Ds. J. IJsselstein - Romeinen 3 : 23 - 24

De rechtvaardiging van de goddeloze

Het voorwerp van die rechtvaardiging
De bron van die rechtvaardiging
Het middel of de verdienende oorzaak van die rechtvaardiging

Romeinen 3 : 23 - 24

Romeinen 3
23
Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods;
24
En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Romeinen 3
Zingen : vrij in te vullen

Gemeente, het Woord van God komt op deze dag tot ons vanuit de Romeinenbrief, daarvan het derde hoofdstuk, vers 23 en 24. Daar lezen we het Woord van God als volgt:

 

Want zij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods; en worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.

 

Het thema voor de preek luidt: De rechtvaardiging van de goddeloze.

 

Er zijn drie aandachtspunten:

1. Het voorwerp van die rechtvaardiging; met andere woorden: wie, wat voor soort van mensen worden gerechtvaardigd? Het voorwerp van die rechtvaardiging.

2. De bron van die rechtvaardiging; met andere woorden: waardoor, van waaruit is die rechtvaardiging mogelijk? De bron van die rechtvaardiging.

3. Het middel of de verdienende oorzaak van die rechtvaardiging; met andere woorden: door Wie is die rechtvaardiging verdiend? Het middel of de verdienende oorzaak van die rechtvaardiging.

 

1. Het voorwerp van die rechtvaardiging

 

Gemeente, er zijn momenten waarop we huiveren… Als we staan op de hoogten van bergen... Jongens en meisjes, misschien heb je in Zwitserland of in Oostenrijk wel eens gestaan op zo’n hoge berg: indrukwekkend, adembenemend... Je wordt er stil van. Je wrijft je ogen uit, je zucht, een warme gloed van verwondering doortrekt je, terwijl de ijskoude wind je wangen doet gloeien…

Er zijn momenten waarop we huiveren… Als we staan aan een diepe afgrond, of… als we staan aan open graf. We blikken er in, we rillen... De kou slaat ons om het hart, we huiveren… We huiveren als we staan aan het graf van een ander, een dierbare, een geliefde, iemand die we niet kunnen missen.

 

Niemand staat ooit aan zijn eigen graf…

Hoofdstuk 3 van de Romeinenbrief is ook zo’n diepte. We blikken in dit hoofdstuk in de diepe afgrond van onze verlorenheid. We blikken in… ons eigen zondegraf.

We staan niet aan het ziekbed van een zondig mens die hopelijk na verloop van tijd toch weer zal aansterken. We staan niet aan het ziekbed van een zondig mens, die hopelijk weer wat zal aansterken en opknappen, die uiteindelijk in eigen kracht zal kunnen geloven...

Nee, we staan hier aan een open graf. Aan het graf van een mens die dood is door eigen zonden en misdaden. Aan het graf van een mens die dood is in Adam.

U en ik staan in Romeinen 3 aan het graf van onze eigen zondedood.

 

Meerderen van ons hebben in het verleden oog in oog gestaan met de dood. Toen je stond, jongens en meisjes, aan het graf van je opa of oma, van je vader of moeder, je broertje of zusje. Je weet het nog wel en zult het vast nooit vergeten.

U zult het ook nooit vergeten toen u stond aan het open graf van uw kind, van uw kleinkind... U zult het nooit vergeten dat u uw doodgeboren kindje in handen nam…

Je houdt zoveel van elkaar. Je kunt niet zonder elkaar leven...

Hoe snijdt het verdriet nog steeds door uw hart. Als u voor ogen ziet wat u toen zag: de dood, de stilte, de ademloze stilte van de dood. Geen adem, geen woord, geen warmte, geen kleur, geen beweging, geen leven… niets!

Dat is wat van de mens overblijft als u Romeinen 3 leest… niets!

We hebben allen gezondigd, en derven, dat wil zeggen: missen de heerlijkheid Gods. We zijn alles kwijt!

 

Wat klinkt ons dat vertrouwd in de oren. Maar mag ik u eens zeggen wat dat betekent?

Uw hart staat stil. Het klopt niet van liefde en warmte. Zelfs niet als het hoort van de Parel van grote waarde, van de Wens aller heidenen. Want… uw hart is dood.

U hoort niet. De liefdevolle stem van de nodiging van het evangelie komt tot u: Kom tot Mij, hoor en uw dode ziel zal leven. Maar u hoort het niet. De donder van de wet gaat over uw leven: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen. Maar u hoort het niet. U bent doof. De doden horen niet.

U ziet ook niet. Al schijnt het licht op uw ogen, al schijnt het felle zonlicht op uw gelaat, u ziet niets. Het wordt u toegeroepen: Zie het Lam Gods! Maar u kunt niet zien op het bloed dat uit Zijn wonden stroomt. U ziet niet, u bent blind. De doden zien niet.

Een dode proeft ook niet, een dode ruikt ook niet. De levende, het geestelijk levende hart wordt geplaagd, door de bittere smaak van de zonde. Het geestelijk levende hart wordt verschrikt, als het het zuur en het zout van het komende gericht proeft. Het geestelijk levende hart verblijdt zich innig als het de zoetheid en de honing van het evangelie proeft. Maar u proeft niets. U ruikt niets. De doden proeven niet, de doden ruiken niet.

 

Een dode verlangt ook niet. Als u bij een dode staat – ik zeg het met voorzichtigheid, omdat ik weet hoeveel pijn het sommigen doet – als u daarbij staat en vraagt aan uw geliefde dode: wilt u levend worden…? Dan blijft het ademloos stil... Dat is uw leven! Geen verlangen! Jongelui, je hebt je geld, je geluk, je plezier van het uitgaan, van de kroeg, van de bios, maar geen verlangen naar God! De doden verlangen niet.

De doden zijn ook uitgesloten van het contact met de levenden. Dat maakt het verlies ook zo pijnlijk. We zouden zo graag nog wat woorden wisselen, maar het kan niet meer.

De doden voelen zich niet thuis, ze zijn niet thuis onder de levenden. U voelt u niet thuis, als u bent in het gezelschap van hen die God vrezen. Als zij met elkaar spreken over het wonder van vrije genade voor dode, voor doodschuldige zondaren. U wilt misschien wel zeggen wat u voor Jezus wilt doen, maar dat zijn woorden van doden. Maar om u nu te verwonderen om wat Hij wilde doen voor doden, voor doodschuldige zondaren, nee, daar voelt u zich niet op uw gemak. De doden voelen zich niet thuis bij de levenden. Ik zeg het maar heel rechtstreeks. U zou, zoals u nu bent, u ook helemaal niet thuis voelen in de hemel. De hemel zou een hel voor u zijn.

 

De doden vergaan. We kunnen onze overleden dierbaren nog een enkele dag aanzien. Soms is er een wonderlijke, vredige uitdrukking op hun gezicht na een periode van zwaar lijden, maar dan… we zien het, we voelen het… We keren onze blik af en zeggen heel zachtjes: doe de kist maar dicht… Het is genoeg geweest. We zien het, we voelen het: wij mensen keren terug tot stof. De doden vergaan.

Kijk eens naar uw leven. Is het niet waar? Als kind scheen u wel betrokken bij de dienst van de Heere. Maar nu uw dagen gevorderd zijn, toont zich de kracht van de zonde in uw leven. Uw leven is een stervend leven. Uw geweten sterft weg en vergaat. Uw leven is een leven van ontbinding…

Dat… dat is wat van de mens overblijft, als u leest in Romeinen 3: niets!

We hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods. We zijn alles kwijt!

 

In het paradijs zijn we goed geschapen. We waren rechtvaardig voor God. We konden voor God staan. Maar nu? Vers 10 zegt:

Er is niemand rechtvaardig, ook niet één.

We zongen Gods lof op de dag van de schepping, maar nu? Vers 13 zegt:

Onze keel is een geopend graf; met onze tongen plegen wij bedrog; slangenvenijn is onder onze lippen. Onze mond is vol van vervloeking en bitterheid.

We dienden de Heere, met ons hele hart, maar nu? Vers 18 zegt:

Er is geen vreze Gods voor onze ogen.

We waren geschapen naar Gods beeld, maar nu? Vers 23 zegt:

Wij hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods.

We zijn alles kwijt! Moedwillig, vrijwillig, alles verloren.

We hebben allen gezondigd, en derven de heerlijkheid Gods.

U mist de heerlijkheid Gods, u mist het beeld Gods, u mist het leven, u mist alles, u bent dood!

En… u stemt toe: dat is waar!

 

Maar… is het wel eens de doorleving van uw hart geworden? Mijn hart! Mijn hart is dood, mijn hart is vijandig!

Dat is toch het eerste wat we zien als God in ons leven werkt: onze verlorenheid! Ik ben dood! Door eigen schuld!

Om daar iets van te zien, moet een mens levend gemaakt zijn. Alleen de levende ziet. Alleen wie door wedergeboorte van dood levend gemaakt is, alleen die mens kan zien. Dan zien we voor het eerst iets van onze dood en vijandschap. En wat blijkt er dan in ons hart een afkeer te zijn van die wetenschap. Wat is er toch veel voor nodig, wat is er toch een Godswonder nodig om de mens te brengen tot de erkentenis: ik ben alles kwijt!

Dat we ziek zijn, dat we onmachtig zijn, dat we hulp nodig hebben, ja, dat willen we wel erkennen. En we doen ons best, we beteren ons leven, we veranderen onze levensinstelling, we verlaten de zonde...

Maar dan… Al dat ‘goede’ dan? Onze bekering, onze gebeden, onze tranen, onze worsteling? Wat is het werk van Gods Geest toch nodig, om ons dieper te laten inblikken in de staat van onze verlorenheid. Want we zien het niet, we willen het niet zien, wat hier staat: we hebben allen gezondigd en we missen de heerlijkheid Gods, we missen het beeld Gods. We missen alles!

 

Dieper blikt de ontdekte zondaar in de diepte van zijn verlorenheid. En ondertussen klinkt de eis van Gods recht: betaal wat u Mij schuldig bent. Een rechtvaardige eis! Onze catechismus zegt in vraag en antwoord 9:

Doet dan God de mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? Nee Hij, want God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.

Moedwillig, door eigen schuld…

Kan God het dan niet door de vingers zien?

Vraag 10 van de catechismus:

Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?

Nee Hij, geenszins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen, gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen.

 

Is dat vonnis al over uw leven gegaan? Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet om dat te doen? Het vloekvonnis van de dood?

Moet u daar geen ‘amen’ op zeggen?

Maar nee, wat een verzet. Duizend uitvluchten!

Vraag 11 zegt:

Is dan God ook niet barmhartig?

God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste Majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.

Daar staat de ontdekte zondaar voor een heilig en rechtvaardig God. Hij mist de heerlijkheid Gods. Hij of zij: onrechtvaardig, onheilig. En God: heilig en rechtvaardig. En God eist de hoogste straf naar lichaam en ziel.

Dat doet een mens roepen! Heere, ik kan voor U niet bestaan. Maar ook: Heere, zonder U kan ik niet verder! Is nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan en tot genade te komen?

 

Vraag 12 van de catechismus zegt:

Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?

En wat is het antwoord?

God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede; daarom moeten wij aan haar, óf door onszelf, óf door een ander, volkomenlijk betalen.

En dan… nog een laatste uitvlucht: kan ik zelf dan niet betalen?

Vraag 13:

Maar kunnen wij door onszelf betalen?

In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder

Wat een onmogelijkheid! De schuld drukt, de zonde roept om straf, en het hart ziet geen uitweg.

 

Zit u zo in de kerk? Met een leven vol schuld, met lege handen, en met een schreeuw in uw hart naar boven? En met de hartelijke erkenning: Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waard? Het is niet alleen dit kwaad dat roept om straf, nee, ik ben in ongerechtigheid geboren. Zonde, een en al, door en door zonde!

Zit u zo in de kerk?

Kom, sla dan vandaag (en de Geest Gods Zelf moge uw hart verlichten), sla dan vandaag eens met mij een blik in die andere diepte. Niet alleen in de diepte van onze verlorenheid, maar ook in die peilloze diepte die genoemd wordt in onze tekst, als gezegd wordt: uit Zijn genade.

 

Maar eerst nog even een vraag. Een vraag voor u allemaal: Kent u uw ellende? Deze ellende: de ellende van uw dood en verlorenheid? Kent u de levensvraag: Mijn ziel, doorzie toch uw lot, hoe zult u rechtvaardig verschijnen voor God?

Wie u ook bent, of u kerkelijk bent of buitenkerkelijk, we hebben allemaal gezondigd. We hebben allemaal het zondeloon (dat is de dood) verdiend. Daar is geen verschil. Of toch wel?

Ja wel, dit verschil, dat aan u de woorden van God zijn toevertrouwd.

Als kind bent u gedoopt.

Op de knie van moeder hebt u geluisterd, toen ze voorlas uit de kinderbijbel.

Aan de hand van vader bent u meegegaan naar de kerk.

U ging naar catechisatie, u deed belijdenis, u bent getrouwd in de kerk.

Zondag aan zondag hebt u het Woord gehoord…

Wat een bijzondere zorg van de Heere!

Wat een bijzondere verantwoordelijkheid voor u! God komt er op terug. Op iedere roepstem!

Als u staat in het goddelijke gericht. Als God Zijn beeld van u zal terugeisen. Als klinken zal: betaal, u, persoonlijk, betaal wat u Mij schuldig bent!

Uw netheid, uw vroomheid, uw werken, uw liefde, het zal u allemaal niet baten. Het is allemaal niets voor God: uw gerechtigheden, uw beste werken zijn een wegwerpelijk kleed! Vodden, oud vuil!

Ziel, doorzie toch uw lot! Hoe zult u rechtvaardig verschijnen voor God?

Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag der oordeels dan u!

 

Onze tweede gedachte:

 

2. De bron van die rechtvaardiging

 

Ik denk dan vooral aan de woorden: uit Zijn genade… om niet…!

Opnieuw blikken we in een peilloze diepte. Ga voor uzelf eens na hoe u daarin blikt.

Als u nog nooit met innerlijke huiver inblikte in de afgrond van uw geestelijke dood, dan bent u nog dood.

Maar ik vraag u ook: hebt u ooit door genade een blik mogen slaan in deze afgrond, die ligt opgesloten in deze enkele woorden: uit Zijn genade, om niet?

Voor velen is het een ergernis. Voor sommigen is het rechtzinnig drijfzand.

Voor velen een ergernis...

God is onrechtvaardig! Kan ik er iets aan doen? En ondertussen meten we Gods recht met de maat van ons onrecht. Wie bent u, o mens, die tegen God antwoordt?

Voor sommigen rechtzinnig drijfzand

Spreek ons veel over de verkiezing. Dat klinkt ons goed in de oren, dat stelt ons gerust. God moet het doen. Het geeft ons de vrijheid om rustig te wachten.

En beide soorten van mensen struikelen… over de drempel van de deur der hoop!

 

Want hier is een deur van hoop geopend voor een mens die zichzelf moet veroordelen.

Hier blinkt eenzijdige, hier schittert verkiezende liefde van God. God had ons allemaal verloren kunnen laten gaan, want we hebben allemaal de dood verdiend.

Maar hier ziet u de liefde van God. Hij was in de stille eeuwigheid bewogen in Zichzelf. Niet om iets in de mens, maar Zijn liefde welde op uit de bron van Zijn genadige barmhartigheid, van Zijn verkiezend welbehagen.

Hier ziet u de liefde van Christus. Hij heeft Zich in enkele liefde gegeven tot een Borg voor Zijn bruid.

Hier schittert de liefde van de Heilige Geest, Die het uit Christus neemt, en in die weg genade toepast in het hart van verloren zondaren.

Hier blikken we in de diepte van Gods eenzijdige liefde, als het klinkt: uit Zijn genade!

Niets uit ons, alles uit Hem!

 

Uit die bron wordt een schuldig volk vrijgesproken. Om niet! Gratis! Rechtvaardig verklaard voor God, door loskoping, door het bloed van Christus.

Goddelozen worden door God rechtvaardig verklaard om niets in hen, uit de bron van Gods eenzijdige genade.

U zegt: zo wil iedereen wel zalig worden! Ik zeg u: zo wil niemand zalig worden!

Want wat kunnen we ons stoten aan Gods verkiezende genade. Is dat wel eerlijk? Is dat wel rechtvaardig? En: Wij willen ook wat doen: verdienen, komen, geloven…

Maar God sluit het allemaal uit. Niets van u, niets van mij. Alleen Zijn genade!

 

Voor wie is dat een deur van hoop? Geen steen van aanstoot, maar een deur van hoop? Voor u?

Dit is een deur van hoop voor een verloren zondaar, voor iemand die arm is, die alles kwijt is, die niets heeft.

Jongens en meisjes, als je veel geld hebt en je kunt iets gratis krijgen, dan zeggen de mensen: Nee, hoeft niet, ik betaal het liever zelf!

Wie is echt heel blij, als iets gratis is? Precies, dat is iemand die arm is, iemand die geen geld heeft, iemand die niets meer heeft.

Voor wie is dit een deur van hoop? Om niet gerechtvaardigd…!?

Dit is een deur van hoop voor wie de diepte van zijn verlorenheid inleeft, voor wie buigt: Wilt U mij, Heere, mij onwaardige zondaar, genade bewijzen?

Hier wordt een weg geopend voor mensen die hun ongerechtigheid inleven, die hun nood en dood erkennen, die God toevallen en zeggen: Uw doen is rein, Heere, Uw vonnis gans rechtvaardig. Is er nog weg om zalig te worden?

O, wat gloort er dan hoop en verlangen in het hart van roepende zondaren! Er is vrije genade bij God vandaan! Anders was het een verloren zaak.

Zondaar, voor wie het een verloren zaak lijkt te zijn, er is hoop, het kan het nog!

 

Maar wat een tegenstand in het hart, om zover te komen: om niet, uit Zijn genade alleen.

Niet om mijn tranen, om mijn gebeden, mijn liefde, mijn ijver… Maar alles kwijtraken, totdat er niets overblijft… Dat is de weg waarop de Heere de Zijnen brengt, totdat het wordt: om niet… uit Zijn genade!

Dat is de bron waaruit alles voorkomt: Zijn genade, om niet.

Dat is ook de blijvende verwondering in het hart van Gods kinderen.

We vallen ertussen uit. In de tijd van onze bekering. We worden, alleen door het onwederstandelijke werk van de Heilige Geest, ondanks ons verzet, een arme zondaar voor God. Een zondaar die niets heeft.

Maar we leren ook steeds weer, steeds meer: niets uit ons, alles uit Hem.

 

Waarom eigenlijk? Wat is de bedoeling van de Heere daarmee? Opdat er maar één ding zou overblijven. Het wonder van eenzijdige genade. En opdat God alleen alle eer en heerlijkheid zou ontvangen.

Dat alles maakt géén zondige en zorgeloze mensen, die zeggen of denken: laten we meer zondigen, opdat de genade meer zou worden!

Gemeente, genade en een zondig leven gaan niet samen. Genade is de doodsteek voor de zonde!

Maar zo verheerlijkt God Zich in het leven van de Zijnen. Zo krijgt Hij alle eer.

Hij krijgt alle eer, in ons hart. Als we Hem in ons hart in stilte aanbidden en bewonderen: waarom, Heere, waarom was het op mij gemunt? Het was vrije gunst die eeuwig U bewoog.

Hij krijgt alle eer in onze mond. Dan gaan onze gesprekken niet om onze tranen, om onze gebeden… Dan gaat het niet meer over ons, dan gaat over Hem. Dan wordt het: U alleen, U loven wij!

Dan krijgt Hij ook alle eer in onze wandel. Dan wandelen we niet zorgeloos en zondig. En dan dragen we van harte het zachte juk van Christus.

 

In ons is de dood. Dat was de eerste, huiveringwekkende diepte. In ons is niets. Bij de mensen is het onmogelijk.

God vrije gunst en genade. Dat was de andere, huiveringwekkende, peilloze diepte. In God is alles. Niet alleen de mogelijkheid (God doet het, maar de mens moet ook nog iets doen), maar de werkelijkheid van de verlossing door het bloed van Christus. Gerechtvaardigd, om niet, door de verlossing die in Christus Jezus is. Dat brengt ons bij het derde aandachtspunt:

 

 

3. Het middel of de verdienende oorzaak van die rechtvaardiging

 

Jongens en meisjes, als je goed luistert naar die moeilijke woorden ‘recht-vaardigheid’ en ‘ger-recht-igheid’, dan hoor je daarin een ander woordje. Het woordje recht: ‘recht-vaardigheid’ en ‘ge-recht-igheid’. Dat woordje recht wijst op de rechte verhouding tussen God en de mens. Zo was het in het paradijs. De verhouding tussen God en mens was recht. Daar zat helemaal niets tussen. Daar was nog geen zonde. We konden recht-op voor God staan.

Maar door de zondeval van Adam zijn we allemaal gevallen. Gevallen in het tegenovergestelde. In ongerechtigheid. Dat is precies het tegenovergestelde van gerechtigheid.

En nu is de eis van Gods recht, dat we allemaal de dood zullen sterven.

Maar er is een weg, een mogelijkheid om zalig worden. Een weg, een mogelijkheid waardoor het weer recht kan worden tussen God en ons. Dat kan, dat weet je, alleen door de Heere Jezus.

 

Als je aan het woordje recht denkt, van ge-recht-igheid en recht-vaardigheid, dan denk je vanzelf ook aan een rechter. Een rechter die oordeelt. En zo is dat woordje hier ook bedoeld. Je moet inderdaad denken aan een rechtbank.

Daar is een rechter. Daar is ook iemand die aangeklaagd wordt (bijvoorbeeld een dief of een moordenaar). Er is ook een officier van justitie; dat is iemand die de schuld aanwijst, die het bewijs levert van de diefstal of van de moord. En dan is er nog een advocaat; iemand die pleit voor de verdachte.

 

Als een zondaar zijn of haar verlorenheid inleeft voor God, dan moeten we in de eerste plaats onszelf veroordelen. Maar dat niet alleen. Daar is ook de duivel, de satan, die de zonde in ons leven aanwijst. ‘Kijk eens, hoe diep, en hoe zwaar, en hoe tegen beter weten in, je toen en toen gezondigd hebt!’

En ons geweten klaagt ons aan. Het is als een vinger Gods: toen en daar, en toen, en daar heb je gezondigd! Zo zie ik mijn zonden steeds voor ogen zweven. Ik heb tegen U, ja U alleen misdreven. Zo leer ik bekennen: het is waar. Ik heb gezondigd. Meer nog, ik doe niet alleen zonde, ik ben zonde. Meer nog, ik lig van nature midden in mijn geestelijke dood en vijandschap tegen God. Heere, ik kan me niet verontschuldigen, ik wil me niet meer verontschuldigen, ik leg mijn hand op mijn mond. Alles klaagt me aan, alles veroordeelt me. Ik zeg ‘amen’ op alles wat U zegt.

En ondertussen eist de hoogste Rechter: Er moet betaald worden voor al deze misdaden.

Hoe komt het toch ooit goed in mijn leven tussen God en mijn ziel? Ziet u het voor u, die hemelse rechtbank?

 

Kijk, nog een laatste keer vraagt de aangeklaagde zondaar respijt aan de hemelse Rechter.

Heb geduld, Heere, ik zal mijn leven beteren, ik zal U alles betalen.

En de Rechter laat hem begaan. Opdat hij door schade en schande wijs zal worden! Opdat hij werkelijk zou geloven en belijden: ik heb in mezelf niets!

Maar wat een wonderlijke Rechter blijkt deze Rechter dan te zijn, als het in het hart van de veroordeelde zondaar een verloren zaak wordt, en hij moet bekennen: Heere, ik heb helemaal niets! Ik ben alles kwijt, ik ben een arme, failliete zondaar voor U.

Want dan treedt onverwacht de Advocaat tussenbeide, en zegt: Ik wil staan in zijn plaats! Hier is Mijn bloed, Mijn kostbaar bloed voor deze schuld, voor deze doodschuld.

En... de Rechter spreekt vrij!

Onbegrijpelijk! Wonder van genade!

 

Waarom? Uit Zijn genade! Uit vrije ontferming! Door de verlossing, door de vrijkoping, door de afbetaling van de schuld door Jezus Christus.

Hij was en is de eniggeboren Zoon van God. Hij stelde Zich in de eeuwigheid tot een Borg voor de Zijnen. Hij is gekomen als een sterfelijk mens, zonder enige zonde. Hij heeft de wet volkomen vervuld. Nooit struikelde Hij, in niets. Hij was volkomen onschuldig.

Maar het goddelijke recht stelde Hem, Onschuldige, in staat van beschuldiging! En Hij wilde van harte en vrijwillig staan in de plaats van Zijn schuldige bruidskerk, in de plaats van doodschuldige opstandelingen. Hij kocht hen met Zijn eigen hartebloed! Hij liet Zich veroordelen, onschuldig, opdat de Zijnen in het gericht Gods zouden vrijgesproken worden! Hij droeg de straf, de last van de toorn over de zonde, in hun plaats. Hij ging onder in de vloed van Gods toorn, waarin Hij staande bleef door goddelijke kracht, in hun plaats.

Hij betaalde wat betaald moest worden: alles.

Hij betaalde de prijs, en zij werden vrijgekocht. Niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, maar Hij betaalde de prijs met Zijn dierbaar bloed.

 

Dit is het wonder van vrije genade. Hierdoor kan een zondaar zalig worden. Hierdoor kunt u zalig worden.

Als u zelf de prijs wilt betalen, dan is alles verloren.

O, laat u toch zaligen, door alles van uzelf los te laten.

O, laat u toch besprengen met het dierbare bloed van Christus.

 

Dit is het wonder van vrije genade! De Rechter rekent de losprijs, die Christus verdiende, toe aan een schuldige zondaar. De Heilige Geest neemt, in Zijn onwederstandelijke werk (dat wil zeggen dat het niet tegen te staan is), een zondaar alles uit handen. Zodat hij leert roepen: wees mij zondaar genadig.

Hij leert een zondaar oog krijgen voor de gerechtigheid van Christus.

Hij schenkt die gerechtigheid aan een zondaar, uit vrije genade.

Hij leert een zondaar die gerechtigheid te ontvangen, te omhelzen en te waarderen boven alles in deze wereld.

O, de gerechtigheid van Christus, geopenbaard in het hart, brengt onze ziel in zalige verrukking. Christus in mijn plaats! Dat doortrekt mijn hart met heilige en kinderlijke vrees, met stille verwondering, met hartelijke wederliefde om Hem te dienen en te vrezen, en met een voortdurende ijver om anderen tot Zijn dienst te lokken.

 

Dat, jongens en meisjes, is wat heet: rechtvaardig-making. Gods kinderen zijn niet rechtvaardig van zichzelf, maar God maakt hen rechtvaardig. Ze worden rechtvaardig gemaakt.

Niet door hun eigen goede werken, want die waren er niet. Gods kinderen waren in hun hart allemaal net zo slecht, zo niet slechter, dan jij. Er was niets goeds in hen, helemaal niets.

Maar ze zijn rechtvaardig gemaakt. De verhouding tussen hen en de Heere God is hersteld, door het werk van een Ander, door het werk van de Heere Jezus Christus.

 

Vers 28 van Romeinen 3 zegt dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. Dat is het geloof, dat in het hart gewerkt wordt door de Heilige Geest.

Over dat geloof zijn heel wat misvattingen. Dat is geen werk, geen nieuw werk van de mens, dat is ook geen samenwerking tussen God en mens… Nee, dat geloof is heel eenvoudig een genadegave, een onverdiende gift van God aan een schuldige zondaar, die niets heeft.

Niet in ieder van Gods kinderen is dat geloof even sterk en vast. Er is groot geloof, klein geloof, bestreden geloof, beoefend geloof… En bovendien, Gods leiding in het leven van Zijn kinderen is heel verschillend. Sommigen ontvangen meer licht op deze gezegende Christus, anderen lijken meer schuchter en verlegen achter te blijven. Zij dragen de lamp op hun rug, en lopen zelf vaak in het donker. Maar verwar, gemeente, klein geloof niet met ongeloof!

Dit is het wezenskenmerk van het ware geloof: het ware geloof ziet af van zichzelf, en richt de ogen op de gerechtigheid van Christus.

Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van Christus!

Zalig de armen van geest, die niets hebben. De Geest zal hun ogen op Gods tijd richten op Christus, en in Hem zullen ze alles vinden wat nodig is voor de zaligheid van hun ziel.

Zalig die treuren om hun zondelast. De Geest heelt op Gods tijd gebrokenen van hart. Hij bewaart hun tranen in Zijn fles.

 

Kinderen van God, u brengt uzelf in veel geestelijke donkerheid als u het werk van de Heere verdacht maakt, omdat u de zekerheid in uw leven mist. Sta evenwel naar meer vastheid. Die zult u vinden in een weg waarin u alles van uzelf verliest, om maar Eén over te houden: Christus Jezus!

U brengt uzelf ook in veel geestelijke donkerheid als u het bijzondere maatgevend maakt. De Heere leidt Zijn kerk gewoonlijk niet door bijzondere ervaringen, maar door Zijn Woord! Het hóeft ook niet zo bijzonder. Genade is al bijzonder genoeg!

Door het Woord worden al Gods kinderen geleid op deze weg: zij worden zondaar voor God, ze verliezen alles, en in die weg wordt hun gebroken oog gericht op de onnaspeurlijke rijdkom van Christus. Daar wordt het: in ons is niets, in U, Heere, vind ik alles!

 

Mag ik u, aan het einde van deze dienst, iets persoonlijks vragen?

We hebben met elkaar een blik geslagen in twee diepten.

Als u blikt in die eerste diepte, van uw zonde en dood, wat zegt u dan?

‘Valt eigen best wel mee. Niet zo zwaar aan tillen…’?

Dat zegt u, omdat u blind bent. U ziet het niet…

Dat zegt u, omdat u dood bent. U voelt het niet…

Wat zegt u?

‘O wat erg, ik zal mezelf beteren...’?

Tenzij uw gerechtigheid overvloediger is dan die van de farizeeën en de sadduceeën – bent u echt zo goed? – u zult het koninkrijk van God geenszins ingaan!

 

Wat zegt u?

‘O Heere, het is waar, ik kan voor U niet bestaan! Ik ben doodschuldig, ik heb niets om te betalen…’

En als u dan blikt in die tweede diepte van eenzijdige genade bij God vandaan, zonder iets van de mens… wat zegt u dan? Zie ik op uw gezicht geen stille ergernis…?

‘Ziet de Heere dan niet dat ik beter ben dan die, dan die, dan de mensen van de wereld…? Ziet de Heere dat dan niet?’

Ik zeg u: Nee! De Heere ziet het niet!

En u ziet het niet – omdat u blind bent – dat u erger bent dan de mens van de wereld.

O, erken toch de dodelijke kwaal van uw ziel, voor het te laat is!

 

Zeg, roepende zondaar, als u blikt in die diepte van eenzijdige genade, wat zegt u dan? Is het geen deur van hoop? Het kan nog voor u! God heeft zondaren uitverkoren, en daarom kan het ook voor u!

O, roep dan maar: wees mij arme zondaar genadig!

En als u dan, na die twee diepten, ziet op die ene hoogte: op de verlossing, de vrijkoping door het bloed van Christus, wat zegt u dan?

Wat zegt u?

‘Ja, dat spreken over Jezus, dat doet me deugd, dat doet me goed.’

Maar let goed op, ik spreek u over Jezus voor een verloren zondaar! O, zie toch in uw hart hoeveel verzet en vijandschap daar is tegen deze Jezus, door uw hoogmoed en eigengerechtigheid. Deze Jezus is niet te koop, Hij is niet te kiezen, Hij is te krijgen… En Hij wordt gegeven aan mensen die alles kwijt zijn, die niets hebben.

O, val toch heden Uw Rechter te voet!

 

Wat zegt u, u die God zoekt?

‘O, kon ik Hem maar zien. Wist ik het maar, dat mijn zonden gewassen waren in Zijn bloed, dat Zijn gerechtigheid de mijne was.’

Roep er maar om, pleit er maar op: op vrije genade, om niet! In de weg van verlies wil God op Zijn tijd de Parel van grote waarde laten schitteren. In de weg van alles kwijtraken wil de Geest op Zijn tijd Christus openbaren, als de Schoonste van alle mensenkinderen.

 

U die Christus hebt leren kennen door geschonken geloof, het was om nietuit Zijn genade…

Geef God alleen de eer, in uw hart, met uw mond, en in uw wandel.

Leer in de weg van verlies, in een biddend leven, toch veel blikken in deze beide diepten.

In de diepte van onze blijvende schuld, die we dagelijks meer maken.

En in de diepte van de liefde van Christus voor ons, arme zondaars. Dan blijft er niets over van ons, dan is alle eer voor Hem.

 

Bekommerden, armen, Godzoekers, ik wens dat u met alles wat u gekregen hebt een verloren mens wordt.

Bevestigden in de genade, ik wens dat u met alles wat u gekregen hebt een verloren mens wordt.

Zodat er niets meer in ons overblijft, bij de aanvang en bij de voortgang. Zo alleen krijgt Christus een gestalte ons.

Zo leren we zien op Christus. Zo leren we troost vinden Zijn bloed, heling in Zijn wonden.

Zo leren we Hem gelovig omhelzen, Hem aanhangen, ons volkomen op Hem verlaten.

Zo vinden we vastheid en vrede in Zijn bloed. Zo leren we het getuigenis van de Geest verstaan: dat we arme zondaars waren… en blijven! Maar ook dat we door vrije en onverdiende genade kinderen van God geworden zijn, erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus Jezus.

En dat alles was om niet, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is.

 

Amen.