Ds. R. Kattenberg - Zondag 27

De Heilige Doop

Alleen het bloed van Christus reinigt
Het onderwijs dat in de Heilige Doop besloten ligt
De betekenis en de troost van de kinderdoop
Aan deze preek zijn vragen toegevoegd n.a.v. de preek.
 

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 32: 1, 6
Lezen : Hebreeën 9: 11-28
Zingen : Psalm 102: 1, 16
Zingen : Psalm 65: 2
Zingen : Psalm 51: 4
Zingen : Psalm 132: 8

Gemeente, wij overdenken vandaag Zondag 27 uit de Heidelbergse Catechismus. Wij lezen de vragen 72 tot en met 74:

 

Vraag 72: Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing van de zonden zelf?

Antwoord: Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

 

Vraag 73: Waarom noemt dan de Heilige Geest de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?

Antwoord: God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren dat, gelijk de onzuiverheid van het lichaam door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

 

Vraag 74: Zal men ook de jonge kinderen dopen?

Antwoord: Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, der christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude verbond of testament door de besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe verbond de Doop ingezet is.

 

Gemeente, onze catechismuszondag handelt over: De Heilige Doop.

 

We hebben drie aandachtspunten:

1. Alleen het bloed van Christus reinigt

In dit eerste aandachtpunt letten we op vraag en antwoord 72 en zien we wat de Heilige Doop wel en niet betekent.

2. Het onderwijs dat in de Heilige Doop besloten ligt

In deze tweede gedachte letten we op vraag en antwoord 73, die nader onderwijs geeft over de Heilige Doop.

3. De betekenis en de troost van de kinderdoop

Deze gedachte handelt over vraag en antwoord 74, waarin het gaat over de kinderdoop en de troost die daarin ligt.

 

1. Alleen het bloed van Christus reinigt  

 

Gemeente, God bevestigt Zijn verbond. De hoogheilige God wil in gemeenschap treden met zondaren uit het menselijk geslacht. Hij wil daarvoor Zijn Woord gebruiken en het bovendien gepaard laten gaan met de twee sacramenten van Zijn verbond: de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal. Het gaat vandaag over de Heilige Doop.

Zoals u ziet vinden de opstellers van de catechismus de Heilige Doop zo’n inhoudsvolle aangelegenheid, dat zij er drie vragen en antwoorden aan gewijd hebben. Zij behandelen de doop niet even terzijde, maar hebben kennelijk diep over de betekenis van dit sacrament nagedacht. Want, zei men, het bloed van Christus Jezus krijgt gestalte in het water van de Heilige Doop.

 

Meisjes en jongens, wanneer het doopvont weer gevuld is voor de bediening van de doop, kunnen we dan zomaar zeggen dat het bekken gevuld is met het bloed van de Heere Jezus? En dat als je nu maar in aanraking geweest bent met het doopwater, het dan wel goed komt en je zonden afgewassen zijn, zoals de rooms-katholieke kerk leert?

Nee, dat zou een schromelijke overschatting van de doop zijn. Dan gaan we niet in het spoor van de Heilige Schrift. Het onderwijs van onze catechismus zegt in vraag en antwoord 72 heel beslist: ‘Nee, het uitwendige waterbad is de afwassing der zonde zelf niet.’ We mogen er geen bijzondere kracht aan toekennen.

 

Maar een van onze kinderen steekt een vinger op en vraagt: ‘Stel nu eens dat het wel zo zou zijn?’

Ja, in dat geval zou het allemaal heel anders liggen.

Als de instellingswoorden van de doop dan uitgesproken worden en het water gesprenkeld is, zou je direct van je zonden gereinigd zijn. Als dan een kindje geboren wordt, zullen de ouders het zo snel mogelijk ten doop willen houden. Maarten Luther werd op 10 november geboren en al op 11 november gedoopt. Als de doop de zonden afwast, laat je je kind – zeker in tijden van hoge kindersterfte – zo snel mogelijk dopen. Want stel je voor dat het ongedoopt zal sterven… Dan zou je kindje niet in de hemel komen.

Maar wacht even, zeggen dan anderen, wast het water van de doop je zonden af? Dan laten we ons kind juist nog maar niet dopen. Laat het maar opgroeien. Als je vijf minuten voor je dood gedoopt wordt, is het vroeg genoeg. Dan kun je in je leven doen wat je wilt, want de doop wast de zonden af.

Voelen jullie aan waarop zo’n on-Bijbelse visie kan uitlopen?

 

Gemeente, meisjes en jongens, wat horen we dan op de vraag of de handeling van de doop zelf onze zonden afwast?

Onze catechismus antwoordt kort en bondig: ‘Nee, alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest ons reinigt van alle zonden.’ Je kunt dus uitwendig besprengd zijn met het water van de doop, maar dat betekent niet dat je van binnen gereinigd en geheiligd bent. Het doopwater is dus een teken van de afwassing van de zonden, maar niet de vergeving der zonde zelf.

Want als het een uitwendige aangelegenheid zou zijn, waartoe zou dan het lijden van het Lam van God dienen? Waarom dan de kruisweg zoals de Heere Jezus die heeft afgelegd? Waarom daalde Hij af in de diepte van de dood? Was dat wel nodig? Als het doopvont weer met water gevuld is, zien we dan ook dat dat het bloed van het Lam alles te maken heeft met de reiniging van onze zonden? Want als het uiterlijk waterbad de afwassing van de zonden zelf zou zijn, dan had de Man van smarten niet de weg van Gethsémané naar Golgotha hoeven te gaan.

Nee, het bloed van het Lam heeft alles te maken met de doop en de reiniging van onze zonden. Als de zonde maar een kleinigheid zou zijn, verdwijnt  de hoogheid, de heiligheid en de majesteit van God ten enenmale uit het oog.

Daarom zegt onze doop ons niet: ‘Het komt wel goed!’ Maar de Heilige Doop spreekt over het wonder dat God ons, om het bloed van Jezus Christus, al onze zonden vergeven wil. Dat komt zo treffend uit in dat oude en eenvoudige gebedje, dat onze kinderen wel zingen: ‘Schoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.’ Het gaat om je hart. Mijn hart moet voor de Heere leven. En dat gebeurt maar niet door een schone buitenkant.

 

Zalig worden, gemeente, gaat echt niet gemakkelijker als je gedoopt bent. Want we mogen dan erfgenaam zijn, zoals het doopsformulier zegt, erfgenaam van het rijk van God en mede-erfgenamen van het rijk van Christus, maar zonder wedergeboorte zal niemand het koninkrijk der hemelen ingaan.

Juist de Heilige Doop laat ons zien hoe het er met ons voor staat. Als zij bediend wordt, wordt de onreinheid van onze zielen aangewezen en leert de Heere ons dat we de Geest en het bloed van Christus nodig hebben. De Heere verkondigt dit elke keer als het Woord geopend wordt, en het water van de doop wijst daarnaar.

 

We stellen nog eens met de catechismus de vraag: ‘Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing van de zonden zelf?’

Het antwoord bestaat uit een geloofszang: ‘Neen het, zeker niet! Want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.’

Gemeente, dat antwoord op vraag 72 is dus geen stukje dogmatiek, maar doorleefde werkelijkheid. Het is de bevinding van het geloof. Belijden en beleven moeten samengaan.

Jongeren, wat is bevinding eigenlijk? Jullie voelen wel aan dat het geen belijden is met het verstand alleen. Nee, het is geloofswerkelijkheid; een werkelijkheid die door je heen is gegaan.

In de psalmen peilt David de ingrijpende diepte en donkerheid van het zondaar zijn. De tollenaar in de tempel zei: ‘Ik ben enkel zonde.’ Zonde is geen bagatel.

Kinderen, als je een vlek ziet op je smetteloze witte jurkje, zeg je zelfs: ’Heel mijn jurk is vies.’ Eén vlek op je leven, en je bent helemaal smerig voor God. De Heilige Geest doet dat meer dan eens; bij één bepaalde zonde beginnen in je leven. Hij legt Zijn heilige vinger er als het ware bij, om je te overtuigen van heel je zondaar-zijn voor God. Zonde wordt dan schuld voor het aangezicht van de Allerhoogste.

Wat krijgt dan het verzoenend bloed van Christus oneindige waarde in je hart! Zonder bloedstorting geschiedt er immers geen vergeving, lazen we zo-even in de Hebreeënbrief. Het kan niet zonder het werk van de Heere Jezus Christus.

 

Midden in het doopgebeuren staat het kruis van Christus! Iemand heeft ooit gezegd: ‘Geloofsbevinding begint bij je doop.’ De doop wijst op de gerechtigheid waarmee een mensenkind voor God kan bestaan.

Gemeente, als het bloed van het Lam op de aarde afloopt, is de vernieuwing van uw leven mogelijk. Als Zijn bloed gevloeid heeft, dan zal Hij immers zaad zien. God zal nooit zonder kinderen zijn.

Er staat in onze belijdenis: de Heere Jezus is een Koning Die nooit zonder onderdanen is. Dus Hij heeft altijd mensen die Hem liefhebben en die Hem dienen. Altijd! Ook al wordt het nog zo donker. Denk maar aan de geschiedenis van Elia. Was hij als enige overgebleven? ‘Nee, Elia, er zijn er nog zevenduizend die zich voor Baäl niet gebogen hebben...’. Dat geldt ook vandaag nog! Het zaad zal Hem dienen (Ps.22:31).

 

God staat Zelf voor Zijn werk in. Daarom kan de opbouw van het koninkrijk der hemelen voortgang vinden. De Heilige Geest neemt het uit Christus, en uit het bloed van Christus komt een hele Godsgemeente tot leven. Hoor je ze zingen? ‘Gij hebt ons voor God gekocht met Uw bloed!’

Dat gezang over het bloed van het Lam klinkt in de hemel, voor de troon van God. In dat bloed van het Lam is de genade van God dusdanig verankerd en verklaard, dat onze Dordtse Leerregels ervan kunnen zeggen dat de dood van de Zoon van God van een oneindige kracht en waardigheid is, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonden van heel de wereld. Onze vaderen wilden in deze belijdenis zeggen dat je nooit te veel op je conto kunt hebben.

Dat ontneemt ons trouwens elke ontsnappingsmogelijkheid. Want er zijn altijd weer mensen die beperkingen aanbrengen in de rijkdom van Gods genade. Nee, het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van álle zonden.

 

Meisjes en jongens, God doet van Zijn recht geen afstand. God heeft recht op jullie leven. In het bloed van het Lam legt de Vader Zijn welbehagen open. De Heere zegt vandaag: ‘Er is plaats bij Mij.’ Hij zegt er niet bij: ‘Dat is natuurlijk alleen maar voor Mijn uitverkorenen.’

Nee, er is een plaats bij Hem. Vanuit de hartelijke nodiging van het evangelie die ook tot u komt. Of is dat geen hartelijke nodiging? Zet de Heere de deur van Zijn huis niet open om het ‘welkom’ te laten uitgaan tot aan de einden van de aarde? Als Hij indringend nodigt de toevlucht te nemen tot het gezegende bloed van de Heere Jezus Christus?

Gemeente, als u dat bloed veracht, is er geen slachtoffer voor uw zonden. Laat daarom toch het teken van de Heilige Doop ons brengen bij de inhoud ervan.

Hier in de catechismus is sprake van álle zonden. Gaat u eronder gebukt? Het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van álle zonden.

Wij zingen van deze reiniging uit Psalm 65 vers 2:

 

Een stroom van ongerechtigheden

Had d’ overhand op mij,

Maar ons weerspanning overtreden

Verzoent en zuivert Gij.

Welzalig, dien Gij hebt verkoren,

Dien G’ uit al ’t aards gedruis

Doet naad’ren en Uw heilstem horen,

Ja, wonen in Uw huis.

 

Gemeente, niet het uitwendig waterbad, maar alleen het bloed van Christus reinigt van alle zonden. In onze tweede gedachte staan we stil bij:

 

2. Het onderwijs dat in de Heilige Doop besloten ligt

 

Als nu het doopwater de zonden niet afwast, waarom – zo lezen we in vraag 73 – noemt de Heilige Geest dan de doop het bad der wedergeboorte en de afwassing van de zonde? We lezen dat toch zo in de Bijbel? Laten we eens luisteren naar het antwoord van de catechismus.

Gemeente, je leest er misschien snel overheen, maar onze vaderen laten allereerst God aan het woord. Het antwoord begint met: ‘God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak.’

Dus niet wat wij bedenken is van belang, maar de Bijbel gaat open. Daar gaat het om. De Heilige Geest spreekt.  

 

Er liggen in het antwoord twee lessen. De eerste is: God wil ons daarmee leren dat ‘gelijk de onzuiverheid van het lichaam door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden.’

De tweede les is dat de Heilige Geest ons door dit goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, ‘dat wij zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn als we uitwendig met het water gewassen worden.’

Is het u opgevallen dat er in het antwoord een bepaalde volgorde wordt aangewezen? Het onderwijs gaat voorop, en wordt gevolgd door de verzekering, ofwel de verzegeling.

Die orde is belangrijk! Want het leren gaat voorop. Het is vaak zo dat wij zekerheid verlangen van de vergeving der zonden zonder eerst acht te slaan op het onderwijs in het Woord van de Heere.

Maar dan ontvang je de zegen niet. De Heere is een God van orde. Hij geeft eerst onderwijs. Dat is de basis, en van daaruit spreekt Hij over de verzegeling door de doop en de verzekering van het geloof.

 

Gemeente, hebben we dat onderwijs met ons hart verstaan? Heeft de Heilige Geest u en jou door het doopwater gebracht bij de onreinheid van je ziel?

Wanneer de doop wordt bediend krijgt het hoogheilig evangelie gestalte en daar hoort heel nadrukkelijk ons zondaar-zijn voor God bij. Wee mij, dat ik zo gezondigd heb! Steeds weer veroordeeld te worden voor het aangezicht van een hoogheilige God is een doorgaande zaak in het leven van het geloof. Is dat uw ondervinding?

Hoor het dan vandaag opnieuw: de Heilige Geest wijst u door het onderwijs van de catechismus op het bloed van het Lam, en op de algenoegzaamheid en volkomenheid van het offer van de Heere Jezus.

Al waren uw zonden zo rood als scharlaken, bloedrood, ze zullen worden wit als de wol. Of rood als karmozijn, diep rood, ze zullen worden wit als de sneeuw. Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden. Dat is het onderwijs.

 

De catechismus gaat vervolgens een stapje verder. Het tweede element in het antwoord is de verzekering. Want God spreekt niet zonder oorzaak, maar Hij doet dat omdat Hij ons door dit goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat we ‘zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als we uitwendig met het water gewassen worden’. Dus de doop is niet alleen een teken, de doop is ook een zegel, een waarmerk van echtheid!

 

Kinderen, het zegel van de doop kun je vergelijken met een postzegel op een brief. Er moet een zegel op met een stempel. Pas dan kan hij verstuurd worden. Of denk maar aan een oude akte, die werd voorzien van een lakstempel. Dan is zo’n akte pas geldig; authentiek, zeggen we dan. Nu zeggen de voorstanders van de volwassendoop dat de Heere het zegel van de doop hecht aan mensenkinderen, aan het geloof van de dopeling.

Maar nee, God hangt het zegel niet aan iets van ons, maar aan wat van Hém is. God hangt het zegel aan Zijn eigen belofte. De catechismus zegt ons dat Hij door dit goddelijke pand en waarteken ons van iets wil verzekeren. Hoort u? Dus als u vraagt: ‘Waaraan hangt nu dat waarteken, dat zegel?’, wel, dat hangt aan de belofte van God.

 

Als we nu door het onderwijs van de Heilige Doop geleerd hebben onrein te zijn, en als God Zijn evangelie geopend heeft, opdat onze verslagen en bezwaarde harten hoe langer hoe meer naar Hem zouden uitgaan, dan komt God ook met Zijn verzekering.

Hij wil niet dat Zijn kinderen als blinden rond blijven tasten naar de wand, maar dat er ook verzekerdheid is in het leven van het geloof. Maar daarvoor, zegt de Heere, heeft u een pand nodig, een stempel, een waarteken, een bewijs. Dat is het onderwijs uit onze catechismuszondag.

 

Misschien zijn er vandaag mensen in de kerk die zich in een geestelijke crisis bevinden. Crisis betekent letterlijk: oordeel. Kinderen, denk maar aan Petrus. ‘Simon, Simon, de satan heeft je zeer begeerd, opgeëist, om je te ziften als de tarwe. Je gaat door de crisis heen, Petrus. Je zult beproefd worden; het zal erop aankomen.’

Misschien bevindt u zich ook in zo’n toestand. Ik, een kind van God? Zitten alle deuren dicht? Hebt u zichzelf afgeschreven? Luister dan!

De Heere zegt vandaag als het ware: ‘Denk eens terug aan uw doop. Heb Ik u niet plechtig verzekerd dat Ik al uw zonden wil wegwassen door het bloed van het Lam, en dat Ik u opnieuw wil doen geboren worden, van bovenaf, door de Heilige Geest? Heb Ik dat niet betuigd bij uw doop?’

 

Als u denkt dat de Heere nooit meer met u van doen wil hebben, dan zegt Hij: ‘Zie, hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen. Ik, de God van uw doop.’ Zo is de doop een vast getuigenis, een zegel dat dient tot verzekering van het geloof. Dat is zo nodig in het leven van het geloof. Daar hebt u weer de opvoedkunde van de Heere.

Het zwakke moet gesterkt worden, en die van verre staat moet dichterbij gebracht worden door het Woord en de sacramenten. De Heere zegt als het ware: ‘Ik wil uw ogen erbij gebruiken en ook uw mond, als de doop wordt bediend en Mijn tafel in het midden van de gemeente staat aangericht.’ Een aangevochten mens wordt zo gewezen op de waarachtigheid van de belofte van God.

Hangt God het zegel aan iets wat van de mens is? Ach, gemeente, alles van de mens is wankel. De ene dag wel en de andere dag niet… Maar de belofte van God is waarachtig en getrouw. ‘Kijk’, zegt de Heere: ‘dat mag je nu in dubbele mate zien. Dat wil ik u nadrukkelijk voor ogen stellen. Ik hang een waarmerk aan Mijn eigen Woord.’

 

Meisjes en jongens, Maarten Luther heeft zich ook zo gesterkt geweten door het sacrament van de doop als hij aangevochten werd. Eens, toen hij vreesde dat de duivel als het ware lijfelijk naar hem toe zou komen, schoof hij een stuk van het tafelkleed weg, nam een stuk krijt en schreef op de tafel: ‘Smerige duivel, ik ben gedoopt! Wat doe je hier? Ik ben gedoopt en lig voor rekening van een Ander.’

Nee, dat is geen overschatting van de doop, maar een juist gebruik van de doop. Zo wil de Heere het onderwijs in de aanvechting van het geloof gebruiken tot verzekering en verzegeling.

 

Gemeente, het sacrament is als een eed, een eed van ’s hemels wege. De Heere heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen.

Het geloof hoort in de sacramenten de stem van de Heere. En het geloof wordt daardoor gesterkt, verzekerd en verzegeld. Zie zo op het doopwater!

Zoals het water reinigt, zo heeft God door het bloed van Christus al mijn ongerechtigheden weggenomen. Zo trekt de doop zijn sporen door heel het leven. Vanaf het doopvont tot in de laatste ogenblikken van het leven van een kind van God.

 

Gemeente, meisjes, jongens, we zeggen wel eens: ‘De Heere moet beginnen.’ Maar denk ook eens aan een ander begin.

Je bent geboren onder het Woord. Toen je nog maar een paar weken oud was, heeft God het zegel van de doop aan Zijn evangeliebelofte gehangen. En daarom zegt de Heere als het ware bij de doop: ‘Zullen we weer eens bij het begin beginnen?’

 

Wat daalt de Heere laag af in de bediening van de Heilige Doop, opdat we terug zouden denken aan onze eigen doop. Opdat het in onze aanvechting en bestrijdingen een wapen zou blijken te zijn in de strijd tegen de vorst der duisternis.  

Maar ook dat u in uw onbekeerlijkheid en in uw ongelovigheid oog krijgt voor wat de Heere zegt bij monde van Jesaja: Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? (Jes.5:4)

Zo wijst de Heere ons allen terug naar het doopvont, ongeacht hoe het er in ons leven uitziet. Opdat het onderwijs door de Heilige Geest geheiligd zou worden aan onze harten.

Hoe rijk en hoe groot is dan het teken. En dan door het teken heen te zien op de zaak, die afgebeeld wordt, namelijk: het reinigende bloed van Christus. Hoger en rijker kan niet!

 

We zingen nu eerst Psalm 51 vers 4:

 

               Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel,

               Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.

               Was mij geheel, zo zal ik witter wezen

   Dan sneeuw, die vers op ‘t aardrijk nederviel.

               Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd;

               Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen;

               Zo wordt opnieuw ‘t verbrijzeld hart verheugd,

               En in mijn geest de ware rust herboren.

 

Gemeente, alleen het bloed van Christus reinigt. Het sacrament van de Heilige Doop geeft daarover nader onderwijs. We staan nu in onze derde gedachte stil bij:

 

3. De betekenis en de troost van de kinderdoop

 

De vraag die de catechismus nu stelt is: ‘Zal men ook de jonge kinderen dopen?’ Het antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Ongetwijfeld!’ Want dat betekent  het ‘ja het’ in de catechismus.

Dat volwassenen gedoopt worden als ze tot geloof zijn gekomen, is duidelijk. Denk maar aan de geschiedenis van de Moorman. Maar ook de kinderen?

Door de eeuwen heen zijn er mensen geweest die op deze vraag een volstrekt ‘nee!’ hebben laten horen. In de tijd van de Reformatie waren het de doopsgezinden en wederdopers. Vandaag de dag kun je die afwijzing van de kinderdoop ook uit heel wat monden horen. Mensen die zich bewegen in de kring van de Vergadering der Gelovigen, pinkstergemeenten en allerlei evangelische groepen. U kent ze wellicht wel uit eigen kennissenkring, en misschien zit u ook wel met vragen dienaangaande.

Maar de vraag is nu op welke gronden dergelijke mensen ‘nee’ zeggen tegen de kinderdoop.

 

Het eerste argument is meestal: ‘Kinderdoop? Jonge kinderen kunnen toch nog lang niet geloven? En geloof is toch duidelijk een voorwaarde om gedoopt te worden?’

Gemeente, houdt u voor het vervolg van de preek Markus 16 vers 16 bij de hand. Deze tekst zal ik enkele malen noemen. Er staat daar: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden.

We hebben geen enkele moeite met deze tekst als het gaat om mensen die zich als volwassene bij de gemeente van de Heere willen voegen en na geloofsbelijdenis te hebben gedaan, het teken van Gods verbond ontvangen. Dat is gewoon de nieuwtestamentische volgorde als mensen ‘van buiten’ zich bij de gemeente willen voegen.

Tegenstanders van de kinderdoop houden deze volgorde ook vast voor de kinderen van de gelovigen. Want kunnen kleine kinderen geloven? ‘Nee’, zeggen zij, ‘een kind kan niet geloven en mag dus niet gedoopt te worden, want er staat immers in Markus: Wie geloofd zal hebben – dat gaat dus voorop – en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.’

Daarmee staan de kinderen van de gelovigen dus buiten de heilige gemeente.

  

Schijnbaar is deze argumentatie doeltreffend. ‘Kijk’, zeggen ze, ‘dit is de volgorde: eerst moet het geloof geoefend worden en daarna mag de doop pas bediend worden.’

Kunnen we daar nog wel iets tegen inbrengen?

Gemeente, zullen we die tekst uit Markus nog eens een keer lezen, maar dan helemaal?

In het eerste deel staat: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden. Maar er volgt nog iets! Er staat achter: Die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.

Als we het spoor van de uitleg van deze tekst verder volgen, moeten we consequent zijn en dat tweede deel van de tekst ook op kinderen toepassen die vroeg sterven. En dat kan toch? Zij hebben dan niet kunnen geloven, en dan geldt: Die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

Als je nu het eerste deel van de tekst handhaaft als volgorde, moet je dat bij het tweede gedeelte ook doen. Dus als we nog een keer de tekst als één geheel lezen: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal hebben zal verdoemd worden, dan zouden volgens deze redeneertrant alle jonggestorven kinderen verloren gaan. Voor eeuwig verloren zijn!

 

Al eeuwen geleden zeiden degenen die de doop van jonge kinderen afwijzen dat het zo natuurlijk niet ligt. ‘Weet u’, zei men, ‘kinderen die jong sterven behagen de Heere in hun onschuld.’

Daar kunnen we toch niets op tegen hebben?

Maar laten we dan eens samen over het randje van de wieg kijken. Is dit kindje niet in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren? Mogen we dan zeggen dat het God behaagt door onschuld? Nee, natuurlijk niet! Je staat dan buiten de zin en mening van Gods Woord.

 

Zo is er vanaf de tijd van de Reformatie tot op de dag van vandaag een remonstrantse draad zichtbaar. Ziet u hoe je van het één geraakt tot het ander? Eerst zeg je: ‘Nee, geen kinderdoop!’ Vervolgens sta je voor het feit dat kinderen jong kunnen sterven. Natuurlijk wil je dan niet zeggen dat ze verloren zijn, en zeg je: ‘Die kinderen behagen God in hun onschuld.’ Maar zo ben je ver verwijderd van wat de Bijbel ons aanreikt over zonde en genade.

 

De catechismus wijst ons op grond van het Woord een heel andere weg. In het antwoord op de vraag of we ook jonge kinderen moeten dopen, zingt het geloof het uit. Meisjes, jongens, de catechismus is helemaal niet saai of vervelend!

‘Ja het’, luidt het antwoord. Dat wil zoveel zeggen als: ‘Ongetwijfeld! Gode zij dank!’ Onze kinderen horen erbij. Zij zijn ook in de gemeente van God begrepen! Ook aan hen wordt de verlossing door het bloed van de Heere Jezus Christus toegezegd, alsook de Heilige Geest Die het geloof werkt. Kinderen horen erbij. Zelfs een kindje in de moederschoot.

Ouders, u mag deze boodschap doorgeven: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert ze niet (Mark.10:14). Sta ze niet in de weg. Deze ingrijpende mogelijkheid is er ook! Wat hebben we de Heere toch in alles nodig.

 

God is de Eerste. Wij hebben zo-even gezegd dat God het zegel van de waarachtigheid niet aan de echtheid van het geloof van de mens hecht, maar aan de waarachtigheid van  het verbond van Zijn genade en aan Zijn belofte. Dus bedienen we de Heilige Doop niet op grond van ons geloof, maar op grond van het verbond.

Gemeente, hier hebt u weer de rijkdom van de genade van God. We spreken in dit verband nadrukkelijk over een éénzijdig Godswerk. Het komt uit God, het raakt deze aarde en het keert tot God terug. Hij is de Eerste en Hij is ook de Laatste.

Hij gedenkt aan Zijn verbond tot in der eeuwigheid. Tot in het duizendste geslacht!

 

Maar we zijn er nog niet met ons antwoord. Iemand mengt zich in het gesprek en zegt: ‘Luister eens even. Waar staat dan in de Bijbel de opdracht dat kinderen gedoopt moeten worden? Waar gebiedt God dat?’

Ja, er wordt in het Nieuwe Testament inderdaad geen speciaal bevel gegeven dat jonge kinderen gedoopt moeten worden. Maar dat hoeft ook niet! ‘Waarom niet?’, vraagt u. Wel, omdat God de Heere onder het Oude Testament al duidelijk heeft laten uitkomen dat de kinderen er bij horen.

Het oude verbond is er vol van. Het gehele huis van Abraham werd besneden, van jong tot oud. Alle kinderen zijn betrokken op het verbond van God! Elk jongetje van acht dagen moest door de besnijdenis het teken en zegel van Gods verbond ontvangen. De Heere spitste het weliswaar toe op jongetjes, maar de meisjes waren erbij inbegrepen.

 

Meisjes en jongens, weten jullie wel dat de besnijdenis niet meer hoeft plaats te vinden als een gevolg van Golgotha? Christus heeft met Zijn offer een einde gemaakt aan de noodzaak van bloedstorting. In het licht van het Nieuwe Testament is die bloedige besnijdenis niet meer nodig. Het mág zelfs niet meer, want het offer van Christus is uniek, enig in zijn soort!

Dit betekent echter niet dat de lijn van het verbond niet meer doorloopt. Integendeel. De Heere Jezus Zelf nodigt: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. In het Nieuwe Testament vindt met de doop dus een uitbreiding plaats van de jongetjes naar alle kinderen.

Wat onder het Oude Testament nog enigszins bedekt was, zie je in het Nieuwe Testament, waarin God Zich nóg rijker openbaart, ten volle uitspruiten. Daarin laat de Heere het de kinderen horen: ‘Jullie horen er allemaal bij!’

Zoals onder het Oude Testament de kinderen er bij horen, zo horen ze er onder het Nieuwe Testament ook bij. De deur gaat dus niet dicht, maar wordt nog wijder geopend!

 

Kinderen, als je het teken van het verbond hebt ontvangen, ben je net als de grote mensen in het verbond van God en in Zijn gemeente begrepen.

Denk eens aan de pinksterdag. Onder het gehoor van Petrus bevonden zich ouders met hun kinderen. Zei hij toen dat die kinderen er niet bij hoorden? Nee! De lijn van Pinksteren is: U komt de belofte toe, en uw kinderen (Hand.2:39). Tot op de dag van vandaag!

En weten jullie tegen wie Petrus dat zei? Tegen mensen die de Zaligmaker der wereld gebracht hadden aan het vloekhout der schande, aan het kruis. Tegen moordenaars van de Heere Jezus. Hun komt de belofte toe!

Wat een rijk evangelie voor mensen die moeten zeggen: ‘Ach, voor mij is het een onmogelijke zaak’. Kijk dan maar naar die pinksterlingen! Jezus aan het vloekhout gebracht, en desondanks de belofte van Gods verbond te mogen ontvangen…

 

Gemeente, ik zeg het nog eens: de doop hangt niet als een zegel aan het kind, maar de doop hangt als een zegel aan de belofte van God.

Daarom mag er ook geen sprake zijn van automatisme. Je kunt niet stellen: ‘Ons kindje is gedoopt, dus we hoeven ons geen zorgen meer te maken!’ Ik zou het eigenlijk omgekeerd willen zeggen: ‘Ons kindje is gedoopt; daarom moeten we ons dubbel zorgen maken, want het moet in de weg van geloof en van bekering echt een kind van God worden.’

 

Ouders, als u uw kind ten doop houdt, belijdt u: ‘Het is in zonde ontvangen, allerhande ellendigheid onderworpen, ja, de verdoemenis zelf.’ Maar u mag dan ook zeggen: ‘Mijn kind is geheiligd in Christus.’ Dat wil zeggen: apart gezet, afgezonderd van de kinderen der ongelovigen.

In de doop krijgen we dus niet de genade zelf, maar de belofte van het heil en de belofte van de zaligheid. Meisjes en jongens, dan mag je niet zeggen: ‘Zo, ik ben gedoopt, het komt wel goed.’ Nee, de Heere zegt op grond van Zijn verbond: ‘Mijn zoon, geef Mij je hart!’ Dat gaat in de weg van wedergeboorte.

 

Wat een bemoeienis van ‘s hemels wege, als het gaat om ons heil en de zaligheid van onze kinderen! Wat een wonder als we geroepen worden tot de genade die er is in de Heere Jezus Christus, zelfs al had je al de zonden van Adams nakroost op je rekening staan.

Wat is de verantwoordelijkheid toch groot onze kinderen op te voeden in de vreze van Zijn Naam. Om ze groot te brengen in de dienst van de Heere. Dat geeft een vaste gang in onze kerkgang. ‘Hoe vrolijk gaan de stammen op...’ Zo was het onder het oude Israël, zo ook vandaag. Je moet er zijn, met je kinderen.

God maakt bemoeienissen vanuit Zijn verbond. Mag je dan de kinderen buitensluiten?

Moet je dan zeggen: ‘Je moet eerst maar volwassen worden en dan…’

Nee! God legt in de bediening van de Heilige Doop Zijn hand op onze kinderen, opdat we weten zullen: er is bij God de Allerhoogste genade voor onze kinderen.

Dus de doop brengt de genade niet mee. We mogen evenmin veronderstellen dat onze kinderen wederom geboren zijn. Nee, de Heere vraagt naar de vervulling van de belofte in uw leven.

De Heere spreekt er ons op aan als in de prediking de volheid van Zijn genade tot ons komt met de eis van geloof en bekering. Wat brengt dat, als het goed is, een verootmoediging met zich mee. Vandaag, morgen, en al de dagen van ons leven.

Mocht het al meer voor ons openvallen: ‘Heere, U was de Eerste!’

Als de Heere zo, door de Heilige Geest, genade verheerlijkt in uw leven, wordt u niet de bekeerde man of vrouw, en komt u evenmin op een voetstuk te staan. Nee, integendeel, dan wordt het nooit meer wat.

Hoe verder de Heere u brengt op de weg van het geloof, des te meer ziet u terug op het moment dat u gedoopt werd. Des te meer moet u zeggen: ‘Niet ons, Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer!’

Ouders, als het daar voor uw kindje op uit mag lopen, dan wordt het de zaligheid beërven. Eeuwige zaligheid!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 132:8

 

Houdt uw geslacht Mijn heilverbond,

En ‘t vast getuig’nis van Mijn mond,

Dat Ik hun leer ten allen stond;

Dan is hun ‘t rijksbestuur bereid,

Op uwen troon, in eeuwigheid.

 

De Heilige Doop

 

                        1. Alleen het bloed van Christus reinigt

                        2. Het onderwijs dat in de Heilige Doop besloten ligt

                        3. De betekenis en de troost van de kinderdoop

 

Gespreksvragen Heidelbergse Catechismus (=HC)

Je kunt enkele of alle vragen nemen als uitgangspunt om de preek te overdenken of te bespreken.

 

1.   Het bloed van Christus Jezus krijgt gestalte in het water van de Heilige Doop. Wat betekent dat?

2.   Wat leert de rooms-katholieke kerk over de doop?

3.   Sommigen lieten hun kindje zo snel mogelijk dopen, anderen lieten zich juist zo laat mogelijk dopen. Waarom deed men dat?

4.   Hoe wordt in de HC beide opvattingen weerlegd?

5.   Reageer op de volgende uitspraak: ‘zalig worden, gaat echt gemakkelijker als je gedoopt bent.’

6.   Hoe zie je in het antwoord van vraag 72 dat belijden en beleven samengaat? Kun je een Bijbels voorbeeld noemen waaruit dat blijkt?

7.   Licht de volgende zin uit de preek toe: ‘De doop wijst op de gerechtigheid waarmee een mensenkind voor God kan bestaan.’

8.   In preek werd verwezen naar de Dordtse Leerregels hoofdstuk 2 paragraaf 3. Wat kunnen we van deze paragraaf leren?

9.   God doet van Zijn recht geen afstand. God heeft recht op jullie leven. Wat betekent dat voor jou?

10. Welke twee lessen liggen in het antwoord van vraag 73? Welke volgorde zit in dit antwoord?

11. Voorstanders van de volwassendoop zeggen dat de Heere een zegel aan het geloof van de dopeling hecht. Wat werd in de preek daarover gezegd?

12. Welke troost kan een kind van God krijgen uit zijn doop?

13. Hoe werd M. Luther gesterkt door het sacrament van de doop als hij aangevochten werd?

14. Welke betekenis heeft de doop voor onbekeerden?

15. In Markus 16:16 staat: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden. Mensen die voor de volwassendoop zijn, zeggen op grond van deze tekst: ‘Jonge kinderen kunnen toch niet geloven? En geloof is toch duidelijk een voorwaarde om gedoopt te worden?’ Hoe werd in de preek hierop geantwoord?

16. Wat betekent: ‘we bedienen de Heilige Doop niet op grond van ons geloof, maar op grond van het verbond.’

17. Op welke grond worden kinderen, volgens de HC, gedoopt?

18. Kun je zeggen: mijn kind is geheiligd in Christus?

 

Voor de kinderen

a. In onze gemeente worden kinderen gedoopt. In het NT worden oudere mensen gedoopt. Kun je er een paar opnoemen? Je kunt het antwoord vinden in o.a. Handelingen 8:38;  9:19; 16:15, 33.

b. Zoek Markus10:13-16 op. Lees deze verzen met je papa of mama. Wat deden de papa’s en mama’s met hun kinderen?

c. Wat wilden ze van Jezus?

d. Hoe vonden de discipelen dat?

e. Wat zei Jezus tegen Zijn discipelen?

f. Wat deed Jezus met de kinderen?

g. Hoe zou jij het gevonden hebben als Jezus dat bij jou had gedaan?

h. Bij jouw doop hebben jouw papa en mama jou ook dicht bij Jezus gebracht. Waarom deden ze dat?

i. Als je gedoopt bent dan ben je apart gezet. Praat met jouw papa of mama wat dit betekent.