13
44
Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat, in den akker verborgen, welken een mens gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven, gaat hij heen, en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dienzelven akker.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 106: 3
Lezen : Mattheüs 13: 44-58
Zingen : Psalm 84: 1, 2
Zingen : Psalm 19: 5
Zingen : Psalm 17: 7, 8

Gemeente, de tekst voor deze dienst vindt u in het gedeelte van het Woord van God,  dat u voorgelezen is uit Mattheüs 13. We lezen in vers 44 Gods Woord en onze tekst als volgt:

 

Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat, in de akker verborgen, welke een mens gevonden hebbende, verborg die, en van blijdschap over dezelve gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt diezelve akker.

 

Onze tekst is: De gelijkenis van de schat in de akker.   

 

Wij bepalen u bij:

1. Een gevonden schat

2. Een verborgen schat

3. Een verkregen schat

 

1. Een gevonden schat

 

Deze gelijkenis is er één uit de gelijkenissen die de Heere Jezus uitgesproken heeft tot onderwijs aan zowel Zijn discipelen alsook de schare. Hoewel Hij Zijn discipelen die gelijkenissen meer in het bijzonder verklaarde.

Alle gaan over het Koninkrijk Gods. Het Koninkrijk dat op deze aarde tot stand komt ondanks de machten van satan; het Rijk waarover Christus Koning is. Het is niet het Koninkrijk van Gods almacht, waarin Hij regeert over alle dingen, maar het gaat hier in het bijzonder over het Koninkrijk van Gods genade: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid (Ps.2:6).

 

Er waren wel verkeerde gedachten over dat Koninkrijk. Ook de discipelen hadden er  aardse verwachtingen van. Een aardse heerlijkheid hadden zij op het oog. Het kenmerk van het Koninkrijk Gods is echter haar geestelijke heerlijkheid.

De discipelen hadden zich een voorname en hoge plaats in dat Koninkrijk ingedacht; zitten aan Zijn rechter- en linkerhand, zoals de zonen van Zebedeüs wilden. Onder hen leefde de vraag: wie is de meeste in het Koninkrijk der hemelen? Een voorname plaats verwachtten ze in te nemen. Dat Koninkrijk, dachten ze, zou in deze bedeling tot stand  komen, dat wil zeggen: in deze tijd, met uitwendige heerlijkheid. Had Johannes immers niet geprofeteerd: Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorsvloer doorzuiveren, en de tarwe zal Hij in Zijn schuur samenbrengen; maar het kaf zal Hij met onuitblusselijk vuur verbranden (Luk.3:17). Zal dat niet reeds op deze aarde gestalte krijgen?

Maar wat zien ze? Het wordt eigenlijk alleen maar minder met het aantal mensen dat de Heere Jezus volgt. Velen gaan niet meer met Hem, haken af, zouden wij zeggen. Waar blijft dat Koninkrijk?

Johannes kende ook die twijfel en die strijd: Zijt Gij Degene Die komen zou of verwachten wij een ander? (Luk.7:20)

 

In dit hoofdstuk laat de Heere Jezus in verschillende gelijkenissen zien wat het Koninkrijk der hemelen inhoudt; hoe het zich openbaart, wat de toekomst ervan is, en hoe het ontstaan is ondanks alles wat er tegenop komt.

De gelijkenis van het zaad wijst erop dat niet alle arbeid in het Koninkrijk der hemelen met zegen bekroond wordt. Er is zoveel wat de komst van dat Rijk tegenstaat. Ook de gelijkenis van het onkruid dat tussen de tarwe opschiet laat dat zien.

Het Koninkrijk kent zijn vernedering, maar in zijn verhoging is het als een doorwerkende kracht die naar buiten openbaar komt! Het zal uiteindelijk de hele wereld bereiken; tot aan de einden der aarde. Het mosterdzaadje is wel klein, maar de mosterdstruik is groot en hoog. Zo is het ook met het Koninkrijk der hemelen.

Het heeft ook zijn uitwerking naar binnen; het geeft een vernieuwing van hart en leven, als een zuurdesem doortrekt het ons, totdat we er geheel door vervuld zijn.

 

In de gelijkenis die we overdenken gaat het over onze persoonlijke verhouding ten opzichte van het Koninkrijk, en welke waarde het voor ons heeft. Daarom gebruikt de Heere nu geen beeld uit de natuur, maar het beeld van een man die op een akker werkt en daar een grote schat vindt. Met dit beeld wil de Heere Jezus de grote en uitnemende waarde aangeven van het Koninkrijk Gods.

Onze kanttekenaren zeggen van deze en de gelijkenis die er direct op volgt: ‘Met deze gelijkenissen wijst Christus aan de uitnemende waarde van de leer en de beloften van het evangelie en de ijver en de naarstigheid die men behoort aan te wenden om dezelve te verkrijgen, al ware het met schade en verlies van alle tijdelijke dingen.’ Dus de hoofdbetekenis van de gelijkenis van de schat in de akker ligt in de buitengewone waarde van de belofte van het evangelie en van het Koninkrijk der hemelen, alsmede in de ijver die we, met afzien van het tijdelijke, behoren aan te wenden om het binnen te gaan. Dat is de centrale boodschap.

 

Jongens en meisjes, de buitengewoon hoge waarde die de Heere Jezus toekent aan het Koninkrijk der hemelen behoort ons te bewegen oog te krijgen voor de bijzondere betekenis van de zaken van het Koninkrijk Gods, alsook voor de waarde van de beloften en de boodschap van het Evangelie, die daarin wordt bekendgemaakt.

Om het maar eenvoudig te zeggen: het nieuwe hart dat je nodig hebt is veel meer waard dan alles wat van de wereld is. Eigenlijk is ook de boodschap van deze gelijkenis: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33). Die oproep is zo nodig, want wij zijn geneigd alleen oog te hebben voor het tijdelijke, voor wat van de wereld is en vergankelijk is. Ons hart gaat uit naar de dingen van deze tijd en van deze wereld. Wij hebben door de zondeval verleerd in te zien dat we in God ons hoogste goed behoren te hebben. Wij zijn God uit het oog verloren, we hebben de wereld in ons hart gekregen; wij staan in deze wereld, maar leven ook vaak voor deze wereld en voor het aardse.

 

De vraag mag nu wel gesteld worden: wat heeft de liefde van uw hart? Waar gaat uw hart naar uit? Wat houdt ons het meeste bezig in dit aardse leven? De dingen van deze tijd?

Toch zullen we ze eenmaal moeten loslaten. Dat kan, jongeren, ook in je jeugd. Blijkt het niet telkens weer op een aangrijpende wijze, dat het mogelijk is dat je in de bloei van je leven alles moet achterlaten, dat het eeuwigheid wordt?

Wat baat ons dan onze brommer, wat heb je dan aan je auto, wat heb je dan aan je bezit in deze wereld? Niet dat ik dat gering wil achten, of zeggen: het is van geen waarde, maar wat heeft de hoogste plaats in ons hart?

Als je dit alles eens zou moeten achterlaten, hebben we dan een schat in de hemel? Het kan vandaag onze laatste zondag zijn dat we het Woord horen. Hebben we dan een schat in de hemel?

De Heere Jezus waarschuwt ons allemaal: Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen (Matth.6:19). Zet je hart er niet op! Vergader schatten in de hemel, waar niemand je kan ontnemen wat God heeft geschonken, zelfs de duivel niet! Op díe betekenis wijst de Heere Jezus in de gelijkenis. Hij waarschuwt dat we ons hart niet moeten zetten op het tijdelijke en vergankelijke. Daarom spreekt Hij over een schat, waarmee het Koninkrijk Gods wordt vergeleken. Maar het is een schat die niet zomaar zichtbaar is, een schat waar je oog voor moet krijgen! Dat blijkt uit de gelijkenis.

 

In de eerste plaats is deze schat een gevonden schat; gevonden door een man die op een akker werkte. Die schat was dus verborgen, anders had hij hem niet gevonden. Die schat zat in een stenen vat, of een ijzeren kistje, of wat dan ook, en was begraven onder de grond.

Het was een schat. Onder een schat verstaan we iets wat grote waarde heeft. Er waren in die tijd geen kluizen.  Er waren geen banken of brandvrije kasten. Men verborg wat men bezat in de grond. Dat deed men vaak in huis, onder een lemen vloer. Maar dat wisten dieven; als zij kwamen doorgroeven zij het huis en probeerden zo die schat te vinden. Men begroef hem daarom ook wel buitenshuis, op een plek die men voorzag van een bepaald kenteken, of bijvoorbeeld bij een boom. Zo wist men dan die schat, wanneer dat nodig was, terug te vinden. Het was dus noodzakelijk, net als nu, je eigen bezittingen te beschermen tegen de roof- en hebzucht van de mensen.

 

Die schat was begraven. Degene die dat gedaan had wist die plaats, maar misschien buiten hem niemand. Nu kan die man plotseling gestorven zijn. Er kan iets met hem gebeurd zijn; hij kan bijvoorbeeld meegevoerd zijn in gevangenschap en in den vreemde gestorven zijn. Dan kan het gebeuren dat zo’n schat ergens ligt, zonder dat iemand het weet. Zo kan soms een schat jarenlang, vele tientallen jaren zelfs, ergens liggen zonder dat iemand het weet. Er waren zelfs wetten in Israël die op het vinden ervan betrekking hadden. Want het kan natuurlijk gebeuren dat iemand zo’n schat vindt, waarvan de eigenaar onbekend is. Dat is ook het geval in de gelijkenis die de Heere Jezus uitspreekt.

 

Er is een man die ijverig bezig is op de akker, misschien met ploegen, misschien met spitten. Hij graaft wat dieper, hij ploegt wat dieper dan anders en plotseling stuit zijn werktuig op iets hards. Hij probeert er achter te komen wat het is, en probeert het uit te graven. Is het misschien een grote steen?

Terwijl hij bezig is met graven, ziet hij dat het iets van waarde is, van grote waarde. Het is een schat! Misschien een ijzeren kistje, vol met munten, van goud of van zilver. Met verbazing bekijkt hij wat hij gevonden heeft: een schat, die grote waarde heeft, veel meer dan hij zelf bezit!

Gemeente, zo vergelijkt de Heere Jezus het Koninkrijk Gods met een schat. U begrijpt wel dat dit dan ook een schat moet zijn in de waarneming van ons hart en leven. Een ‘verborgen’ schat wil dus zeggen dat die niet zomaar voor het grijpen is, en de waarde ervan niet te zien is met een natuurlijk oog. Deze man komt in aanraking met een schat van grote waarde. Zo heeft het Koninkrijk van God een eeuwige en oneindige waarde.

 

De eigengerechtigde mens heeft er geen oog voor. Die denkt door zijn doen en laten de zaligheid te kunnen verdienen. Zoals Saulus eertijds door het onderhouden van de wet voor zichzelf een schat hoopte te hebben. Het Koninkrijk Gods, waarin het gaat om de gerechtigheid van Christus, had voor hem geen waarde.

De ongerechtige man, die zijn leven zoekt in de wereld, gaat er aan voorbij. De wereld wil er niets van weten. Die schat van het Koninkrijk houdt voor hen allerminst de rechtvaardigheid voor God in, heiliging van het leven, en straks het eeuwige leven en zaligheid. Men gaat er achteloos aan voorbij en spot ermee!

De wereld, die de kerk veracht, begrijpt niet wat haar beweegt. Het zijn mensen die honderden jaren te laat geboren zijn. Mensen die niet mee kunnen, en in deze tijd niet meer thuis horen. Ze mogen hun opvattingen wel hebben, en dat alles zelf geloven, maar laten ze er alsjeblieft bij mij niet mee aankomen. Aan de rand van de samenleving mogen ze worden geduld, je hebt nu eenmaal altijd bijzondere mensen. Die zitten met mooi weer in de kerk. Wat een vreemde mensen, en dat in deze tijd!

Mensen die zo spreken, moeten niets van die schat hebben. Maar laten we nu niet naar de goddelozen in deze wereld kijken, maar ons afvragen: hoe het is in ons eigen leven? Wat betekent de zaak van het Koninkrijk Gods in ons leven?

 

We hebben zo-even samen gezongen:

 

Hoe branden mijn genegenheên

Om ‘s Heeren voorhof in te treên!

Mijn hart roept uit tot God, Die leeft

En aan mijn ziel het leven geeft.

 

Ligt dat bij ons ook zo? Roept ons hart uit tot God, Die leeft? Zingen wij ook: ‘Hoe lief’lijk, hoe vol heilgenot, o Heer’, der legerscharen God, zijn mij Uw huis en tempelzangen’? Hebben we dat echt gezongen? Kwam het uit uw hart, of zong u zomaar een bekend vers? Maar leeft het dan niet in uw hart? Heeft dat niet de waarde in uw hart en leven die het behoort te hebben?

 

De schat in de akker is een blijvende schat. U zult misschien zeggen: ‘Ja, maar die man kreeg die zomaar in de schoot geworpen. Hij ging naar de akker om daar te werken en plotseling vond hij die schat! Dus, het moet me maar gegeven worden. Als je niet plotseling door de kracht van het Woord gegrepen wordt, blijft zij verborgen. Uiteindelijk kan een mens er niets aan doen.’

Ik sprak eens met iemand op hoge leeftijd, die zei: ‘Nu ja, je kunt er maar zo weinig aan doen, hè?’ Maar, gemeente, wat doen we er aan? Welke plaats heeft het in ons leven? Hebt u zo-even geluisterd naar wat de kanttekenaren zeggen? Dat we met verzaking, met afzien van alle andere dingen, naarstig zouden zoeken naar deze zaken.

Ik weet wel, de Heere kan het zo plotseling schenken. Hij kan als bij een Levi, die in het tolhuis zat, zeggen: Volg Mij (Luk.5:27). Hij kan als bij Zacheüs, die uit nieuwsgierigheid in een boom klom, zeggen: Ik moet heden in uw huis blijven (Luk.19:5). Hij kan als Saulus van Tarsen, die moord en dreiging blies tegen de Heere, iemand stilhouden op de weg…

 

Maar er is nog een andere kant. We moeten niet denken dat de les van de gelijkenis is: wacht maar af tot je het krijgt! De volgende gelijkenis is een gelijkenis van een koopman die schone paarlen zoekt. Die is werkzaam! Zegt het hele Woord van God niet dat we werkzaam dienen te zijn ten aanzien van de zaken van het Koninkrijk Gods? Wijst het hele Woord niet op de noodzakelijkheid van de bekering? Zegt de Heere Jezus niet: ‘Wie zoekt zal vinden, wie klopt wordt opengedaan, wie bidt zal ontvangen’?

Is er ook niet een Nathanaël, die onder de vijgenboom zat? Is er ook niet een Cornelius, wiens gebeden en aalmoezen tot God opklommen in de hemel? Wijst God er niet op in Zijn Woord wat Hem aangenaam is?

Zeggen onze Dordtse Leerregels in het derde en vierde hoofdstuk (artikel 8) niet op grond van het Woord, dat God in het evangelie betoont wat Hem aangenaam is, dat de geroepenen ook komen, dat ze ernstig geroepen worden door de verkondiging van het Woord van God? Hij belooft zelfs met ernst de rust der ziel en het eeuwige leven aan degenen die komen. Zó laag daalt de Heere af.

 

Als u denkt dat deze gelijkenis u een vrijbrief geeft om maar met de armen over elkaar af te wachten, dan verdraait u het Woord van God tot uw eigen verderf! Daar hebben we niemand voor over. De uitnemende waarde van het Koninkrijk der hemelen wordt ons voorgehouden om u werkzaam te maken.

Denkt u erom dat die Schat in het Woord van God verklaard ligt. De Heere laat het Woord van God verkondigen opdat wij daarop acht zouden geven. Die Schat ligt in het Woord om gevonden te worden, en niet om er zomaar te blijven liggen! Maar laten we er maar gerust op zijn dat God Zelf er naar Zijn welbehagen zorg voor zal dragen, dat die Schat gevonden wordt. Hij gaf de middelen waardoor de schat kan worden gevonden.

Die man in onze gelijkenis was dus ijverig op de akker bezig en in zijn ijver vond hij die schat. Hij was er niet aan het schatgraven, dat weet ik. Maar wij moeten ijverig bezig zijn op de akker van het Woord, en zoeken hetgeen tot onze zaligheid dient.

De Heere is vrij van elk van ons. Wij hebben zo-even uit Gods Woord gelezen dat de Heere in Nazareth geen tekenen of wonderen kon doen vanwege het ongeloof. Dat ongeloof stond in de weg. Niet de zonde, maar ons ongeloof houdt ons buiten de zaligheid!

 

Gemeente, al had u al de zonden begaan die alle mensen samen begingen, dan kon u nog zalig worden. Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen worden als sneeuw, of rood als karmozijn, als u zich bekeert zullen ze worden als witte wol, zegt de Heere. Er is een mogelijkheid om zalig te worden voor de voornaamste van de zondaren. O, als we eens oog kregen voor die Schat, wat die betekent voor tijd en eeuwigheid, dan zou u  geen ogenblik rust hebben voor u die had gevonden.

Het dwaze ligt ons bij! Wij zien de waarde van de Schat niet, die in het Woord van God geopenbaard is. Daarom moeten we vragen om ogenzalf, opdat wij zien mogen wie we zijn voor God, en wat er om niet nog voor zondaren te verkrijgen is.

Jongens en meisjes, zoek de Heere vroeg! De Heere roept ook jullie toe om in je jeugd te zoeken wat blijvende waarde heeft, eeuwigheidswaarde.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. Een verborgen schat

 

Deze man vindt dus een schat. Hij ziet geestelijk wat er mogelijk is bij God. Maar, lezen we, hij gaat hem verbergen. Hij stopt hem weer in de grond; hij dekt de aarde weer toe. Zo lijkt het alsof er geen schat in de akker ligt.

Heeft hij er geen belang bij? Zeker wel. Wij lezen in onze tekst dat hij de schat niet alleen verbergt, maar dat hij ook van blijdschap heengaat en alles wat hij heeft verkoopt, om die akker te kunnen kopen.

Hij verbergt hem weer...

Wij zouden zeggen: opgraven en meenemen.

Gemeente, hij was echter pachter, of werknemer. Hoewel hij hem gevonden had, had hij geen recht op die schat. Hij was geen eigenaar van die akker.

In Israël was er echter een wet die voorschreef dat als iemand een schat vond, hij hem slechts hebben mocht als hij ook eigenaar was van de grond. Deze man moest dus eigenaar worden van de akker om die schat te kunnen bezitten.

Hij was een eerlijk man. Hij zegt niet: ‘Zien betekent in bezit nemen. Die schat is voor mij.’ Dat wordt wel veel gedaan. Ook in het geestelijke. In het geestelijke zijn er mensen die horen dat er een Zaligmaker is, ze nemen Hem aan, hebben Hem, en denken een Schat te bezitten.

Onze vaderen spraken wel van ‘een gestolen Jezus’. Zij stelden de vraag: hoe bent u eraan gekomen? Is dat gegaan in de weg van de werkzaamheden, en in de weg van het verbergen? 

Dat verbergen is een wezenlijk kenmerk van het genadeleven. Mensen die het zo spoedig hebben gevonden en het zich toegeëigend hebben, kennen de onderhandelingen van het geloof niet. Gevonden en genomen; dat is hun geloof. 

Zij vragen zich niet af of het hun wettig toekomt. Er moest toch eerst naar de wet gehandeld worden? Je moet toch eerst eigenaar worden van de akker om in het bezit van die schat te kunnen komen?

De man in onze gelijkenis weet dat; hij is een rechtvaardig en oprecht man. Daarom gaat hij heen, al is hij verblijd dat die schat er is en dat die schat zo groot is. Als hij die heeft, is alles wat hij nu bezit van minder waarde dan die schat. Pas dan is hij echt rijk! Dan bezit hij een schat die alles wat hij nu bezit, in waarde ver te boven gaat. Daarom gaat hij heen en is hij verblijd. Maar… hij heeft eerst die schat verborgen.

Gemeente, het komt erop aan in ons leven dat wij dat verbergen kennen. Dat is niet zo maar een toedekken, maar dat is alles doen om wat gezien en gevonden is ook werkelijk in bezit te verkrijgen. Het gaat om het in bezit krijgen van de schat op een rechte wijze. De werkzaamheden daaromtrent zijn op de leerschool van de Heilige Geest niet onbekend.

 

In de eerste plaats is daar het besef van onze onwaardigheid. De hoofdman over honderd roept het uit: Ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen (Matth.8:8). In het verborgene wordt om die Schat gesmeekt; daar zijn de worstelingen aan de troon der genade; daar wordt gezien wie we zijn tegenover God. We zijn het immers niet waard dat God ons die Schat geven zou?

Er zijn jongens en meisjes  die daar ‘s nachts mee bezig zijn. Zij maken hun kussen wel eens nat van de tranen, omdat zij God moeten missen maar niet kunnen missen. Hoe komen ze ooit tot God bekeerd? Dan verliest de wereld haar glans, en is wat ze zelf  bezitten van veel geringere waarde. Het gaat hen dan om het geestelijk goed, dat blijvend is.

Wat is het ingrijpend als je ziet dat je onbekeerd bent, dat je tegen een goeddoend en heilig God hebt gezondigd, dat je schuld openstaat, dat je niets anders hebt te verwachten dan het oordeel van God over je leven! Dan achten we Gods kinderen gelukkig, maar wij staan er buiten.

 

Het verbergen van die schat wil zeggen dat er werkzaamheden zijn die ertoe leiden die schat op een rechte wijze te mogen bezitten. Dat gaat langs de weg van het verlies van eigen leven  en van datgene waarop we ons hart zetten. De wereld kan ons hart niet meer vervullen. We nemen afscheid van de wereld, daarin kunnen we ons niet meer thuis voelen. Maar bij Gods volk durven we ons niet te scharen, ze moesten eens iets van ons denken! We zijn niets, we zijn ellendig, we zijn arm!

Maar we weten wel van een Schat. Dat heeft het Woord van God gezegd, en we worden gedrongen die Schat te verkrijgen. Om die Schat te mogen bezitten, daar gaat ons hart naar uit. Dan sla je geen kerkdienst over. Dan zoek je in het verborgene in het Woord van God en in wat tot onderwijs dient.

 

Die man is er niet maar bij gaan zitten in de veronderstelling dat het een mens moet gegeven worden... Nee, hij is werkzaam. Juist dat verbergen met alles wat er bij hoort, zet aan tot de werkzaamheden die leiden tot het bezit, het rechtmatig bezit van die Schat die ons hart alleen kan vervullen.

Ik denk aan Christen in de Christenreis van Bunyan. Die man leest in het Woord van God  wie hij is, maar ook over de mogelijkheid van zalig worden aan Gods kant. Hij zit niet in wanhoop terneer: dat is mijn lot. Nee, hij zoekt het leven, hij zoekt de zaligheid, hij zoekt de Schat. Hij verlaat daarom de stad Verderf.

De mensen om hem heen, zijn vrouw, zijn kinderen en zijn buren, proberen hem tegen te houden. Ze wijzen hem erop hoe dwaas het is om weg te gaan uit de stad Verderf. Maar hij stopt zijn vingers in de oren en roept het uit: ‘Leven, leven, eeuwig leven!’

Daar ziet u dat verlangen naar die Schat, naar het goed dat blijvend is. Zó werkt de Heere, zó wil Hij laten ervaren dat er bij Hem alles is wat tot zaligheid dient. Langs die weg wordt die Schat ook verkregen.

 

Calvijn zegt ervan dat die Schat zo een oneindige waarde heeft, dat het evangelie die eer, die het verdient, ontvangt boven alle rijkdom, weelde en geriefelijkheid van de wereld. Wij stellen dit zo hoog, dat wij tevreden zijn met het goed wat daarin beloofd wordt en verzaken alles wat ons afhoudt van wat nodig is om die te verkrijgen. Dan leren we, aldus Calvijn, alles schade en drek te achten om de uitnemende rijkdom van die Schat die bij de Heere is.

Alle dingen moeten er dus voor worden verzaakt. De Heere Jezus spreekt over het oog dat wordt uitgerukt, de hand en de voet die ervoor worden afgehouwen. U moet dat natuurlijk niet letterlijk zien, maar van alles wat het verkrijgen van de Schat in de weg staat moet worden afgezien. 

Hoe ver kan dat gaan? Hoe ver moet dat gaan? Wel, gemeente, daar is de Heere vrij in. Abraham was rijk, maar zijn rijkdom stond hem niet in de weg om het goed te verkrijgen. Jozef van Arimathea was een rijk man, het stond hem echter niet in de weg om die Schat te verkrijgen. Maar de rijke jongeling moest alles verkopen en de Heere volgen, want zijn rijkdom stond hem juist in de weg. Alles wat in de weg staat moet worden verkocht. Alles wat het krijgen van die Schat belemmert, moeten we afstaan.

 

De man uit de gelijkenis gaat dus heen en verkoopt alles wat hij heeft. Zo komt hij straks in het bezit van deze schat. Alles wat hij heeft – wie weet heeft hij een huis, een stukje tuin of wat dan ook van waarde – verkoopt hij om de akker te kopen.  Als hij die akker maar bezit, heeft hij, overeenkomstig de wet, ook recht op die schat. Hij is niet alleen verblijd dat die schat er is, maar hij stelt alles in het werk om hem ook te verkrijgen.

Denk niet dat dit zo gemakkelijk is. Want we zijn zo gehecht aan ons bezit, en aan alles wat voor ons hart waarde heeft. Dit alles moeten we kwijt. Pas dan zal de Heere de hoogste plaats in ons hart innemen. Wat van de Heere is moet de boventoon voeren. Het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid moet worden gezocht, dan zullen alle dingen ons worden toegeworpen.

Zo is die man werkzaam. Aan de ene kant het verbergen, aan de andere kant het werkzaam zijn. Verblijd zijn en toch verbergen. Dat is nu het kenmerk van degenen die tot het bezit van deze Schat zullen geraken. Kwijtraken wat van onszelf is, ontvangen wat van de Heere is. Alleen dat heeft waarde.

 

Gemeente, daar zingen we eerst van uit Psalm 19, het vijfde vers:

 

               Des Heeren vrees is rein.

               Zij opent een fontein

               Van heil dat nooit vergaat.

               Zijn dierb’re leer verspreidt

               Een straal van billijkheid,

               Daar z’ all’ onwaarheid haat.

               Z’ is ’t mensdom meerder waard

               Dan ’t fijnste goud op aard’.

               Niets kan haar glans verdoven.

               Zij streeft in heilzaam zoet,

               Tot streling van ’t gemoed,

               De honing ver te boven.

 

In onze derde gedachte schenken we aandacht aan:

 

3. Een verkregen schat

 

Gemeente, de man in onze gelijkenis verkrijgt de schat in de weg van het verkopen. U zult zeggen: ‘Is genade dan te koop?’

U begrijpt wel, genade is om niet. Maar wel moet er alles voor verkocht worden; alles  wat nodig is om die schat te kunnen bezitten. Die dingen moeten we kwijtraken. Dat gaat in de weg van onderhandelen en verkopen. Zo moet het ook in ons leven gaan.

‘Ja’, zult u zeggen, ‘maar wat moeten we dan verkopen?’

U hebt een heleboel om te verkopen! U moet uw eigengerechtigheid verkopen, en uw leven buiten God. U moet uw óngerechtigheid verkopen.

Voor dat verkopen kunt u bij God terecht, namelijk doordat het u tot schuld wordt. Dan ziet u wat het betekent tegenover de Heere, hoe uw leven en bestaan is tegenover God, hoe u in uw eigengerechtigheid en vroomheid uw eigen weg ging. Het wordt tot zonde. En die zonde wordt bij God gebracht.

 

U begrijpt wel dat zonde nooit wordt beloond, dat kan niet. Maar die zonden worden  wel bij de Heere gebracht, en in die weg komt een ruil tot stand.

Uw zonde tegen beter weten in, uw gaan in eigen wegen zonder God en buiten God, de waarschuwingen die u naast u neerlegde, de beloften van het evangelie die u niets achtte; het wordt alles tot zonde en schuld.

Weet u dat u met uw schuld bij God terecht kunt? Dat kan nergens anders. Ga maar naar de bank en toon maar een paar schuldbrieven of schuldbekentenissen. Die bankier zal zeggen: ‘Wat wilt u eigenlijk? U heeft alleen maar schulden!’

Maar met schuld kunt u wel bij God terecht! Dan wordt een wonder boven alle wonderen ervaren. Een genadewonder!

Dan zegt Luther: ‘Hij is mijn gerechtigheid en ik ben Zijn zonde.’ Daar bedoelt hij mee: Hij heeft mijn zonde op Zich geladen en mij Zijn gerechtigheid geschonken. Die zalige ruil, waar Luther van mocht getuigen, is nog steeds de weg waarin de Schat verkregen wordt.

 

Bij God kun je terecht met je schuld. Dat is iets wat tegen onze hoogmoed ingaat.

Wij willen, omdat we maar één weg kennen naar God, ons waardig maken dat God in genade aan ons denkt. Als ik nu maar zó kan bidden en zo’n gestalte heb, zo’n hart meebreng, dan zal God wel horen. Dan zijn we bezig om met koopgeld in onze handen Gods gunst te kopen.

Maar bij de Heere kun je alleen terecht met je schuld, met je zonde. Om ze Hem als het ware uit te leveren: ‘Heere, ik ben een ellendig mens, ik ben een zondaar, ik ben een schuldig mens.’ Want het geloof aanvaardt wat Gods Woord tegen ons zegt, wat ons aanklaagt en tegen ons getuigt. Dan geef je het Paulus niet gewonnen, dat hij de voornaamste van de zondaren is. Dan is er niemand die zoveel kwaad tegenover zoveel goeds bedreven heeft. Ik zal maken dat ze een walging aan zichzelf zullen hebben, zegt de Heere. Ze zullen gevoerd worden met smeking en met geween. Zó zullen ze komen, als zondaar. Pas dan kan God iets aan hen kwijt!

 

Gemeente, er zal geen plaats voor die Schat zijn in ons hart, wanneer wij een koopprijs  in onze handen hebben waarmee we denken iets waard te zijn voor God. Dan krijgt een Zaligmaker geen waarde, dan krijgt een Borg geen waarde. Alleen als we bankroet zijn, pas dan kun je bij God terecht met je schuld!

Dat is een wonder. Want die schuld is schuld bij God. We hebben tegen die heilige, rechtvaardige en goeddoende God gezondigd! Dan is je hart vervuld met droefheid. Een droefheid naar God over die zonde. Dan komen er tranen in je ogen vanwege de smart over de zonde. Dat wordt de diepe smart van je leven. Je leert God rechtvaardig en vrij te verklaren. Maar je komt toch bij Hem terecht. Dan zoeken we wat tot onze zaligheid dient.

Dat kopen door het geloof wordt doorleefd. We hebben niets anders dan schuld voor God, maar toch wordt die lege bedelaarshand opgehouden en gevraagd: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13). Op deze wijze krijgen we op Gods tijd die Schat in bezit.

 

Wie die Schat steelt, wie Hem zomaar toe-eigent, kent deze weg niet. Die heeft aan de ene kant zogenaamd een schat, maar aan de andere kant heeft hij alles van zichzelf nog; die is niets kwijtgeraakt. Dat kun je beluisteren als je een geoefend oor mag ontvangen. Mensen die rijk en verrijkt zijn, ook met wat van henzelf is. Ze hebben niet geleerd te sterven aan zichzelf en eigen leven te verliezen. Want je kunt alleen behouden worden in de weg van het verliezen van eigen leven. In een weg van  het erkennen en het belijden van schuld en zonde vind je een ontfermend God. Wat een wonder aller wonderen dat Hij juist gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is!

 

Gemeente, jongens en meisjes, horen jullie dat? Hij is gekomen om zalig te maken dat verloren is! Voor mensen die al hun bezittingen hebben ingeleverd als schuld bij God, als waardeloos en zonder enige betekenis, voor wie de dood heeft leren schrijven op alles van zichzelf, krijgt een Zaligmaker waarde. Die zoekt het behoud in een Ander!

Op deze wijze nu zoekt de man die schat in zijn bezit te krijgen. Hij verkoopt wat hij heeft, al was hij er nog zo aan gehecht. Het was zijn eigendom, maar alles verbleekt bij de heerlijkheid van die schat. Dan koopt hij de akker, maar niet om de akker. Hij koopt de akker om de schat!

 

Het Koninkrijk der hemelen is als een schat, die in een akker verborgen ligt. Die man  heeft hem mogen zien, zijn waarde gezien, en hij heeft geen rust gekend voor hij die schat verkregen had.

In het Woord van God zijn de schatten van het Koninkrijk der hemelen opgeslagen. In Christus zijn al de schatten der zaligheid samengevat. Het is het welbehagen van God, dat in Hem al de volheid wonen zou. Deze Schat wordt u in het evangelie aangeboden.

U hoeft niet te vragen: Waar ligt die Schat? U hoeft niet naar de hemel op te klimmen, u hoeft niet in de diepte neer te dalen. Het Woord van God is nabij u. Er zijn voor de grootste van de zondaren schatten van zaligheid om niet te verkrijgen.

 

God sluit niemand uit, dan wie zichzelf uitsluit. In Nazareth kon de Heere Jezus vanwege het ongeloof geen tekenen doen. Maar Hij is machtig van het ongeloof te verlossen. Hij is machtig ogen te openen voor de onmisbaarheid, de dierbaarheid en de waarde van de schatten die in het Woord van God geopenbaard zijn. 

De kanttekenaren wijzen op wat in het evangelie wordt verkondigd. Zij zeggen dat we ons moeten inspannen om dat te verkrijgen. Daarvoor moeten we alles over hebben. De wereld moeten we verloochenen. Wat de genade in de weg staat moet worden weggedaan. Dan geldt: Ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uw God hebt overtreden (Jer.3:13).

U mag komen met uw schuld en uw onwaardigheid. De Heere heeft zo graag zondaren aan Zijn voeten, die niet waard zijn dat Hij naar ze omziet. Mensen die zichzelf kennen als de voornaamste van de zondaren, maar de genade nodig hebben die bij Hem om niet te verkrijgen is.

 

Laten degenen die de Heere mogen kennen en vrezen maar meer oog krijgen voor die Schat. Want wie die Schat bezit, heeft alles. We zijn zo vaak weer bezig met wat wij van onszelf nog menen te bezitten. Die Schat verliest in het persoonlijk leven zo vaak haar glans en zijn uitnemende waarde. We worden vaak nog zo verstrikt door wat voorbijgaat, door wat ons hart niet kan vervullen.

De Heere waarschuwt: Zult gij uw ogen slaan op hetgeen niets is, op hetgeen voorbijgaat? Zult u daar steeds mee bezig zijn, en uw Schat in Zijn heerlijkheid niet bewonderen? Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn, zegt de Heere Zelf bij monde van Paulus (Kol.3:2).

Bedenk de dingen die boven zijn, zet daar uw hart op. Want er is in die Schat zoveel te bewonderen; alleen in Hem is alles dat uw hart kan vervullen! Zijn Schat is het onderpand van de zaligheid die niet uit te meten is. Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben (1 Kor.2:9).

 

Wat kunnen we soms weer in het aardse en vergankelijke verstrikt raken. Laat toch het goed dat die Schat vertegenwoordigt, de belofte en de leer van het evangelie, de zaligheid in Christus, de heiliging van het leven en de vernieuwing uit Hem, uw hart vervullen. Wees daarmee bezig! Bewoon deze aarde als vreemdeling, bezit wat u hebt als een rentmeester die eenmaal rekenschap moet afleggen van het rentmeesterschap. Alles gaat voorbij, maar die Schat blijft. Heb daar oog voor, want anders kunnen we zo terneergeslagen zijn wanneer maar een klein deel ons ontvalt.

Ik denk aan Kleingeloof, uit het boek van Bunyan: ‘De Christenreis’, die tegen de vlakte werd geslagen en afgeranseld door een drietal boeven. Hij jammerde luidkeels. Zijn kleingeld was hij kwijt, maar de juwelen, die hij nodig had aan de hemelpoort, hebben ze hem niet kunnen ontnemen. Die bleven in zijn bezit.

We zijn zo vaak als Kleingeloof. Om enkele zaken houden we het geheel verdacht. Maar dan moeten we trachten door te dringen in die uitnemende waarde van die Schat.

 

Er is een volheid waarin we nooit en nooit uitgeleerd raken. In Christus Zelf is die Schat ten volle aanwezig! Het is nodig om op te wassen in de genade en de kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Om meer en meer in Hem gevonden te worden. Om deel te hebben aan hetgeen Hij verworven heeft, en voor ogen te hebben wat in Hem is. Dan verheft ons hart zich tot Hem. Anders kunnen we zo in het aardse opgaan en erin onder dreigen te gaan.

Het gaat om een Schat die nooit vergaat: wel verborgen, maar in het Woord geopenbaard. Laat het ons verlangen zijn te worden onderwezen in wat bij de Heere te verkrijgen is. Al is het met verlies van wat we kwijt moeten, met wat voor God niet houdbaar is, met wat de zaligheid en de genade in de weg staat.

 

Laten we ons verheugen in de God des heils! Naarmate de Heere oog geeft voor de volheid en vastheid van die genade, in die mate zal ons troost en blijdschap geschonken worden, en vrede in het hart.

Paulus mocht er van getuigen: Noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel zal  ons kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere (Rom.8:39). Die Schat is een onverliesbaar goed! Wat is hierbij vergeleken de wereld, het aardse en het vergankelijke?

Daarom eindigen we met het woord van Christus: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth.6:33).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 17: 7 en 8

 

Red mij van hen die ‘t ruim genot

Der wereld voor hun heilgoed achten;

Geen deel, dan in dit leven, wachten,

En maken van de buik hun god;

Van hen die weelde, schatten, staten,

Hoe rijk, hoe uitgebreid, hoe groot,

Verliezen moeten met de dood,

En hunne kind’ren overlaten.

 

Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!)

Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen,

U in gerechtigheid aanschouwen,

Verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.