Ds. M.J. van Gelder - Johannes 6 : 43 - 45

De Heere Jezus antwoordt de tegensprekers

Niet murmureren
Getrokken worden
Geleerd worden

Johannes 6 : 43 - 45

Johannes 6
43
Jezus antwoordde dan, en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.
44
Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
45
Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan, die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 1
Lezen : Johannes 6: 22-47
Zingen : Psalm 119: 76, 77, 79
Zingen : Psalm 32: 5
Zingen : Psalm 119: 33

Gemeente, Gods Woord ligt open bij Johannes 6. Wij lezen als tekst de verzen 43, 44 en 45:

 

Jezus antwoordde dan en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

 

Johannes 6 vers 43 tot en met 45 gaat over: De Heere Jezus antwoordt de tegensprekers.

 

We letten op drie aandachtspunten:

1. Niet murmureren; want dat zegt de Heere in vers 43: Murmureert niet onder elkander.

2. Getrokken worden; naar aanleiding van vers 44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.

3. Geleerd worden; naar aanleiding van vers 45: Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn.

 

1. Niet murmureren

 

Na de wonderbare spijziging aan de overzijde van het Meer van Galiléa, zoekt de schare de Heere Jezus. Dat is mooi, als je dat leest, dat een schare Jezus zoekt. Mag dat in deze gemeente ook zo zijn, dat er een schare is van jongeren en ouderen die Jezus zoekt? Is Hij niet de Bron van heil en zaligheid? Wellicht leeft het bij deze en gene:

 

Geef mij Jezus of ik sterf,

want buiten Jezus is geen leven,

maar een eeuwig zielsverderf!

 

Zij zoeken Hem, zo lezen wij in vers 24, en zij vinden Hem. Dan komen zij met allerlei nieuwsgierige vragen. Ze komen niet met de worstelingen van hun ziel, maar met allerlei nieuwsgierige vragen. ‘Meester, hoe zijt Gij hier gekomen? We kunnen het eigenlijk niet bevatten dat U ineens hier bent. Hoe is dat dan gegaan, hoe hebt U dat gedaan?’

De Heere Jezus kent hun motief. Blijkbaar gaat het hen niet om Hém, maar om Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft, en om het brood dat Hij hen geschonken heeft. Ze hebben iets van Zijn heerlijkheid en macht gezien, en ze zijn verzadigd geworden door de breking van het brood. Christus deelde maar uit! Zo zijn ze opgetogen geweest over het wonder dat Hij wilde doen. Later zullen ze het er thuis en in de familiekring over hebben: Hij bleef maar brood breken en Hij bleef maar uitdelen en het leek maar niet op te houden. Dat is toch verbazend en wondervol! En dat is ook zo.

 

Maar helaas, zij hadden daar genoeg aan. Dat gaat Jezus hen ook ronduit zeggen. U leest het in de verzen 26 en 27: Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, gij zoekt Mij, niet omdat gij tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt. Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen ulieden geven zal; want Dezen heeft God de Vader verzegeld.

Hij spreekt een ernstige vermaning. Hij bedoelt natuurlijk niet te zeggen dat niemand moet eten, en niet daarvoor zou moeten zorgen. Dat mag toch wel duidelijk zijn. Maar blijkbaar is het hun alleen te doen om hun dagelijks leven, om de vervulling van hun maag en hun natuurlijke behoefte. Jezus heeft het brood vermenigvuldigd, en ze vonden het prachtig, geweldig. Dat moest Hij méér doen! Maar ze hebben niet begrepen dat Christus Zelf het levende Brood is, Dat uit de hemel is nedergedaald en der wereld het leven geeft. Daar werken ze niet voor, daar zijn ze niet bekommerd om, dát Brood begeren ze niet. Nee, ze zijn onder de indruk van de wonderen die Hij doet.

Jezus vermaant hen: het gaat om een ander Brood, het gaat om het levende Brood. Het gaat om Hem Zelf, zoals Hij in vers 35 zegt: En Jezus zeide tot hen: Ik ben het Brood des levens. Ik, niet het brood dat u bij de bakker haalt, maar Ik Zelf ben het Brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.

 

Mijn jonge vrienden, hongeren jullie naar dat Brood des levens? Hij kan verzadigen ten eeuwigen leven. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Ouderen, hunkert u naar dit Brood? Jezus zei: Ik ben het Brood Gods, Dat uit de hemel is nedergedaald, en der wereld het leven geeft. Hunkert uw ziel daarnaar?

Wat moet de Heere dan zeggen in vers 36? Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet. Dat is een verwijt, een schuldprediking, een smartelijke boodschap. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Hij zegt: Ik ben het Brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten. Maar… Proeft u het verdriet in Zijn hart? Maar Ik heb u gezegd, dat gij Mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet.

Geliefden, een van de grootste, meest Godonterende zonden in het kerkelijk leven, in uw en mijn leven, is het niet geloven in de Naam van de Zoon van God, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Hij kwam om de wil van Zijn Vader te doen, om Zijn gemeente te bouwen. Hij wilde Zichzelf geven om vijanden met God te verzoenen. Niet geloven is altijd onder die boodschap te verkeren, maar nimmer heilbegerig te zijn en Hem Zelf te begeren.

 

Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven, zo leert Christus hier Zelf. Ik ben het Brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren. Misschien zit hier of daar in een bank een jongere of een oudere die hongert naar God, die met een verloren ziel over de wereld gaat. Misschien iemand die thuis meeluistert.

 

               Rust noch vrede wordt gevonden,

               om mijn zonden,

               in mijn beend’ren, dag of nacht.

 

Misschien hebt u wat het tijdelijk leven betreft geen gebrek, maar loopt u stilletjes over straat en zucht u naar de hemel: ‘Heere, ik ben zo arm, mijn ziel is zo dood en zo geesteloos.’ Jezus zei: Ik ben het Brood des levens. Die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten.

 

Maar helaas, Hij moet bestraffen, zoals u dat leest in vers 36. Tóch zullen er zijn die komen, ja, die komen om Hem, om Hem Zélf, toen en nu. Gods werk zal voortgang vinden, Gods welbehagen zal doorgaan. Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen. Het is voor Hem geen hopeloze zaak. Hij zal een volk hebben dat Zijn lof zal vertellen. Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Want Ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil Desgenen Die Mij gezonden heeft. En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage.

Je zou denken: de Joden die daar zijn, vallen daar nu voor. En dit is de wil Desgenen Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Zullen ze daar niet voor vallen? Zullen ze dit woord van Christus niet met alle toegenegenheid ontvangen? Zal deze gemeente het ontvangen?

De Joden dan murmureerden over Hem, omdat Hij gezegd had: Ik ben het Brood Dat uit den hemel nedergedaald is. Wat is dan de reactie? Zij zeiden: Is Deze niet Jezus, de Zoon van Jozef, Wiens vader en moeder wij kennen? Ze zien in Hem dus niet de Zoon van God. Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel nedergedaald? Er is onkunde en afkeer bij hen. Zij ontvangen Hem niet.

 

Dan spreekt Jezus dat bestraffende woord in vers 43: Murmureert niet onder elkander. Murmureren is tegenspreken, mompelen onder elkaar. Ooit gebeurde dat ook tegen Mozes, de middelaar van het Oude Testament. Toén ergerde het volk zich, nú ergert het volk zich aan Jezus van Nazareth, en nóg ergeren wij ons aan deze Jezus, Die zegt: Ik ben het Brood des levens.

Het lijkt dat wij gewillig zijn, het lijkt dat wij godsdienstig en vroom zijn, maar ten diepste is in ieder adamskind de afkeer van deze Zaligmaker, terwijl Hij lieflijk is. Hij is veel schoner dan de mensenkinderen, en genade is in Zijn lippen uitgestort. Hij wilde zelfs voor vijanden de dood smaken. Kom, waarom zouden wij Hem toch niet beminnen? Waarom zouden wij niet in Zijn Naam geloven? Waarom zouden wij Hem toch niet liefhebben?

 

Het volk keert zich van Jezus af, lezen we in dit hoofdstuk. Zal dan alles tevergeefs zijn? Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. O, dat in dit volk, dat hier en elders gehoord zou mogen worden: ‘Ik heb gezondigd; ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog, daarom ben ik Uw gramschap dubbel waardig.’ Het Godonterende ongeloof en tegenspreken zoals we hier in dit hoofdstuk lezen, is er ook in onze ziel en ook in onze gemeenten. Hoe verdrietig en Godonterend!

 

In Romeinen 9 vers 20 lezen wij: Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot degene die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? Zo lezen wij in vers 65 de andere zijde: En Hij zeide: Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. Dat zijn die twee zaken: enerzijds de absolute verantwoordelijkheid van de mens en de aanbieding van de Zaligmaker in het evangelie, anderzijds het werk van God de Heilige Geest in de toepassing van het Woord aan het hart.

Zeg nu alstublieft niet: ‘Dan kan ik er toch zelf ook helemaal niets aan doen?’ Kom ermee op uw knieën, smekend: ‘Zo doe Hij ook aan mij’; opdat het Woord der zaligheid aan onze schuldige ziel vervuld mag worden en wij de Heere mogen kennen. Dan buigen we onder Zijn rechtvaardigheid en soevereiniteit, het niet waardig zijnde dat Hij naar ons zou omzien.

U zegt: ‘Ik kán het niet…’ Dat klopt, wij zijn onbekwaam tot enig goed, en geneigd tot alle kwaad. Dat is het bijbelse woord, dat is het woord van onze catechismus. Maar wij zijn ook onwíllig; zullen we dat woord niet vergeten? Zullen we dat laatste, ‘onwillig’, niet vergeten? Gij wilt tot Mij niet komen, zegt Christus, opdat gij het leven moogt hebben (Joh.5:40).

 

Ach, ze zijn gekomen om het brood, om de honger van hun maag te stillen, maar Jezus zegt: ‘U bent niet gekomen om de honger van uw zíel te stillen.’ Dat is een verootmoedigend, beschuldigend woord.

Toch, geliefden, hoe gelukkig zul je zijn als je onder die beschuldiging mag buigen. Dan vóel je je niet gelukkig, maar diep ongelukkig en schuldig. Toch zeg ik u: dan bent u gelukkig, want het zal u uitdrijven tot de troon der genade. Het zal de behoefte aan verzoening en vernieuwing van hart en leven bij u bewerken, en het zal u uitdrijven tot de genadetroon. Het niet te kunnen – niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke – en Hem toch niet meer te kunnen missen. Trek mij, wij zullen U nalopen (Hoogl.1:4). Dan kunt u Hem niet missen. ‘U zoekt mijn hart.’

 

Niet murmureren, heeft Jezus tot dit volk gezegd. Bij murmureren, mopperen, kwaadspreken, is er sprake van verdachtmaking en afkeer. Murmureert niet onder elkander, maar buig toch onder God. Dat buigen is niet in wanhoop, maar in hartelijke overgave.

U weet wel, er wordt gepreekt dat wij het onder God verliezen moeten. Dat is ook zo. Je kunt daar zulke verkeerde gedachten van hebben. Een jongere of oudere zou kunnen denken: dat is vreselijk, om het van God te moeten verliezen. Geliefden, weet u wat vréselijk is? Als je het níet verliest. Maar als je het werkelijk, door de aanraking van Gods vinger, verliezen mag voor God, dan is dat vertederend in uw ziel. Dan breekt uw hart daaronder, dan smelt u weg onder opzoekende liefde. Dan schaamt u uzelf weg voor Gods aangezicht, en is het een wonder dat we niet vernield zijn.

Buigen onder God is geen kwestie van wanhoop, maar een kwestie van liefde en hoop. ‘Ik ben Uw gramschap dubbel waardig.’

 

Denk aan mij toch in genâ,

om Uw goedheid eer te geven.

 

Hoor dan, Jezus zegt dat wij niet moeten murmureren, zoals er staat in vers 43: Jezus antwoordde dan en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.

 

2. Getrokken worden

 

Wij lezen in vers 44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

Opnieuw moet ik terug naar de zondeval. Daar zijn wij allen onder het oordeel terechtgekomen, in de geestelijke dood, zoals de Schrift en onze catechismus ons leren. Wij zijn dood door de misdaden en de zonden. Is dat ons zielservaren? Of is het een koude constatering: Wij zijn nu eenmaal dood door de misdaden en de zonde – punt uit?

Geliefden, als deze woorden (dood door de misdaden en de zonde) in uw hart terechtkomen, dan breekt uw hart. Dan komt er een buigen onder God. Dan is er een schuldbelijdenis voor Zijn aangezicht. Goed geschapen, peilloos diep gevallen… Is dat ons zielservaren? Dan zal het toch worden: ‘Trek mij, Heere, dan zal ik U nalopen.’

 

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke, zo lezen wij in vers 44. God zal trekken. Laat uw hoop niet gevestigd zijn op uw doen en laten, maar laat uw hoop mogen gaan naar boven, in smeking en met geween, opdat Hij trekke, door de krachtige werking van Zijn Heilige Geest.

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke. Dat is een getrokken worden om de verdienste van Christus, Die dit mogelijk heeft gemaakt door Zijn volmaakte gehoorzaamheid en volkomen genoegdoening. Om Christus’ wil zullen doemschuldige zondaren getrokken worden tot Jezus. Jezus zou de prijs gaan betalen. Hij geeft hier het onderwijs. Jezus zou voor doemschuldigen de dood gaan smaken. Hij wilde genoegdoening aan Zijn Vader geven en de weg vrij maken om vijanden met God te kunnen verzoenen. Hij is gekomen om de Vader te verheerlijken en Zijn gemeente te kopen. Hij werd door de Heilige Geest bijgestaan om dit alles te doen.

 

Getrokken worden, zo lezen wij in vers 44. Er staat in de oorspronkelijke taal ‘trekken’ of  ‘uittrekken’ (zo mag het ook vertaald worden). Het mag duidelijk zijn dat het komen tot Jezus geen keuze is van de mens. Er is niemand die God zoekt, ook niet tot één toe. Er is niemand die Jezus zal gaan zoeken en uit zichzelf ooit zal gaan zeggen: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf!’

Nee, wij zijn dood door de misdaden en de zonden, en doemwaardig. De gevallen mens, van Adam afkomstig, zal alleen komen door een goddelijke en alles overwinnende kracht. Zo zegt de Heere het immers Zelf in onze tekst: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.

Dat is juist het goddelijk genadewerk, dat verkondigd mag worden. Enerzijds zet het een mens weg als onwaardig, onmachtig en doemwaardig, maar het predikt ook de weg der zaligheid vanuit God. Dát is de mogelijkheid van zalig worden: indien God ons trekt. Paulus mag schrijven in de brief aan de Filippenzen: Want het is God Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filipp.2:13). Ook in Johannes 12 vers 32 leest u er over, een woord van Jezus Zelf: En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken.

Het is dus een krachtig en onweerstaanbaar werk van God de Heilige Geest, door Christus. De weerstand die er in het hart van ieder mens leeft, zal doorbroken worden. De geestelijke dood, waarin wij allen gevangen zijn, zal doorbroken en overwonnen worden door Christus en Zijn Heilige Geest.

 

Wilt u er een voorbeeld van hebben? Saulus van Tarsen was een net kerkmens, die heel trouw alle bijbelse voorschriften naleefde. Alleen, hij moest van Jezus niets hebben. Hij vervolgde te vuur en te zwaard allen die de Naam van Jezus beminden. Moord en doodslag! Maar Christus was Overwinnaar, en heeft hem aan Zijn voeten neergelegd. Als een verslagen zondaar werd hij getrokken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Jezus is tot hem gekomen als zijn Zaligmaker. Wat een onuitsprekelijk wonder!

De stokbewaarder, een heiden, is in de kortst mogelijke tijd door God vernederd en gezaligd, en Jezus is zijn Zaligmaker geworden.

Geliefden, u en mij is nodig, onmisbaar: vrede met God, verzoening, vernieuwing van hart en leven, alleen door Hem. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf!

 

Het gaat dus over getrokken worden. ‘Heere, trek mij dan!’ Ik hoop dat er ook op dit moment mensen thuis of hier in de kerk zijn, jongeren en ouderen, die als zij lezen dat wij getrokken moeten worden, zitten te bedelen: ‘Heere, trek mij dan, o, trek mij dan! De weerstand is zo groot in mijn ziel, de dood in mijn ziel is zo afschuwelijk, ach, wilt U mij trekken. Waardig ben ik het niet, maar ik zal het niet kunnen missen. Trek mij om Uws Naams wil!’

Hij trekt met koorden van liefde. De Heilige Geest slaat en schopt geen zondaren naar Jezus toe, maar Hij gaat door de liefde, door de nodigingen van het evangelie, het ellendige, schuldige zondaarshart trekken tot de Zaligmaker. Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer.31:3).

Een ander voorbeeld van iemand die getrokken werd, is Lydia. Haar hart werd geopend opdat zij acht nam op hetgeen van de apostel gesproken werd.

 

U leest in Filippenzen 2 vers 13: Want het is God Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Het touw waarmee de Heere trekt, is het Woord van God. Hij trekt met koorden van eeuwige liefde, vertolkt in de evangelische nodigingen die in de Heilige Schrift staan: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22). Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven (Ez.36:26).

Die evangelische beloften en nodigingen gebruikt de Heilige Geest om een zondaar, die dood is door de misdaden en de zonden, te trekken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht. Dat zijn koorden van liefde.

Christus heeft daarvoor de prijs betaald, een ontzaglijke prijs, Zijn smartelijk lijden en sterven. Hij werd van God verlaten, zoals in het avondmaalsformulier staat, opdat wij nimmermeer van God verlaten zouden zijn. Hij wilde de prijs betalen. Hij kocht vijanden, een schuldig zondaarsvolk. Hij mocht roepen: Het is volbracht! (Joh.19:30)

Hij is opgevaren ten hemel. Na Zijn bitter lijden en sterven is Hij in eeuwige heerlijkheid opgenomen. De Vader heeft Hem de beloning gegeven: al de gegevenen des Vaders, al de verkorenen ten eeuwigen leven, zijn Hem geschonken, op Zijn koping met de dure prijs van Zijn bloed.

 

Daarom mag de nodiging onbelemmerd uitgaan: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts. Tot de verstandeloze zegt Zij: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van de wijn die Ik gemengd heb (Spr.9:4-5).

Jezus kocht en Jezus trekt, toen en nu. Niemand zal ze uit Zijn hand rukken. Als Hij niet zou trekken, zou Hij eeuwig zonder onderdanen zijn. Bent u het daarmee eens, met schaamte in uw ziel? Als Hij niet zou trekken, zou Hij eeuwig zonder onderdanen zijn, dan zou Hij uw en mijn ziel niet hebben. Maar Christus is gekomen en gaf Zichzelf om zondaren te trekken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Als Hij dat niet Zelf zou doen, zou nooit iemand Zijn lof vertellen en zou niemand Hem dienen.

De bruid, Christus’ kerk, heeft gebeden: Trek mij, wij zullen U nalopen (Hoogl.1:4). Hij trekt op een lieflijke wijze. Dat doet Hij door de lieflijke nodigingen van het evangelie.

Hij gebruikt de wet om schuldig te stellen en te veroordelen.

 

               ‘k Ben, door Uwe wet te schenden,

               krom van lenden,

               vol van druk, benauwd van hart.

 

               Genees mij, red mijn leven;

               Gij ziet mijn beend’ren beven;

               zo slaat Uw hand mij neer.

 

De Heilige Geest trekt door de lieflijke nodigingen van het evangelie. Jezus komt met Zijn eigen getuigenis, dat Hij te zijner tijd voor de goddelozen gestorven is, en dat Hij het is Die trekt. Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

Dat is het heerlijk, lieflijk werk van God de Heilige Geest. Al wat de Vader Hem geeft, zál tot Hem komen, want Jezus zal niet zonder onderdanen zijn. O, moge het ook hier zijn dat jongeren en ouderen smekend in hun bank zitten mee te luisteren, die zeggen: ‘Heere, zou U dan ook mij willen trekken? Ik ben het niet waardig, ik ben een geesteloos schepsel, mijn leven ligt verzondigd, ik ben Uw gramschap dubbel waardig, het is een wonder dat ik niet vernield ben. Maar het evangelie zegt ons toch dat in U de bekwaamheid en de gewilligheid is om zondaren zalig te maken! Wil ook mijn ziel trekken uit de duisternis tot Uw wonderbaar licht?’

 

Getrokken worden, is dus niet: ik kies voor Jezus; maar andersom: Híj kiest voor de gevallen mens die Hij liefheeft met een eeuwige liefde, om te trekken uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht.

 

Wij zingen nu eerst Psalm 32 vers 5:

 

               Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven,

               Of als een muil, door domheid voortgedreven;

               Gebit en toom, door ‘s mensen hand bestierd,

               Beteug’len ’t woest en redeloos gediert’;

               Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen.

               Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen;

               Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen,

               Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.

 

Johannes 6 vers 43 tot en met 45: de Heere Jezus antwoordt de tegensprekers. Niet murmureren, vers 43. Getrokken worden, vers 44. En nu het laatste, vers 45: Geleerd worden.

 

3. Geleerd worden

 

Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

Eigenlijk is dit al een heel oude belofte. U ziet een verwijzing naar Jesaja 54 vers 13. Daar leest u: En al uw kinderen zullen van de Heere geleerd zijn. Ze worden dus door God Zelf onderwezen: zullen van de Heere geleerd zijn. In de kanttekening leest u: ‘Alle kinderen van het geestelijke Jeruzalem zullen geleerd worden van God, Die door Zijn Heilige Geest de predikatie van Gods Woord in hen krachtig maakt.’ Dat is een heel mooie kanttekening. Ik herhaal hem: ‘Alle kinderen van het geestelijke Jeruzalem zullen geleerd worden van God, Die door Zijn Heilige Geest de predikatie van Gods Woord in hen krachtig maakt.’

Deze woorden, deze zin kun je met één woord samenvatten. Waar denk ik aan? Aan het woord dat onder ons zoveel gebruikt wordt, dat begint met een ‘b’ … Bevindelijk. We hebben het wel eens over bevindelijk preken, maar dít is bevindelijk, dít is de bijbelse bevinding: wanneer wij onderwezen worden uit de Heilige Schrift, als de Heilige Geest dat Woord krachtig maakt in onze ziel.

Enerzijds stelt het ons schuldig en veroordeelt het ons. Anderzijds wordt het Woord van het evangelie bekrachtigd door diezelfde Geest om onze ziel vrij te maken, vrede te schenken, en wederliefde tot God in Christus. Dit bewerkt de Heilige Geest in ons hart. Dat is een bijbels gegeven, bijbelse bevinding.

 

De apostel Paulus zegt: Het heeft Gode behaagd Zijn Zoon ín mij te openbaren.’ In Johannes 1 vers 18 lezen wij: Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Die heeft Hem ons verklaard. Dat is het kennen van God, in verzoening, rechtvaardigmaking, en in vernieuwing, heiligmaking, door de onderwijzing van de Geest van Christus. Dat is geen beschouwende aangelegenheid. Nee, dan doet het Woord kracht in het hart.

Een moeder kan thuis een verhaal vertellen tegenover haar kind en zeggen: ‘Joh, het kan zo gevaarlijk zijn op de weg, zul je een beetje oppassen?’ Dat kind luistert nauwelijks. Maar dan zegt moeder met klem: ‘Zul je goed uitkijken?’ Dan komt dat woord aan, beklijft het en heeft het een uitwerking. Dat kind heeft het woord van moeder gehóórd, en het luistert.

Zo is het ook met het Woord van God. Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Daar gaat door de Heilige Geest kracht uit van het Woord, van het evangeliewoord. Daardoor wordt een ziel getrokken tot God. Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

 

Het gaat over geleerd worden van de Vader. Het komen tot Christus is geen keuze of actie van de mens. De mens is dood door de misdaden en de zonden, absoluut, en onwillig. Iemand kan wel eens denken: als de Heere nu net zo gewillig was als ik… Dan mist hij echter een stuk ontdekking in zijn leven. Christus sprak: Gij wilt tot Mij niet komen (Joh.5:40).

Maar als niemand tot Hem kán komen en niemand tot Hem wíl komen, dan zal Hij geen enkele onderdaan hebben… Wat doet Hij echter? Door Zijn onuitsprekelijke liefde trekt Hij onwederstandelijk, onweerstaanbaar, uit de duisternis tot Gods wonderbaar licht, en leert Hij hen. Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

 

Want dat is de lering, dat is de onderwijzing: Die komt tot Mij. Dit is blijkbaar essentieel. Dit is blijkbaar treffend, wezenlijk en onmisbaar. Het gaat hier in het onderwijs van de Heere Jezus niet om een beschouwelijke kennis, maar om het daadwerkelijke heil, om het hart dat getrokken wordt door middel van het evangeliewoord, en de verborgen werking van de Heilige Geest. Hij Zelf kon zeggen: ‘Ik heb de woorden van het eeuwigen leven.’

Waar dat Woord ingang vindt in het hart van een zondaar, daar zal het antwoord van de ziel worden: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Matth.16:16). En de woorden die Hij spreekt, zijn geest en zijn leven. Het is als het ware de tiende ure, zoals u dat elders in het evangelie van Johannes leest, waar Jezus Zichzelf bekendmaakt door Zijn Woord en Heilige Geest (Joh.1:40).

Geliefden, weten we daarvan?

 

               Toen, in mijn zielsellende,

               Uw aangezicht mij kende.

 

U zegt: ‘Ik ben wel eens geroerd, ik ben wel eens onrustig, ik ben wel eens biddend, ik ben wel eens zoekend, ik heb ook wel een afkeer van de zonde en…’ Dat is allemaal goed, geliefden. Maar niet de offers die ik breng en niet de tranen die ik pleng, ofschoon ik ganse nachten ween, kunnen redden; Gij kunt redden, Gij alleen. Jezus alleen!

 

Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij, zegt Jezus. De Vader sprak: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem (Matth.17:5). O, als Jezus door het evangelie tot het arme, schuldige, veroordeelde en missende zondaarshart komt, door de krachtige en lieflijke werking van de Heilige Geest, dan mag hij Hem kennen, dan wordt Hij ook ontvangen in het hart. Dan ontvangt de vernederde, missende en verlangende zondaar verlichte ogen des verstands om de Waarachtige te kennen, namelijk Christus Jezus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige Leven.

De Heere zegt het toch in vers 45: Er is geschreven in de Profeten: En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij. Dat is dus cruciaal, onmisbaar, hét kenmerk van geestelijk leven. Die komt tot Míj, dat is het meest wezenlijke kenmerk van de ware gelovige.

Het komen tot Christus is een onweerstaanbaar, onwederstandelijk werk van de Geest van Christus Zelf. Geliefden, het is onvergetelijk als het vernederde, missende en buigende zondaarshart, onder God buigend, moet belijden: Niet de offers die ik breng, niet de tranen die ik pleng, ofschoon ik ganse nachten ween, kunnen redden; Gij kunt redden, Gij alleen.

 

Geef mij Jezus of ik sterf,

want buiten Jezus is geen leven,

maar een eeuwig zielsverderf!

           

Onvergetelijk is het als de Bijbel mag opengaan, en als de hemel opengaat, en dat Jezus zegt: ‘Zie, hier ben Ik!’ Dan laat Hij Zichzelf zien. Dan worden mijn verduisterde ogen verlicht, en wordt mijn gesloten hart geopend om Hem te zien en te ontvangen.

Dat is het heerlijke, onwederstandelijke en zaligmakende werk van de Heilige Geest. Die geeft verlichte ogen des verstands om Hem te kennen en om te getuigen: ‘Het heeft Gode behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren.’ Dat geeft ook een goede hoop in genade, hoewel de begenadigde levenslang arm, onwaardig, in zichzelf veroordeeld zal blijven. Ik weet, zegt de begenadigde apostel Paulus, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont (Rom.7:18).

Nee, dat zit je niet gezellig bij een kopje koffie te vertellen. Als dat echt de beleving van uw ziel is, dan kreun je bij je koeien, dan zucht je bij je wasmachine en dan buig je achter je bureau. Dan ben ik onwaardig, dan is er in mij geen goed. Dan ben en blijf ik altijd een geesteloos, zondig mensenkind.

Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom.7:18,24) Wie? Christus zal verlossen. Jezus zal verlossen. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Hij zal hen leiden, Hij zal hen tot Zich nemen in heerlijkheid, want Hij is zo getrouw als sterk en Hij zal Zijn werk voor mij volenden.

 

Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

Laat dit de geestelijke toetssteen zijn voor eenieder onzer. In prediking, in huisbezoek, in catechisatie, enzovoorts, gaat het om de Persoon en de kennis van deze Zaligmaker. Dat is onmisbaar!

Dat is niet iets extra’s, zoals sommigen denken, maar dat is wézenlijk. Hij Zelf is het Die van de Vader gezonden is om te geven bekering en vergeving der zonden. Ze vloeien uit Hem voort. Ze zijn er in de kennis van en gemeenschap met Hem.

Wat een onderwijs geeft de Heere dan Zelf in dit Schriftgedeelte! Het zij ons vergund dat wij daar allen iets van mogen kennen. Niet murmureren, zegt Jezus, niet tegenspreken. Doe het ook vandaag niet. Doe het ook in de komende week niet. Niet tegenspreken, maar getrokken worden. ‘Heere, trek mij, dan zal ik U nalopen.’

We hebben ook gehoord over geleerd worden. Wie is een Leraar als Hij? Wat kan Hij onderwijzen! Laat het uw zielsbegeerte mogen zijn dat deze Profeet en Leraar u onderwijze in de kennis der zaligheid, zoals uit dit schriftgedeelte ook blijken mag.

Daarin wordt Hij verheerlijkt en ontvangt uw ziel een goede hoop in genade, de vrede met God en vernieuwing van hart en leven. Kortom, Jezus is alles! Hij sprak immers: Een iegelijk dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 119: 33

 

Gij hebt veel goeds bij Uwen knecht gedaan;
Hem, naar Uw woord, gered uit al zijn noden;
Leer mij, o Heer’, een goede zin verstaan,
En wetenschap, der dwazen waan ontvloden;
Wijs Gij mij zelf de weg der waarheid aan,
Naardien ik heb geloofd aan Uw geboden.