Ds. D. Rietdijk - Zondag 35

De dienst van God

Deze dienst is in het Woord geopenbaard
Deze dienst wordt met het hart vereist
Deze dienst wordt door de verkondiging onderwezen
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 1
Lezen : Johannes 4: 19-36
Zingen : Psalm 115: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 99: 8
Zingen : Tien Geboden: 3, 9

Gemeente, wij willen met u overdenken Zondag 35 van onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 96: Wat eist God in het tweede gebod?

Antwoord: Dat wij God in generlei wijze afbeelden en op geen andere wijze vereren, dan Hij in Zijn Woord bevolen heeft.

 

Vraag 97: Mag men dan ganselijk geen beelden maken?

Antwoord: God kan noch mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar de schepselen, al is het dat zij afgebeeld mogen worden, zo verbiedt toch God hun beeltenis te maken en te hebben, om die te vereren of God daardoor te dienen.

 

Vraag 98: Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden?

Antwoord: Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, Dewelke Zijn christenen niet door stomme beelden, maar door de levende verkondiging Zijns Woords wil onderwezen hebben.

 

Gemeente, het gaat in deze Zondag over: De dienst van God.

 

Wij letten op drie gedachten:

1. Deze dienst is in het Woord geopenbaard

2. Deze dienst wordt met het hart vereist

3. Deze dienst wordt door de verkondiging onderwezen

 

1. Deze dienst is in het Woord geopenbaard

 

Gemeente, het tweede gebod gaat over de dienst van God. In het eerste gebod ging het over Wie wij moeten dienen. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Dat wil zeggen: wij mogen geen andere God dienen, dan de God Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft.

In het tweede gebod gaat het over hóe wij deze God moeten dienen. En dan laat de Heere ons horen dat Hij bepaald niet gediend wil worden door middel van gesneden beelden, want de letterlijke tekst van het tweede gebod luidt:

Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch enige gelijkenis, van het­geen boven in de hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is, noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen, want Ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, Die de mis­daad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde lid dergenen die Mij haten, maar doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.

Dus niet door middel van beelden, maar met het hart moeten we Hem lief­hebben en Zijn geboden onderhouden. Dat is wat de Heere van ons eist. Het tweede gebod is het grote richtsnoer voor de dienst van God, zoals Hij die in Zijn Woord heeft geopenbaard. Hoe Hij gediend wil worden, heeft Hij nauwkeurig omschreven: niet door beelden, maar met het hart moeten we Hem liefhebben, dienen, vrezen en eren.

 

Waarom heeft de Heere dat gebod gegeven? Wel, omdat de Heere Zijn volk kent en omdat Hij weet wat in het hart van de mens is. Want wij zijn geval­len mensen en we zijn de kennis van God kwijt. Wij weten niet meer Wie God is en hoe God is. En nu tast die van God vervreemde mens als het ware in het duister. Hij gaat God dienen op een wijze die Hem niet eert, maar ont­eert.

Dat begon al in Israël, dat begon al heel vroeg. Toen Israël uit Egypte­land was getrokken en bij de Sinaï was aangekomen, toen Mozes op de berg was en daar bleef, zoals het volk dacht, hebben de Israëlieten een gouden kalf laten maken door Aäron. Zij hebben hun gouden sieraden ingeleverd bij hem en die werden omgesmolten tot het beeld van een kalf, van een gouden kalf, een afgodsbeeld, dat zij in Egypte duizenden malen hadden gezien. Egypte kende het afgodsbeeld van het kalf en dat hebben de Israëlieten nage­maakt in de woestijn.

Ze hebben niet alleen dat beeld gemaakt, maar daarbij ook uitgeroepen: Dit zijn uw goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben (Ex.32:4). Zij hebben om dat gouden kalf gedanst. En zo hebben ze God onteerd, die God Die zoveel wonderen had gedaan in Egypteland en in de uitleiding van het volk.

 

Als het tienstammenrijk zich losgemaakt heeft van Juda, dan is daar Jerobe­am. Hij wil ervoor zorgen dat het volk van het tienstammenrijk niet naar Jeruzalem zal gaan om daar de Heere te aanbidden in de tempel. Jerobeam heeft in het tienstammenrijk twee plaatsen gegeven waar zij de kalveren­dienst zouden kunnen onderhouden: Dan en Bethel. Dan lag helemaal in het noorden, in het uiterste puntje van het land, en Bethel bij de grens met Juda. Daar zouden zij de kalverendienst onderhouden. Op een gemakkelijke wijze kon het volk daar komen. Om politieke redenen heeft Jerobeam deze dienst ingesteld. De profeten hebben met zeer forse bewoordingen die dienst bestraft. ‘Ga niet naar Bethel’, zo hebben zij uitgeroepen, ‘want dat is een dienst die God mishaagt, een afhoereren van de levende God.’

Daarna hebben de Israëlieten van de Kanaänitische volken en van het volk van Tyrus de Astarte en de Baäldienst overgenomen. Zo is de beeldendienst doorgegaan.

 

Maar God kan niet afgebeeld worden in een beeld. God, Die zo oneindig groot is dat Hij ons denken ver overtreft, kunnen wij nooit met onze gedachten omvatten. Waar zouden we Hem mee moeten vergelijken? Zou je de heerlijkheid van die God, Die een Geest is, in hout, steen of metaal kun­nen uitbeelden? Zou het ooit kunnen gelukken om door een bepaalde bewerking van een materiaal Gods deugden af te beelden? Zijn heiligheid bij­voorbeeld, die samengevoegd is met Zijn wijsheid, Zijn liefde, Zijn eeuwig­heid, Zijn alomtegenwoordigheid en Zijn onafhankelijkheid? Hoe zou een mens dat ooit moeten afbeelden? Dat is immers niet mogelijk.

De eeuwige God, Die niet geschapen of gemaakt is, kan door niemand wor­den uitgebeeld. En zou de mens, die van God is afgevallen, die de kennis van God is kwijtgeraakt, die niet meer weet Wie God is, een beeld kunnen maken waarin hij een voorstelling geeft van God? Het kan niet anders zijn dan een belediging van Zijn onmetelijke en oneindige majesteit. Bovendien, God gaat ons denken ver te boven. Hij is niet onderworpen aan ons verstand, maar wij moeten ons verstand onderwerpen aan Hem. Wij kunnen Hem nooit begrijpen, Hij wil alleen geloofd worden. Hoe zouden wij dan zo’n God ooit kunnen afbeelden?

 

De Samaritaanse vrouw, die met de Heere Jezus in gesprek is, stelt het punt aan de orde: ‘Waar moet je God aanbidden? Moet je dat doen in Jeruzalem of moet je dat doen op deze berg?’ Dan zegt de Heere Jezus tot haar: Maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid (Joh.4:23). Het gaat er niet om dat je aan een bepaalde plaats gebonden bent, Jeruzalem, of deze berg, maar het gaat erom dat je God aan­bidt in geest en waarheid.

Elk beeld van God is dus onwaar, een leugen, een miskenning van de hoog­heid van God. Alles wat wij buiten het Woord aan godsbeelden maken, tast de openbaring van de Heere aan, die Hij van Zichzelf gegeven heeft. Wij zijn aan het Woord van God gebonden. Daarin openbaart God van Zichzelf wat nodig is tot Zijn eer en tot onze zaligheid.

Dat wil dus niet zeggen dat God in het Woord geopenbaard wordt in Zijn ganse grootheid en heerlijkheid, want dat zou niet mogelijk zijn. Hij openbaart van Zichzelf zoveel als nodig is tot Zijn eer en tot onze zaligheid.

 

En daarom, om God recht te dienen, moeten wij naar dat Woord, waarin God Zichzelf openbaart, heel nauwkeurig gaan luisteren. Want eigenwillige godsdienst is er ook genoeg te vinden. Dat is een godsdienst waarbij ik niet vraag: ‘Heere, wat wilt U dat ik doen zal?’, maar waarbij ik ga bepalen hoe God gediend zal worden door mij, naar mijn smaak, naar mijn lust en wil.

Als Paulus in zijn brief de Kolossenzen vermaant, zegt hij: ‘Laat je toch niet overhalen om te denken aan allerlei tijden en jaren en maanden en aan het onderhouden van spijswetten. Doe dat toch niet, want al deze dingen zijn van generlei waarde.’ En dan zegt hij er iets heel merkwaardigs bij: ‘Die die­nen alleen tot verzadiging van het vlees.’

Wat bedoelt hij met die woorden? Dat die hele eigenwillige godsdienst die wij opbouwen buiten het Woord, niet deugt. Dan kun je denken aan het zich onthouden van spijzen of bepaalde dagen hoog in ere houden of bepaalde feesten gaan vieren. Paulus zegt daarvan: ‘Kijk, daar word je wat mee. Daar ben je wat mee.’

Zodra je buiten het Woord gaat in de wijze waarop God gediend wil worden, ben je bezig er zelf wat mee te worden. Dan word je een grote man of een grote vrouw en heb je bijzondere dingen, maar dan word je nooit klein voor God en word je nooit een arme zondaar voor God. Dan buig je nooit diep voor God. Dan ben je misschien wel een fiere man en een mens die precies weet hoe het allemaal moet en hoe het allemaal gaat, maar dan ben je geen arme zondaar die van genade moet leven. Dan willen we ook geen arme zondaar zijn. Dan willen we ook niet uit die genade van God leven, en willen we geen schuld bekennen voor Zijn aangezicht. Eigenwillige godsdienst dient tot verzadiging van het vlees. Daar word je wat mee.

 

Israël heeft er ook mee te maken gehad. Israël heeft telkens weer de beeldendienst ter hand genomen. De kerk van Christus van het Nieuwe Tes­tament is er ook niet vrij van gebleven.

Het is duidelijk dat onze onderwij­zers zich in de hele behandeling van dit gebod duidelijk gaan richten tegen de Roomse kerk. Die heeft de beeldendienst in de loop der eeuwen ingevoerd en als noodzakelijk gezien. Men zegt dan wel dat men die beelden niet aan­bidt, maar dat door die beelden je gedachten worden geleid, bijvoorbeeld naar de Heere Jezus, naar Maria of andere heiligen. Maar in feite is dat maar een gradueel verschil. Er is maar een heel klein stapje nodig om van het den­ken aan over te gaan naar het in dat beeld aanbidden van God of van de Heere Jezus of van wie dan ook.

 

En, gemeente, nu gaat het om u. Wij hebben geen beelden in de kerk. Maar er staat in Zondag 23 dat wij tegen al de geboden van God gezondigd hebben en nog nooit één van die gehouden hebben en dat wij nog steeds geneigd zijn al die geboden te overtreden. Wel, dan moet u ook schuldig staan aan dit gebod. Als u echt nog nooit één van die geboden hebt gehouden, maar ze allemaal hebt overtreden, dan moet u dus ook dit gebod overtreden hebben.

U zult zeggen: ‘Ja, maar hoe dan? Wij hebben toch geen schilderijen, beel­den of andere voorwerpen die wij aanbidden?’ Nee, dat is zo. Maar u hoeft niet alleen beelden te maken van hout, steen of metaal. U kunt ook beelden van God maken in uw gedachten. Dan hebt u denkbeelden van God. En die denkbeelden zijn eigengemaakte beelden. Dat is een overtreding van het tweede gebod, want dan bent u ook buiten het Woord bezig.

Dan denk ik bijvoorbeeld aan een God die uit louter liefde bestaat, maar die nooit een God is die heilig en rechtvaardig is, die de zonde straft en de zonden ook straffen zal.

 

Dan ga ik denkbeelden maken van God zoals de farizeeër dat deed. En farizeeërs waren bepaald geen beelden­dienaars. Het farizeïsme is juist opgekomen na de ballingschap en daarna heeft Israël geen beeldendienst meer gekend. Het farizeïsme heeft zich op de wet van God gebaseerd, heeft de wet uitgelegd naar eigen inzicht.

De farizeeërs zijn begonnen een leer te leren over wat je doen en wat je laten moet om God tevreden te stellen. Ze zijn gaan bouwen aan een eigen gerechtigheid om voor God te kunnen verschijnen. Met hun gebedskwastjes en -riemen, met het bidden op de hoeken van de straten, het vasten, met het tienden geven over alles wat zij bezaten, waren zij bezig om op een eigen­willige wijze God te dienen.

Deze farizeeërs kenden de levende God niet zoals Hij Zich in Zijn Woord openbaart. Als die God, Die rechtvaardig is en heilig en Die alleen Zijn barmhartigheid kan bewijzen wanneer aan Zijn recht genoeg gedaan is. En dat kan alleen in de Heere Jezus Christus, de Zoon van Gods eeuwige liefde.

 

Wat heeft de Heere Jezus die eigenwillige godsdienst gestriemd! Hij is de tempel ingekomen en heeft gezien dat de tempel tot een huis van koophan­del gemaakt werd, want daar zaten geldwisselaars. En u begrijpt wel waar het om gaat. Men gaf aan God niet met gulle hand, maar die geldwisselaren waren nodig om net het minste, het kleinste te geven wat men vinden kon. Jezus heeft ze gestriemd. Hij heeft ze met een gesel uit het voorhof gejaagd.

 

Zijn discipelen waren ook niet vrij van verkeerde denkbeelden en zeiden: ‘Heere, zullen we vuur bidden van de hemel?’ Dan zegt Hij: Gij weet niet van hoedanige Geest gij zijt (Luk.9:55). ‘Ik ben niet gekomen om vuur te bidden van de hemel, Ik ben gekomen om barmhartigheid te bewijzen en om genade te geven. Ik ben gekomen om zalig te maken, niet om vuur te bidden van de hemel.’

Daar hebt u de verkeerde gedachten van de discipelen, die onmid­dellijk wraak wilden uitoefenen over degenen die de Heere niet wilden ont­vangen.

 

En, gemeente, zo is de mens altijd maar bezig om buiten het Woord om voorstellingen van God te maken, die met dat Woord niet kloppen. Ook maken we van het werk van God systemen die met het Woord van God niet overeenstemmen. En dan krijgt u de verstarring. Men heeft een beeld dat handen heeft, maar niet tast, ogen heeft, maar niet ziet, een mond heeft, maar niet spreekt.

Wat hebben wij het nodig elkaar toe te roepen dat de Heere geen beelden­dienst wil. Hij wil niet dat wij in onze gedachten beelden van Hem maken. Hij wil geen godsdienst waarvan wij denken dat die beter en zwaarder en cal­vinistischer is dan een andere godsdienst. We zullen zalig moeten worden zoals God dat aanwijst in Zijn Woord: alleen door het geloof in de Heere Jezus Christus.

Gemeente, eigenwillige godsdienst mag nooit worden bestraft! Je mag heus wel wat van de zonde zeggen, maar niet van de eigenwillige godsdienst, want dan worden de mensen kwaad. Je mag nooit gaan heenwijzen naar dat ene wat nodig is: om in die gekruisigde Zaligmaker alleen de genade te vinden voor tijd en eeuwigheid. Maar alleen in Hem is de genade te vinden om voor God te kunnen bestaan. Genade alleen. En als u dat ontdekt, dan ziet u dat het kruis van Christus alle godsdienst buiten het Woord kruist.

Daar waren mensen op Golgotha, die geroepen hebben: ‘Kruist Hem!’ en die met Hem gespot hebben. Dat waren mensen met een eigenwillige gods­dienst. Dat waren mensen met een eigengerechtigheid. En die hebben zich gestoten aan dat kruis van Christus, aan de Gekruisigde.

O, wat moeten wij het leren dat God alleen gediend wil worden op Zijn wijze, zoals Hij in Zijn Woord aangeeft! Wij moeten bedenken dat die beeldendienst, die dienst waarbij we dus met hout en steen of in onze gedachten bezig zijn met beelden van God te maken, de dienst des Heeren niet is.

 

Wat is nu de rechte dienst van God? Wel, dat is liefde en lof te offeren in het heiligdom waar het volk vergaderd is. Dat is een geestelijke dienst.

Dat is de dienst van die tollenaar, die achter in de tempel stond en eigenlijk niet goed durfde kijken. Hij hield zijn hoofd naar beneden, sloeg op zijn borst en had maar een kort gebed, zomaar één zinnetje: O God, wees mij, zondaar, genadig (Luk.18:13). Dat wordt door Jezus aangeduid als de rechte dienst van God. Klein, onwaardig en schuldig stond deze tollenaar voor God.

U vindt die rechte dienst van God ook bij David, als hij bidt: ‘O God, wees mij genadig, vergeef mijn schuld, mijn bloedschuld toch, hoe billijk ook te doemen.’

U vindt die rechte dienst van God in het huis van Simon de fari­zeeër, bij die vrouw die boog aan de voeten van de Heere Jezus, die Zijn voeten nat maakte met haar tranen en ze afdroogde met haar haar. Jezus zegt: Haar zonden zijn haar vergeven, die vele waren; want zij heeft veel liefgehad (Luk.7:47).

U vindt die rechte dienst van God bij de moordenaar aan het kruis, die tot zijn medebroeder in het kwaad zegt: Wij toch rechtvaardig, want wij ont­vangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. Hij gaat bidden: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk.23:41-42).

Die rechte dienst van God vindt u ten slotte bij die blinde in de poort van Jericho, die gebeden heeft: Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner! (Luk.18:38) En als de Heere hem vraagt: Wat wilt gij dat Ik u doen zal?, dan is het antwoord: Heere, dat ik ziende mag worden (Luk.18:41).

 

Gemeente, daar hebt u de rechte dienst van God: als een arme zondaar aan de voeten van de Heere terechtkomen. De hele Bijbel staat er vol van. Of u Paulus neemt of David, of u Petrus neemt of Mozes, in de hele Bijbel vindt u mensen die als schuldenaar gebracht worden aan de voeten van het Gods­lam. Want dit is de wil van God, dat u gelooft in de Naam van de Zoon van God.

Zo had je in het oude Israël de verordineerde tempeldienst met het verzoe­nende bloed, waar alles sprak van Christus en van de vergeving door bloed­storting. Alles gewaagde daar van de barmhartigheid van God door de dood van een Ander. Alles wees heen naar de gekruisigde Christus. In het Nieuwe Testament gaat het licht van de kennis van God op in het aangezicht van de Heere Jezus Christus.

 

2. Deze dienst wordt met het hart vereist

 

Het geloof is dus een hartenzaak. De dienst van God is een hartenzaak. De dienst van God is geen uiterlijke vormendienst, maar een zaak van het hart, dat uitgaat om de Heere te zoeken. In mijzelf kan ik het niet vinden, en ik bewandel zo dikwijls verkeerde paden om Hem te zoeken. Maar de Heere ontsteekt het licht door het Woord en door Zijn Geest in ons hart en dan wordt alles anders. Als Hij dat licht gaat ontsteken, als Hij ons de rechte weg gaat wijzen om Hem weer te kunnen ontmoeten, dan wordt alles anders.

Dan gaat u anders in uw Bijbel lezen, dan gaat u anders bidden, dan wordt uw kerkgang anders. Want dan gaat het erom de Heere te mogen ontmoe­ten in de kerk. Dan gaan we zoeken om met Hem verzoend te worden. Dan gaan we vragen om de vervulling van Zijn beloften.

 

Gemeente, dan gaat de Bijbel ons steeds duidelijker aanwijzen dat er maar Eén is, Die Zijn Vader heeft gediend. Hij heeft dat gedaan vanaf het ogen­blik dat Hij in de wereld kwam, in de kribbe werd gelegd in de stal van Beth­lehem, tot op het ogenblik waarop Hij zegt: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk.23:46). Dan hangt Hij als Triomfator aan het kruis, en dan zegt Hij: ‘Vader, daar is Mijn geest, onbevlekt en onbezoedeld. Uw Naam alleen zij geëerd.’ Toen mocht Hij Zijn geest opdragen aan Zijn Vader. Hij heeft de Naam van Zijn Vader verheerlijkt. Wat was dat een harten­zaak! Die Naam van Zijn Vader was in Zijn hart. En die Naam van Zijn Vader was ook op Zijn lippen. Hij leefde voor die Naam en Hij leefde tot eer van die Naam. En met die Naam op Zijn lippen is Hij gestorven.

En wat God nu van ons vraagt, is: ‘Wie de Zoon eert, die eert ook de Vader, Die Hem gezonden heeft.’ En wie eert nu de Zoon? Díe mens eert de Zoon, die met de schuld van zijn leven, met de dwaasheid van zijn zonde, met het verderf dat hij in zichzelf vindt, tot deze Jezus de toevlucht neemt, opdat hij door Hem gereinigd, gewassen en naar Zijn beeld vernieuwd zou worden.

 

Christen zijn, dat is gezalfd zijn met de Heilige Geest, opdat ik Zijn Naam zou belijden en opdat ik zo mijzelf tot een levend dankoffer Gode zou opof­feren en zo tegen al de zonden zal strijden. Daar hebt u de rechte dienst des Heeren. Zijn Naam belijden, tegen de zonde strijden, mijzelf Hem opoffe­ren en het beeld van Christus dragen door de zalving met Zijn Heilige Geest.

Wie de Zoon niet eert, die eert ook de Vader niet. Dat is vanzelfsprekend. Wie aan de Zoon voorbijloopt, die eert de Vader niet, die onteert de Vader, zelfs in het Liefste wat Hij heeft. Want Christus is naar deze wereld gezon­den als het geschenk uit het hart van de Vader, als het geschenk van de eeu­wige liefde van de Vader. En wie nu dat liefdesgeschenk van de Vader voor­bijloopt, wie daar niet naar omkijkt en wie daar niet naar vraagt, die onteert de Vader.

 

Gemeente, wat wordt dan de dienst van God een totaal andere. Wat wordt dat dan een tere dienst! Dan gaan we luisteren met het oor van het hart, om te gaan horen of wij Zijn stem vernemen, of wij Hem in Zijn Woord mogen ontmoeten en onderwijs van Hem mogen ontvangen in de wegen des Hee­ren.

Wat gaat de kerkdienst dan een tere, een heel belangrijke zaak worden! Want nu gaat u het zien in het licht van het tweede gebod. Dan gaat het om dat ene beeld, dat God Zichzelf gemaakt heeft. God heeft Zichzelf een beeld gemaakt en dat is de Heere Jezus Christus. Van Hem wordt gezegd dat Hij het uitgedrukte beeld is van Vaders zelfstandigheid en een afschijnsel van Zijn heerlijkheid. God heeft Zelf een beeld gegeven.

Wij mogen geen beelden maken en het beeld dat wij van God gedragen heb­ben, zijn we kwijt, dat hebben we verloren in het paradijs. Maar nu heeft God een beeld van Zichzelf gegeven in de Zoon van Zijn liefde. Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien (Joh.14:9). Wie Hem gezien heeft door het geloof, die heeft ook de Vader gezien. En als wij gaan zien dat Christus het beeld van God is en dat wij het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig moeten wor­den, dan moeten wij geen beeld máken, maar dan moeten wij het beeld van God zíjn. Dat kunnen wij weer worden door de vernieuwing van de Heilige Geest.

 

En nu gaat het tweede gebod ons ernstige dingen zeggen: God bezoekt de zonden der vaderen aan de kinderen, tot aan het derde en vier­de lid dergenen die Hem haten.

Dat is heel wat! God gaat dat verlaten van Zijn reine dienst straffen in de geslachten. En dat ziet u nog. Ouders, neem het mee, dat de Heere straft. Het nalatig zijn in de dienst van God werkt door tot in het derde en het vierde lid dergenen die Hem haten. Dat ver­achten van de dienst van het Woord, het niet waarnemen van de dag des Heeren en het niet op een getrouwe wijze komen in het huis des Heeren, niet leven bij het Woord van God in de week en niet met uw kinderen bij dat Woord van God stilstaan, dat heeft ernstige gevolgen. Dan moet u het zien tot in het derde en vierde lid dergenen die God haten.

En in de praktijk van het leven kunt u het zien. Het derde lid is niet uw kind, niet uw kleinkind, maar zelfs uw achterkleinkind. Dat zal gestraft worden vanwege het nalatig zijn in de dienst van God, vanwege het verachten van de dienst van het Woord, vanwege het minachten van Hem, Die door de Vader in de wereld gezonden is en Die het beeld van de Vader geworden is.

 

Het derde en vierde lid dergenen die Mij haten. Je komt het tegen, soms op een schrille wijze, op begrafenissen. Wat is het dan schrijnend als je ziet dat inderdaad het derde of vierde lid niet meer weet wat er in het Woord van God staat, niet meer weet wat het betekent om met elkaar een gebed te doen en niet meer weet wat het betekent om een psalmvers met elkaar te zingen en in het licht van het Woord van God bij de dood stil te staan.

Het derde en vierde lid. Het ligt zo dichtbij. Gemeente, wat is het ver­schrikkelijk om dat te zien! O, u kunt niet straffeloos met de dienst van God doen wat u wilt. Daar kunt u niet kritisch mee omgaan. Want die kritiek werkt als een verderf en vreet door als de kanker in de geslachten. Dat ziet u, dat merkt u, dat komt u tegen. Gods Woord is nog steeds waar. In het derde en vierde lid van degenen die Mij haten. De Heere laat het zien in Zijn Woord. De afgodische koningen uit het tienstammenrijk regeerden tot in het derde, hooguit vierde geslacht en dan was dat huis weg.

 

God is een ijverig God, staat er. Dat wil zeggen: Hij is een jaloers God. God is heilig jaloers op Zijn eer. Want Hij is God en wij zijn het maaksel van Zijn handen, dat tot eer van God geschapen is.

God heeft aan de gevallen mens de dienst der verzoening gegeven. Maar wie die dienst gaat verlaten en er minachtend over spreekt, komt daar niet meer terecht. En dat werkt door tot in het derde en vierde lid toe. Dan gaan de kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van het Woord van God en van de dienst van God af en zo gaat een geslacht verloren.

 

Zet daar dan eens tegenover wat de Heere in het tweede gebod er bij zegt: Maar Ik doe barmhartigheid… en dan gaat het niet meer over het derde en vierde lid, maar aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn gebo­den onderhouden.

Dat gaat om de dienst van God. Dan ziet u ook een doorgaan. En dan hoef ik dat niet te noemen, dan hoef ik dat niet op een bijzondere wijze aan te duiden, maar dan is het duidelijk dat de Heere dat ook doet. Aan duizen­den dergenen die Hem liefhebben, bewijst Hij barmhartigheid. Hij is die God van Sion, Die van geslacht tot geslacht is, Die van ouders op kinderen doorgaat en betoont dat Hij Zijn genade wil bewijzen aan kinderen en kindskinderen. Ook dat kunt u opmerken op begrafenissen. Er zijn begrafe­nissen waarbij u duidelijk kunt zien dat de Heere Zijn hand van barmhar­tigheid heeft uitgestrekt.

 

Gemeente, wat luistert het nauw. Wat luistert het precies. U zegt misschien: ‘Is dat niet al te precies?’ Dat zeiden ze tegen een Schotse oudvader ook: ‘Wat bent u precies.’ Hij antwoordde: ‘Ja, dat is waar, maar ik dien een pre­cieze God.’ Dat is het. Laten wij bij de dienst van God zorgvuldig stilstaan. De Heere zegt het: Het derde en vierde lid dergenen die Mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben.

Laat dan onze dienst een geestelijke dienst mogen zijn en laat ons hart naar Hem mogen uitgaan. Die God is de Troost in noden en de Hoorder van het gebed. Van die God zong de dichter in Psalm 99 vers 8:

 

Geeft dan eeuwig’ eer
Onze God en Heer’;
Klimt op Sion, toont
Eerbied, waar Hij woont,
Waar Zijn heiligheid
Haren glans verspreidt;
Heilig toch en t’ eren
Is de Heer’ der heren.

 

3. Deze dienst wordt door de verkondiging onderwezen

 

De opstellers van onze catechismus hebben nog één opmerking: ‘Ja, maar toch kun je je voorstellen dat zo’n beeld of schilderij, als het boek der leken (zo werd dat in de Roomse kerk gehanteerd) dienstbaar is om onderwijs te geven. Je laat iets zien. En wat je ziet, blijft langer in je geheugen hangen dan wat je hoort.’

Dat blijkt in onze dagen ook wel, ook buiten de kerk. Maar hoe wij ook redeneren, God wil niet dat zien indringender is dan alleen maar horen. Als je hoort en ziet, heb je twee middelen en dringt het eigenlijk via twee poorten door tot de ziel van een mens. Maar dan zegt de catechismus: ‘Nee, wij moeten niet wijzer zijn dan God.’

 

Er zijn een heleboel mensen die wijzer willen zijn dan God. Velen zeggen: ‘De kerkdienst, dat is het niet, je kunt God ook in het bos dienen.’ U kent dat natuurlijk wel. ‘Je kunt ook buiten in de natuur God dienen.’ Wie maakt dat uit? Dat maken wij niet uit waar je God moet dienen, dat maakt God Zelf uit. Wij moeten niet wijzer zijn dan God.

Anderen zeggen: ‘Kijk, een tweede dienst houden op een zondag is hele­maal niet nodig. Als je dat één keer doet, is dat voldoende.’ Wie maakt dat uit? Dat doen wij niet. Laat dat maar aan God over. Als wij in de kerk zitten en de prediking heeft zijn loop, dan zeggen we: ‘Dat is moeilijk, hoor.’ Ja, als u zes dagen lang niet verder komt dan de krant en als u misschien zes dagen lang uw ogen zit uit te kijken op een televisie, dan moet u niet ver­wachten dat de taal van de prediking, die over een geestelijke zaak gaat, u en uw kinderen aanspreekt. Daar ligt een wereld van verschil tussen. Dat is van­zelfsprekend.

 

Lodenstein, een predikant uit de Nadere Reformatie, iemand uit de zeven­tiende eeuw, zegt in het boek ‘Beschouwingen van Sion’, over de kerk van zijn dagen: ‘Ja, het is erg moeilijk om met een blinde over kleuren te spreken.’ Dat is een duidelijk voorbeeld. Het is heel erg moeilijk om met een blinde over kleuren te spreken. Als u uw gedachten nimmer bezighoudt met de dienst van God en daar nooit eens wat over leest en u de taal van de Bijbel en van de belijdenisgeschriften niet kent, dan gaat de boodschap aan u voor­bij. Dan pakt het u niet, dan zijn de begrippen onbekend, dan heeft het geen vat op uw hart.

Niet wijzer zijn dan God. En dat is dat wij naar het huis van God getrouw komen, dat wij daar tweemaal op een zondag komen en ons ook in de week met het Woord van God bezighouden. Zo lief onzer ziele zaligheid is.

 

God heeft gewild dat Zijn christenen op geen enkele andere wijze dan door de verkondiging, de levende verkondiging van het Woord, zouden worden onderwezen.

De levende verkondiging van Zijn Woord staat tegenover de stomme beelden. Beelden zeggen niets, maar het gaat om de levende ver­kondiging van Zijn Woord, om de stem van de prediking van het Woord.

En daarvoor heeft de Heere ook Zijn ambten gegeven. Die ambten, dat kunt u lezen in Efeze 4 vers 11, zijn hemelvaartsgeschenken van Jezus en die ambten heeft Hij gegeven tot opbouw van het lichaam van Christus, tot volmaking der heiligen.

Mensen die dat ambt ontvangen hebben, gaan preken en het Woord ver­kondigen. En nu wil de Heere dat eenvoudige werk gebruiken in Zijn hand om Zijn christenen te onderwijzen. Een prachtig beeld, een mooie zin: Hij wil Zijn christenen door de levende verkondiging van Zijn Woord onderwe­zen hebben. Dus een christen blijft altijd leerling, discipel van de Heere Jezus Christus. Die heeft altijd weer opnieuw onderwijs nodig, nader onderwijs in de weg des Heeren.

 

En de Heere geeft dat onderwijs niet door stomme beelden. Dat deed Hij bij Zijn discipelen ook niet. Hij gaf onderwijs door middel van het Woord en dat doet Hij vandaag de dag nog. De levende verkondiging van het Woord. En dan moet dat Woord ook gepredikt worden. Het Woord eist van de dienaar een luisteren naar dat Woord, een biddend bezig zijn met het Woord van God, om daarin te graven en om dat Woord van God aan de gemeente mee te delen, te verkondigen.

Het werk van de heraut is: in de Naam van God u te verkondigen dood en leven, gericht en genade, zonde en verzoening. En de verkondiging van het Woord van God is zo nauwkeurig, dat de Heere daar wil werken waar dat Woord wordt opengevouwen. Uitgelegd, dat in de allereerste plaats, en toegepast.

Dan gaat het niet om een bijzonder actuele prediking. Ik denk dat met de hele politieke prediking in deze tijd de kerk wordt afgebroken. De prediking moet prediking van het Woord van God zijn. Dat is de prediking van het heil dat in Christus is, en dat is altijd actueel. Die actualiteit begon al in Genesis 3 vers 15, waar God als Allereerste de moederbelofte van het genadever­bond gepredikt heeft. En die actualiteit is vandaag nog precies dezelfde.

 

Ouden van dagen, laat ik met u beginnen. Die actualiteit is zo groot, dat u zich moet afvragen: heb ik al deel aan de Heere Jezus? Is Hij Mijn Zalig­maker? En als dat nu niet waar is, als die vraag beantwoord moet worden met ‘nee’, als u daar twijfelachtig over bent, o, buig dan uw stramme, oude knieën voor die God van het leven en vraag Hem of Hij u Zijn genade in Christus Jezus wil bekendmaken.

En als je midden in het leven staat, vader en moeder bent van kinderen, dan is de actualiteit dit: ‘O God, ontferm U over mij en over mijn kinderen!’ Want dan is er een nageslacht dat aan uw zorg is toevertrouwd en dan heeft u er weinig aan te weten hoe de politiek in elkaar zit. U hebt er alles aan om te weten: ben ik met mijn kinderen geborgen in de ark van de meerdere Noach?

En jongens en meisjes, als je jong bent en je in de lentetijd van je leven staat, dan bruist alles in je. De wereld trekt en lokt. Er is maar één actuele pre­diking en wel deze: Christus wordt je gepredikt als de Zaligmaker, Die juist jouw ziel kan bewaren en je het hoogste goed wil geven, waar je de tijd mee door kunt en de eeuwigheid mee aan kunt doen.

Telkens opnieuw komen de berichten binnen van een ongeluk en dat kan jullie ook overkomen. En dan is er maar één ding actueel: ben ik gevonden en geborgen in de Heere Jezus Christus als een arme en een verloren zondaar?

Jongens en meisjes, laat dat het allernodigste in je leven zijn. Smeek daarom, roep tot God, vraag Hem, houd aan, bid! Want Hij antwoordt degenen die tot Hem roepen.

Kinderen, wat hebben jullie nodig? Als je denkt aan wat je nodig hebt, dan zit je misschien aan morgen te denken, aan wat je graag wilt hebben. Net als met een verjaardag maak je een verlanglijstje. Bovenaan staat wat je graag wilt hebben en dan ga je naar beneden toe en dan kom je tot het laatste wat overblijft. Als je nu eens een verlanglijstje moest maken, wat staat er dan bovenaan? Zou daar één keer de Heere bij staan of komt Hij er niet op voor?

Of is het zo, dat je zegt: ‘Ja, dat zou ik echt het allerliefst willen hebben, een nieuw hart.’ Zou dat het zijn? Vraag het eens aan jezelf en vraag het dan maar aan de Heere. Zeg maar: ‘Heere, ja, ik moet een verlanglijstje maken en U zou bovenaan moeten staan, maar het is zo vaak anders. Zou U het anders willen maken? Zou U willen geven dat U bovenaan staat?’ Want Hij kan dat doen. Hij wil gebeden zijn in geest en waarheid, opdat wij Hem zou­den leren dienen en vrezen zoals Hij dat waard is.

En dan doet Hij barm­hartigheid aan duizenden dergenen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden.

 

Amen.

 

Slotzang: Tien Geboden: 3 en 9

 

Voor beeldendienst zult gij u wachten;
Ik ben de Heer’, een ijv’rig God;
‘k Straf dien in drie en vier geslachten;
Maar schenk Mijn dienaars ‘t zaligst lot.

 

Och, of wij Uw geboôn volbrachten!
Genâ, o hoogste Majesteit!
Gun door ‘t geloof in Christus krachten,
Om die te doen uit dankbaarheid.

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).