Ds. D. Rietdijk - Zondag 34 : vr. en antw. 94 en 95

Het eerste gebod

De grondslag van de wet
De godsvrucht naar het vlees
De godsvrucht naar de Geest
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 1
Lezen : Mattheüs 4: 1-11
Zingen : Psalm 105: 5, 6, 7
Zingen : Psalm 103: 9
Zingen : Psalm 25: 2

Gemeente, wij willen met u behandelen het tweede gedeelte van Zondag 34, vraag 94 en vraag 95.

 

Vraag 94: Wat gebiedt God in het eerste gebod?

Antwoord: Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, tover­ij, waarzegging, superstitie of bijgeloof, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen, mijde en vliede, en de enige ware God recht lere kennen, Hem alleen vertrouwe, in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid mij Hem alleen onderwerpe, van Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harte lief­hebbe, vreze en ere, alzo dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen Zijn wil doe.

 

Vraag 95: Wat is afgoderij?

Antwoord: Afgoderij is in de plaats van de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen zet.

 

Gemeente, het gaat nu over het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

 

We letten op drie dingen:

1. De grondslag van de wet

2. De godsvrucht naar het vlees

3. De godsvrucht naar de Geest

 

1. De grondslag van de wet

 

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Dat is het eerste gebod en tevens de grondslag van alle andere geboden die volgen. Vanuit dit gebod vloeien alle andere geboden voort. De gehoorzaamheid aan al die negen andere geboden is er alleen wanneer we dit eerste gebod gehoorza­men. Het is dus de grondslag voor de gehele wet. Want dit eerste gebod rust in de aanhef: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

Het is de Verbondsjehova, Die daar spreekt. Ik ben de Heere uw God, Die u uitleidde. Die God Die Zich in een verbondsbetrekking tot de kinderen Israëls gesteld heeft bij de Sinaï. Want de verlossing van het volk van Israël uit Egypte gewaagt van Zijn liefde tot dat volk. Zij gewaagt van de trouw die Hij heeft, want de belofte aan Abraham gedaan, heeft Hij ook aan Izak gegeven en aan Jakob herhaald. Die heeft Hij ten slotte vervuld door het volk op te halen uit Egyp­te. ‘Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland verlost heeft.’

 

Als de Heere dan zo’n God is, Die Zijn trouw, Zijn liefde als de Verbonds­god aan Israël verbonden heeft, dan heeft dat verloste volk alleen de Heere als God te dienen. Hij is het immers waard om gediend en gevreesd te wor­den! Als die God dan zulke machtige dingen deed om te verlossen, dan is Hij het toch waard om gediend, geëerd en gevreesd te worden.

Dan heeft God recht op al je gedachten, op al je krachten, op je hart, op je ziel. Dan heeft Hij ook als Schepper en Onderhouder recht op ons. God heeft er recht op dat wij Hem als zodanig erkennen. Maar die verhouding tot Hem wordt veel nauwer, veel teerder, door de verbondsrelatie, door de blijken van Zijn liefde en trouw aan zondaren en goddelozen bewezen.

 

Dan is het temeer, dat God eisen mag: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. U voelt het wel: tegenover het Ik ben van de aanhef, staat het Gij zult van het eerste gebod. Die twee zaken horen bij elkaar. Zij zijn tegenpolen van elkaar. De Ik-gij-verhouding bepaalt het eer­ste gebod. Geen derde mag tussen Israël en de Heere komen. Geen derde mag tussen de gemeente van de Heere Jezus Christus en God komen. Het gaat hier immers om de verhouding van de kinderen van God tot God, hun Vader!

Zo teer ligt die verhouding. En als die verhouding recht gezien wordt, dan zullen we moeten erkennen dat de Heere recht heeft om tot ons te zeggen: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

 

Wij moeten bedenken dat wij in het stuk van de dankbaarheid niet bezig zijn over de wet als de kenbron van onze ellende. Dat hebben wij gehad in Zondag 2, toen daar de samenvatting van de wet werd gegeven en van ons geëist werd dat wij God boven alles zouden liefhebben en onze naaste als onszelf. Nu zijn we bezig met de regel der dankbaarheid die de Heere ons stelt. De Heere heeft die aan Zijn kerk in het verbond der genade gegeven. We moe­ten dus bij elk gebod bedenken dat het staat onder de koepel van de aanhef: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

 

Het gaat dus om de praktijk der godzaligheid, om godsvrucht, om de tere vreze des Heeren. Dan gaat het om het leven door Zijn Geest. Laten wij dat niet vergeten. Want anders gaan wij met de wet des Heeren, zoals die hier behandeld wordt door onze catechismus, op een wettische wijze om. Dan raak je in een wettische dienstbaarheid verzeild. Je krijgt dan allerlei won­derlijke regels van de wet des Heeren, die niets anders zijn dan regels van mensen.

Het gaat nu om de praktijk der godzaligheid. Dat wil zeggen: opzien naar: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit diensthuis uitgeleid heb. En dat opzien naar Hem, dat leven voor Zijn aangezicht, brengt mee de vreugde des heils en de blijdschap van het geloof. Als David naast deze regel stapt, is hij de vreugde des heils kwijt. En als David in het spoor van deze regel gaat, dan kent hij de vreugde des heils en de blijdschap van het geloof.

 

Nu moet u niet denken dat het leven voor Gods aangezicht, dat leven in de tere vreze Gods, een gemakkelijk leven voorstelt. Dat kan wel eens anders uitpakken. Het kan gaan als bij de apostel Paulus, zoals u dat leest in zijn ver­antwoording van zijn leven in de brief aan Korinthe. Daar leest u wat de apostel allemaal heeft meegemaakt in zijn leven en waar hij doorheen gegaan is. Maar telkens weer blijkt dat hij midden in al zijn vervolging en benauwd­heden, verdrukkingen en al dergelijke dingen meer, niet verlaten is geweest. Hij heeft een vertrouwen op de Heere gehad, zodat hij midden in al die noden de vreugde des heils en de blijdschap van het geloof gekend heeft.

Denk ook niet dat de kerk des Heeren zónder die verdrukking, zorg, moei­te en strijd, die zij heeft, kan. Zij zou anders van de Heere afwijken, Hem uit het oog verliezen. Wat moet de Heere toch telkens veel gewicht aan de klok hangen opdat Zijn kinderen zouden leven voor Zijn aangezicht en Hem als hun Heere en God erkennen. Want zo staat het in de letterlijke tekst van het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

 

Geen andere goden voor Mijn aangezicht. Dat betekent niet alleen dat je weet dat God bestaat, want in wezen weten alle mensen wel dat er een God bestaat. Mijn aangezicht, dat is de tegenwoordigheid van God, de gemeenschap met God. Als je staat voor Gods aangezicht, sta je in de tegenwoordigheid van God, dan leef je in de gemeenschap met God. Je moet je realiseren dat je elke dag, bij alles wat je doet, voor het aangezicht van God staat. De Alwetende ziet en weet alle dingen en peilt ons hart tot op de bodem.

De Alomtegenwoordige is op alle plaatsen van Zijn heerschappij. Wij heb­ben te maken met die God, Die overal is en alles ziet en weet, Die we nooit kunnen ontlopen. We kunnen ons voor de mensen wel een beetje groot hou­den, keurig leven, en dan denken dat een ander aan ons ziet hoe rechtzinnig wij zijn en hoe netjes wij naar de gereformeerde leer leven. Maar denk erom, het gaat hier om: voor Mijn aangezicht. Dat gaat veel verder. Dat gaat door de buitenkant van uw leven heen, dat gaat tot in het binnenste, tot in de kern van uw leven. Voor Mijn aangezicht.

 

Wat daar staat, is enkelvoud. Als de Heere zegt: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb, dan betreft dat natuurlijk het hele volk van Israël. Maar als er staat: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben, dan staat er niet ‘gijlieden’, maar dan staat er ‘gij’. Het is enkelvoud, het gaat ons allemaal persoonlijk aan.

Dat geldt ook voor de kinderen. De Heere zegt: ‘Jullie, jij.’ De Heere weet je naam, want je bent gedoopt. De dominee heeft toen je naam gezegd. Daar­om weet de Verbondsgod jouw naam en zegt Hij: ‘Denk erom, jij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.’ Dat geldt ook als we oud geworden zijn. Geen andere goden. Dat spreekt ons persoonlijk aan, hoofd voor hoofd, niemand overgeslagen.

 

Geen andere goden hebben in je hart. Wat wil dat zeggen, andere goden hebben voor Zijn aangezicht? Dat wij ons vertrouwen ergens anders op stel­len dan op God alleen. Want een God te hebben, wil zeggen een God te belijden en op Hem ons vertrouwen te stellen, van Hem onze verwachting te hebben.

En vanzelf, daar zijn geen andere goden naast de Heere God, want de Heere Zelf heeft tegen Israël gezegd: Hoor, Israël, de Heere onze God is een enig Heere (Deut.6:4). Naast de levende God, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft, is er geen God. Jesaja zegt in de Naam des Heeren: Ik ben de Heere, en niemand meer, buiten Mij is er geen God (Jes.45:5).

Er zijn dus geen andere goden, maar de mens maakt ze. De mens maakt goden, hij maakt dingen waarop hij zijn vertrouwen stelt, waarvan hij zijn verwachting heeft. Duistere machten soms. En dan zien we, juist in het licht van de aanhef, hoe erg dat is. In het licht van de liefde en de trouw van God, vraagt de Heere: ‘Ben Ik het nu waard dat je je vertrouwen, je ver­wachting op iemand anders stelt dan op Mij alleen?’

Het is een zonde tegen de liefde, om je vertrouwen en je verwachting op iets anders te stellen dan op God alleen. Dat is ‘nee’ zeggen tegen de liefde van God, waarmee Hij ons omringd heeft, waarmee Hij het volk van Israël – neem dat tot voorbeeld – uitgeleid heeft uit Egypte.

Het is geestelijk overspel om ‘nee’ te zeggen tegen de trouw waarmee de Heere de belofte aan Abraham, Izak en Jakob een vervulling heeft gegeven en op iets anders ons vertrouwen te zetten. Dat is zonde tegen de liefde van God. Dat is eigenlijk zonde tegen het eerste gebod: Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.

 

De Heere klaagt erover in Jeremia 2 vers 13: Mijn volk heeft twee boosheden begaan: Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden (Jer.2:13).

Dus Israël heeft God verlaten, op Hem vertrouwen ze niet meer en nu heb­ben ze bakken uitgehouwen uit een rotssteen. De fontein, die altijd spuit, altijd water geeft, die altijd open is, waar nooit tevergeefs een beroep op gedaan wordt, die hebben ze verlaten. Ze hebben bakken uitgehouwen, gebroken bakken, waar alleen maar water in komt als het regent. En als er water in komt, dan loopt het er zo weer uit omdat het gebroken bakken zijn. Door het stoffige klimaat in het oosten komt er vuil in het water, wordt het modderig, drabbig en is het zo bedorven.

De Heere zegt: Mijn volk heeft twee boosheden begaan: Mij, de Springader van het levende water, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken uit te houwen, gebroken bakken, die geen water houden. Dat is de zonde waaruit alle andere zon­den voortvloeien: God niet erkennen en hoogachten als de enige, ware, levende God. Terwijl Hij zegt: Ik ben de Heere uw God. Hem erkennen we niet als onze God en dat is de grootste zonde die gevonden wordt. Daarom is het eerste gebod de grondslag van de hele wet. Als je daarin faalt, zegt Luther, dan faal je in alle andere geboden.

Het tweede waar we op letten is:

 

2. De godsvrucht naar het vlees

 

Want er wor­den in onze catechismus een heleboel zonden genoemd naar aanleiding van het eerste gebod. Het is heel erg als mensen zelf goden maken. Wij besef­fen allemaal dat er een God is. Dat is de ingeschapen godskennis. Dat is het overblijfsel van hetgeen we in volle mate gehad hebben in het paradijs. Daar kenden wij God. Daar hadden wij geen Bijbel nodig, daar hadden wij geen catechismus nodig, daar was geen catechisatie nodig. Daar kenden wij God. Nu is die kennis weg. Die geestelijke kennis is er niet meer. Wat wij overge­houden hebben, is een ingeschapen godskennis, waarvan Paulus zegt: ‘Dat is opdat die mens alle onschuld benomen zou worden.’ Wij weten dus alle­maal dat er een God is. Ook ons volk, dat zover van God, van de Bijbel en van de geboden van de Heere vandaan leeft, weet dus dat er een God is. Maar wij achten die God niet meer.

 

Je kunt namelijk de wetenschap dat er een God is onderdrukken. Die kun je zelfs uitroeien en helemaal weghalen uit je gedachten. Godloochenaars worden niet geboren. Atheïsten worden niet geboren. God­loochenaars en atheïsten worden alleen gemaakt. Ds. A. Hellenbroek zegt van het atheïsme, van het ontkennen van het godsbestaan: ‘Dat is meer een wensen dan een dadelijk geloven dat er geen God is.’ Je wenst dat er geen God is, maar geloven doe je dat ten diepste niet. Hoe ver men ook kan gaan in het ont­kennen van het godsbesef, helemaal weg krijg je het niet. De mens zou zich moeten ontmensen om dat besef van het godsbestaan kwijt te raken.

Er zijn godloochenaars en atheïsten in theoretische zin en er zijn veel prak­tische atheïsten. Deze laatsten erkennen wel dat er een God is, maar ze leven er niet naar. Ze leven niet voor het aangezicht van de levende God. Ze ken­nen God niet in hun wegen, ze vragen niet naar Hem, ze smaden en ver­achten Zijn Woord en dienst en leven naar het goeddunken van hun hart, alsof er geen God is.

Vanzelfsprekend is de loochening van God een zonde tegen het eerste gebod, want daarin wordt van ons geëist dat wij de enige, waarachtige God zullen kennen en erkennen, dat we Hem zullen liefhebben, eren, dienen en vrezen. Maar een godloochenaar verscheurt en verbreekt alle banden en touwen.

 

Er is echter meer. Niet alleen de godloochening wordt verboden, maar ook een godsvrucht naar het vlees. De ingeschapen godskennis, samen met het verduisterde verstand, heeft allerlei dingen verzonnen en beoefend die dit gebod overtreden. De catechismus noemt een hele serie op: afgoderij, tovenarij, waarzegging, bijgeloof en de aanroeping van heiligen en andere schepselen.

 

Afgoderij wordt als eerste genoemd. Dat wil zeggen dat wij in ons leven iets anders hebben waarop wij ons vertrouwen stellen dan God. Dat is een afgod.

De heidenen, die van het Woord niet weten, maken zich andere voorstellin­gen van God. Ze hebben veel goden in allerlei soorten. Maar wij, mensen van deze westerse wereld, kunnen ook afgoden creëren en hebben. Ook wij kunnen de afgodendienst beoefenen, namelijk door ons vertrouwen te stellen op iets wat geen God is.

En dan hebben we zoveel dingen in ons leven, als u dat nagaat. Hoe vaak stellen wij ons vertrouwen op mensen? Hoe vaak stellen wij ons vertrouwen op de dokter als we ziek zijn? Natuurlijk, God heeft de dokter gegeven met zijn gaven en medicijnen om ons te dienen, maar nu is het alleen een verschil of we de genezing van God verwachten of van de mens en zijn gaven.

En zo zouden we zoveel dingen kunnen noemen, waarop wij ons vertrou­wen stellen. Als wij alles goed nagaan, dan is de grootste afgod die wij heb­ben ons eigen ik. Dat ik van ons moet alle eer ontvangen. Dat ik van ons, daar stellen wij ons betrouwen op. Dat ik van ons dienen wij naar hartenlust. De wensen van ons ik volgen wij en de wil van mijn ik volg ik. Satan fluis­terde de mens reeds toe: ‘Gij zult als God zijn, kennende het goed en het kwaad. Je zult zelf je leven mogen bepalen!’ Daar heb je nu het wezen van de afgoderij. Daar ben ik mijn eigen afgod geworden. ‘Gij zult als God zijn en zelf mogen uitmaken wat goed en wat kwaad is in je leven.’

 

En dan hebben we nog zoveel andere dingen waarop wij ons vertrouwen stellen: ons bedrijf, onze kinderen, de gezondheid die wij bezitten, de kracht die wij hebben, de kennis die wij verkregen hebben, de begaafdheden die wij van God gekregen hebben, en gaat u maar door. We stellen ons vertrouwen op iets wat geen God is.

U kunt oneindig doorgaan. Wat hebben wij niet een acht gegeven op het vogelgeschrei! In Deuteronomium 18 wordt gezegd: ‘Op vogelgeschrei mag u geen acht geven, geen tovenaar mag in uw midden zijn, geen bezweerder of één die doden vraagt, mag u aandacht geven.’ Als er gevraagd wordt of de Bijbel een modern boek is of een verouderd boek, dan zou je kunnen zeggen: ‘Luister maar eens naar Deuteronomium.’ Het gaat niet alleen over vogelgeschrei, maar ook over een tovenaar of iemand die doden vraagt. Denk aan het spiritisme. Wat denkt u van al de dingen die uit de oosterse godsdiensten gehaald zijn en waar men voor buigt en waar men eigenlijk zijn hart aan geeft?

Op vogelgeschrei zult u geen acht geven. En dan heeft de Heere in dat hoofdstuk uit Deuteronomium erbij gezegd: ‘Ik zal u een Profeet geven uit uw broederen gelijk mij en naar Hem zult gij horen.’ Uit uw broederen, gelijk mij, zegt Mozes, dus zo’n man als ik, een echt mens dus. Niet de waar­zegger, de tovenaar, niet die doden vraagt, maar naar Christus zult gij horen. Want die Profeet is Christus.

 

Onze moderne wereld kent zijn eigen afgoden. Gemeente, als we ons leven doorzoeken, dan komen wij bij een serie afgoden terecht, een ieder voor zich. De Heere moet onze ogen daar telkens weer voor openen om dat te zien. Het is net als bij Jakob. Hij zit daar bij Sichem en had de Heere beloofd: ‘Als ik hier weer mag komen, dan zal ik naar Bethel gaan en dan zal ik op deze plaats de Heere offeren, omdat Hij mij op al mijn weg geleid heeft.’

Maar als hij teruggekomen is in Kanaän, dan denkt Jakob niet meer aan Bethel, maar zit hij voorlopig in Sichem. Dan zegt de Heere tegen hem: ‘Jakob, ga nu eens die afgoden opruimen. En als je die opgeruimd hebt, ga dan naar Bethel en ga dan die geloften inlossen die je Mij gebracht hebt, dat je Mij zou aanbidden.’ Daar moet de Heere Zelf Jakob toe brengen. En dan gaat Jakob die afgoden verzamelen. Er waren er heel wat in zijn tent en in de tent van zijn vrouwen en kinderen. Hij heeft ze begraven bij de eikenboom te Sichem.

En dat is telkens opnieuw nodig. Afgoden groeien aan. Calvijn zegt: ‘Ons hart is een werkplaats van afgoden.’ Daar worden afgo­den gemaakt. En zo is dat ook.

En het ongelukkige is: afgoden vragen alles, maar geven niets. Afgoden zijn goden die stom zijn. Ze hebben ogen, maar zien niet, oren hebben zij, maar horen niet, een mond hebben zij, maar spre­ken niet. Wij zijn dwaze mensen. We lopen de levende God voorbij en stel­len soms op allerlei gekke dingen ons vertrouwen. Dat moet de Heere ons afleren.

 

‘Zo lief als ons onzer ziele zaligheid is.’ Gemeente, hebben wij de zaligheid van onze ziel lief? Dat is een vraag, want dat is niet vanzelfsprekend. Van nature hebben wij de zaligheid van onze ziel niet lief. We bekommeren ons niet om onze ziel, maar onze ziel verkommert. Van nature laten we die ziel zonder eten en zonder drinken, zonder God en zonder genade. Dan laten we die ziel zomaar rondtobben. Dan verkommert die ziel in de afgodensfeer, ver bij God vandaan.

Maar genade doet ons de zaligheid van onze ziel liefhebben. Dat betekent niet in de eerste plaats dat we graag naar de hemel willen gaan. Begrijp me goed. Als ik zeg: de zaligheid van onze ziel liefhebben, dan is dat niet: wij gaan naar de hemel. Maar dat is: mijn zaligst lot is nabij te wezen bij mijn God. Dat is zaligheid. Of zoals Paulus dat zegt: ‘Ontbonden te worden en met Christus te zijn, dat is mij zeer verre het beste.’ Dat is dus zaligheid: met God, met Christus zijn. De gemeenschap met God te mogen en te willen ervaren. De liefde van Zijn aangezicht te zien.

 

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Als u afgoden hebt, dan verduisteren die het aangezicht van God. Dan heeft uw ziel het licht van Zijn aangezicht niet. Maar als die afgoden zijn opgeruimd, dan ziet u dat aangezicht van God lichten.

De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en geve u vrede (Num.6:26), zegt de zegen. Wel, dat is de zegen die uit Christus vloeit. Zijn aangezicht zien en in de gemeenschap van God wandelen, in de gemeenschap van God zijn, dat is zaligheid. ‘Zo lief ons onzer ziele zaligheid is.’ De zonde mijden en vlieden en de enige ware God recht leren kennen.

En zo komen wij bij:

 

3. De godsvrucht naar de Geest

 

Want onze catechismus gaat ons voorhouden wat nu de praktijk der godzaligheid is, namelijk: ‘De ware God recht leren kennen, Hem alleen vertrouwen in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid, mij Hem alleen onderwerpen, van Hem alleen alles goeds ver­wachten, Hem van ganser harte liefhebben, vrezen en eren.’

Dat is nogal wat. Gemeente, dat is te zien in de Heere Jezus Christus. Want Hij is de grote Wetsvervuller. Elke voetstap van Jezus op aarde is er één in de geboden van Zijn Vader. Die heeft Hij vervuld van tittel tot jota, van gebod tot gebod en zeker dat eerste gebod. Als er één ding is dat Hij nooit gedaan heeft, dan is andere goden voor het aangezicht van Zijn Vader hebben.

Hij heeft Zijn Vader geliefd. Aan Hem heeft Hij Zijn leven opgeofferd. Van Bethlehem af tot op Golgotha’s heuvel toe, heeft Hij Zichzelf alleen maar aan Zijn God geofferd. En toen dat aangezicht van God voor Hem verborgen was, heeft Hij het uitgeschreeuwd in uiterste benauwdheid: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mark.15:34) Hij heeft in die wet geleefd, ook in dat eer­ste gebod.

En, gemeente, nu heeft de kerk des Heeren een vervulde wet. Nu mag de kerk des Heeren uit Christus leven. De Zijnen mogen die overste Leidsman en Voleinder van het geloof nawandelen. Ze mogen die grote Herder der schapen Die voorgegaan is navolgen, achter Hem aan, ook hier op aarde.

 

De enige ware God recht kennen. Wat hebben wij daar Woord en Geest voor nodig, om die rechte geloofskennis van God te ontvangen. Dit is het eeuwi­ge leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt (Joh.17:3).

Die kennis is hier nooit volkomen, nooit vol­maakt, maar altijd ten dele. Nodig is altijd maar dat onderwijs om de Heere te leren kennen als de drie-enige God, om de Vader in de Zoon door de Heilige Geest te kennen.

Gemeente, wat is dat wonderlijk groot, als we in ons leven mogen gaan leren kennen Wie God is en hoe God is. Hij is de Vader van onze Heere Jezus Christus. Een liefhebbend Vader, een zorgende Vader, een getrouwe Vader, een Vader Die nooit laat varen het werk dat Zijn hand begon. Hij ziet in Christus in ontferming op Zijn kinderen neer.

Zonder die kennis kunnen wij Hem niet liefhebben. Buiten Christus kunnen wij Hem niet liefhebben. Want dan is God, dat zegt de Bijbel, een verterend vuur, een eeuwige gloed, bij Wie de mens niet wonen kan. Dat is de werke­lijkheid die we aan ons hart moeten leggen. Alleen in Christus is God te lie­ven en te loven. In Christus alleen kan dat vertrouwen op Hem gesteld wor­den.

 

De Enige Die een volmaakte kennis had van Zijn Vader en van God, was de Heere Jezus. Hij is in de schoot des Vaders geweest. Niemand heeft ooit God gezien, zegt Johannes, de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard (Joh.1:18). Hij had een volkomen kennis van God. En straks zal de kerk des Heeren ook een volkomen kennis van de Heere ontvangen, want straks zullen zij Hem kennen, gelijk ze door Hem gekend zijn.

Hoe kent God dan mensenkinderen? In Adam. Nee, dat bedoelt de apostel hier niet. God kent een volk in Christus. En in Christus zegt Hij tot dat afwijkende Israël, en dat is onbegrijpelijk: ‘Gij zijt Mij een dierbare zoon, gij zijt Mij een troetelkind.’ Dan gaat u iets begrijpen van de liefde Gods in de Heere Jezus Christus. Die volheid van liefde, die er in Christus, in God was over een verloren wereld, die zal straks worden gekend als de kerk in de hemel komt.

 

Hier op aarde is dat kennen slechts ten dele. God leren kennen in Christus. Dan leeft het in ons hart: ‘Dat is mijn Heere en mijn God.’ Dan is er weder­liefde tot Hem. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh.4:19). Hem recht kennen kan alleen in Christus door Zijn Heilige Geest. Dan is er ook een blijmoedig vertrouwen.

Dat godsvertrouwen is de pit, de kern van de praktijk der godzaligheid. Het is het allerbelangrijkste, dat u dit geloof beoefent in God door Christus, in de Vader door Christus.

Want, gemeente, anders leven we bij een soort gemoedelijkheid, dan leven we bij een algemene godsdienstigheid of een vroomheid in onszelf, waarmee we omkomen. Het gaat om dat vertrouwen waarvan de dichter gezongen heeft: ‘Ik zal in dit vertrouwen leven en dat melden in mijn lied.’

Job heeft gezegd: ‘Al doodde Hij mij, zal ik dan niet op Hem hopen?’ Gemeente, dat is wat! ‘Al doodde Hij mij, nochtans zou ik op Hem hopen.’ In al zijn levens­nood en moeite was er bij Job dit: ‘Ik weet: mijn Verlosser leeft. En Hij zal ten laatste over mijn stof opstaan.’ Daar hebt u dat blijmoedige vertrouwen, door de kennis Gods, die in Christus Jezus te vinden is.

 

Gemeente, er zijn duizenden mensen in onze dagen óp van de zenuwen. Maar bedenk, de oorzaak ligt hierin, dat wij niet kennen wat er in Psalm 84 staat: Als zij door het dal der moerbeziebomen doorgaan (dat donkere dal), stellen zij Hem tot een Fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdek­ken. Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal ver­schijnen voor God in Sion (Ps.84:7-8).

De wereld waarin wij leven is vreselijk. We leven in een benarde wereld, in een wereld die als het ware een vulkaan is die op uitbarsten staat. Nog even en dan staat deze wereld in brand. Maar dat is het ergste niet. Weet u wat het ergste is? Onbekeerd te zijn en zo te sterven.

Maar als je God mag ken­nen en een blijmoedig vertrouwen mag hebben op Hem, dan kun je overal door komen. Al ging ik ook in een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die ver­troosten mij (Ps.23:4). Dat is een volgen in alle ootmoedigheid en mij in lijdzaamheid aan Hem onderwerpen.

 

Dan zie ik daar Jezus in de hof van Gethsémané buigen in alle ootmoedigheid en lijdzaamheid, Zich onderwerpend aan Zijn Vader. Dan bidt Hij: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt (Matth.26:39).

Christus heeft de Vader gevolgd op het voorgestelde pad. Daar is Hij geen voetstap naast gegaan, maar dat pad dat naar Golgotha loopt, heeft Hij in ootmoedigheid en lijdzaamheid gelopen.

In lijdzaamheid mij aan Hem onderwerpen… Wat is het groot als u mag weten dat deze Verlosser úw Verlosser is. Dan kunt u zeggen: ‘Al de grote waterstromen zijn over mij gegaan en mij over het hoofd gekomen, maar Gij hebt mij bijgestaan.’ Dan kunt u met al die grote waterstromen over u heen, de hand voelen van Hem Die u vasthoudt, u leidt en bewaart tot in het eeu­wige leven. Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Hebr.13:5).

Achter God aankomen, achter Jezus aankomen en kinderlijk verwachten. Als een kind opziet naar zijn vader, dan verwacht dat kind van vader hulp, dan verwacht dat kind van vader een bepaalde gave. Zo is het ook met de hemel­se Vader. We mogen alle goeds van Hem verwachten en nooit van mensen, ook niet van godzalige mensen. Want, gemeente, God zal Zijn eer niet aan gesneden beelden geven.

Verwacht het maar kinderlijk van die almachtige Vader, Die Zich in Christus Jezus over mensen neerbuigt. Dan beschaamt deze Vader nooit. Alles van Hem verwachten!

 

Psalm 103 het negende vers zingt ervan, en wij zingen het mee:

 

Maar ‘s Heeren gunst zal over die Hem vrezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op ‘t late nageslacht,
Dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
Noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,
Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

 

‘Alzo dat ik eer van alle schepselen afga en die varen late, dan dat ik in het allerminste iets tegen Zijn wil doe.’

Alle schepselen varen late. Daar moet u niet vlug overheen lezen, maar dat moet u even rustig op u in laten werken. Het is het Woord van Jezus: Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig. En die zijn kruis niet op zich neemt en Mij navolgt, is Mijns niet waardig (Matth.10:37-38).

De Heere staat boven alles. Je moet alle schepselen laten varen, in plaats van iets tegen Zijn wil, iets tegen één van Zijn geboden te doen.

Dan blijf je alleen staan. Paulus stond ook alleen. U weet wat hij schrijft: Zij hebben mij allen verlaten (2 Tim.4:16). En dan kun je vragen: Waarom? Wel, om precies dezelfde reden waarom zij altijd mensen verlaten. Want als die mensen bij Paulus ble­ven, dan kwamen ze in moeilijkheden, in problemen. Dus ze hebben Paulus alleen gelaten en hem verlaten. En de apostel laat ze gaan. Hij heeft ze niet nodig ook. Want toen ze allemaal weg waren en er niemand meer overge­bleven was, toen was de Heere er. De Heere is bij hem geweest. En dat is het geheim, dat wonderlijke geheim.

Als de blindgeborene de synagoge wordt uitgeworpen, als hij buiten de syna­goge staat en niemand meer overgehouden heeft, dan leest u: ‘En toen is Jezus hem ontmoet.’ Toen was de Heere er. Dus het is niet zo erg als je nie­mand overhoudt. Dan is de Heere er. Ze hebben mij allen verlaten, maar de Heere was er.

 

En, denk erom, dat zijn de voetstappen van de Koning. ‘Alle schepselen varen late, dan dat ik iets tegen Zijn wil doe.’ Want toen Jezus de wil van Zijn Vader ging doen, toen zag je niemand meer. Toen was Petrus er helemaal niet meer. Die heeft zelfs openlijk gezegd: ‘Ik ken die Mens niet, ik hoor niet bij Hem.’ En al Zijn discipelen waren gevloden.

Als u Zijn beeld moet dragen en in de voetstappen van die Koning gaan, dan houd je niemand over, behalve God. En dat is genoeg. Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde (Ps.73:25).

En nu gaat het er om Zijn wil te doen. Is dat in het Woord gefundeerd, wat ik wil doen en doorzetten? Wat in het Woord gefundeerd is, is de wil van de Heere.

 

Zij hebben mij allen verlaten. Dan is het: ‘Ik ben, o Heer’, een vreemd’ling hier beneên, laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken.’

 

Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Als de vraag gesteld wordt: ‘Wie heeft dat gebod volkomen onderhouden?’, dan moet ik zeggen: niemand. Ook na ontvangen genade niet. Helemaal niemand. Dan is er telkens weer dat afwijken en dat beschamende, dat onterende.

Eén is er geweest, Die het volkomen onderhouden heeft. Hij heeft niets gedaan buiten Zijn Vader om. En Hij is gekruisigd en van God verlaten geworden. Daarom is er bloed. En daarom worden de zonden vergeven, de ergste, de grootste, ook deze van het ongeloof, van het niet vertrouwen op God. Ja, zelfs voor afgodendienaars is nog bloed, maar ook de vernieuwing door de Geest van Christus, opdat wij zouden wandelen in Zijn wegen. Dan gaat het er niet om of ik zalig word, maar of ik God de eer geef die Hem toekomt.

Want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden – en dat is het aller­ergste wat er is – die zullen licht geacht worden (1 Sam.2:30).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 25:2

 

Heer’, ai, maak mij Uwe wegen,
Door Uw woord en Geest, bekend;
Leer mij hoe die zijn gelegen,
En waarheen G’ Uw treden wendt;
Leid mij in Uw waarheid; leer
IJv’rig mij Uw wet betrachten;
Want Gij zijt mijn heil, o Heer’!
‘k Blijf U al den dag verwachten.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).