Ds. C.G. Vreugdenhil - Johannes 3 : 3

De enige toegang tot het koninkrijk van God

De vraag van Nicodemus
Het antwoord van Jezus
De ruimte voor ons
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 16)

Johannes 3 : 3

Johannes 3
3
Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 9: 1
Lezen : Johannes 3: 1-24
Zingen : Psalm 139: 7, 8, 10
Zingen : Psalm 68: 2, 17
Zingen : Psalm 105: 24

Gemeente, het schriftwoord dat we met de hulp van de Heere willen overdenken staat in Johannes 3 vers 3:

 

Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

 

Dit schriftwoord spreekt ons over: De enige toegang tot het koninkrijk van God.

 

Wij letten op drie aandachtspunten:

1. De vraag van Nicodemus

2. Het antwoord van Jezus

3. De ruimte voor ons

 

1. De vraag van Nicodemus

 

U kent hem wel, gemeente, Nicodemus de farizeeër. Farizeeër, dat woord heeft nogal een ongunstige klank. Stel u voor dat ik aan de catechisanten vraag: ‘Jongens, wat is een farizeeër?’ Tien tegen één dat ze zeggen: ‘Dat is een huichelaar. Dat is iemand die zich anders voordoet dan hij in werkelijkheid is.’ Dat is natuurlijk niet waar. Zeker, in de Bijbel komen de farizeeërs er niet zo gunstig af. De Heere Jezus heeft zelfs tegen hen getoornd en gezegd: ‘Wee u, gij farizeeërs, gij blinde leidslieden der blinden!’ Maar nu horen we toch heel andere dingen over een farizeeër. Het gaat over een farizeeër die tot Jezus komt. Een farizeeër die Jezus heeft nodig gekregen. Zijn naam is Nicodemus.

Hij is een bevoorrecht mens, want hij heeft een uitstekende opleiding genoten. Hij is onderwezen in de wet van Mozes en in de geschriften. Hij is van kinds af vertrouwd met de Bijbel, en tenslotte is hij zelf farizeeër geworden. Hij is een man van aanzien. Hij maakt zelfs deel uit van het sanhedrin. Daar kozen ze echt niet de eerste de beste voor. Je wordt niet zomaar lid van het hoogste rechtscollege in Israël. Ik kan me voorstellen dat zijn collega’s hem bewonderden, dat ze jaloers op hem waren.

 

Nicodemus is dus niet de eerste de beste farizeeër. Er is nog meer van hem te zeggen. Hij is ook nog leraar der wet. Dat blijkt uit de woorden van de Heere Jezus. Hij kan precies vertellen wat de mensen moeten doen om zalig te worden. Wat er moet gebeuren om het leven in te gaan.

En toch, hij weet zelf niet wat het is, maar hij is er de laatste tijd niet meer zo gerust op. Dat blijkt wel. Anders ga je toch niet naar die Rabbi uit Nazareth? Een farizeeër die zelf zo breed en diep en levenslang gestudeerd heeft, gaat raad vragen bij Iemand Die zelfs helemaal geen officiële opleiding genoten heeft. Dat doe je toch zomaar niet! Reken maar dat hij er weken over nagedacht heeft voor hij die stap deed. En eindelijk heeft hij de knoop doorgehakt. Hij gaat!

 

Hoe zou die onrust in het leven van Nicodemus gekomen zijn? Dat weten we niet. Daar zwijgt de Bijbel over. Hij zal de Heere Jezus hebben gezien of gehoord. Toen Jezus begon met Zijn openbare optreden op aarde, was één van de eerste dingen die Hij zei: ‘Bekeert u!’ Net als Johannes de Doper. ‘Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.’

Het koninkrijk der hemelen, daar zaten die farizeeërs nu juist op te wachten. Daar hadden ze heel bijzondere voorstellingen van. Eigenlijk was Israël dat koninkrijk. Maar de bloei van het rijk werd verhinderd door de zonden en de gebreken van het volk. Als de godzaligheid van de farizeeërs zich nu maar eens wilde uitbreiden over het hele volk, dan zou het koninkrijk van God wel komen. Als er nu maar eens een geestelijke en zedelijke verbetering kwam, dan zou het koninkrijk van God wel openbaar worden, zo dachten de farizeeërs. En Nicodemus is een kind van zijn tijd. Hij heeft er ongetwijfeld ook zo over gedacht.

En nu heeft die Rabbi uit Nazareth overal verkondigd dat het koninkrijk er aan komt. Hoe kan dat? Moeten we dan eerst niet een heleboel veranderen? Daar wil hij meer van weten. Toen heeft Nicodemus gedacht: Ik ga het vragen. Ik ga naar die Rabbi toe. Maar ja, wat zullen de mensen daar van zeggen? Wat zullen zijn collega’s daar van zeggen? En daarom gaat hij ‘s nachts, als niemand het ziet…

 

Je moet toch wel met jezelf in de knoop zitten, als je op zo’n ongelegen uur, midden in de nacht, op pad gaat. En wat zal de Heere Jezus daar nu van zeggen? ‘Nicodemus, jij hier? Het is midden in de nacht man!’ Nee, zo reageert de Heere Jezus niet. Waarom niet? Ach, Hij is toch gekomen om zondaren zalig te maken? Of dat nou een hoer is uit Samaria of een farizeeër uit Jeruzalem, dat maakt toch niet uit? Een zondaar is toch een zondaar? Ze staan allebei even ver van het koninkrijk, als ze niet wederom geboren zijn.

Gemeente, kunt u één voorbeeld in de Bijbel aanwijzen dat de Heere Jezus iemand die met de vraag van zijn leven kwam heeft weggestuurd? Nee toch? Jezus stuurt hen niet weg. Onze hoogste Profeet is zo bereidwillig om mensen te ontvangen en zo geduldig om ze te onderwijzen en zo wijs om ze aan te pakken precies zoals het nodig is. Hij kent hen immers.

 

Daar gaat Nicodemus. Maar ja, wat moet hij nu zeggen als hij midden in de nacht bij die Rabbi komt? Daar heeft hij over lopen piekeren. Je kunt toch zomaar niet ineens bij een vreemde je hart op tafel leggen? Wij westerlingen zijn er nogal behoorlijk in bedreven om recht op de man af te zeggen waar we voor komen. Maar dat is in het oosten absoluut niet het geval. Daar draaien ze heel lang tot ze komen bij het punt waar ze zijn moeten. Dat is een soort beleefdheidsvorm.

Wat zal Nicodemus doen? Hij zal in het algemeen beginnen. Zo, dat Jezus niet direct door heeft waar hij voor komt. Zo, dat Jezus de innerlijke onzekerheid, waardoor hij verscheurd wordt, niet in de gaten heeft. En misschien krijgen ze dan samen een theologisch gesprek. En zo kan hij dan via een omweg met zijn probleem komen en te weten komen wat hij weten wil.

 

Zo lezen we in vers 2: Deze kwam des nachts tot Jezus en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten dat Gij zijt een Leraar van God gekomen; want niemand kan deze tekenen doen die Gij doet, zo God met hem niet is.

Hij erkent Hem dus als Meester. Is dat wel waar, Nicodemus? ‘Wij weten’? Namens wie spreekt u dan nog meer? Namens alle farizeeërs? Dat kan toch niet? De meeste farizeeërs koesteren immers een diepgewortelde haat jegens de Heere Jezus. Ze vinden Hem helemaal geen Leraar van God gezonden. Later zeggen ze met trots: ‘Heeft soms één van de oversten in Hem geloofd?’ En dan: ‘wij weten’? Is dat waar?

Nicodemus doet alsof hij zo zeker is van zijn zaak, maar hij wordt innerlijk verscheurd van onzekerheid. Hij verschuilt zich achter de publieke opinie. Hij staat hier niet als een mens die zelf vragen heeft, maar hij geeft alleen de mening van zijn groep weer. Misschien bedoelt hij toch meer dan de publieke opinie. Wellicht bedoelt hij te zeggen: ‘Rabbi, een ander kan van U denken wat hij wil, maar ik ben er zeker van dat U een Leraar van God gezonden bent.’

 

Hoe weet Nicodemus dat? Wel, hij heeft de tekenen gezien en ervan gehoord. Dat staat er. Hij zegt: Niemand kan deze tekenen doen die Gij doet, zo God met hem niet is. Wat voor tekenen bedoelt Nicodemus? Sla de bladzijde maar even terug in Johannes. Daar staan twee tekenen genoemd. Het eerste is het wonder in Kana, waar water in wijn werd veranderd. Het tweede is heel speciaal gericht tegen de farizeeërs: de tempelreiniging.

En dan is het toch wel heel wonderlijk. Je zou verwachten dat de farizeeërs nu helemaal niets meer van Jezus wilden weten. En nu komt daar een wetsleraar, een lid van het sanhedrin. En juist op grond van deze tekenen zegt hij: ‘Ik ben er zeker van, U bent een door God gezonden Leraar.’

Gemeente, dat is één van de eerste dingen die een zoekend mens nodig heeft: een leraar, onderwijs. Waarom? Je weet niet meer hoe het moet, en je buigt aan de voeten van Hem Die de grote Profeet en Leraar der gerechtigheid is. En je raakt verlegen om Zijn onderwijs.

Zit u graag aan Zijn voeten? Komt u graag naar de kerk? Want hier stuurt God leraren om het Woord te openen en onderwijs te schenken. En daar wil de Heere in meekomen. Zelfs zo dat uw geestelijke honger wordt verzadigd en dat u wordt meegenomen naar het Lam van God.

 

Daar staat Nicodemus, een leraar in Israël. Daar gaat zijn kennis! En daar gaan al zijn zekerheden! Hij heeft nog maar net gezegd: ‘Wij weten’ en nu erkent hij Jezus als dé Leraar, als Degene Die het weet. En hij komt met zijn vragen.

Misschien zit er wel iemand in de kerk die hier zijn leven in herkent. In het dagelijks leven kun je overal een mondje over meepraten. In het geestelijk leven misschien ook. Van kinds af bent u er mee opgevoed, thuis, in de kerk, op school, op de catechisatie. Misschien weet u helemaal precies hoe God een mens bekeert, tenminste dat dénkt u. Maar als het je echt om God te doen is, krijg je Hem nodig Die gekomen is om de verborgen raad en wil van God aan ons bekend te maken. Want de Heilige Geest opent niet alleen de ogen voor onze blindheid, onze schuld en onze nameloze verlorenheid, maar Hij toont ons ook die ene Profeet en Leraar der gerechtigheid.

 

Wat zou die Nicodemus nu van de Heere Jezus verwacht hebben, gemeente, daar midden in de nacht? Hij heeft de Heere Jezus de hoogste lof gegeven en gezegd: ‘U bent een Leraar van God gezonden.’ En hij denkt wellicht: wat zal de Heere Jezus daar blij mee zijn. Want zoveel farizeeërs erkennen Hem helemaal niet. Hier is er tenminste één die Hem respecteert.

Moet de Heere Jezus hem nu op Zijn beurt gaan prijzen en een klopje op de schouder geven en zeggen: ‘Nicodemus, u bent een grote uitzondering op de regel, want de meeste farizeeërs verachten Mij.’ Misschien heeft Nicodemus zoiets wel verwacht, we weten het niet. Dat zou iedereen toch wel willen die met zichzelf in de knoop zit. Natuurlijk, wij zijn allemaal zondaren, en er mankeert nog wel wat aan ons. Maar als we nu dit eens doen en dat eens nalaten en hier een beetje en daar een beetje veranderen, als we nu eens onszelf een beetje opknappen en de Heere te voet vallen, dan zal Hij daar toch Zijn goedkeuring wel aan hechten?

Maar, gemeente, op de leerschool van de Heere Jezus krijgt geen sterveling daar de kans voor! Want Hij doorgrondt en kent ons hart en weet van verre onze gedachten. Hij weet precies wat er in de mens is. Hij doorziet Nicodemus. Hij kent zijn vragen. Hij wist al lang dat Nicodemus komen zou, en dat achter die algemene opmerking de vraag van zijn leven schuilgaat. Dat weet de Heere Jezus allemaal. En dan begint Hij voor ons gevoel over iets totaal anders.

 

Nu moet u de stelligheid waarmee Nicodemus gesproken heeft eens vergelijken met de stelligheid waarmee Jezus spreekt. Nicodemus heeft gezegd: Wij weten. Welnu, Jezus weet óók iets. En Hij gaat het zeggen. Dat is onze tweede gedachte:

 

2. Het antwoord van Jezus

 

We lezen in vers 3: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

Amen, amen zeg Ik u, staat er in de grondtaal. Jezus zweert! Hij is de Waarheid Zelf. Hij kan niet liegen. Maar nochtans zweert Hij tot twee keer toe. Nu, dan mogen wij de oren wel spitsen. Als Jezus gaat zeggen: ‘Amen, amen zeg Ik u’, dan komt er iets heel belangrijks.

‘Maar’, zegt u, ‘is dat nu wel een antwoord op de opmerking van Nicodemus?’ Er staat: Jezus antwoordde en zeide. Het is dus blijkbaar een antwoord. Nicodemus heeft eigenlijk nog niets gevraagd, hij heeft alleen nog maar iets gezegd. En nu staat er: Jezus antwoordde. En het antwoord slaat op de ingang in het koninkrijk der hemelen. Blijkbaar was dat de vraag die Nicodemus nog niet durfde uit te spreken, maar die wel in zijn hart was; het gaat Nicodemus om het koninkrijk van God!

De farizeeërs zagen uit naar de komst van dit koninkrijk. En weet u wat zij dachten? Ze dachten dat ze daar zelf een steentje aan bij moesten dragen. Als ze nu maar goed ijverig waren en als ze de Joden nog wat heiliger konden krijgen, dan zou zo het koninkrijk komen. Het koninkrijk komt bij hen van beneden.

En nu gaat de Heere Jezus heel confronterend een streep halen door de gedachten van die farizeeërs. Ze dachten dat zij hun best moesten doen voor de komst van het rijk, en dat het koninkrijk van de mens uit zou komen. Hij zegt: ‘Nicodemus, het is net andersom. Het koninkrijk komt van boven. Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.’ Letterlijk staat er: tenzij iemand van boven geboren wordt.

Jezus is de Koning. Hij zorgt Zelf voor Zijn onderdanen en roept ze. Hij roept ook u. In de evangelieprediking roept Hij u: ‘Kom tot Mij, hoor en uw ziel zal leven!’ En waar dat aanslaat, daar mondt de roeping uit in de wedergeboorte. En de wedergeboorte is de enige toegangspoort tot het koninkrijk van God.

 

Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk van God niet zien. Gemeente, daarmee zegt de Heere Jezus ontzaglijk fundamentele dingen. Laat ik er drie noemen.

 

In de eerste plaats dit: als wij opnieuw geboren moeten worden, betekent dit dat het met onze eerste geboorte niet goed zit. Van onze eerste geboorte zegt de Schrift: in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren, en het voorwerp van Gods toorn. We kunnen in het rijk van God niet komen, tenzij dat we van nieuws geboren worden.

Dat is wat voor een farizeeër, die zich beroemt op zijn geboorte! Zij waren toch de kinderen van Abraham? Zij waren toch bekeerd? Abrahams zaad, kinderen van het verbond, opgevoed in de wetten van Mozes! Wat moesten ze nog meer? En dan te moeten horen dat er van dat alles niets deugt, en dat je helemaal opnieuw moet beginnen.

Gemeente, is dat voor ons ook niet een ergernis? De meesten van ons zijn opgegroeid in een christelijk gezin, gedoopt, opgevoed bij het Woord, trouw meelevend wellicht. Prachtig! De Heere wil juist langs die weg ons roepen uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Maar de dingen die ik noemde zijn niet de grond voor de ingang in het rijk. Er moet iets anders gebeuren. Ons begin is niet goed. Onze geboorte uit zondige ouders is niet goed. Ons hart moet vernieuwd worden. We moeten een nieuw hart krijgen, jongens en meisjes. Dat is het eerste.

 

Het tweede dat Jezus met deze woorden wil zeggen is dit: dat wij daarbij geen enkele inbreng hebben. Hebt u kunnen bepalen op welke dag en op welk uur u geboren zou worden? Nee toch? Daar bent u lijdelijk, volkomen passief in. En gemeente, zo levert een mens ook geen enkele bijdrage tot zijn wedergeboorte. Dat is Gods werk. Eenzijdige genade. Het komt niet van beneden, maar het komt van boven. U heeft Hij mede levend gemaakt, zegt Paulus, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden (Ef.2:1).

En nu het derde wat Jezus bedoelt te zeggen. Die wedergeboorte is strikt noodzakelijk. Een andere weg tot het koninkrijk is er niet. Met grote nadruk zegt Jezus: ‘Amen, amen, zeg Ik u, tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien.’

Er is maar één poort die toegang geeft tot het koninkrijk van God, en dat is de poort van de wedergeboorte. Dat is niet de poort van onze kennis, ons meeleven, onze doop of onze belijdenis. Ook niet het feit dat we avondmaalganger, dominee, ouderling of diaken zijn. Nee, we moeten langs een andere weg het koninkrijk binnenkomen. De weg van de totale vernieuwing van ons totaal verdorven leven.

 

Jezus gooit Nicodemus van zijn fundament. Hij zegt in de eerste plaats: ‘Je geboorte deugt niet.’ In de tweede plaats zegt Hij: ‘Nicodemus, je hebt helemaal geen inbreng.’ En in de derde plaats zegt Hij: ‘De wedergeboorte is strikt noodzakelijk om in het rijk te komen.’

Gemeente, weest u eens eerlijk. Vindt u dat niet een beetje hard van de Heere Jezus? Daar komt een man die heel ernstig is, en die het serieus bedoelt, en die blijkbaar onrustig is en ontevreden over zichzelf. Een man die nota bene bij Hem komt met de vragen van zijn hart. En in plaats van deze man te bemoedigen en te troosten slaat Hij hem alles uit handen. Hij zegt: ‘Nicodemus, het is helemaal niets met je en het zal nooit wat worden ook, tenzij je helemaal opnieuw begint. Maar daar kun je zelf niets aan doen. Dat heb jij niet in de hand.’ Dit gaat duidelijk in tegen de gedachte van de farizeeërs dat zíj het rijk moesten laten komen. Is dat nu zielszorg van de Heere Jezus?

Toch wel, gemeente, juist wel. Zielszorg van de beste soort. Dat blijkt straks. Nicodemus begrijpt dat aanvankelijk nog niet, want hij vraagt: ‘Ja maar, Heere Jezus, hoe kan dat nou? Ik begrijp dat niet. Ik ben misschien al veertig jaar. Moet ik nu opnieuw in de buik van mijn moeder gaan en opnieuw weer geboren worden? Dat kan toch niet?’ Wat een dwaas antwoord van een leraar in Israël. Dat zegt de Heere Jezus ook: Zijt gij een leraar Israëls en weet gij deze dingen niet?

Nee gemeente, het is niet onbarmhartig van de Heere Jezus. Het is de grootste barmhartigheid dat Hij deze man alles afneemt, opdat er plaats komt voor iets anders. En dat wijst Hij aan. Hij laat Nicodemus niet verder aan zijn lot over. Dat zou hard zijn, om alleen maar te zeggen: ‘Een mens moet wederom geboren worden’ en het dan verder zo te laten. Dat is hard! Dat is onbarmhartig! Nee, dat doet de Heere Jezus niet. Hij wijst de weg.

Want het gesprek met Nicodemus loopt door tot en met vers 21. De Heere Jezus zegt niet alleen: ‘U móet wederom geboren worden.’ Hij zegt ook: ‘U kúnt wederom geboren worden.’ In datzelfde gesprek met Nicodemus snijdt Hij al die andere dingen aan die Hij gebruikt om mensen binnen te halen in Zijn rijk.

Daarop letten we in onze derde gedachte: De ruimte voor ons. Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 68 vers 2 en 17:

 

Maar ‘t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielevreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ‘t licht, dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt de weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn naam is Heer’ der heren.

 

Hoe groot, hoe vrees’lijk zijt G’ alom,

Uit Uw verheven heiligdom,

Aanbidd’lijk Opperwezen!

‘t Is Isrels God, die krachten geeft,

Van Wien het volk zijn sterkte heeft.

Looft God; elk moet Hem vrezen.

 

3. De ruimte voor ons

 

Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien. Het gaat in deze tekst over de enige toegang tot het koninkrijk van God. We hebben gelet op de vraag van Nicodemus en het antwoord van Jezus. Dat eindigt echter niet bij vers 3, maar het gaat door tot vers 21. Ik haal uit dat gesprek een paar hoofdlijnen op en daarin blijkt de ruimte die er is voor u en voor mij om Gods koninkrijk binnen te gaan.

Jezus zegt niet alleen: ‘Nicodemus, van jou deugt er niets en uit jou vandaan kan het nooit, het moet van boven komen, amen.’ Nee, hij heeft éérst ‘amen’ gezegd. ‘Amen, amen zeg Ik u.’ En dan gaat Jezus dóór. Dan laat Hij hem niet op een dood spoor staan, maar dan wijst Hij deze man in liefde de weg.

 

Ik wijs u eerst op vers 14 tot 16: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Snapt u dat? De Heere Jezus zegt: ‘Nicodemus, met jou is het helemaal niets. Door eigen inspanning kom je niet in het rijk. Maar er is redding van buitenaf, van boven. U moet van boven geboren worden.’ En nu wijst Hij hem de weg: ‘Nicodemus, jij bent een farizeeër hè? Jij kent de Bijbel op je duimpje. Weet je wat er in Numeri staat? Wat staat daar van die koperen slang?’ En zo gaat Nicodemus een licht op.

De Israëlieten hadden gezondigd en hadden het verdiend om te sterven. En God straft ze. Hij zendt vurige slangen onder het volk, zodat zij stierven. Hopeloos, van de mens uit. Reddeloos. En wat gaat God dan doen? Hij zegt: ‘Mozes, maak u een koperen slang en steek die op een staaf en houd hem hoog. En het zal zijn dat een ieder die de koperen slang aanziet, leven zal.’

U ziet het voor u. Een oude opa, jongens en meisjes, wordt gebeten door een slang. Hij kreunt en kruipt over de grond. Wat doet dat zeer, dat vurige slangenvenijn! Hij zal eraan moeten sterven. Maar hij hoort een van zijn kleinkinderen roepen: ‘Opa, zie op de slang!’ Hij draait zich met zijn laatste krachtsinspanning om. Hij ziet op de slang en... op hetzelfde ogenblik is hij genezen.

Daar huilt een kind in de tent van moeder: ‘Au, mama, au!’ ‘Wat is er, m’n kind?’ ‘Ik ben gebeten door een slang!’ Nog een uur en het kind zal verstijven. En wat doet die moeder? Ze pakt haar kind uit de tent en zegt: ‘Kind, kijk eens naar de koperen slang!’ En het kind kijkt en geneest.

 

Wat wil de Heere Jezus hier nu mee zeggen? Hij wil zeggen: ‘Nicodemus, met de mens is het hopeloos. We zijn in het paradijs gebeten door die slang, en we moeten de dood sterven. Maar God heeft gezorgd voor redding van buitenaf, van boven.’

Dat gaat Hij later uitleggen. De Zoon des mensen is gekomen. Want Christus is de koperen slang. De vloek op de zonde heeft Hij gedragen. Wie op Hem ziet, zal leven. Wie in Hem gelooft, zal leven. Hoe kon Israël vanuit de dood tot het leven komen? Door te zien op de slang.

Gemeente, de wedergeboorte komt op uit een zaad, dat ontkiemen moet in de toebereide akker van ons hart. Dat zaad is het Woord. En dat Woord staat vol van Christus. Wij prediken u Christus, de Gekruisigde. De koperen slang, de doornagelde handen van onze Zaligmaker. En die handen zijn ontfermend uitgestrekt naar ten dode opgegeven zondaren, gebeten en ten dode opgeschreven door het slangengif in het paradijs. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij de koperen slang gegeven heeft, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft, opdat wij zouden leven door Hem.

Dat is de weg die Jezus wijst: het geloof in de Heere Jezus. Kijk maar in vers 17. Want God heeft Zijn Zoon niet gezonden in de wereld, opdat Hij de wereld veroordelen zou, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Behouden! God komt vandaag niet met deze boodschap tot u opdat u veroordeeld zou worden, maar behouden, gered door de Redder Jezus. En dan staat er in vers 18: Die in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld; maar die niet gelooft, is alrede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God.

Ziet u waar het om gaat? Geloof of ongeloof. En dan roept de Heere ons toe om ons vertrouwen te stellen op Hem Die gekruisigd is.

 

Zo werkt God het geloof in de wedergeboorte, gemeente. Wilt u een voorbeeld? Petrus hield op Pinksteren de mensen de gekruisigde Christus voor. Heel de pinksterpreek gaat zijn vinger naar boven: ‘Deze Jezus, deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt.’

En dan is het zaad der wedergeboorte gevallen. Het hart wordt verbroken. Wat zullen wij doen, mannen broeders? (Hand.2:37) Ze krijgen de schuld naar zich toe. Petrus antwoordt op hun vraag: Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden (Hand.2:38).

Dat is de weg die hij wijst: de vergeving van zonden, door het bloed van Jezus Christus. En dat is de ruimte voor u en voor mij. De Heere Jezus zegt niet: ‘Nicodemus, je moet in het koninkrijk komen door de wedergeboorte, maar dat is zo moeilijk, dat is zo’n enge poort, daar kun je verder niets voor doen.’ Nee, Hij zegt: ‘Weet je wat je moet doen? Geloven in de Gekruisigde!’

Blijkbaar zijn de wedergeboorte en het geloof in de Heere Jezus Christus onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het één vloeit uit het ander voort. In de wedergeboorte werkt de Heilige Geest het geloof. En wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Want Jezus is veroordeeld, en God straft de zonde geen twee keer. En wie niet gelooft, is al veroordeeld.

 

Gemeente, wij moeten allemaal geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus. Wie weet hoe spoedig u daar persoonlijk staat. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Gelooft u dat Christus gewillig is om u te zaligen? Zo gewillig als Hij hier is om Nicodemus uit de dood tot het leven te brengen en de weg te wijzen? En wie niet gelooft, is al veroordeeld. Ziet u hoe verantwoordelijk wij zijn?

De Heere Jezus spreekt met twee woorden. Hij zegt niet alleen dat de mens wederom geboren moet worden, maar ook hoe dat kan, en welke ruimte er ligt om tot God te naderen in het bloed van Christus Jezus. De wedergeboorte is van ons uit gezien een enge poort, maar bij God vandaan is het zo ruim. Zijn bloed is gestort tot verzoening van de zonden van de gehele wereld. U en ik moeten gereinigd worden van onze zonden. We móeten niet alleen wedergeboren worden, we kúnnen het ook. God gaf Zijn Zoon ervoor over. Alzo lief had Hij de wereld.

 

De wedergeboorte is geen blinde muur waar je met je rug tegen komt te staan, maar een open poort. En bij die poort staan twee poortwachters. Niet om tegen te houden, maar om te wenken en te lokken. Kom toch, ga in. Ga in, door de enge poort.

Wat zijn dan die poortwachters? Lees maar in vers 5: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het Koninkrijk Gods niet ingaan. Dat is hetzelfde, met andere woorden. Twee poortwachters die wenken: water en Geest.

Wat er met die Geest bedoeld wordt, weten we vanuit vers 8: De wind blaast waarheen hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet vanwaar hij komt en waar hij heengaat. Dus het is merkbaar, je hoort zijn geluid. Alzo is een ieder die uit de Geest geboren is. In de wedergeboorte komt de Heilige Geest in je hart wonen, dat weten onze kinderen al.

Maar dat water dan? Zijn dat de tranen over de zonde? Nee. Die zijn er wel. Als u die niet kent, bent u niet wedergeboren. Of die tranen nu over je wangen biggelen of dat ze in je hart zijn, maar smart over de zonde zal er zijn. Vanuit de liefde van God die in je hart is uitgestort, ziende op een goeddoend God tegen Wie wij gezondigd hebben. Maar daar gaat het hier niet over. Wat is het dan wel?

Dat water is het doopwater. En daarom heb ik de schriftlezing laten doorlopen tot vers 24. Daar staat dat Jezus doopte en dat Johannes doopte. En daar doelt Jezus op in Zijn onderwijs. Hij zegt: ‘Nicodemus, Johannes de Doper doopt met water tot bekering en vergeving der zonden.’ Tollenaren en zondaren kwamen tot hem om gedoopt te worden, belijdende hun zonden. Maar de farizeeërs dachten: dat hebben wij niet nodig. Wij zijn bekeerd. Wij zijn goed, daar hoeft niets meer aan te veranderen. We zijn kinderen van Abraham, en we zijn zo ijverig in de wet. Wij horen er helemaal bij. En nu gaat Jezus dat afsnijden en zeggen: ‘Je hoort er helemaal niet bij. Je staat naast een hoer en naast een tollenaar en naast een zondaar. Nicodemus, je moet in dat rijtje van slechte mensen gaan staan. En je moet inzien hoe slecht je bent en dat je godsdienstigheid je er niet brengt. Want het koninkrijk komt niet van beneden, maar van boven!’

 

De Bijbel geeft grond om aan te nemen dat Nicodemus op Gods tijd wedergeboren is. Dit zaad heeft vrucht gedragen. Het is gevallen in zijn hart, en op Gods tijd opgekomen.

Later neemt hij het voor Jezus op in het sanhedrin. En daar was toch heel wat moed voor nodig. Je ziet hoe een mens kan veranderen. En zijn liefde blijkt ook bij de begrafenis van de Heere Jezus. Daar hebt u de vrucht van zijn wedergeboorte: het belijden van Zijn Naam en het liefhebben van Hem. Toen heeft Nicodemus begrepen wat Jezus bedoelde in vers 6: Hetgeen uit het vlees geboren is, dat is vlees; en hetgeen uit de Geest geboren is, dat is geest. Het vlees is van beneden, maar de Geest is van boven. Niets uit ons, en alles uit Hem.

 

Misschien zegt u: ‘Ik sta voor een muur van onmogelijkheid, hoe kom ik in dat koninkrijk?’ Luister, de Heere zegt: ‘Door wedergeboorte.’ Maar Hij zegt ook hoe. Christus wordt u gepredikt, en u wordt genodigd om te geloven in Zijn enige offerande, aan het kruis geschied. In Zijn gewilligheid om niet alleen tollenaren en zondaren, maar ook farizeeërs en nette, keurige, rechtzinnige mensen tot leven te brengen. Hij is het Die het verlorene zoekt en het weggedrevene terugbrengt. Bij Hem moet u zijn.

 

Gemeente, laten we eindigen met deze belangrijke vraag: ben ik wedergeboren? U zegt: ‘Hoe weet ik dat?’ Dat weet u uit de vruchten. ‘Aan de vruchten zult gij de boom kennen’, heeft Jezus gezegd. Guido de Brès noemt in de geloofsbelijdenis als eerste kenmerk: het geloof in de Heere Jezus. En onze Dordtse vaderen spreken in dat verband over het omhelzen van de Heere Jezus Christus als onze enige Zaligmaker. En wat zegt de apostel Johannes? Dit: Een ieder die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren (1 Joh.5:1). Niemand mag zich dus voor wedergeboren houden als hij niet gelooft in de Heere Jezus. Wie in Hem gelooft, wordt niet veroordeeld. Dat is het vaste, zekere en onbedrieglijk kenmerk van de wedergeboorte.

En nu het tweede kenmerk. Daarvoor moet u niet uw hart opensnijden om te kijken wat daar beleefd wordt, maar daarvoor moet een ander kijken naar wat u doet. De liefde tot de broeders. En de liefde tot God is de wortel daarvan. Wilt u een tekst? Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een ieder die liefheeft, die is uit God geboren (1 Joh.4:7). Dat is de leer van de Bijbel en met minder mag u niet tevreden zijn.

Gemeente, buiten de kennis van Jezus als Borg en Zaligmaker hebben wij geen bestaansrecht voor God en geen grond voor de zaligheid. U moet een Borg hebben voor uw schuld en een God voor uw hart. En het moet herkenbaar en zichtbaar zijn in ons leven, dat we de broeders liefhebben. Want in de liefde wordt de wet vervuld.

Laat zo in uw leven iets zichtbaar worden van die waarachtige vruchten van het leven uit de wedergeboorte, het nieuwe leven met God.

 

De evangelist Johannes zegt het zo in zijn eerste hoofdstuk: Zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn naam geloven; welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn (Joh.1:12-13).

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 105:24

 

Die gunst heeft God Zijn volk bewezen,

Opdat het altoos Hem zou vrezen,

Zijn wet betrachten, en voortaan

Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem’ dan d’ Oppermajesteit

Om zoveel gunst, in eeuwigheid.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 16)