Ds. L. Huisman - 1 Johannes 2 : 12 - 15

Heb de wereld niet lief

De heerlijkheid van de gemeente
Een vermaning
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

1 Johannes 2 : 12 - 15

1 Johannes 2
12
Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.
13
Ik schrijf u, vaders! want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt den Vader gekend.
14
Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.
15
Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 33: 1, 2
Lezen : 1 Johannes 2: 1-17
Zingen : Psalm 92: 1, 3, 7, 8
Zingen : Psalm 118: 8
Zingen : Psalm 89: 8

Geliefden, het Woord van God dat wij u thans willen prediken, kunt u vinden in 1 Johannes 2 en daarvan de verzen 12 tot en met 15:

 

Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil.

Ik schrijf u, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt de Vader gekend.

Ik heb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den boze overwonnen.

Hebt de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

 

Het thema van de preek is: Heb de wereld niet lief.

 

Deze tekst spreekt ons van:

1. De heerlijkheid van de gemeente, bestaande uit de rijkdommen voor de kinderen, die de apostel onderscheidt in vaders en jongelingen.

2. Een vermaning, om juist hierdoor, ziende op die rijkdommen, de wereld niet lief te hebben. Want, zegt de apostel, als je de wereld lief hebt, dan is de liefde des Vaders niet in je.

 

Geliefden, er zijn nogal wat slordige christenen en nog meer christenen die maar arm leven. Met ‘arm’ bedoel ik niet, zoals de apostel zegt: Als arm, doch velen rijk makende (2 Kor.6:10). Want dat is een heerlijke armoede. Zulk een armoede betekent dat je van jezelf geen verwachting hebt, maar dat je al je verwachting koestert van Gods genade. Dat is een rijk leven. Arm en toch rijk.

Maar als ik zeg: ‘Vele christenen leven maar arm’, dan bedoel ik daarmee dat ze zo weinig leven uit de rijkdom van Gods genade. En daarmee gaat veelal een slordig leven gepaard. Slordig in het gebed en in het onderzoek van de waarheid, slordig in de overdenking van Gods genade, en dan vanzelf ook slordig in de lofprijzing van Hem, Die immers waardig is te worden aangebeden, zolang we adem hebben.

Ons lege levenshuis moet gevuld worden met de volheid van Gods genade. En daartoe spoort nu die oude, in de dienst van Christus vergrijsde dienaar, de apostel Johannes, de gemeente aan. Hij spreekt die gemeente aan en zegt tegen hen: ‘Gemeente, dat is uw staat. Dit hebt u van God verkregen. Zult u dan nog langer in de wereld leven? Zult u dan, in plaats van overeenkomstig uw hoge bestemming te leven, leven als de kinderen van deze wereld, die als mollen in de aarde wroeten en daar hun levensbestemming in vinden?’

Op deze wijze trekt hij het hart van de christenen naar Christus heen. Adeldom verplicht om overeenkomstig hun staat voor God te leven. Er is geen krachtiger stimulans op de weg van de heiligmaking, dan de prediking van de vrije genade door het bloed van de Heere Jezus Christus.

Het kán niet zijn, zegt onze catechismus, dat degene die losgekocht is ván de zonde, lust zal hebben ín de zonde. Dat kan niet! Zo iemand zál goede vruchten voortbrengen. En dat wil de apostel nu op deze wijze leren.

 

Hij wekt de gemeente op om het voorrecht, de heerlijkheid, de rijkdom, door God hun geschonken, te gedenken. En daarmee wekt hij natuurlijk ook ons op. Daarin is Johannes een goed pedagoog. Zo heeft de apostel Johannes, als een wijs man, wijs geworden in de dienst van God, ook deze woorden gebruikt om de gemeente te leiden in het effen spoor der gerechtigheid.

Hij doet dat, omdat hij veel levenswijsheid heeft opgedaan, als volgt: Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil. En dan ziet u hier twee parallellen in de tekst, want hij schrijft aan de kinderkens en even later wéér aan de kinderkens, hij schrijft aan de vaders en even later wéér aan de vaders, hij schrijft aan de jongelingen en even later wéér aan de jongelingen. En bij de eerste keer zegt hij: Ik schrijf u, en de tweede keer zegt hij: Ik heb u geschreven. Behalve bij de kinderkens gebruikt hij precies tweemaal hetzelfde woord ik schrijf u. De tweede keer heeft hij hetzelfde bedoeld, dat blijkt uit het verband van de tekst, hetgeen hij ook aan de vaders en jongelingen schreef.

Je mag het dus ook zo lezen: ‘Ik schrijf u en ik heb u geschreven.’ Dat herhaalt hij, omdat hij hiermee als het ware aan de gemeente wil zeggen: ‘Dit is vast en zeker. Ik, in mijn ouderdom, vergrijsd in de dienst van God, beproefd in het leven der genade, ik schrijf het u en ik heb het u geschreven. En ik blijf het u schrijven en ik heb niets anders te schrijven.’ Hier zegt hij als het ware hetzelfde als wat Paulus zegt in 1 Korinthe 2 vers 2: Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus en Dien gekruisigd. Dat zegt Johannes hier ook.

 

In de eerste plaats moeten we er op letten wat de apostel hier bedoelt met kinderen, vaders en jongelingen. Bedoelt hij daarmee de kinderen in de genade, de vaders in de genade en de jongelingen in de genade? Dan zou die volgorde erg vreemd zijn. Dan zou het veel logischer geweest zijn als hij geschreven had: ‘Ik schrijf u, kinderkens, ik schrijf u, jongelingen, ik schrijf u, vaders.’ Maar hij zet de vaders tussen de kinderen en de jongelingen in. Nee, zó moet u het dus niet lezen!

Als u het geheel van de brieven van Johannes leest, dan weet u dat hij met dat woord ‘kinderkens’ de gehele gemeente bedoelt. Zo staat het bijvoorbeeld ook in het eerste vers: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt. En in het achttiende vers: Kinderkens, het is de laatste ure. En in het achtentwintigste vers: En nu, kinderkens, blijft in Hem; opdat, wanneer Hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van Hem niet beschaamd gemaakt worden in Zijn toekomst.

Dus u moet het zó zien: als Johannes hier in deze tekst zegt: Ik schrijf u, kinderkens, dan bedoelt hij daarmee de gehele gemeente, groot en klein. Zowel de ver gevorderden als de pas beginnenden, die noemt hij samen ‘kinderkens’. Dat mag Johannes doen. Johannes is dan een oude dienstknecht van God, die daar als een beproefde Godsgezant zijn geliefde gemeente vóór hem ziet en die in vaderlijk mededogen, bewogen door de barmhartigheid van Christus, zegt: Mijn kinder­kens. Uit de mond van zo’n oude dienstknecht van God spreekt daar de liefde uit, de bewogenheid, het vaderlijk mededogen.

 

En dan in de tweede plaats gaat hij de gemeente onderscheiden in ‘vaders’ en ‘jongelingen’. Hij bedoelt hier met ‘vaders’ hen die sterk zijn in het geloof. We zouden ook kunnen zeggen: de geoefenden in de waarheid. En met de ‘jongelingen’ de pas aankomenden, diegenen die zich kortgeleden aan de Heere hebben overgegeven, die pas in de strijd gekomen zijn. Hij onderscheidt dus in de gemeente ‘vaders’ en ‘jongelingen’.

Hij zegt in het eerste gedeelte van de tekst: Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil. En aan het eind van vers 13: Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt de Vader gekend. Dus eerst schrijft hij aan de gehele gemeente: De zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil en daaraan verbindt hij in het tweede gedeelte: Ik schrijf u, kinderen, want gij hebt de Vader gekend. Dat is dus het vaste fundament en de centrale waarheid waar het om gaat.

 

Het ging in de dagen van Johannes, net als in onze dagen, om de grote vraag: is Jezus de Christus, ja of nee? Is Hij de Zoon van God, waarachtig mens geworden, heeft Hij geleden en is Hij gestorven om onze zonden? Is dat waar of niet waar? Zo niet, dan staan we voor onszelf. Dan moeten we zelf onze zonden verzoenen, en dan moeten we door de verbetering van ons leven onszelf aangenaam maken bij God.

 

Er waren ook allerlei dwalingen de gemeente van Christus binnengedrongen. Zo waren er mensen in de gemeente ingedrongen, die zeiden: ‘Jezus Christus is niet in het vlees gekomen. Het was maar een schijnlichaam. Hij heeft niet echt geleden. Het was maar bij wijze van spreken.’ En dan zegt Johannes: ‘Als je dat loochent, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, dan heb je de Vader nooit gekend. En dan heb je het eeuwige leven niet, dan ben je nog een kind der wereld. Dan doe je wat de antichrist je voorgezegd heeft, want dat is de leer van de antichrist, dat Jezus Christus niet in het vlees gekomen is.’

Uit die dwaling kwam een antinomiaanse gezindheid voort. Zij leerden immers: als je ziel maar aan God verbonden is, als je met je hart maar aan God verbonden bent, dan betekent het verder niets wat je met het lichaam doet, dan kun je verder niet meer zondigen.

Daarentegen zegt Johannes: ‘Als je je broeder haat, dan ben je in de duisternis en ben je niet in het leven overgegaan. Dan ken je Christus niet en je kent God niet als je Vader. Dan leef je nog in de duisternis, wat je ook van jezelf wil zeggen en hoe hoog je ook op mag geven over je geloof.’

Johannes zegt in vers 11: Maar die zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis. Dan leef je puur werelds! Dat kan niet samengaan met het geloof in de Heere Jezus Christus.

 

Dat waren de dwalingen die ook in zijn dagen reeds te bestrijden waren. En ach, we hoeven niet ver te zoeken om die verwording van het geestelijk leven ook onder ons te vinden. Dat is de verwereldlijking van de kerk.

Deze verwereldlijking van de kerk begint dan, wanneer we de band met God kwijtraken, wanneer de gemeenschap met God niet meer beoefend wordt. Als het kruis van Christus niet centraal staat in ons leven, dan komen daar allerlei onheilen uit voort. Dat antinomiaanse leven, die scheiding tussen natuur en genade, dat haten en dat twistziek zijn ten opzichte van elkaar, dat komt allemaal hieruit voort, dat we niet beseffen, wat Johannes als de centrale waarheid van de gemeente stelt: Kinderkens, de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil, en aan het eind van het dertiende vers: Want gij hebt de Vader gekend.

 

Hoort u het, geliefde gelovigen? Johannes zegt tot ál de leden van de gemeente: ‘Uw zonden zijn u vergeven en u hebt de Vader gekend.’ Dat zegt hij tot ál de leden. Hij spreekt die kinderkens als de leden van de gemeente aan. Natuurlijk de wedergeboren leden van de gemeente, dat zult u vanzelf wel begrijpen. Want die onweder­geboren zijn, hebben geen deel en lot in het koninkrijk van God. Zij hebben geen kennis aan de vergeving der zonden. Maar voor al de wedergeboren leden van de gemeente geldt, zowel voor de kleinste als voor de verst gevorderde: uw zonden zijn u vergeven.

Toen u voor het éérst geloofde, toen u in het verlaten van uw eigengerechtigheid, wenend en schreiend uw lege hand naar God uitstrekte, toen het Woord des levens voor u geopend werd en de beloftenissen van het evangelie, die allen in Christus ja en amen zijn, uw ziel vertroostten in uw geween, toen hebt u een toegang gekregen tot God. Is het niet waar? Toen zijn er tijden in uw leven gekomen dat u een vrijmoedige toegang had tot God.

En wat is dat anders dan door het Vaderlijk mededogen? Wat is dat anders, dan door de kennis van die God, Die door de zonden uw Rechter geworden is, maar Die in Christus Jezus uw Vader wil zijn? Waardoor heeft u anders zo’n vrijmoedige toegang tot Zijn troon verkregen? U besefte dat God heilig was. U besefte dat u vol zonden en ongerechtigheid was, van uw geboorte af, en toch naderde u tot God en u stelde u met heel uw leven in de hand van God. Dat is het tweede kenmerk, dat God uw Vader geworden is.

Kinderkens, dat God uw Vader geworden is, kwam hierin uit, dat u uw ziel kinderlijk neergelegd hebt op Zijn goddelijke voorzienigheid. Dat u het roer van uw levensschip in Zijn hand gaf en zei: ‘Heere, hier is mijn leven, hier zijn mijn handen, hier zijn mijn voeten, hier is mijn verstand, hier is mijn wil, hier is mijn hart, neem het en buig het naar Uw wil, doe wat goed is in Uw ogen.’ Kent u dat in uw leven? Dat is de vrucht van de arbeid van de Heilige Geest.

Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil. Hoort u het goed: om Zijns Naams wil. Dat is om Jezus’ Naam, en de Naam van Jezus drukt het wezen van Jezus uit, zoals de Naam van God het wezen van God uitdrukt. Als hier staat: om Zijns Naams wil, dan betekent dat: omdat Hij Jezus Christus heet en is. Dus je mag ook zeggen: om Zijn kruis, om Zijn gerechtigheid, om Zijn arbeid, om Zijn lijden, om Zijn dood, om Zijns Naams wil zijn u de zonden vergeven.

 

Ach, gelooft u niet dat veel duisternis, veel wereldzin hieruit voortkomt, dat ons niet duidelijk het voorrecht voor ogen staat dat God ons geschonken heeft? Gelooft u niet dat juist het ongeloof ons zo moedeloos maakt in de weg van de heiligmaking? Juist dat niet zien dat God ons de zonden vergeven heeft, dat niet durven, dat niet kunnen, en ten diepste dat niet willen aanvaarden, dat de gerechtigheid van Christus zó volmaakt is, dat ik, wanneer ik in God geloof, als een arm, in mezelf verloren en ongelukkige zondaar, dat dát geloof het rechtvaardigmakend geloof is en dat ik dan begrepen ben onder de prediking van de Heere door de mond van Johannes: Kinderkens ik schrijf u, want uw zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil. Ik schrijf u, kinderkens, want gij hebt de Vader gekend.

Er is geen kind van God, of hij kent iets van dat Vaderlijk mededogen, van die Vaderlijke barmhartigheid. Ik hoor het een oude prediker nog zeggen: ‘Een slecht kind, dat nooit eens naar huis verlangt.’ Dat is waar, dat is er reeds in het leven van het kleinste kind in de genade. Als de Heere ons genade gaat bewijzen, dan gaan we naar huis verlangen. Soms juist aan het begin van het geestelijke leven, kunnen we zo naar huis verlangen, dat we zeggen: ‘O God, zal het nog lang duren op de wereld? Wanneer komt die dag, dat ik bij U zal wezen en zien Uw aanschijn geprezen?’

Dan kan die tijd van de eerste liefde zo sterk zijn, dat, al hebben we nog geen duidelijk besef van het ‘hoe’ van onze zaligheid en al zien we nog niet helder en klaar het kruis van Christus, als het fundament van onze zaligheid, dat er toch zó een liefde van God in het hart is uitgestort, dat we over alle bergen en door alle dalen heen, de Heere de hand reiken en zeggen: ‘Zie, ik kom tot U, ja Heere, ik kom, trek me en ik zal U nalopen.’

Welnu, dat is door dat Vaderlijk mededogen. Daarin hebben we iets van de gunst van de Vader leren kennen.

 

Deze woorden schrijft Johannes dus aan héél de gemeente. Dan deelt hij die gemeente in twee groepen, vaders en jongelingen, en zegt: Ik schrijf u, vaders, want gij hebt Hem gekend Die van den beginne is. En in het tweede deel: Ik héb u geschreven, vaders, want gij hebt Hem gekend Die van den beginne is. Dus precies dezelfde woorden. Alleen de ene keer zegt hij: Ik schrijf u en in het vervolg zegt hij: Ik heb u geschreven. Dit behoeven wij hier niet zo op te vatten, alsof Johannes dat vroeger geschreven had. Nee, het is, zoals wij ook wel eens in een brief schrijven: ‘Nu, en ik heb u geschreven dat ik…’ en dan zijn we nog aan het schrijven. Zo moet u het hier ook zien. Johannes zegt: Ik schrijf u en in diezelfde brief zegt hij: Ik heb u geschreven.

 

En dan zegt hij hier tegen de vaders precies hetzelfde. Dan zegt hij: Want gij hebt Hem gekend Die van den beginne is. Is dat nu zo troostvol? Jazeker, want het is de vaders eigen, de vaders in het geloof namelijk, eigen, om door te dringen tot het welbehagen Gods. Waar onbekeerde mensen vijandig tegen zijn en waar beginnende christenen soms niet over durven spreken, dat is voor de vaders in Christus het fundament, namelijk het eeuwige welbehagen van God. De soevereine verkiezing van God in Christus tot eeuwige zaligheid. De vaders in het geloof, geoefend in de strijd, die zich krachteloos wisten, en hun kracht alleen van God gekregen hebben en daaruit geleefd hebben, hun zwanenzang is: ‘Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam alleen geef eeuwig de eer!’

Ja, daarmee begint Johannes in het evangelie. In den beginne, zegt hij, was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God (Joh.1:1-2). Daar leidt hij de vaders toe op. Hij zegt: ‘Vaders, u hebt Hem gekend Die van den beginne is!’ Met andere woorden: ‘Laat u door geen valse leer van dit fundament afbrengen. U leeft uit het welbehagen van God, dat geopenbaard is in de Heere Jezus Christus.’

 

Geliefden, wat is dat een hechte grond! Wat willen we de gunst van God dikwijls afmeten aan hetgeen we van de genade ervaren, in plaats van ons in onze duisternis toe te betrouwen aan het Woord van Gods beloften. Nee, geliefde christenen, zo kunnen we ons pad niet recht houden en zo kunnen we niet tot eer van God leven. Zo komt de wereld steeds meer ons hart en ons huis binnen. Maar dan pas, als we leven bij dat onveranderlijke en eeuwige welbehagen Gods, dan hebben we kracht om de dwalingen te weerstaan.

Dan wordt het in ons leven zoals het was in het leven van de Heere Jezus, van Wie geschreven staat dat, toen Hij geen brood had om te eten en geen slokje water om te drinken, want Hij was veertig dagen in de woestijn en Hem hongerde ten laatste en de duivel toen tot Hem zei: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze stenen broden worden (Matth.4:3), dat Jezus hem antwoordde, zeggende: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door de mond Gods uitgaat (Matth.4:4). Zo hield Hij zich vast aan het Woord.

Nu, geliefden, daarin moeten we volgelingen van Christus zijn. Wij moeten geen mensen zijn die het alleen maar geloven wanneer we het eens hartelijk gevoelen. O, dat is fijn hoor en ik ben mét u dankbaar, wanneer de Heere het gevoel van Zijn genade ons in rijke mate schenkt en ik wil u eerlijk wel zeggen: ik kan er ook niet buiten, want ik sterf buiten het gevoel van Gods vriendelijke gunst. Maar ik weet tóch dat mijn zaligheid niet aan mijn gevoel hangt en ik weet dat er váster grond is dan het gevoel van Gods genade, hoezeer ik er ook prijs op stel.

 

Want wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is en gij doet wel, als gij daarop acht geeft, en we hebben de verkondiging van Gods eeuwig raadsbesluit, dat niet wankelen zal, zelfs niet door mijn zonden. Want die Hij liefgehad heeft, die heeft Hij liefgehad tot het einde.

En wanneer we ons daarop gronden en daarop het anker van onze hoop uitwerpen, zie, dan moet de wereld sterven. Dan ontvangen we de kracht om alle listige aanslagen van de vijand af te slaan. Dan zeggen we met Jezus: ‘O Vader, als het dan Uw welbehagen is, dan liever mét U nog veertig dagen in de woestijn, zonder brood en zonder drinken, dan de knieval voor de duivel, voor de wereld, voor de zonden te doen. Dat nooit!’

Dan staan we sterk en daarmee leert de apostel Johannes de gemeente om staande te blijven. Ik schrijf u, vaders, want gij hebt Hem gekend Die van den beginne is. En dat herhaalt hij. Die vaders hebben als het ware geen nieuwe waarheid nodig. Er is geen hogere waarheid. Johannes hoeft het voor die vaders niet aan te vullen. Er is voor ons geen hogere waarheid dan het fundament door God in Sion gelegd, dat Hij van den beginne is en naar Zijn welbehagen Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. Dat is onze hoogste wetenschap. Dat is onze enige blijdschap, beide in leven en sterven. Dat is ons vaste fundament nú en in het uur van onze dood. Er zouden wel eens andere mensen door God tot ‘vaders’ bestempeld kunnen worden, dan wíj zouden doen.

 

Ik schrijf u, vaders, want gij hebt Hem gekend Die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen.

En dan even verder in het tweede gedeelte: Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt de boze overwonnen. Hier ook twee keer hetzelfde, maar in deze tweede keer toch ook nog een belangrijke aanvulling, niet zonder betekenis, natuurlijk.

Hij schrijft hier aan de jongelingen, dat zijn degenen, heb ik zojuist gezegd, die pas in de strijd komen, die pas de goede keus gedaan hebben, die pas getrokken zijn door de koorden van Gods eeuwige ontferming, die gekomen zijn om de Heere te mogen dienen, om van genade te mogen leven.

En dan schrijft hij aan die jongelingen: Gij hebt de boze overwonnen. Mag je dat nu aan een jonge christen schrijven? Mag je nu tot iemand die pas in de strijd gekomen is, zeggen: ‘Ik schrijf u, gij zijt sterk, gij hebt de boze overwonnen.’ Mag dat? Zijn jonge mensen niet van nature hoogmoedig, dwalen we vaak niet op vele punten aan het begin van de weg des levens? Moet je nu zomaar tegen die jonge christenen zeggen: Gij hebt de boze overwonnen? Als de ouden nog moeten zeggen: ‘Niet dat ik het al verkregen heb of al volmaakt ben’, kan dat dan?

 

Johannes heeft het goed gezegd. Dat kan ook niet anders, want het is het Woord van God; hij is hierin gedreven door de Heilige Geest. God heeft ons leven niet veranderd door alleen ellenlange brieven aan ons te laten schrijven over hoe ellendig het hier van binnen was. Maar Hij heeft ons laten zien Wie Hij was tegenover onze ellende. En toen zijn we gaan wenen, toen hebben we gezegd: ‘O God, dat ik het zo lang tegen U uitgehouden heb, tegen zulk een God!’ Toen zijn we verbroken van hart geworden.

Welnu, Johannes laat ons hier ook zien wat God doet, als hij zegt: ‘Jongelingen, gij hebt de boze overwonnen.’ Waarin hebben ze dan de boze overwonnen? Wel, kan het niet vaak een grote strijd zijn, juist in je jeugd, om voor de Heere en Zijn dienst te kiezen? Als we misschien vrienden en vriendinnen hebben in de wereld en als de wereld voor ons open bloeit? Kan het dan niet een machtige strijd zijn, juist in de jeugd, om, wanneer we onder de overtuiging komen van het Woord van God, dat alles voor schade en drek te houden en het smalle pad des levens achter Jezus te kiezen? De Heere aan te kleven, is dat niet een machtige overwinning in ons leven, wanneer we vrienden en vriendinnen vaarwel zeggen, om Gods wil te doen en met het arme volk van God te schuilen in de schuilplaats van de Allerhoogste? Is dat niet de grote overwinning?

 

Johannes zegt in het tweede gedeelte: Want gij zijt sterk. Ja, de jeugd van het geloof is sterk. Zie het maar in David, als hij zich als een jongeling bij zijn broeders bevindt, bij Saul en bij Jonathan en bij al die dappere helden; dan is hij daar als een jongeling, die nauw luistert aan het hart des Heeren. Dan zegt hij: ‘Wat? Zal die Filistijn onze God vloeken? Zal hij de slagorde van de levende God van Israël honen?’ En dan gaat hij met zijn slinger en met vijf stenen die brallende reus tegemoet, die op hem af komt. Dan zegt hij: Gij komt tot mij met een zwaard en met een spies en met een schild; maar ik kom tot u in de Naam van de Heere der heirscharen, de God van de slagorden van Israël, Die gij gehoond hebt (1 Sam.17:45). En dan velt hij hem neer, in de kracht van het geloof.

Waren het niet de jongelingen in Babel, die tegen de koning zeiden: ‘Onze God, o koning, Die is machtig om ons te verlossen uit de oven des brandenden vuurs. En zo niet, we zullen uwe goden niet eren, noch het gouden beeld aanbidden.’ Is dat niet de boze overwonnen te hebben, als Nehemia zegt: Zou een man als ik vlieden? (Neh.6:11) Dat heeft niets te maken met hoogmoed of met grootspraak. Dat is de kracht van het geloof. Zo staan we dan in de kracht van Hem, Die ons méér dan overwinnaars maakt, door de Heere Jezus Christus.

 

Daarom voegt de apostel er ook aan toe: Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u. Waardoor zijn die jongelingen sterk? Waardoor kunnen we in de Heere kloeke daden doen? Omdat het Woord van God in ons blijft. Want als we niet op het Woord van God zien, dan zijn we net als Simson zonder haren. Dan vermogen we niets. Maar als het Woord van God bij ons blijft, als dat Woord de lamp voor onze voet is en het licht op ons pad, dan zijn we sterk.

O, velen klagen dat ze in duisternis wandelen, dat ze weinig gemeenschap met God hebben. Maar ach, een ieder klage vanwege het verlaten van het Woord van God. Kom, zeg het eens, beijvert u zich wel om in dat Woord te lezen? Hoeveel tijd besteedt u per week bij het geopende Woord van God? Want sterk zijn komt alleen voort uit de gemeenschap met het Woord. Datheen zingt:

 

Zo wij sterk zijn, daarvan hebt Gij alleen de eer,

vermogen wij ook iets, zulks alles komt, o Heer’,

van Uw goedheid, die ons bescherming is bevonden,

Is ‘t, dat wij benauwd zijn, nu of t’ eniger stonde,

Gij, o Heilige God Israëls, hoog verheven,

zijt ons Koning, tot Wie wij ons gans’lijk begeven.

 

Of zoals wij het nu willen zingen uit Psalm 118 vers 8:

 

Gods rechterhand is hoog verheven;
Des Heeren sterke rechterhand
Doet door haar daân de wereld beven,
Houdt door haar kracht Gods volk in stand.
Ik zal door ‘s vijands zwaard niet sterven,
Maar leven, en des Heeren daân,
Waardoor wij zoveel heil verwerven,
Elk, tot Zijn eer, doen gadeslaan.

 

En dan zegt de apostel tot slot in het vijftiende vers: Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. Zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

Eerst heeft hij dus de rijkdommen van de gemeente genoemd, en daarna wijst hij de gemeente op haar roeping. Dat is de goede volgorde. Zo alleen kan het functioneren. Johannes zegt: ‘Gemeente, tot die adeldom heeft God u geroepen. Bent u dan nu niet aan Zijn genade verplicht de wereld niet lief te hebben, noch hetgeen in de wereld is?’ Begrijpt u? Want als we het omkeren, dan krijg je een wettisch christendom.

Wanneer we zeggen dat de mensen de wereld moeten verzaken, zonder dat daarbij gewezen wordt op de genade die God de gemeente gegeven heeft, dan werkt dat alleen een wettische bekering, zo het al een bekering uitwerkt. Dan krijg je mensen die hebben dít niet gedaan en dát niet gedaan, en dit wel en dat wel. Maar, geliefden, ze doen het niet uit een nieuw hart, ze doen het niet uit liefde tot de Vader. En dan zijn al die werken ijdel en nutteloos.

Niet dat u niet onder de verplichting van deze roeping blijft, ook al hebt u geen genade van God ontvangen. Niet dat u niet onder de verplichting en onder het gebod blijft om de wereld niet lief te hebben. Want uw onmacht maakt Gods gebod niet teniet. God gaat niet van Zijn eis af, omdat u het niet kunt. Maar uit de wet zult u nooit enige kracht krijgen om God te dienen. Nooit!

De wet zal uw hart nooit opwekken om de Heere te dienen. De wet kan alleen maar aanwijzen wat je doen moet. De wet stelt je voor je plicht. De wet laat je zien wat God van je eist. Wat de wet wel kan, dat is vervloeken, veroordelen en verdoemen. Dat kan de wet wel. Maar alleen het evangelie van God, alleen de liefde van God geneest.

Daarom zegt die oude, vertrouwde en beproefde dienstknecht van God: ‘Kinderkens, vaders, jongelingen, groten en kleinen, heb de wereld niet lief. Zie toch de rijkdom, de adeldom, waartoe u van God verkoren bent, en heb dan de wereld niet lief.’

 

Wat bedoelt hij hier met het woord ‘wereld’? Hier bedoelt hij niet de zonde in de wereld, want dan zouden we vallen onder het zesde vers uit het eerste hoofdstuk, waar de apostel zegt: Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet. Als we hier zouden denken dat de christenen de zonden in de wereld nog liefhebben, dan zou voor ons gelden dat we nog in de duisternis leven. Daar gaat het dus niet over.

Als hij spreekt: Heb de wereld niet lief, dan gaat het niet over de zonden van de wereld, maar dan gaat het over de wereld als zodanig. De wereld met haar schatten, rijkdommen, voorrechten, maar ook de eer van deze wereld, de relaties die je in deze wereld kunt leggen, waardoor je de gevierde man of de gevierde vrouw bent, je positie en je waardigheid in deze wereld… Dus dingen die op zichzelf niet zondig hoeven te zijn. God kan je ook rijkdom of eer gegeven hebben in deze wereld. En dan is die rijkdom of die eer op zichzelf geen zonde. Maar als de apostel zegt: Heb de wereld niet lief, dan bedoelt hij: ‘Heb die wereld, ook die geoorloofde wereld, niet lief boven God, in de plaats van God!’

 

Het is waar, God heeft de wereld ook lief. Hij heeft de wereld zo liefgehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft om die wereld weer te herstellen. Zodat straks die nieuwe wereld weer baden zal in de lichtglans van Gods gerechtigheid en Gods uitverkoren kinderen daar met hun Godgeheiligd zaad voor eeuwig mogen wandelen. God heeft die wereld lief, om haar weer te heiligen, om haar weer aan de hemel gelijk te maken.

Maar dat is het droevige van ons zondig leven, dat wij ons doel missen. En als we nu de wereld liefhebben ten koste van de liefde tot God, dan doen we dezelfde keus die Eva deed in het paradijs. Zij zag die boom en ze zag de vrucht van die boom en ze zag dat het een boom was die er goed uitzag, welks vrucht bekwaam was om verstandig te maken. En toen heeft ze van die vrucht genomen en gegeten en ook aan haar man gegeven en daardoor is Adam, als verbondshoofd, van God afgevallen. De begeerlijkheid der ogen heeft hen verleid en die grootsheid des levens, waartoe ze komen wilden, heeft hen in de dood neergedrukt. 

 

O, er zijn veel dingen, die op zichzelf niet zondig zijn, maar waar je om Gods wil toch afstand van moet nemen. Omdat je moet zeggen: ‘O God, dat beschadigt mijn ziel. Ik ben gekluisterd aan het stof en dat neemt mijn leven weg. Ik ben een dienstknecht van het stof en, o God, dat wil ik niet. Ik wil voor God leven, in Zijn gemeenschap en in Zijn vrijheid.’

Liever arm en ellendig, dan in de rijkdom van deze wereld te dolen en je ziel te laten doodhongeren. Daarom hebben vele christenen de weg achter Christus verkozen; liever in armoede met Hem, dan in rijkdom zonder Hem, liever onteerd, dan geëerd.

Dat is ook de moeilijkheid in het beantwoorden van vragen van mensen die zeggen: ‘Mag ik nu dit niet? En mag ik nu dat niet? Dat is toch op zichzelf geen zonde?’ O nee, er zijn zoveel dingen die op zichzelf geen zonde zijn, maar als ze de liefde van ons hart hebben, dan zegt de apostel: dan kan de liefde des Vaders niet in ons wonen.

We moeten in dit leven, in deze gebroken, zondige wereld een keus maken. En dan zijn er veel dingen waar we om Gods wil afstand van doen, ook al is er op zichzelf wel wat goeds in te vinden. We moeten geen grensbewoners willen worden. We moeten geen twee heren willen dienen. We moeten niet proberen hoe ver we met de wereld mee kunnen, maar we moeten om Gods wil vrije kinderen zijn, om voor Hem te leven.

Dat is de echte vrijheid der kinderen Gods. Dan durven we onszelf beperkingen op te leggen om Christus’ wil. Dan durven en zullen we ‘nee’ zeggen tegen de eer van deze wereld, om te leven naar het welbehagen van God. Dan worden we waarlijk vrij.

 

Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is. En wat is er in deze wereld? De begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen. En dan hoef je nog niet eens te denken aan de zondige begeerlijkheid, maar denk alleen maar aan die dingen die op zichzelf geoorloofd zijn. Gods Woord spreekt ook over de grootsheid des levens. Soms ook over die grootsheid waar je van God in geplaatst wordt, maar als je die grootsheid des levens en die begeerlijkheid des vleses en die begeerlijkheid der ogen lief hebt boven God, in de plaats van God, dan staat er: dan is het níet uit de Vader, maar dan is het uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, mét die begeerlijkheid des vleses, der ogen en die grootsheid des levens. Maar die de wil van God doet, die blijft in der eeuwigheid.

 

Zo heeft de apostel Paulus ons de rijkdom van de gemeente voorgesteld, en ons, ziende op die rijkdom, ook vermaand de wereld niet lief te hebben, met hetgeen in de wereld is.

Kom, ik wil bij jullie beginnen, jongens en meisjes. Jullie worden in de jeugd van je leven geroepen om de Heere te vrezen. Wat is jullie keus vandaag? Aan welke kant sta je? Elia stelde het volk voor de keus: ‘Kiest u heden wie gij dienen zult. Is het de Heere God, dien Hem, en is het Baäl, volg hem na.’ Maar weet voorzeker, dat je met die Baäl eenmaal zult omkomen.

Zeg je: ‘Ik weet niet aan welke kant ik sta’? Ik vraag wel eens op de catechisatie: ‘Als jij nu sterft, waar zul je dan naar toe gaan? Wat denk jij?’ Dan zitten ze nogal eens een beetje verlegen te kijken, met zo’n geweldige vraag en dan zeggen ze: ‘Ja, dat weet ik niet.’ Maar dat mág je antwoord niet zijn, jongens en meisjes. Als ik je vraag: ‘Als je nu uit dit leven scheiden moet, waar zou je dan heengaan?’, dan mag het antwoord niet zijn: ‘Dat weet ik niet.’ Dan moet je weten, dat je een schuilplaats hebt.

 

Je kunt vandaag nog moeten sterven, want er is maar één schrede tussen ons en de dood. Het leven is maar een damp. En als je dan de wereld liefgehad hebt, tot aan je twaalfde, tot aan je zestiende, tot aan je twintigste jaar…? En dan spreek ik nog niet eens over de zonden van deze wereld, maar over de liefde tot de geoorloofde dingen in plaats van de liefde tot God. Dan ben je niet uit de Vader, maar dan ben je uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, met al wat erin is.

Soms terwijl je leeft al. Hoevelen zijn er niet, die geen meerder voordeel van hun bezit hebben, dan alleen dat ze af en toe eens kunnen graaien in hun geld en af en toe eens kunnen lezen op hun bankrekening hoe rijk ze wel zijn. Mensen die geen enkel ander genot van hun geld en van hun goed hebben, dan dat ze met hun blinde ogen zien hoe het getal vermeerderd is. Arme, blinde, dwaze mensen die hun talent in een zweetdoek verbergen, in plaats dat zij hun geld en goed gebruiken in de dienst van de Heere en het koninkrijk van God trachten te bouwen met de gaven die God hun gegeven heeft.

Straks is uw geld met u ten verderve! Misschien al voordat u sterft, want dat is niet onmogelijk. De Bijbel kent er voorbeelden van, van mensen die de ene dag schatrijk waren en de andere dag straatarm. En als je dan niet méér gehad hebt dan het goed van deze wereld, dan is de liefde des Vaders niet in je. En als de liefde des Vaders niet in je is, dan kom je ook nooit tot de kennis van Christus. En wie Christus niet kent, die heeft geen leven. Dan dien je nog onder een andere koning. Dan is die ander, die Jezus noemt: de vorst der duisternis, de boze, nog je vader. En wat is dat erg!

 

Hij zegt wel dat hij voor je zorgen zal, dat hij voor je promotie zorgen zal en voor je eer zorgen zal, maar hij is een mensenmoorder van den beginne. Hij is in de waarheid niet staande gebleven, want geen waarheid is in hem. Denk erom: hij liegt altijd. Wanneer de duivel zegt dat je bij hem toch een goed leven kunt hebben, dan liegt hij. Hij is bezig je te vermoorden. Hij vermoordt je ziel en hij vermoordt je lichaam. Hij vermoordt je op zulk een wijze, dat je geen oor meer hebt voor de waarheid. Zodat je hart alleen maar openstaat voor de dingen van deze wereld, zondig of niet zondig. En dan lig je straks op sterven en dan moet je ook de wereld verliezen. Dat is verschrikkelijk!

Want, geliefden, zou je nu maar eeuwig op deze wereld kunnen blijven leven, zo met je koetje en je kalfje en je huisje en je autootje en je vriendje en je vriendinnetje, dan ging het nog wel. Maar je moet straks alles verliezen, ook de wereld, je vrienden, je man, je vrouw, je kindertjes, waar je nu van zegt: ‘Als ik geen vrouw had of als ik geen vriend had, dan zou ik er wel anders over denken.’

O, om Gods wil, voor de zaligheid van je ziel, breek ermee, voordat God het breekt! Want straks moet je er toch mee breken. En als je er dan zelf niet mee gebroken hebt, dan zal God het breken. En dan zink je weg in die plaats waar de verdoemden roepen: ‘O, had ik, o, had ik de tijd der genade besteed om God te zoeken, had ik het Woord van God geloofd!’

Daarom, vlied deze tegenwoordige, boze wereld, voordat het te laat is. Ik bid je, wees geen grensbewoner, leef niet zo goed mogelijk met de wereld mee. Zoek éérst het koninkrijk van God! Je zult er nooit spijt van hebben. Zoek het op je knieën, zoek het biddend, zoek het bij je geopende Bijbeltje.

 

Ach, kinderen, het was misschien een beetje een moeilijke preek. Ik heb het begrepen en er aan gedacht toen ik er aan begon, maar ik vond dit ‘gebod der liefde’ toch zo mooi om het vandaag te mogen prediken en daarom koos ik deze tekst.

Als je dan dit maar mee naar huis neemt: zó kun je niet sterven. Onthoud dit dan: zoek de Heere, want Hij heeft ook voor jullie vandaag een boodschap. En dat is deze boodschap: Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden (Spr.8:17). Laat niet af, eer dat je ook in je hartje voelt dat de liefde van God boven alles gaat. Laat niet af, voordat je ook in je hartje de droefheid voelt, wanneer je het verkeerde gedaan hebt, zodat je niet kunt rusten voordat je je zonden aan de Heere beleden hebt. En dan is de Heere Jezus Christus gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

 

Jongens, kan de Heere het ook van jullie zeggen: ‘Je hebt de boze overwonnen’? Ziet de gemeente het aan je leven? Kent de Heere Jezus jullie leven? Heb je de boze overwonnen? Ik weet het: de boze is sterk, de boze is machtig, de boze heeft veel te bieden. En al komt de boze als een engel des lichts, dan is hij toch te onderkennen, want de boze is altijd bezig om je zóveel met deze wereld te doen te geven, dat je geen tijd en geen zin hebt om te denken aan God en om te leven voor God.

Welnu, je bent in de beste tijd van je leven om bekeerd te worden! Als je dan in deze dienst de stem van de Heere hoort en je hebt nog nooit de strijd aangebonden met de boze, laat dan vandaag de kracht van Gods Woord je daartoe bewegen, dat je zegt: ‘Heere, als U dan zo ernstig, als U dan zo dringend, als U dan zo welmenend de heerlijkheid van Uw evangelie aan mij voorstelt, dan wil ik niet langer in de wereld leven, dan wil ik niet langer een vriend van de wereld genaamd worden. Heere, ik kom tot U, neem mijn leven, neem mijn hart, neem mijn gedachten, neem mijn handen en mijn voeten en leid het al tot Uw dienst.’

Welnu, wanneer je zo aan Zijn voeten ligt, verbonden door het gebed aan de God van je leven, dan zal Hij antwoorden, voordat je roept. Terwijl je nog spreekt, zal Hij horen en je verlossen.

 

Gij mannen en vaders, jongelingen in de gemeente, kinderkens, die de genade van God kennen, leef uit dit voorrecht! Ik weet, er zijn er ook onder ons nog velen die de verzekering daarvan missen. Maar al mist u nu de verzekering van de vergeving van uw zonden, daarmee mist u de vergeving van uw zonden nog niet! Laat het u dan niet moedeloos maken, want een ieder die gelooft, waarachtig gelooft, heeft vergeving van zonden door het bloed van de Heere Jezus Christus.

Vraag veel aan God of u de kwitantie mag zien. Wat is de kwitantie? Dat is het kruis van Golgotha. Dat is het geopende graf. Dat is de Olijfberg. Daar heeft God u de kwitantie getoond, toen Hij, Die u liefgehad heeft tot in de dood, uit het graf is opgestaan, Hij Die gestorven was om onze zonden en Die opgewekt is tot onze rechtvaardigmaking. Opdat wij door dat geloof ons vrijmoedig op Hem verlaten zullen.

Laat dit de kracht zijn om de wereld en de zonden te verlaten en het smalle pad achter Jezus te bewandelen. En dan mogen we straks ingaan in de vreugde van onze Heere!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89: 8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;

Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,

Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;

Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,

En onze Koning is van Isrels God gegeven.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).