Ds. J. IJsselstein - Johannes 6 : 44a

Onbekwaam om tot Christus te komen

De ernst van onze geestelijke toestand
De grootheid van Gods barmhartigheid

Johannes 6 : 44a

Johannes 6
44
Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Johannes 6: 35-51
Zingen : vrij in te vullen

Gemeente, de tekstwoorden die we met Gods hulp samen willen overdenken, kunt u vinden in Johannes 6 vers 44a. Daar lezen we het Woord van God als volgt:

 

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.

 

Niemand zal ooit tot Christus komen, zonder de trekkende, de allesoverwinnende kracht van God de Vader.

 

Wij schrijven als thema boven de preek: Onbekwaam om tot Christus te komen.

 

We letten op twee aandachtspunten, namelijk op:

1. De ernst van onze geestelijke toestand

2. De grootheid van Gods barmhartigheid

 

1. De ernst van onze geestelijke toestand

 

Gemeente, uit onze tekst blijkt dat niemand ooit in eigen kracht in staat is om tot Christus te komen. Het komen tot Christus, zo zouden we kunnen zeggen, is het breken met de zonde, is het afstand doen van het vertrouwen op eigen werk, is het vluchten tot Christus in de nood van het leven om verzoening in Zijn bloed, om bedekt te worden met Zijn gerechtigheid.

En, zegt onze tekst, niemand, werkelijk niemand kan en zal dat doen, tenzij de Vader hem trekke.

 

Als u zich in gedachten een ogenblik begeeft onder de menigte van mensen, die luisterden naar de woorden van Immanuël, wat is dit dan toch een vreselijke waarheid!

Hoor, hoe Hij spreekt.

Hij legt de Schriften uit als nooit tevoren.

Hij leert als Machthebbende en niet als de schriftgeleerden.

Zijn prediking is scherp en veroordelend.

Indien gij u niet bekeert, zo zult gij allen desgelijks vergaan.

Wee u, Chórazin! Wee u, Bethsáïda! Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben.

Hoe indringend is Zijn heenwijzen naar het komende Godsgericht.

En alsdan zullen zij de Zoon des mensen zien, komende in de wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

Hoe liefdevol zijn Zijn nodigingen:

Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.

Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht.

Nooit werden zondaren zo vol liefde genodigd:

Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke.

Nooit werd zo’n groot Geschenk uit de hemel, de Zoon van God, gelegd aan de voeten van adamskinderen...

 

Maar ach, zie Zijn tranen:

Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn! Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild.

O, wat een verschrikkelijke waarheid. Een Zaligmaker Die alles aanbiedt wat Hij heeft, zelfs Zijn leven en Zijn bloed. En... zij weigeren. Zij willen niet.

 

Gemeente, kom in gedachten eens wat dichterbij. Denk eens aan uw eigen leven.

Uw ambtdragers, door God gezonden, hebben u vol liefde en ijver de Schriften uitgelegd.

Soms waren hun woorden scherp en veroordelend. Als zij u in gedachten zagen staan voor het goddelijke gericht, kon niets hen weerhouden u indringend te waarschuwen: indien gij u niet bekeert, zult ook u vergaan.

Hoe liefdevol hebben ze u niet gewezen op de Zaligmaker van zondaren.

Hoe vaak bent u niet indringend genodigd. Christus is u voorgesteld in al Zijn heerlijkheid en majesteit, en ook in al Zijn zondaarsliefde.

En... heeft het uw hart verbroken? Of... bent u gebleven wie u was?

O, wat een ernstige waarheid is dit toch: tenzij de Vader een zondaar trekt, zal niemand ooit tot Christus komen. We blijven wie we zijn: vijanden van het kruis van Christus en verwoesters van onze eigen zielen.

 

Velen ontkennen deze waarheid.

Je moet zelf een keus maken voor Jezus. Je moet zelf beslissen. Kies wie je dienen wilt. Neem Jezus tot je Hulp, neem van Zijn bloed en je ziel is gered...

Het is moeilijk, maar het kan... Doe wat je kunt, en... Jezus doet de rest.

Gemeente, het is hetzelfde als tegen iemand die niet lopen kan zeggen: kom op, man, doe wat je kunt. Je kunt het best. Uit je rolstoel!

Ik zal het sterker zeggen. Het is hetzelfde als tegen een dode zeggen: Sta op uit je graf!

Want deze waarheid, Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke, is het stellige bewijs van onze geestelijke dood en vijandschap.

Wat bewijst dit de verschrikkelijke dood, hardheid, blindheid, goddeloosheid van ons natuurlijke hart.

Wij kunnen niet komen tot Christus in eigen kracht. Dat is volkomen tegen onze natuur, die totaal verworden is door onze zonde. Tegen onze adamsnatuur. Adam, die God niet wilde volgen en gehoorzamen, maar die God van de troon wilde stoten. Die natuur zit diep in ons verankerd, en daarom kan niemand tot Christus komen, tenzij de Vader hem trekke.

En die verdorven natuur, die diepe weerzin, die diepe vijandschap tegen God en Christus komt op allerlei manier in ons leven openbaar. Onze natuur is radicaal verdorven.

We hebben geen oog voor Wie God is. Voor Zijn heiligheid, voor Zijn majesteit, voor Zijn genade en barmhartigheid. We zien het niet, we begrijpen het niet.

We hebben er geen oog voor, we hebben er geen oor voor.

En we willen het niet zien en horen ook.

Ons verstand is duister. Ons geweten is geschonden. Het was zuiver in het paradijs, maar nu vechten boze lusten en een geschonden geweten in ons binnenste en we verleiden onszelf tot zonde.

En wat is die kracht van onze verdorven natuur, ook na ontvangen genade, hevig in ons binnenste. Wat doet het ons dwalen en dolen. Wat verlokt het ons tot zonde. Wat maakt het ons lui in het dienen van de Heere, zorgeloos in het nalaten van onze gebeden.

O, hoe verdorven is onze natuur: onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad.

 

Wat zegt u daarop?

U zegt: wat moet ik zeggen?

Geef eens antwoord tussen God en uw hart. Wat is uw antwoord op dit spreken van God? Want het is Gods Woord! De levende God zegt dat u niet in staat bent om tot Christus te komen, vanwege de doodheid, de hardheid, de blindheid en de goddeloosheid van uw hart!

Wat zegt u?

Is ‘t zó erg met me? Ja, maar ik kan zelf toch ook nog wel wat doen? IJverig zijn, godsdienstig zijn, bidden, lezen...

Ja, dat zal waar zijn, maar, zegt onze tekst, met alles wat u denkt te zijn en denkt te hebben, bent u niet in staat en niet bij machte om tot Christus te komen. Hoewel Hij u vriendelijk nodigt, en lokt, en bidt, en smeekt... u komt niet. U wilt en kunt niet komen!

 

Wat zegt u?

Ja, dat is waar... Ik weet dat uit de ervaring van mijn eigen leven.

Het is waar wat David zegt in Psalm 51:

Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.

Het is waar wat Paulus zegt in Efeze 2: Wij zijn van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen.

Het is waar: hoe groot is de hardheid van mijn hart, hoe groot is de blindheid van mijn ogen, de doofheid van mijn oren, ja, hoe groot is mijn geestelijke dood!

Is dat uw antwoord, als u luistert naar de tekst van deze dienst: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke?

Wat zegt u dan? Ja, Heere, ik geloof het. U hebt gelijk.

Dat is toch het eerste dat de Geest van de Vader werkt in het hart van een dode zondaar.

De Geest is het, Die levend maakt. De Geest is het, Die de ogen opent. Dan zien we voor het eerst onze dood en vijandschap. Dan zeggen we: Ja, Heere, het is waar. Zo erg is het met mij gesteld. U hebt gelijk.

Kom, kinderen van God in ons midden, wees eens eerlijk. Bent u door God gevonden als een goed mens, of als een slecht mens? Bent u gevonden als een vrome kerkganger of als een goddeloze? Als een eerlijk mens, of als een leugenaar?

Als een mens met een zuiver geweten, of als een overspeler, als een moordenaar, als een dronkaard? Als de allerslechtste? Als de grootste van de zondaren, toch?

 

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.

Is dit geen troost? Geven deze woorden geen hoop? Nee, niet aan zelfverzekerde, goede mensen, die in eigen kracht tot God denken te kunnen gaan. Want deze woorden wijzen ons met priemende vingers naar de diepte van onze onmogelijkheid, naar de ernst van onze verlorenheid, waar we ons leven lang ons diep, diep voor moeten schamen.

Maar is dit geen troost voor arme zondaren? Geven deze woorden geen hoop aan roepende, uitziende zielen?

Gloort er voor u geen hoop in deze woorden, als gezegd wordt: Niemand kan tot Christus komen... En ja, we weten het, we erkennen het, we voelen het... Alles in ons verzet zich daartegen, tegen Christus, tegen vrije genade. De schuld drukt ons naar beneden, maar we willen onze eigen gerechtigheid niet opgeven en ons niet verlaten op vrije genade alleen. Vijanden zijn we van God en vijanden van genade.

En we zeggen: Amen, Heere, het is waar. Niemand kan tot U komen in eigen kracht.

 

Maar er gloort toch hoop in deze woorden. Hoop voor arme, verloren zondaren. Voor mensen die God zoeken, en hoe langer hoe meer voelen dat er niets in hen is, wat hen ooit tot God brengen zal.

Er gloort toch hoop. Wij hadden het verdiend dat er een punt zou staan achter deze woorden. Niemand kan tot Mij komen. Punt. Uit. Voor eeuwig en altijd. Uitgesloten.

Maar er staat geen punt. Er volgt een goddelijk ‘maar’, een goddelijk ‘tenzij’.

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.

 

Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

 

2. De grootheid van Gods barmhartigheid

 

Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.

Er is een goddelijk tenzij, een goddelijk maar!

Niemand kan tot Mij komen, tenzij hij of zij... zijn uiterste best doet.

Niemand kan tot Mij komen, tenzij hij of zij... breekt met de zonde.

Niemand kan tot Mij komen, tenzij hij of zij... hartelijk berouw toont .

Niemand kan tot Mij komen, tenzij hij of zij... de nodiging van het evangelie hoort en volgt.

Nee! Nee! Niets van dit alles. De mens wordt niet genoemd. De mens wordt hier uitgesloten en buitengesloten.

Wie is hier aan het woord?

Wie wordt hier gezegd iets te doen? God alleen. De Geest is het Die levend maakt.

Hier gaat het over niets anders dan over vrije genade, over soevereine genade.

 

U zegt: als dat echt zo is, dan kan ik dus niets doen?

U hebt gelijk. U kunt niet kiezen, u kunt niet komen.

Zo staat het hier, en zo is het ook.

U kunt niets, maar God kan alles. Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.

Eén woord, en het is genoeg.

 

Kijk maar naar Zacheüs. Hij heeft zonder twijfel veel gehoord over de Zaligmaker. Toch heeft niets hem tot het besluit gebracht om afstand te doen van zijn geluk en van zijn geld. Hij is nieuwsgierig, dat wel. Hij heeft ongetwijfeld veel van Jezus gehoord.

Maar komen tot Jezus? Jezus volgen? Geen denken aan.

Maar...! Dat is het goddelijke ‘maar’, het goddelijke ‘tenzij’: Jezus komt tot hem!

Eén woord is genoeg. Zijn ziel leeft, zijn hart smelt, zijn ogen gaan open, zijn oren horen, en zijn voeten snellen zich om Jezus te volgen.

Eén woord, en het is genoeg voor Zacheüs.

 

Kijk maar naar Levi. Hij zit in het tolhuis. Hij heeft ongetwijfeld veel van Jezus gehoord. Misschien heeft hij wel geluisterd naar Zijn liefdevolle woorden, waarmee Hij de menigte toesprak op de oever van het meer van Galilea. Misschien heeft hij wel gezien dat Jezus wonderen deed, zieken genas.

Maar komen tot Jezus? Jezus volgen? Geen denken aan.

Maar...! Dat is het goddelijke ‘maar’, het goddelijke ‘tenzij’: Jezus komt tot hem!

Volg Mij! En hij staat op en volgt Hem. Eén woord is genoeg. Zijn ziel leeft, zijn hart smelt, zijn ogen gaan open, zijn oren horen, en zijn voeten snellen zich om Jezus te volgen.

Eén woord, en het is genoeg voor Levi.

 

Maar laten we niet alleen naar anderen kijken. Kijk eens naar uzelf, gemeente.

Terwijl we u toespreken, beseffen we dat we geen woorden hebben die overtuigen. Onze argumenten baten niet, onze woorden treffen geen doel. Tenzij! Tenzij God een van onze woorden als een nietig middel wil gebruiken om met goddelijke kracht te spreken in uw hart. Eén woord is genoeg! Eén woord van de Allerhoogste. Uw hart zal smelten, uw ziel zal leven, uw ogen zullen opengaan, uw oren zullen horen, en uw voeten zullen Hem volgen!

 

Oude broeder of zuster, jarenlang zit u al onder het Woord. Het plekje waarop u zit (kijk straks maar eens, als u opgestaan bent), uw plekje is - als u goed kijkt - een beetje uitgesleten. Een stille getuige van Gods welmenendheid. Hij heeft geen lust in uw dood.

En ook een stille getuige van uw geestelijke dood en hardnekkige verzet. U kunt en wilt niet komen.

Maar wanhoop niet! Roep in deze uw laatste dagen tot de hemel: O, Heere, maak me levend. O, Geest van God, maak mijn dode ziel levend. O, Heere, één woord. Eén woord van U, en het is genoeg. En mijn harde hart, mijn verharde ziel zal smelten voor U. Mijn hart zal leven, mijn ogen zullen zien, mijn ogen zullen horen, mijn stramme benen zullen U volgen, en mijn verzwakte stem zal U al de eer geven.

 

Vijftigers, veertigers, u bent over de helft... En de tweede helft van uw leven is sneller voorbij dan u zou wensen… Kijk eens terug. Het is waar toch, bewijst uw leven het niet, dat niemand in staat is om in eigen kracht tot Christus te komen?

Als u niet gekomen bent, in al die jaren die vervlogen zijn, dan is het van tweeën één: of u kon niet komen, of u wilde niet komen. En de Schrift zegt dat het alle twee even waar is.

Nu kunt u berusten en wachten… Wachten tot ook de tweede helft van uw leven voorbij gesneld is… Maar is dat niet hoogst onverstandig en levensgevaarlijk? En als u dan bedenkt dat God slechts één woord nodig heeft om u te trekken uit uw duisternis, tot Zijn wonderbaar licht... Wordt het dan niet de hoogste tijd voor u om te roepen? Om te smeken: O, Heere, maak me levend. O, Geest van God, maak mijn dode ziel levend. O, Heere, één woord en uw knecht, uw dienstmaagd, zal leven! Eén woord, Heere, en mijn hart dat alsmaar harder wordt, zal voor U buigen!

Is de Heere het niet waard, en is uw kostbare ziel het niet waard, dat u in deze tweede levenshelft uw stem tot de hemel laat opgaan en roept: O, Heere, naar Uw vrij en soeverein welbehagen, ik heb geen recht, maar één woord, Heere, en ik zal leven!

Als u zo roept, zal zonder twijfel blijken dat God een welbehagen heeft in het geroep van zondaren!

 

Twintigers, dertigers, je tijd vliegt. Je carrière blinkt… en zinkt... Je leven is in een zucht voorbij… Je denkt aan alles, maar je vergeet één ding. Binnen zeventig jaar sta je, heel persoonlijk voor God. Onvermijdelijk...

Als je doorgaat zonder God, ben je over zeventig jaar, maar misschien wel veel eerder, in de hel… Dan zal het echoën in je hart en in je oor, dan zullen je collega’s je vol verwijt toeroepen, dan zal de duivel het in je oor sissen: Eén woord was genoeg geweest, maar je hebt het niet gezocht, niet gevraagd, niet gewild...

Je zegt: zalig worden is moeilijk. Ik kan het met mijn verstand allemaal niet volgen. God roept me, terwijl Hij zegt dat ik dood ben. Ik moet tot Hem gaan, en ik kan niet gaan. Ik daar met mijn verstand niet bij.

Beste vriend, als jij daar staat over zeventig jaar, of over vijftig jaar, of... volgend jaar… of morgen… of straks... denk je dat je dat dan ook zult zeggen: Luister eens, Heere, ik snap het allemaal niet...?

Dat je dat denkt en tegen mij zegt, kan ik begrijpen, maar wat ga je doen als je staat (denk het toch eens in) voor de troon van de Almachtige, omringd door miljoenen engelen...? Hun zwaarden blinken vanwege het licht dat straalt van de troon. Een ogenblik kijk je nog om je heen, je vrienden, je collega’s, je medegemeenteleden, je man, je vrouw, je kinderen, je ouders, maar dan opeens klinkt je naam…! Waar de engelen hun halleluja’s lieten weerklinken, terwijl hun gouden harpen ruisten, is het plotseling stil...

Je staat voor de troon van de Almachtige.

Je staat oog in oog met... het Lam...

Zijn vriendelijke stem zwijgt. Zijn ogen flikkeren als een fonkelend zwaard, in welks licht de zwaarden van de engelen verbleken. Toorn bliksemt uit de ogen van het Lam...

Daar sta je... Daar sta jij... ‘Heere… ik, ik begrijp het niet... U riep me wel, maar ik kon toch niet komen, dat zei U toch ook...?’

Denk je het echt? Zul je zoveel moed hebben...?

Weet je wat je moet doen? Je moet de moed hebben om vandaag al dat geredeneer van dat verstandige mens op te geven! Je wilt geloven wat je kunt beredeneren. Maar het wordt tijd dat je gaat geloven dat je maar een mens bent met een heel beperkt verstand. Een mens die geneigd is om zichzelf te geloven, in plaats van God.

Degene die geschapen is, gelooft zichzelf meer dan Degene Die hem geschapen heeft. Als er iets is dat strijdt met jouw gezonde verstand, dan is het dat!

Houd op met die dwaasheid en zeg: Heere, ik begrijp het niet. Dat ligt aan mij. Maar, voordat het te laat is, voordat het morgen is, o Heere, maak me levend. O, Geest van God, maak mijn dode ziel levend. O, Heere, één woord. Eén woord en mijn dode ziel zal leven, mijn harde hart zal breken, en ik zal U volgen en al mijn krachten aan U geven.

 

Jongelui, kinderen, kleuters. Ja, tegen jullie wil ik het vooral zeggen. Hoe oud ben je eigenlijk? Drie? Vier? Fijn dat je in de kerk bent. Luister eens even goed.

De Heere is heel erg sterk. Hij kan alles.

Hij zei: Er zij licht. Het was donker, maar toen werd het licht.

Hij zei: Nu zijn er dieren. Eerst waren ze er niet, maar toen God het zei, toen werden ze geschapen.

Eén woord van de Heere was genoeg.

Luister eens goed: je hebt een nieuw hart nodig, dat van de Heere houdt.

Je kunt het zelf niet maken. Je bent door de zonde van je slechte hart weggegaan van God, en je kunt en wilt niet teruggaan. Maar: één woord van de Heere is echt genoeg!

Als Hij zegt: Leven! Dan is er echt leven. Dan wil je niet meer zonder de Heere leven.

Als Hij zegt: Licht! Dan is het echt licht. Dan zie je wat je doet, dan zie je wie je bent, Wie de Heere is, Wie de Heere Jezus is!

Als Hij zegt: Liefde! Dan is er echt liefde in je hart tot God. Dan zing je met heel je hart: God heb ik lief, want die getrouwe Heer’ hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen!

Hé, hoor je dat goed?

Dat moet je doen: je stem laten horen, smeken, dat wil zeggen: vragen, klagen, dat wil zeggen dat je misschien wel met een traan in je oog of in je hartje zegt: Heere, alstublieft, één woord...? Doet U het toch alstublieft, zegt U het toch alstublieft, Heere, dat ene woord tegen mijn hart, dan wordt het nieuw, dan gaat het leven!

Nu, vandaag is het de allerbeste tijd om dat aan de Heere God te vragen. Want je weet niet of je morgen nog leeft. Vandaag mag je vragen, vandaag mag je zoeken, vandaag wil de Heere slechte en boze harten van kleine kinderen levend en nieuw maken.

Wat moet je dan vragen aan de Heere? Dit: O Heere, maak mijn hart levend. O Heere, maak mijn dode hart levend. Geef me een nieuw hart. Heere, U bent zo sterk... één woord is genoeg. U kunt het, Heere... doet U het alstublieft uit genade. Dat wil zeggen: ik heb het niet verdiend, het komt alleen bij U vandaan.

 

Dat ene woord in die preek, dat was genoeg voor u.

Het was zo rustig in uw leven, maar er kwam onrust.

U leefde zo rustig door, met alles wat u had, maar ineens kwam alles in een ander licht te staan.

In het licht van alles wat voorbijgaat, in het licht van de eeuwigheid.

Zo kon u niet verder, zo kon u niet verder leven.

De schrik sloeg u om het hart, als u dacht aan de grote eeuwigheid, als u dacht aan uw verloren leven. Ontwaakt uit uw dodelijke rust…

U zegt: zo is mijn moeder of vader ook bekeerd. Zo begon het. Dat is ongetwijfeld waar, maar pas op! Uw situatie is niet ongevaarlijk! Velen zijn wakker geworden uit hun dodelijke rust, zijn verschrikt geworden voor het komende gericht, hebben zelfs iets gezien van de noodzaak van een Zaligmaker voor hun zonden. Sommigen zijn verlicht geweest, hebben hemelse gaven geproefd, maar… zijn afvallig geworden. Anderen hebben, zoals de Israëlieten, het manna gegeten in de woestijn, ze hebben uit de steenrots gedronken, maar… zijn toch omgekomen.

Pas op, dat u niet gaat rusten op iets buiten Christus.

Pas op, dat u niet opnieuw in slaap valt, zonder dat u tot Christus getrokken bent.

Pas op, uw hart zal harder zijn dan dat het ooit tevoren geweest is.

Het gaat er het leven van ons allemaal om, dat we tot de Heere Jezus Christus getrokken worden. En onze tekst zegt: dat kan alleen door het werk van de Vader, Die werkt (zo blijkt uit dit en uit andere bijbelgedeelten) door het werk van de Heilige Geest.

 

Hoe kunnen we nu weten of we dat werk van de Vader, dat werk van de Heilige Geest kennen in ons hart?

Onze tekst laat dat duidelijk zien. Het werk van de Vader, het werk van de Geest is het trekken van een zondaar tot Christus. Het werk van God in het leven van de Zijnen, heeft een doel, heeft maar één doel. Dat doel is: de heerlijkheid, de verheerlijking van Gods eniggeliefde Zoon, Christus Jezus.

Maar wat verzet ons natuurlijke hart zich daartegen. Dat trekken tot Christus betekent immers afstand doen van de zonde, van alle zonden. Het betekent een hartelijk, een doorleefd berouw in het hart om zoveel kwaad, bedreven tegen God, gedaan tegen een goeddoend God.

Dat trekken tot Christus betekent ook afstand doen van alles waar we nog op hoopten buiten Christus: onze bekering, onze levensverandering, onze liefde, onze tranen. We raken alles kwijt. Het wordt ons in liefde uit handen geslagen, zodat er niets anders overblijft dan een arme zondaar, een vijand van God.

Zulke mensen, zondaren, vijanden, worden ondanks al hun verzet, uit enkele goedheid en vrijwillige liefde, door de Vader tot Christus getrokken.

 

Zie toch het wonderlijke, gemeente, in het bijzonder u die uit ervaring weet waar het over gaat, het wonderlijke van dat eenzijdige handelen van God.

Want als u iets kent van uw zonde voor God, van uw liefde tot uw eigen werken en vermeende goedheid, en van uw vijandschap tegen vrije genade, dan is het toch een onbegrijpelijk wonder dat God zulke zondaren wil trekken? Dat Hij zulke onwillige en onmachtige vijanden door een wonderlijk werk van genade trekt naar de voeten van Christus?

Zo vervult God door het onweerstaanbare werk van de Heilige Geest Zijn eeuwige raad en verkiezend welbehagen. Zo verheerlijkt Hij Christus. Zo verheerlijkt God Zichzelf in het zalig maken van zondaren. Vijanden worden met God verzoend, uit enkele, eenzijdige liefde, uit vrije genade.

Wat een wonderlijk, goddelijk werk is toch dat trekken van zondaren, door de Vader, tot aan de voeten van Christus.

Dat trekken houdt in een richten van de ogen. Als verloren zondaren, in de doorleefde ellende van hun zondige hart, iets gaan zien van de schoonheid, van de begeerlijkheid, van de onmisbaarheid van Christus.

Ik zie geen weg, maar de Geest richt mijn ogen op de weg die gebaand is door Christus. Hij is gekomen om vijanden met God te verzoenen. Hij is Zelf de Weg, de enige Weg.

Wat gloort er hoop aan het einde van de nacht, als er een straal van licht valt op de Middelaar. Wat brengt dat zien van de schoonheid, van de begeerlijkheid, van de onmisbaarheid van Christus, het hart van roepende zondaren in beweging. O, wat gaat onze ziel verlangen naar Hem, als de Geest de ogen richt op de Gezondene door de Vader. Het is de Heilige Geest Die trekt aan het hart van uitziende zondaren, Die het hart van zulke zondaren steeds dichter naar Christus toe trekt.

Is dat ons werk? Nee, dat is het werk van de Geest. Hij wekt doden op. Hij werkt berouw over de zonde in het hart. Hij richt de ogen op Christus. Dat is Zijn werk alleen.

Wat een blijde hoop en verwachting doorstroomt de ziel die voor het eerst tot Christus getrokken wordt. Wat wordt Christus alles voor zo iemand. O, dat ik Hem kennen mocht.

O, dat ik weten zou dat Hij de mijne zou zijn, en ik de Zijne.

Zo richt de Geest de ogen.

 

De Geest richt ook de voeten, om met de nood van het leven tot Hem te gaan.

Kunnen zondaren dan gaan in eigen kracht? Blijft hun hart dan niet vol verzet tegen een Zaligmaker, Die een volkomen Zaligmaker wil zijn?

Ja, hun hart blijft vol van verzet. Maar de Geest breekt het in liefde. En onwillige zondaren, die niet kunnen en willen, worden uiteindelijk van de grond gepakt… en gedragen.

Bent u al gedragen tot Christus? Ben jij al gedragen?

Ben jij zo al gedragen tot de Heere Jezus?

Die trekking door de Geest van de Vader wordt alleen maar sterker. De Vader heeft immers maar één doel: zondaren moeten tot Christus gebracht worden.

Tot het moment komt, door de kracht van de Geest, dat ons verzet breekt. Ons hart breekt…

Is uw hart, dat vol verzet is, al eens gebroken?

Is jouw hart, vol van verzet tegen vrije genade, al eens gebroken?

Wat wordt het verlangen dan sterk, wat wordt het wonder dan groot. Getrokken met koorden van zondaarsliefde...

Hoe schittert Zijn liefdevol oog in de ogen van verloren zondaren!

Hoe verbreekt Zijn liefde ons hart, als Hij ons toeroept: Ik wil staan in Uw plaats!

Hoe strekken we onze onbekwame handen uit, terwijl we door de Geest gedragen worden, reikhalzend, naar deze Zaligmaker. Hij gaf Zijn leven, Zijn bloed, Hij gaf alles voor doodschuldige zondaren.

Ja, ik geloof, ook voor mij…

O, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp!

 

Het is de Geest van de Vader Die uiteindelijk verloren zondaren neerlegt in de armen van Christus. En we vallen in de armen van Hem, Die ons vol liefde omhelst. En we omhelzen Hem. En ondertussen kunnen we wel uitjubelen: Gij, Gij hebt mijn ziel liefelijk omhelsd en al mijn zonden achter Uw rug geworpen! Gij hebt mijn rechterhand gevat. Ik wilde niet, maar U hebt me geleid en U hebt me gebracht tot deze plaats.

Bent u, o verloren en roepende zondaar, al in de armen gevallen van de Zaligmaker?

Bent u, o arme bedelaar, al gelegd in de armen van Hem Die armen met goederen vervult?

O, rust toch niet! Rust toch niet voordat u in Christus geborgen bent.

 

Als er één plaats is waar de zonde diep gevoeld en doorleefd wordt, dan is het daar. Aan de voeten van de Zaligmaker. Zacharia heeft er van geprofeteerd:

Doch over het huis Davids, en over de inwoners van Jeruzalem, zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden (hoort u: het is het werk van Gods Geest); en zij zullen Mij (God) aanschouwen, Die zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem (over Christus) rouwklagen, als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.

Daar wordt onze klacht het bitterst. Mijn zonden kostten Hem het leven.

Daar wordt ons blijdschap het grootst. Zijn dood bracht mij het leven

Daar zingen wij in God verblijd, aan Hem gewijd, van ‘s Heeren wegen.

Daar zingt ons hart de lof van Christus, de roem van de Vader, de genade van de Heilige Geest.

Daar juicht ons hart en loopt onze mond over, van…? Van die eenzijdige liefde van goddelijk, onverdiend welbehagen.

Gij (o Christus) zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen.

Het is mij goed nabij God te wezen. Wie heb ik nevens U omhoog, wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten?

Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte!

 

Ja, was dat maar zo...

Maar het is anders. Mijn onbezweken trouw, zegt God, zal nooit uw val gedogen.

Ik zal nooit meer dwalen, Heere!

Ja, was dat maar zo...

Maar het is anders. Wat dolen we vaak als een verloren schaap, dat onbedacht zijn Herder heeft verloren. En hoe vaak blijkt het niet in het leven van hen die God vrezen, dat ze niet één keer, maar steeds weer opgezocht moeten worden.

Steeds weer moeten we opgeraapt worden in onze dodigheid.

Steeds weer moeten we teruggebracht worden vanuit onze liefdeloosheid, vanuit onze biddeloosheid.

Steeds weer moeten we teruggedragen worden naar Hem, Die (Gode zij dank!) het verlorene blijft zoeken.

 

Als de Geest van de Vader en de Zoon ons zou loslaten, dan was het kwijt. Maar het is het eenzijdige werk van God om zondaren (want dat zijn en blijven we) te trekken, uit de dood tot het leven. Uit de donkerheid tot het licht. Niet één keer alleen, maar ook steeds weer opnieuw.

Waarom? Opdat er uiteindelijk niets van ons zou overblijven, en opdat de eer en de heerlijkheid voor Christus zou zijn. Dat is het doel van het werk van de Heilige Geest, dat is het doel van de Vader, Die zondaren tot Christus trekt.

 

Dat legt ons in dit leven de blijvende bede op onze lippen: Trek me, Heere, dan wij zullen U nalopen.

Dat is een blijvende bede, in de blijvende worsteling tegen ons eigen zondige hart, en tegen de duivel en de wereld, die ons verlokken en aanvallen.

Een blijvende strijd, totdat wij, die ooit als zondaars tot Christus gedragen werden, ten laatste (zegt de bekende Thomas Boston) nogmaals gedragen zullen worden.

We zullen, zegt hij, door de doodsrivier gedragen worden, op de rug van de Middelaar.

Zo zullen wij, terwijl de wateren voor Zijn voeten verdrogen, Immanuëls land binnengaan.

Op Zijn rug.

Hij zal de dood, ook onze dood, verslinden tot overwinning.

 

En dan zingen wij, storeloos, ziende op het Lam, in God verblijd, met onuitsprekelijke dank vanwege het wonderlijke werk van Gods eeuwige Geest, tot in alle eeuwigheid:

Gode zij dank, voor Zijn onuitsprekelijke Gave!

Gode zij dank, voor Zijn Christus!

Drie-enig God, U zij alle eer!

 

Amen.