Ds. D. Rietdijk - Zondag 34 : vr. en antw. 92 en 93

De wet van God

De wet en haar aanhef
De wet en Christus
De wet en haar indeling
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Tien Geboden: 1, 2
Lezen : Jeremia 31: 31-40
Zingen : Psalm 19: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 119: 83
Zingen : Psalm 86: 1

Gemeente, wij willen met u overdenken Zondag 34, het eerste gedeelte, vraag en antwoord 92 en 93:

 

Vraag 93: Hoe luidt de wet des Heeren?

Antwoord: God sprak al deze woorden: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.

En wat er verder in de tien gebo­den volgt.

 

Vraag 93: Hoe worden deze tien geboden gedeeld?

Antwoord: In twee tafelen; waarvan de eerste leert hoe wij ons jegens God zul­len houden; de andere wat wij onze naaste schuldig zijn.

 

Wij gaan spreken over: De wet van God.

 

We letten op drie dingen:

1. De wet en haar aanhef

2. De wet en Christus

3. De wet en haar indeling

 

1. De wet en haar aanhef

 

Gemeente, wij hebben uit de catechismus geleerd dat de mens uit enkel genade zalig wordt, door Jezus Christus. Daar komt niets van een mens bij. Alles wat van de mens is wordt uitgesloten. Degene die verlost wordt door de kracht van de Heilige Geest, wordt verlost tot dienst aan de Heere. De Heere verlost niet om in de zonde te blijven, maar de Heere verlost een mens tot dankbaarheid, tot Zijn dienst.

De dankbaarheid is vooreerst, allereerst en allermeest de bekering tot God. De waarachtige bekering tot God bestaat uit het haten en vlieden van de zonden en een hartelijke lust in het doen van alle goede werken. Onze goede werken zijn niet goed voor God. Wij kunnen prachtige dingen doen in ons leven, maar dat wil nog niet zeggen dat ze voor God goed zijn. God legt andere maatstaven aan dan wij in onze dwaasheid.

 

De Heere heeft ons laten horen in Zijn Woord welke maatstaven Hij aanlegt met betrekking tot de goede werken en zo heeft onze catechismus dat ook gedaan.

De goede werken zijn in de allereerste plaats tot eer van God. Bij alles wat u doet, gaat het altijd eerst om de eer van God. Als Hij er niet mee gediend wordt, kunt u het goed vinden zoveel als u wilt, maar dan is het niet goed.

In de tweede plaats moeten zij geschieden naar een richtlijn: de wet van God. De tien geboden worden in deze 34e zondagsafdeling en de daaropvol­gende, gebod voor gebod behandeld. Dit in tegenstelling tot wat in Zondag 2 gebeurde, waar de samenvatting van de wet werd gehoord. De tien gebo­den zijn een leefregel.

In de derde plaats moeten wij zeggen dat de goede werken moeten voort­komen uit het geloof, want al wat uit het geloof niet is, is zonde. Dat komt niet uit Christus voort. En wat niet uit Christus voortkomt, is zonde. Het is de radicaliteit van het evangelie: zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen.

 

Daar hebt u dus de wet als richtlijn voor het handelen van de kerk des Hee­ren. De wet komt in de goede werken naar voren, om te laten horen hoe u nu in het dagelijks leven voor de Heere leven moet, als regel van de dank­baarheid. Zo heeft de Heere de wet ook afgekondigd, want het woord ‘wet’ heeft te maken met het woord ‘weten’. God kondigde Zijn wet af, opdat de mens zijn schuldige plicht zou weten.

Het Hebreeuwse woord voor wet is ‘thora’, dat is een onderwijzing. Het heeft te maken met verkondigen en afkondigen. Dus de Thora zijn de wetsrollen die in de synagogen eeuwenlang gebruikt werden om gelezen te worden en om daaruit onderwezen te worden. Opdat de mens zou komen tot weten. De wet heeft te maken met weten.

 

De Heere heeft de tien woorden afgekondigd op de Sinaï, toen het volk Israël uit het land van Egypte was gegaan. Vijftig dagen daarna stond het volk in de woestijn Sinaï bij de berg Horeb en daar ging God de tien geboden afkondigen.

In de tien geboden is de eeuwige en onveranderlijke wijsheid van God vervat. De wet, die de psalmdichters bezongen, is de wet die eeuwig dezelfde blijft. Want die wet was er al in het begin van de wereld. Toen was zij geschapen in het hart van Adam. Wij zijn geschapen opdat wij naar de wet zouden leven en opdat wij de wet in ons leven zouden vertonen. Dan worden de kinderen van God door Christus weer verlost, opdat zij door Zijn Geest in het toekomende leven volmaakt weer naar de wet zouden leven. In dit leven hebben ze een regel voor de dankbaarheid.

De wet was er dus al in het begin van de wereld en zij zal er ook zijn als de wereld er niet meer is. Als de nieuwe aarde en de nieuwe hemel er zullen zijn, zal de wet van God daar nog steeds zijn. Dan zal God verheerlijkt worden op het allervolmaakst.

 

Dat de wet de eeuwige, onveranderlijke wet van God is, blijkt wel uit de wijze waarop de Heere op de Sinaï deze wet gegeven heeft. Dat was op twee stenen tafelen. Als Johannes ons schrijft dat degenen die in Christus zijn, moeten wandelen zoals Christus gewandeld heeft, dan schrijft hij: Ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod (1 Joh.2:7). Dus wat Christus brengt en wat Christus gedaan heeft, dat is niet een nieuw gebod aan de wereld geven, zoals men dat vandaag de dag op een zeer oppervlakkige wijze zegt. Maar het is dat oude gebod van de tien geboden op de Sinaï gegeven, de onver­anderlijke, eeuwigdurende wijsheid van God.

Alleen door de val is de mens de wet, die in zijn hart geschapen was, kwijt­geraakt. Ze is verduisterd. Ontzaglijk veel dingen gingen verloren en zijn uit­gewist door de val. Wij weten niet eens hoe wij voor de val geweest zijn. Maar Adam hoefde niet uit de Bijbel te weten Wie God was. Hij hoefde ook niet uit de Bijbel te leren hoe wij ons zouden gedragen tegenover God en onze naaste. Je hoeft een vogel het vliegen niet te leren, je hoeft ook een vis in het water het zwemmen niet te leren, dat is hun eigen. Zo was het de mens eigen om naar de wet van God op een volkomen wijze te leven. Adam deed en was zoals de onveranderlijke en eeuwige wijsheid van God wilde.

Maar nu moest de wet weer afgekondigd, verkondigd, gelezen en onderricht worden. Dan heeft de mens dat onderwijs nodig vanuit de Schrift. De wet is nodig om een regel te hebben voor het leven. De wet is nodig om ook tot verheerlijking van God te kunnen leven. Want zij wordt weer afgekondigd en gegeven binnen het genadeverbond. Want bij de Sinaï werd niet alleen maar een wet gegeven, maar daar werd ook het genadeverbond met Israël geslo­ten. Binnen het genadeverbond werd de wet gegeven. De wet werd in de handen van een Middelaar besteld. De wet van God is dus een wet die haar plaats vindt in het genadeverbond.

De wet is ook een dienares van het genadeverbond, om mensen door de genade van de Geest, dat is dus door de genade van Christus, te brengen aan de voe­ten van de Heere Jezus en om ze te laten leven tot heerlijkheid van God. Uit de aanhef van de wet des Heeren blijkt dat de wet gegeven is binnen het genadeverbond: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.

 

God gaf de wet onder de tekenen van Zijn hoge majesteit en heiligheid op de Sinaï, zoals we dat gezongen hebben: ‘Mijn ziel, herdenk met heilig beven hoe God, met majesteit bekleed, Zijn wet op Horeb heeft gegeven.’

Het is toch de wet binnen het genadeverbond: Ik ben de Heere uw God, Die U uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.

De aanvang van de wet is een belofte. Het opschrift van de heilige wet des Heeren is een belof­te, voordat de geboden komen. Ik ben de Heere uw God. Hij wijst heen naar Zichzelf, naar het werk dat Hij voor Israël verricht heeft. Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb.

 

De Naam Heere staat met hoofdletters, dat wil zeggen, daar staat de naam Jehova, Ik zal zijn Die Ik zijn zal, de getrouwe God, de getrouwe Ver­bondsgod, Die Zijn Woord waarmaakt. Dat is het eerste. En die Naam ‘Ik zal zijn Die Ik zijn zal’ wil ook zeggen: Ik ben de Almachtige, Die machtig is om het woord van Mijn belofte waar te maken. Ik ben de Heere, Jehova, Jahweh, Die Mijn Woord kan waarmaken.

Het is de wonderlijke Godsnaam die de Heere gegeven heeft toen Mozes bij de brandende braambos stond en de opdracht kreeg van de Heere om te gaan naar Israël en dat volk van God uit Egypte uit te leiden. Toen heeft de Heere die Naam bekendgemaakt en gezegd: ‘Als ze zullen vragen Wie u gezonden heeft, dan zult u ant­woorden: Ik zal zijn Die Ik zijn zal, heeft mij tot u gezonden.’

Dat betekende heel wat op dat moment toen Israël daar in Gosen zat en bij de tichelovens werd onderdrukt. De jongetjes werden in de Nijl geworpen en dan zegt God: ‘Ik ben de God van Abraham, Izak en Jakob, de Ik zal zijn Die Ik zijn zal, de getrouwe God. Want die beloften, aan Abraham gegeven, zal Ik waarmaken. Ik heb tegen Abraham gezegd: Dit land zal Ik aan uw zaad geven. En nu kom Ik jullie halen. Jij, Mozes, moet dat volk uit­leiden uit Egypteland, want Ik kom Mijn belofte vervullen dat Ik aan dat volk, dat land zal geven.’

Toen Abraham stierf, had hij een zoon, Izak, maar hij had helemaal geen land, behalve de grafspelonk van Machpéla. Dat grote volk van Israël is al vierhonderddertig jaar in Egypte, in gevangenschap, geknecht, geslagen, onderdrukt. Je zou denken dat God Zijn belofte vergeten is. Maar nu komt Hij en zegt: ‘Ik ben Jahweh, Ik ben Jehova, Ik zal zijn Die Ik zijn zal, Ik kom om Mijn Woord waar te maken.’

 

En dat is elke zondagmorgen waar, als de wet des Heeren gelezen wordt. Ik ben de Heere uw God. Dan wordt er iedere zondagmorgen gezegd: ‘Ik ben Jahweh, de Getrouwe, de Almachtige, Die Mijn Woord waarmaakt. Ik ben de Heere.’

Gemeente, de genadetrouw van een Verbondsgod, dat is het evangelie, dat voor de wet uitgaat. Ik ben de Heere, Jahweh, Ik zal zijn Die Ik zijn zal, de Getrouwe, de Waarachtige. Dat is het evangelie dat aan de wet voorafgaat.

Want er staat bij: úw God. Ik ben de Heere, Ik ben Jahweh, úw God. Zo heette de God van Israël. Het was Zijn eigen wonderlijke Naam. Uw God. Dat had Israël zich niet waardig gemaakt, dat heeft geen mens zich waardig gemaakt. Niemand heeft er recht op dat God tegen hem zegt: ‘Ik ben Jah­weh, uw God.’ Geen sterveling heeft daar recht op. Het is genade als de Heere gaat zeggen: Ik ben de Heere uw God. Het is genade door de Heere Jezus Christus.

Want denkt u er wel aan, ook onder het Oude Testament kon de Heere nooit zeggen tegen Israël, Mozes of wie dan ook: Ik ben de Heere uw God, dan alleen door Christus Jezus, de Heere. Omdat Hij gekomen is en Zichzelf geofferd heeft, Zijn bloed gestort heeft, daardoor mag de kerk zin­gen:

 

Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
Verhogen Uwe majesteit.
Mijn God, niets gaat Uw roem te boven;
U prijz’ ik tot in eeuwigheid.

 

Ik ben Jahweh, uw God. Gemeente, dat is genade. Want u moet ‘uw God’ niet zo opvatten, dat Hij uw God is vanwege de schepping. Wij zijn uit Zijn hand voortgekomen, dat is zeker waar. Elk mens komt uit de hand van God voort, of hij in de kerk komt of niet. Ieder mens heeft het leven van God gekregen. Daarom staat ook elk mens tegenover God: Ik ben uw God, krachtens de schepping. Dat is zeker waar. Hij spaarde ons leven. Hij heeft ons elke dag gegeven wat wij nodig hebben. Hij onderhoudt mij dag aan dag. Krachtens de schepping is Hij mijn God.

Maar het gaat hier om méér. U mag zich hier niet achter verschuilen, als tot u gezegd wordt: Ik ben de Heere uw God, en denken: Ja, dat is Hij krachtens de schepping, en het dan daarbij houden. Nee, het gaat hier om iets totaal anders. Het gaat hier niet om de heilige God bij Wie niemand wonen kan, maar het gaat hier om de Vader van de Heere Jezus Christus, Die tot Zijn volk zegt: Ik ben de Heere uw God. Want luister maar. De Heere zegt niet: ‘Ik ben Jahweh, uw God, want Ik heb u geschapen.’ Hij zegt: ‘Want Ik ben die God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb, Ik ben de God van Abraham, Izak en Jakob.’

De Heere wijst niet naar Israëls werk voor Hem, maar naar het werk van Hem voor Israël. Gods verlossende daden staan voorop in de wet. De Heere zegt: ‘Door deze daad heb Ik Mij op het allerkrachtigst aan u verbonden.’ Want bij de Sinaï gebeurde wat.

 

Gemeente, het volk van Israël was uit de drie patriarchen gegroeid tot wat grotere families en die families groeiden uit tot de twaalf stammen. De twaalf stammen groeiden uit tot een machtig volk van miljoenen. Toen heeft God het volk als geheel apart gezet in de woestijn en gezegd: ‘Denk eraan, Israël, Ik heb Mij op het allerkrachtigst aan u ver­bonden als volk, want Ik heb Mijn Naam op u gelegd. Ik ben Jahweh, uw God, want Ik heb u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid. Ik heb Mijn liefde en trouw aan u op het allerduidelijkst geopenbaard.’

En dan verplicht dat tot iets. De daden van God, de verlossende daden van de Heere, verplichten de mens tot iets, namelijk om in dankbaarheid, om in gehoorzaamheid voor deze God te leven. Het gaat stap voor stap: Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Als dat dan de verlossing door God is, denk erom dat je dan geen andere goden voor Mijn aangezicht hebt. En dat je geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis zult maken en Mijn dag niet zult onteren en Mijn Naam niet door het slijk zult halen.

Het is toch haast een vanzelfsprekende zaak, zou je zeggen. Als de Heere zegt: ‘Denk erom, Ik ben Jahweh, uw God, en Ik heb u uitgeleid uit het diensthuis, en nu vraag Ik van u om Mij te dienen, Mij te gehoorzamen, Mij te vrezen en Mij aan te hangen.’

 

Het gaat echter niet alleen om Israëls geschiedenis, maar bij de verlossing door Christus staat de verlossing uit Egypte, als type, als symbool, als voor­beeld model. De wonderlijke vrijmaking door Christus, vanuit het diensthuis van de zonde, vanuit de macht van de helse farao, is daarin getekend.

Christus is onze Rode Zee, zegt de Nederlandse Geloofsbelijdenis, waardoor we gegaan zijn. In heel de geschiedenis van het Woord schittert Christus.

Gemeente, nu verlost Hij mensen uit de zondernacht, alleen door Zijn gena­de. Hij sluit met zulke mensen een verbond. Hij zegt in Hebreeën 8: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, en Ik zal over het huis van Israël en over het huis van Juda een nieuw verbond oprichten; niet naar het verbond dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden (Hebr.8:8-9). Er komt een nieuw verbond. Dit is het verbond dat Ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven, en in hun harten zal Ik die inschrijven; en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn (Hebr.8:10).

Daar hebt u dat verbond. De Geest komt en schrijft de wet des Heeren in uw hart. Israël ontving de wet op stenen tafelen. Paulus zegt: ‘Maar nu gebeurt dat niet meer.’ Het was de eeuwige, onveranderlijke wijsheid van God, maar nu zal het geschreven worden door de Geest van God, niet op tafelen van steen, ook niet met inkt op papier, maar door de Geest in uw har­ten. Zo zal die Geest dat doen. ‘Ik ben Jahweh, uw God. Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken dat gij in Mijn inzettingen zult wandelen en Mijn rechten zult bewaren en doen (Ez.36:27).’

Paulus zegt: Als die openbaar zijt geworden, dat gij een brief van Christus zijt, en door onze dienst bereid, die geschreven is niet met inkt, maar door de Geest des levenden Gods, niet in stenen tafelen, maar in vlezen tafelen des harten (2 Kor.3:3).

Daarin wordt de wet geschreven. De Geest van Pinksteren schrijft de wet in het hart. Dan hoeft u het niet uit een boekje te hebben, maar dan wordt die wet in uw hart geschreven. Daardoor wordt de vernieuwing gewerkt, waardoor we de zonden gaan haten en een lust krijgen in alle goede werken.

Dus vóór de wet, vóór de Heere aan de geboden begint, gaan daar de beloften en het werk van de getrouwe en almachtige Verbondsgod aan vooraf. Ik ben Jah­weh, uw God. En Elia’s naam beaamde dat: ‘Mijn God is Jahweh.’ Het was het antwoord op de aanhef.

 

Deze wet hoort bij de Geest van Pinksteren. Want de Geest van Pinksteren ontdekt door middel van de wet. Maar die Geest doet ons ook de verlossing van God zien in Jezus Christus. De Geest van Pinksteren heeft twee polen. Dat is de wet die God heeft afgekondigd en het evangelie van de Heere Jezus Christus. Dat zijn de twee polen. Hij gebruikt de wet om te ontdek­ken en om ons te laten zien dat onze zonden als scharlaken zijn, rood als kar­mozijn. Maar Hij laat aan de andere zijde het evangelie zien, waardoor die scharlakenrode zonden worden als sneeuw en als witte wol, waardoor ze eigenlijk niet meer bestaan. Wit wil zeggen: er zijn geen zonden meer over­gebleven.

De ongeschreven wet, die in het hart geschreven wordt, gaat mee naar de eeuwigheid. Dan zal het beeld van God voltooid, volmaakt zijn. Dan zal de onveranderlijke en eeuwige wijsheid van God uitblinken.

En gemeente, wat is het belangrijk om elke keer maar weer opnieuw te horen dat de wet voor­afgegaan wordt door deze aanhef, want dan ziet u dat die wet gegeven is bin­nen het verbond der genade en dat ze dus een dienstmaagd is van het ver­bond.

 

2. De wet en Christus

 

In het voorgaande is in verband met de wet en de samenhang met Christus al iets gezegd. Daar moeten wij nog nader op ingaan. Want nu kan ik de vraag stellen: in hoeverre heeft Chris­tus de wet gehandhaafd of afgeschaft?

Wij lezen bij Paulus krasse uitspra­ken, die ons stellig doen vermoeden dat we met de wet niets meer te maken hebben. Denkt u maar aan wat de apostel schrijft in de Romeinenbrief, hoofdstuk 6: Gij zijt niet onder de wet, maar onder de gena­de (Rom.6:14). En in Galaten 3 vers 11 zegt hij: Dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Bovendien zegt Paulus in Romeinen 3 dat geen vlees door de werken gerechtvaardigd zal worden voor God. De wet is door het vlees namelijk krachteloos geworden.

Als je dat zo leest, zou je zeggen dat we niets meer met de wet te maken heb­ben. Maar dat is niet waar, want Paulus handelt hier over de rechtvaardiging van de goddeloze. En dan doet de wet niet mee, want de wet vervloekt goddelozen en stelt de goddelozen in hun nameloze verlorenheid voor God.

 

Kent u dat, gemeente? Kent u uw nameloze verlorenheid voor God? De wet brengt aan de goddeloze ook geen kracht toe om haar te onderhouden. De wet reikt de overtreder ook geen middel aan om van de straf te ontkomen en om genade van God te ontvangen.

De wet geeft geen kracht en geen genade en de wet wijst geen Middelaar aan. De wet is een bediening des doods. De wet is krachteloos. Die wet redt niet. De wet haalt ons niet uit het slijk, uit dat modderige slijk, omhoog.

Wat de vloek betreft, Christus heeft die gedragen, weggedragen op het hout. Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn (Rom.8:1). Let er dan op, er staat niet, zoals de tekst zo dikwijls geciteerd wordt: ‘Zo is er dan geen verdoemenis méér voor degenen die in Christus Jezus zijn.’ Dat is onjuist. Er is nog nooit verdoemenis geweest voor degenen die in Chris­tus Jezus zijn. Er is nog nooit verdoemenis voor hen geweest, want die is door Christus voor eeuwig weggenomen. Dus daar gaat het om, dat we in Christus Jezus zijn, door de vereniging met het geloof met Hem. Voor de rechtvaardiging telt de wet die niet mee.

 

Maar er is ook nog wat anders. Er is ook nog een eis van de wet, namelijk: volmaakte gehoorzaamheid aan al de geboden, onder de bedreiging van de vloek. Ja, dat geldt voor een ieder die niet in Christus is. Van die tirannie heeft de Heere Zijn kinderen verlost en vrijgemaakt, want Hij geeft hen niet de geest der dienstbaarheid tot vreze, dus de geest der slavernij, maar Hij geeft hun de Geest der aanneming tot kinderen.

Paulus schrijft: God heeft ons niet gegeven de geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid (2 Tim.1:7). Dat wil zeggen dat ze niet meer uit slaafse vrees, uit angst voor straf, naar de wet behoeven te leven. Het is niet zoals een slaaf bang is voor zijn heer, dat hij straf krijgt en hard­vochtig behandeld wordt. Nee, de Geest van God wekt hen op tot een gewilli­ge gehoorzaamheid en tot een gewillig dienstbewijs. Zo bedoelt Paulus het: Gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade (Rom.6:14). En in dit opzicht zegt hij: De wet is de rechtvaardige niet gezet, maar de ongerechtigen en de hals­starrigen, de goddelozen (1 Tim.1:9). In Galaten 5 vers 23 zegt hij, nadat hij de vruchten van de Geest genoemd heeft, liefde, vrede, blijdschap en lankmoedigheid, enzovoorts: Tegen de zodanigen is de wet niet.

Zij die de vrucht van de Geest hebben, zijn juist in overeenstemming met de wet. Want de liefde is de vervulling der wet. Tegen de zodanigen is de wet niet.

 

Dus de vloek is weg en de eis van de wet, de vol­maakte gehoorzaamheid, is weg, want Christus heeft de wet vervuld tot de laatste tittel en jota toe. Als u een Hebreeuwse Bijbel ziet, dan ziet u een heel klein lettertje, een jot, het stelt niets voor, het is eigenlijk maar een klein kom­maatje. Tot in het uiterste heeft Christus de wet vervuld. Daarom zegt Hij: Meent niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen (Matth.5:17).

Dat heeft Hij als Borg gedaan. De Heere Jezus heeft als Borg niet alleen gehangen aan het hout van Golgotha, om daar te beta­len met Zijn bloed, maar Hij heeft ook vanaf de kribbe van Bethlehem tot aan Zijn laatste snik toe, de wet van Zijn Vader onderhouden. De wet heeft Hij onderhouden tot in de uiterste consequenties. Die heeft Hij volmaakt onderhouden. Hij heeft de wet verheerlijkt. Daarom is de wet vervuld. Het is een volmaakt werk.

De kerk ontvangt in Christus niet een wet die zij nog vervullen moet, zodat ze straks kan zeggen: ‘Het is volbracht’, nee, Christus heeft gezegd: Het is volbracht (Joh.19:30). Het was niet alleen al het lijden dat Hij lijden moest, maar de roep: Het is volbracht heeft het eerste tot en met het tiende gebod in zich opgesloten. Die heeft Hij gehouden tot de laatste tittel en jota toe.

De wet zegt nooit: ‘Het is genoeg’, maar in Christus zegt ze: ‘Het is genoeg.’ De wet komt in Christus aan haar trekken. Waar Christus echter niet van bevrijd heeft, is de gehoorzaamheid aan de wet. Daar bevrijdt Hij niet van. De Heere herschept naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis.

Zo ook bij Paulus. Hij beroept zich erop. Hij zegt: Gij kinderen, zijt uw ouders gehoorzaam in de Heere; want dat is recht. Eer uw vader en moeder (hetwelk het eerste gebod is met een belofte), opdat het u welga en dat gij lang leeft op de aarde (Ef.6:1-3). Daar hebt u het, dat moeten wij gehoorzamen. Maar als het om de vervul­ling van het gebod gaat, dan moet ik naar de twaalfjarige Jezus in de tempel, van Wie geschreven staat dat Hij Zijn ouders onderdanig was. Dan moet ik kijken naar het kruis van Golgotha, waar Hij oog had voor Zijn moeder, voor het lijden van Zijn moeder en waar Hij gezegd heeft: Vrouw, zie, uw zoon en Zie, uw moeder (Joh.19:26,27) Daar is Hij met die moedermaagd begaan. Daar heeft Hij het gebod van God vervuld. Maar aan de gehoorzaamheid aan dit gebod doet Hij niks af.

 

Op een andere plaats zegt de apostel: Zijt niemand iets schuldig, dan elkan­der lief te hebben (Rom.13:8). Christus heeft de wet vervuld, maar Hij heeft niet van de gehoorzaamheid verlost. Want de Heere Jezus verlost de mensen niet opdat zij in de zonden maar zouden doorhollen en zouden leven naar hun eigen zin, maar dat ze, verlost zijnde, Gode gelijkvormig zouden worden.

Daarom is de verplichting tot gehoorzaamheid niet door Christus weggenomen, integendeel, maar veelmeer bevestigd en vermeerderd. Want hoe grotere weldaden u ontvangt in ‘de Heere uw God, Die u uit Egypteland uitgeleid heeft’, hoe zwaarder dat gehoorzamen aan Zijn liefdesbevel gaat wegen.

 

In Christus worden de weldaden alleen maar groter en rijker. Die gaan ver uit boven de schepping en onderhouding van het geschapene. Christus’ wel­daden zijn eeuwig en de schepping is tijdelijk. Hoe groter de weldaden zijn, hoe dieper we buigen voor Hem, Die onze Meester is, onze God en Koning, Die we liefkrijgen met heel ons hart. We gaan Hem zo liefkrijgen, dat Zijn Naam ons bovenmate dierbaar is. Liever zou u de hele wereld overgeven, dan dat de Naam van Jezus besmet en gelaakt wordt, want die Naam is ons alles waard.

In die Naam ligt de zaligheid, de eeuwige zaligheid. Niet alleen omdat Hij Zijn bloed gestort heeft om ons te wassen, maar ook omdat Hij Zijn wet heeft vervuld tot de laatste tittel en jota toe. Hij vervult de wet in ons door Zijn Geest. Het recht der wet wordt vervuld in ons die geloven. Zo’n mens gaat uit naar Christus en omhelst Hem in al Zijn weldaden. Deze Christus heeft niet alleen verzoening van de schuld, maar ook een vervulde wet aan de Vader getoond op het kruis. Het is volbracht! De Vader eiste op paasmor­gen dat het graf werd geopend en dat Zijn Zoon mocht uitgaan. Jezus ging het leven in. En zo mag ervaren worden dat in Christus alles ligt.

Hij ontslaat ons niet van de gehoorzaamheid, maar juist de weldaden van Christus in hun grootheid en dierbaarheid zullen ons aan de wet des Heeren binden en doen ervaren dat daar ook de vrede in ligt.

We gaan dat zingen met Psalm 119 vers 83:

 

Wat vree heeft elk die Uwe wet bemint!
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stoten.
Ik, Heer’, die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op Uw heil met al Uw gunstgenoten;
‘k Doe Uw geboôn oprecht en welgezind;
Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

 

3. De wet en haar indeling

 

Gemeente, hoe worden deze tien geboden gedeeld?

U weet dat de Heere de wet op twee tafelen gegeven heeft. De ene tafel bevat de verhouding tot God en de tweede tafel de verhouding tot de naaste. De verdeling van deze tien geboden is onregelmatig, zouden we zeggen, want de eerste tafel van de wet heeft vier geboden, de tweede tafel van de wet heeft zes geboden. U zult zich misschien afvragen of dat nu zo geweldig belangrijk is, die indeling in vier en zes geboden. In wezen niet, natuurlijk.

Alleen, er is een strijdvraag uit de historie. De roomsen en de luthersen trok­ken het tweede gebod bij het eerste gebod, en daardoor waren zij het ver­bod op de beeldendienst eigenlijk kwijt. Het laatste gebod, het gebod over het begeren hebben ze in tweeën gedeeld, zodat ze er in totaal weer tien hadden, maar dan krijgt u drie geboden op de eerste tafel en zeven geboden op de tweede tafel.

Dat is onjuist, want als u de brieven van Paulus leest, komt u de tekst tegen die ik zo-even noemde, namelijk het gebod om vader en moeder te eren. Van dat gebod zegt Paulus: ‘Dit is het eerste gebod met een belofte.’ Nu is dat helemaal niet waar, want er staat eerder nog een gebod met een belofte en dat is het gebod dat gegeven wordt met betrekking tot de beeldendienst: Maar Ik doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die Mij liefhebben en Mijn geboden onderhouden.

Waarom noemt Paulus dat dan toch het eerste gebod? Wel, omdat het gebod Eert uw vader en uw moeder, het vijfde gebod dus, op de tweede tafel van de wet staat. Vandaar dat wij vasthouden, en dat is door Calvijn in de gere­formeerde leer netjes geponeerd, aan de verdeling van vier en zes geboden. De indeling van de wet is: ten eerste de verhouding tot God en ten tweede onze verhouding tot de naaste.

 

Door de gehoorzaamheid aan de wet van God wordt ons leven geregeld. En, gemeente, dat is de reisstaf voor de kerk. Wandelend achter de Koning aan, hebben wij van Hem een reisstaf in de hand gekregen en dat is deze wet. Alleen, de vervulling van de wet zult u van Hem moeten leren. De wet wordt door Zijn Geest in het hart geschreven. Hoe zal ik ooit gehoorzaam zijn? Dat kan alleen door die Koning achterna te wandelen, die overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Die voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schande veracht (Hebr.12:2). Zo achter Hem aankomen. Dan alleen zal het gaan.

Want, gemeente, Hij heeft de wet vervuld, Hij is de Wets­vervuller. Hij heeft in alles een voorbeeld nagelaten, in Zijn hele leven, zoals dat in de evangeliën vastligt.

In Hem, in Zijn leven ligt de vervulling van de wet. Daar kunt u zien Wie Hij is, hoe Hij deed, wat Hij zei en wat Hij bad. Als de discipelen hoorden dat Jezus Zijn gebed beëindigd had, zeiden ze: Heere, leer ons bidden (Luk.11:1). Want toen hadden ze een volmaakte Bidder gehoord. Zo was hun bidden nog nooit geweest. Heere, leer ons bidden.

Een reisstaf voor de kerk, een gids door dit tranendal, een licht op hun pad, het spoor van de Herder van de schapen. Als u de Herder in het oog hebt, dan loopt u in dit gebod, dan loopt u achter de Herder van de schapen aan. Dit is het spoor van de Herder, Die vooruit gaat. Hij is de Voorloper, de overste Leidsman, Die Zijn kerk straks eeuwig zal binnenbrengen.

 

Gemeente, in Zondag 2 hadden we de samenvatting van de wet. Nu hebben we de tien geboden helemaal. Waarom is nu ook niet de samenvatting aan de orde in het stuk van de dankbaarheid? Wel, hier is de praktijk der godzalig­heid, de vreze van God aan de orde. Geen wettische dienstbaarheid met allerlei haarkloverijen, wat wel en wat niet mag, wat nog net wel en wat net niet meer mag. Nee, hier is de vraag aan de orde: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand.9:6)

Het krampachtige brengt geen blijdschap, dat brengt alleen twist. Kramp­achtige dingen geven nooit vreugde. Maar wandelend achter de Herder aan, is er vreugde, is er blijdschap en verheuging des harten in het aangezicht van Jezus. Zalig is die mens die zo achter Hem aan mag gaan en die bidt:

 

Doe mij op ‘t pad van Uw geboden treên;
Schraag op dat spoor mijn wankelende gangen;
Daar strekt zich al mijn lust en liefde heen.
Ai, neig mijn hart en vurig zielsverlangen.

 

Om zo in blijdschap onze weg te wandelen achter Christus aan, want zonder Christus is de wet een dodende letter. Maar door de levendmakende Geest geeft hij blijdschap aan de ziel.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 86:1

 

Neig, o Heer’, Uw gunstig’ oren,
Om mij in mijn angst te horen;
‘k Ben ellendig, diep in nood,
Gans van heul en hulp ontbloot.
Hoed mijn ziel, Gij zijt almachtig,
En ik ben Uw gunst deelachtig;
O mijn God, Die mij aanschouwt,
Red Uw knecht, die U vertrouwt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).