Ds. J. IJsselstein - Jesaja 40 : 30 - 31

Een goddelijke belofte voor een krachteloos volk

Jesaja 40
Sterk maar krachteloos
Krachteloos maar sterk

Jesaja 40 : 30 - 31

Jesaja 40
30
De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;
31
Maar dien den HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Jesaja 40
Zingen : vrij in te vullen

Gemeente, het Woord van de Heere dat we in deze dienst willen overdenken, kunt u vinden in Jesaja 40, daarvan vooral de verzen 30 en 31. We lezen daar het Woord van God als volgt:

 

De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen; maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.

 

Het thema voor de preek luidt: Een goddelijke belofte voor een krachteloos volk.

 

Er zijn twee aandachtspunten:

1. Sterk maar krachteloos

2. Krachteloos maar sterk

 

1. Sterk maar krachteloos

 

Als je jong bent, dan kun je alles... Als je klein bent, dan wil je alles zelf doen...

Mama wil je boterham smeren, maar je zegt: nee, ik doe het zelf...

Bij het boodschappen doen, geeft mama je een hand, maar je zegt: nee, ik wil zelf lopen... Als je oversteekt over een drukke weg, wil mama je vasthouden, maar je zegt: nee, ik kan zelf ook goed uitkijken, hoor!

Als je ‘s avonds bidt, wil papa met je bidden, maar als je groter wordt zeg je: ik doe het zelf wel...

Als je moeder de pot appelmoes niet openkrijgt, vechten de jongens aan tafel: geef mij dat ding maar, ik doe het wel!

Een krat boodschappen tillen? Laat mij dat maar doen!

Als je jong bent, ben je sterk. Dan word je nooit moe. Ouderen, ja die worden moe, en als ze dan toch nog doorgaan, dan vallen ze erbij neer. Maar als je jong ben, dan kun je alles!

 

Dat dachten de mensen in Babel ook. De mensen uit Juda, die meegevoerd waren door koning Nebukadnézar. De stad Jeruzalem was verwoest. De tempel was vernield. De huizen waren verwoest en verbrand, en de mensen meegenomen naar het verre Babel.

Ze hadden het kunnen weten.

Hoe lang was de wegvoering al niet voorzegd, maar de mensen hadden het niet geloofd.

Hoe vaak waren zij niet gewaarschuwd door de profeten, maar ze waren toch doorgegaan op de weg van hun zonden.

En toen er eigenlijk geen hoop meer was, omdat God Zijn oordelen zeker zou gaan uitvoeren, toen hadden ze nog steeds op zichzelf vertrouwd. Toen hadden ze hoop gehouden, geen hoop op God, maar hoop op zichzelf, omdat ze de dreigende woorden van Gods komende oordelen niet geloofden.

Maar nu... nu is het te laat. Nu zitten ze in Babel. Nu zijn ze door het rechtvaardige oordeel van God ver van huis en haard verdreven. Ver van hun huis, waar misschien wel niets meer van over is...

 

Die ballingschap, gemeente, is een beeld van ons natuurlijke leven. We zijn door onze zonden verdreven uit het paradijs. We leven in een verloren wereld, met verloren harten, ver bij God vandaan. We leven in vijandschap, in verzet tegen God.

We zijn dood, onmachtig om terug te keren tot God. En tegelijkertijd zijn we vijanden, onwillig om terug te keren. We kunnen en willen (zeggen onze Dordtse Leerregels) tot God niet wederkeren, zonder de wederbarende genade van de Heilige Geest.

We leven van nature in Babel. Heel verschillend weliswaar. Er zijn mensen die het in deze wereld prima naar hun zin hebben. Ze genieten van dit leven. Als het kon, zouden ze altijd wel zo op deze wereld willen blijven wonen.

Leg uw leven daar eens naast. Zou u, zoals u nu leeft, altijd willen blijven leven? Nee, niet sterven, maar gewoon zo doorgaan, met vrienden, met een mooi eigen huis, met mooie verwachtingen voor de toekomst?

Voelt u niet, we verlangen in dit leven naar rust en vrede, naar liefde, naar voorspoed, maar we verlangen niet naar God. We kunnen en willen niet terugkeren tot God!

 

En in die omstandigheden, in dat leven, buiten God en zonder God geldt wat de tekst zegt:

De jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk (dat wil zeggen: zeker) vallen.

We zouden zeggen: de jonge knullen zullen moe en uitgeput raken, de stoere jonge kerels, zij zullen zeker vallen.

Dat gold in de ballingschap. Al was je jong en sterk, toch was er geen verwachting. Want wie zou in staat zijn om op eigen kracht lopend terug te gaan? Al was je een oersterke en getrainde militair, al was je de meest getrainde atleet, je kon gaan lopen van Babel naar Jeruzalem, maar je zou er niet levend aankomen. Je zou zeker vallen.

 

En geldt het ook niet voor zoveel tegenspoeden in dit leven. We kunnen vechten, maar hoe sterk we ook zijn, we vallen.

We kunnen lichamelijk sterk zijn, maar wat als we getroffen worden door een ongeneeslijke ziekte? Wat als we een ongeluk krijgen?

We kunnen psychisch sterk zijn, maar wat als we overwerkt raken, als we tegenslag op tegenslag te incasseren krijgen, wat als onze man of vrouw, of ons kind ons ontvalt?

We kunnen sterk lijken, als jonge mannen, maar we zijn het niet. We vallen.

 

En is dat ook niet in het geestelijke leven het geval?

Als er onrust komt in ons leven, gaan we dan niet als jonge mannen aan de slag? Aan de slag met de verbetering van ons leven? Dit doen, dat laten, dit verbeteren, bidden, lezen, zwoegen, totdat… totdat we moe worden, en ervaren: dit is een doodlopende weg.

We proberen in onze eigen kracht de geboden van God te houden, maar we struikelen en vallen.

We proberen in eigen kracht de wereld te verlaten en ons zondige hart te doden, maar we worden moe, en het lukt niet.

We vechten in eigen kracht, maar delven het onderspit.

In eigen kracht proberen we te lopen van Babel naar Jeruzalem, maar we struikelen en vallen.

We roepen de Heere te hulp: ‘Ik kan het niet alleen. Help me toch, Heere, met de verbetering van mijn leven. Ik loop kreupel en mank, maar geef me toch krukken om op te lopen. Laat Uw liefde en genade me helpen om toch nog in eigen kracht terug te keren tot U.’

Maar we worden moe, we struikelen, we vallen.

We vallen zeker, gewisselijk! Daar is geen twijfel aan! Wie zelf loopt, zal vallen. Moedbenemend... Om hopeloos van te worden...

Moe... Mat… Op… Uitgeblust… Hopeloos…

En ondertussen klinkt onze klacht naar de hemel: Zou God Zijn genâ vergeten, nooit meer van ontferming weten?

 

Dat klaagden de ballingen ook! Kijkt u maar in vers 27:

Mijn weg is voor de Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij.

Ik zie het niet meer zitten. Ik zie geen weg meer. Ik kan niet meer genieten van alles wat Babel te bieden heeft. In mijn hart is heimwee naar God, maar hoe kom ik ooit bij God terug?

Een hemelhoge schuld, niets om te betalen. Ik moet me weg schamen voor God, en al mijn pogingen om terug te keren zijn gestrand. Steeds maar weer moe geworden… gestruikeld… en gevallen...

 

Maar luister nu eens goed naar wat Jesaja zegt. Hij zegt in vers 27:

Waarom zegt gij dan, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?

Waarom zegt u dat toch, ballingen?! Uw zichtbare toestand is voor het oog wel hopeloos, maar u weet toch nog wel dat er woorden van troost gesproken zijn?

Ja, woorden van troost!

Leest u maar mee in vers 1 en 2:

Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem, en roept haar toe dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.

En u hebt het wel over een onbegaanbare weg, waarop u moe wordt, struikelt en valt, en u ziet wel onoverkomelijke bergen en woeste heuvelen, maar Ik heb toch gezegd, in vers 4:

Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden.

U bent wel hardnekkig en dwaalziek als een schaap, maar Ik heb toch gezegd, zoals staat in vers 11: Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

En alle machten van deze wereld komen wel tegen u op, maar Ik heb gezegd, het staat in

vers 15: Zie, de volken zijn geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal; zie, Hij werpt de eilanden henen als dun stof.

En u weet toch wel dat de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt?

 

Jesaja 40 is vol van woorden van troost. Woorden van troost die, opvallend genoeg, al klaargelegd waren vóór de ballingschap! Want toen Jesaja dit hoofdstuk opschreef was het volk nog thuis, in Israël, in Jeruzalem. Toen leefden ze, ondanks alle waarschuwingen, nog door in de zonde.

Deze woorden worden nu niet door Jesaja zelf tegen de ballingen gezegd, maar ze zijn al voor de ballingschap door hem opgeschreven, en nu worden ze in dat vergelegen Babel gelezen door een moedeloos volk.

Ze worden voorgelezen, die woorden van troost, voor de moedeloze Israëlieten in Babel.

Toen u nog hardnekkig doorzondigde vóór de wegvoering hierheen, toen heb Ik al gedachten van vrede gehad. Ondanks al uw zonden, ondanks dat u niet luisteren wilde, ondanks dat u Mijn woorden niet geloofde, ondanks alles van u, heb Ik gedachten van vrede gehad. Toen u nog niet aan Mij dacht, toen heb Ik aan u gedacht.

 

Wat moet deze vrije en onverdiende genade toch geschitterd hebben in de ogen van Godzoekende, moedeloze ballingen in Babel. Ze zijn er ongetwijfeld geweest.

Terwijl zij nog tegen beter weten in zondigden, en doorgingen op de weg van de zonde, toen heeft God, uit enkele en eenzijdige genade, gedachten van vrede met hen gehad.

In de stille eeuwigheid had God gedachten van vrede met hen, die Hij uit vrije ontferming gaf aan Zijn enig geliefde Zoon. Hier blinkt onveranderlijk trouw, hier schittert verkiezende genade, voor verloren zondaren. God gaf hen aan Zijn Zoon, en Christus gaf Zichzelf om hen vrij te kopen, en de Geest werkt in de tijd krachtig en onwederstandelijk in het hart van hen die nooit naar God gevraagd hebben, die Hem nooit gezocht hebben.

 

Misschien voelt u zich wel net zo moedeloos als die ballingen. Zijn hier nog van die moedeloze ballingen? Van die mensen die het niet meer kunnen uithouden in Babel, maar die de weg terug niet weten, die geen kracht hebben in zichzelf om terug te keren? Die de waarheid van het woord verstaan: Niemand kan tot Mij, tot Christus komen, tenzij de Vader Die Mij gezonden heeft hem trekke? Mensen die wanhopen aan alles van zichzelf?

En dat is nog terecht ook. Want hoewel u sterk leek, als een gezonde knul, u bent moe geworden. Hoewel u zo sterk leek als een getrainde jongeman, u bent gevallen, niet een keer, maar eindeloos vaak.

Maar, zegt de Heere, luister nu eens naar wat Ik gezegd heb. Lees Mijn troostrijke woorden eens, die Ik al klaargelegd heb voor de ballingschap.

Van uzelf is nooit hoop te verwachten, maar bij Mij, de Jahweh, de Verbondsgod van het eenzijdige verbond, bij Mij is hoop, en troost, en verwachting. En die hoop, die troost en die verwachting, die heb Ik klaargelegd, die heb Ik bereid. Die is niet aan u te danken, maar die komt van Mij. Die heb Ik vastgelegd en voorbereid in de eeuwigheid.

Hoop op de Heere! Want bij de Heere is veel verlossing. Hoop op Zijn Woord! O, laat alle andere hoop toch varen, maar grijp u als een verloren zondaar vast aan Zijn eigen Woord. Aan het vleesgeworden Woord. Kom met al uw verlorenheid toch tot Christus!

Woorden van troost en bemoediging voor troostelozen en moedelozen.

Hij zal alle dalen verhogen, alle bergen en heuvelen vernederen. Wat krom is, dat zal Hij recht maken, en wat hobbelachtig is, dat zal Hij tot een vallei maken. In al uw roepen, en zoeken, en smeken, zal Hij een weg banen, waar geen weg was, om Zijn Woord waar te maken, om Zijn beloften te vervullen.

Kom, roepende, zoekende zondaar. Is het niet beter om alle ijdele hoop op uzelf op te geven? Is het niet beter om te wanhopen aan uzelf? Is het niet beter om u als een wanhopige, als een verloren zondaar, te werpen op vrije genade? Heere, wees mij zondaar genadig! Red mijn ziel, maak me levend door Uw Woord en breng me terug bij U. Want zonder U kan ik niet verder!

 

Misschien vindt u uw leven helemaal niet zo uitzichtloos. Misschien hebt u de illusie dat u sterk bent. Ik kan het zelf wel... Niemand hoeft mij te helpen... Niemand hoeft mij te redden...

Maar het is schijn. Het is gezichtsbedrog. Uw leven is in groot gevaar, uw leven hangt aan een zijden draad boven de eeuwigheid en u bent ten diepste krachteloos.

Maar God is bereid om de krachtelozen te redden

Maar... de sterken, die vertrouwen op hun eigen kracht, die willen niet horen. Ik kan het zelf wel, ik heb U niet nodig!

Zie toch uw verzet! U mag komen, maar u wilt niet komen. U wordt genodigd om te komen als een zondaar, maar u weigert. O, kom toch, met smeking en geween, tot Hem Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Kom heden, kus de Zoon! Wie tot Hem komt, zal Hij niet uitwerpen.

 

U die leeft in Babel en geniet van de dingen van dit leven, doorzie toch uw lot.

U lijkt wel sterk, maar u zult vallen. U zult, als u zo doorgaat, vallen in de handen van de levende God. En het is vreselijk om onverzoend te vallen in de handen van een toornend God. Haast u dan toch, ter wille van uw leven!

Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord!

 

Gods Woord is vol troost voor zwakken, voor moedelozen. Het wijst in het bijzonder u, die ervaart dat u geen kracht hebt, de weg om terug te keren van Babel naar Jeruzalem, van de zonde tot God.

Die weg is een enige weg. Geen weg in eigen kracht. Maar een weg die gebaand is door een Ander. Zelfs de dwaas zal niet dwalen op die weg, want daar worden de krachtelozen en de moedelozen gedragen. Terug gebracht. Ze lopen niet zelf, maar ze worden gedragen en gebracht, door Hem Die deze weg Zelf heeft gebaand. Door onze Heere Jezus Christus.

Hij heeft het gezegd, in de stilte van de eeuwigheid, nog vóórdat een van Zijn verloren en dwaalzieke schapen geboren was:

Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands.

Hij was de Leeuw uit de stam van Juda, Hij was krachtig als een jonge held, maar werd beladen met de toorn van God, zodat Hij moest kruipen in Gethsémané. Hij moest zeggen:

Maar ik ben een worm en géén man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

De satan dacht Hem te verleiden en te overwinnen, maar Hij is niet gevallen. Hij is niet gedood door de vijand, maar heeft als een Held, als een Overwinnaar Zijn leven vrijwillig afgelegd voor Zijn bruidskerk. En Hij is opgestaan, en als Triomfator ten hemel ingegaan, en hij roept het al de krachtelozen toe, die zelf niet meer weten hoe het moet:

Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen!

 

Dat brengt ons bij het tweede aandachtspunt:

 

2. Krachteloos maar sterk

 

Maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.

 

Wat verwachten is, dat weten we allemaal. Verwachten betekent geduld hebben, maar tegelijkertijd hopen, uitzien, verlangen, vertrouwen.

Als je jong bent, dan zit je vol verwachtingen.

Als ik groot wordt, dan... word ik agent... dan word ik misschien wel moeder.

Als ik mijn diploma heb, dan... vind ik vast een mooie baan.

Als we een huis hebben, dan... gaan we trouwen.

Allemaal verwachtingen.

 

Wat is het leven moeilijk, als er geen verwachtingen meer zijn.

Mijn papa en mama zijn gescheiden... het komt niet meer goed.

Mijn huwelijk is stuk, er is niets van over... het komt nooit meer goed.

Ik heb het bericht gehad van de dokter: ongeneeslijk ziek.

Zo zaten de ballingen in Babel. Terug naar Jeruzalem? Nee, dat zit er niet meer in. Nooit meer.

En nu schrijft Jesaja in onze tekst, voor de ballingen die geen hoop meer hebben op terugkeer: Die de Heere verwachten…

 

Verwachten, daar zit trouwens ook het woordje wachten in.

Wachten... daar zijn we niet zo sterk in.

Wachten op de trein, die alweer vertraging heeft.

Wachten bij de dokter of de orthodontist... Waarom werken die mensen nooit op tijd?

Wachten duurt lang...

Als je geen enkele reden hebt om te wachten, dan kun je wachten totdat je een ons weegt.

Als u eenzaam bent, en u besluit vanavond voor de zoveelste keer te wachten op bezoek, dan wacht u misschien wel weer tevergeefs.

Maar als een van uw vrienden of een familielid heeft toegezegd, zeker te zullen komen, dan is dat wachten anders. Dan kunt u wel een beetje ongeduldig worden (de koffie wordt koud...), maar u hebt wel zekerheid. Het is immers afgesproken!

U wacht en tegelijkertijd vérwacht u bezoek. U wacht geduldig, maar tegelijkertijd is er uitzien. U rekent erop, omdat uw bezoek het heeft beloofd.

Zo mogen, zegt Jesaja, de moedeloze ballingen in Babel de Heere verwachten, de God van het verbond, de God van Zijn volk, die altijd Zijn woord houdt. God is immers geen man die liegen zou of een mensenkind dat het Hem berouwen zou. Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet waarmaken? Nee, Hij laat nooit een van Zijn woorden op de aarde vallen.

En wat zegt God nu tegen die moedeloze ballingen?

Onbegrijpelijke woorden van troost, van genade, van genade bij God vandaan. Reeds opgeschreven vóór de ballingschap. Onbegrijpelijke woorden van troost voor mensen die

niet meer durven geloven dat ze nog ooit terug zullen komen in Jeruzalem.

Zullen ze ooit hun ogen nog eens mogen richten op de tempel? Nee, die is verwoest.

Zullen ze ooit hun ogen nog eens mogen richten op het bloed dat stroomt van het altaar? Nee, dat altaar is er niet meer.

Maar weet u Wie er nog wel is? De Heere, de God van het onveranderlijke verbond.

Bergen zullen wijken, heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.

 

Midden in die uitzichtloze ballingschap klinkt het machtige woord van de God van het eenzijdige verbond:

Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden; en alle vlees tegelijk zal zien, dat het de mond des Heeren gesproken heeft.

De heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden in de komende Christus. Hij is de grote inhoud van het verbond, dat nimmer wankelen zal.

De ballingschap is niet uitzichtloos. De moedeloze ballingen mogen zich laten vertroosten door de verkondigsters van goede en blijde boodschap. Zij roepen het gezamenlijk uit:

Zie, hier is uw God! Hier is uw Christus!

 

Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

Maar Hij is niet alleen de Herder Die Zijn schapen weidt, Hij is ook de almachtige God. Niets is voor Hem onmogelijk!

Hij spant de hemelen uit als een dunne doek.

De sterrenhemel met zijn ontelbare sterren wordt door Hem als een tentdoek opgerold. En Hij kent al die miljarden sterren bij name. Niet één wordt er gemist. Niet één ster, niet één moedeloze balling ontgaat Zijn oog.

Waarom zegt gij dan, o Jakob, en spreekt, o Israël: mijn weg is voor de Heere verborgen, en mijn recht gaat van mijn God voorbij?

Als Ik dan van al die miljarden sterren er niet één vergeet, waarom denkt u dan dat Ik u vergeten zou, u, Jakob, u, Israël, genoemd naar Mijn Naam?

Zou God één van de ontelbare sterren kunnen vergeten?

Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten

 

Moedeloze ballingen in de kerk, u die geen weg meer ziet. Misschien voor het eerst de onmogelijkheid gezien om terug te keren tot God. Moe en geen kracht.

Misschien moet u weer opnieuw ervaren: wij willen en kunnen tot God niet terugkeren. Moe en geen kracht.

Weet gij het niet? Hebt gij niet gehoord, dat de eeuwige God, de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt?

Verwacht u Hem? Ziet u in moedeloosheid en krachteloosheid uit naar Zijn komst?

Wat een wonder is het toch, dat deze God, de God van het eenzijdige verbond, ons niet loslaat. Hij zal u niet laten omkomen in die donkere ballingschap. Immers hier is het onwankelbare woord van Zijn belofte: De heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden.

Wat een wonder, dat Hij midden in de duisternis van onze onmogelijkheid belooft op Zijn tijd een weg te zullen banen, belooft de Christus te zullen openbaren als een Zaligmaker, als een Redder van ons verzondigde leven. Hij zal u oprapen, Hij zal u dragen, Hij zal u terugbrengen tot God.

 

O, wonder van vrije genade, van onverdiende genade! Want de ballingen in Babel hebben de dood verdiend. Maar God wil uit eenzijdige liefde omzien naar alles verbeurd hebbende zondaren.

Zie toch op Hem. Zie Christus in het woord van Gods belofte: De heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden. Zie Hem... en geloof... Want Christus komt tot u in het Woord van de belofte van het evangelie. Hoor toch het Woord van Sion, de verkondigster van goede boodschap, en van de machtige stem van Jeruzalem: Zie, hier is uw God!

Hier is er Een, Die machtig is te verlossen. Hij is de Leeuw uit Juda’s stam, de Wortel van Isaï, de Banier der volken.

Hij is gegeven tot een Verbond des volks en tot een Licht der heidenen. Om te openen de blinde ogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis hen die in duisternis zitten.

 

Misschien zegt u: had ik maar voeten om naar Hem toe te gaan.

Maar vergis u niet. Hij komt tot u, moedelozen en krachtelozen, onder de uitroep: Zie, hier is uw God! Hij zal u oprapen en in Zijn armen dragen.

Misschien zegt u: had ik maar ogen om Hem te zien.

Maar vergis u niet. Hij zal u ogen van het geloof geven. Want tot dat doel is Hij juist gezonden, namelijk om de blinden ziende te maken.

Misschien zegt u: zou Hij wel naar mij om willen zien?

Maar vergis u niet. Laat uw blindheid en uw doodheid, uw vijandschap en verzet u niet ontmoedigen, want Hij heeft gezegd: Ik zal de blinden leiden door de weg die zij niet geweten hebben. Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken en het kromme tot recht.

Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken.

 

Die op Hem zien, zullen nieuwe kracht ontvangen. Ja, sterker nog:

Die Hem verwachten zullen de kracht vernieuwen.

Psalm 34 zegt het op dezelfde manier: de jonge leeuwen leiden armoede en gebrek, maar die de Heere zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

Die Hem verwachten. Nee, niet: die, tot wie Hij al gekomen is, maar die Hem verwachten.

Die Hem zoeken. Nee, niet: die Hem al gevonden hebben, maar die Hem zoeken!

De rijke belofte van onze tekst geldt degenen die uitzien en verwachten. Zij zullen kracht ontvangen. Daaraan valt niet te twijfelen. Dat is zeker.

Want die zoeken zullen vinden. En die Hem verwachten zullen de kracht vernieuwen.

Die zullen telkens weer nieuwe kracht en moed krijgen, vanuit de kracht van Christus, door de Heilige Geest.

 

Als u daarop let, kunt u de paradox van Paulus begrijpen:

Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

Als ik alle hoop op mezelf opgeef, en steun op de kracht en op het werk van Christus, dan ben ik machtig.

Doch degene die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid.

Die al zijn hoop op eigen werk opgeeft, en met lege handen bedelt aan de troon van Gods genade, steunend op Gods belofte, die zal ervaren dat er in Christus kracht is.

Het geloof is de lege hand die Christus aangrijpt, in het Woord van Gods belofte, om als een arme zondaar alleen maar te steunen op Hem.

Het geloof zegt niet: ik heb het, ik ben voor eens en altijd gered omdat ik voor Jezus heb gekozen.

Maar het geloof zegt: ik ben arm en ellendig, en alles wat ik nog denk te hebben, dat acht ik schade en drek om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus. Ik verlang ernaar om Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding. Ik verlang ernaar dat Hij Zich voor het eerst en opnieuw aan mijn ziel openbaart als een gewillige Zaligmaker, om me te dragen naar de plaats waar ik niet komen kan.

 

Die de Heere verwachten zullen de kracht vernieuwen. God verwisselt hun eigen krachteloosheid met Zijn kracht.

En zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden. Op de uitgespreide vleugels van het geloof, vliegen zij, gedragen door de wind, bijna zonder inspanning, onvermoeibaar, tot grote hoogte.

Vanuit de diepte van de krachteloosheid en de moedeloosheid stijgen Gods kinderen door geloof en gebed tot grote hoogte.

Ze stijgen op tot voor de troon der genade, waar zij de bedelhand uitstrekken om te ontvangen genade voor genade.

 

En van die grote hoogte zien zij neer op de aarde. Dan zien ze alles in een ander perspectief. Van bovenaf lijkt alles immers onbeduidend en klein. Vanuit dat perspectief zien ze dat hun kruis en lijden een lichte verdrukking is, die zeer haast voorbijgaat.

Maar hoewel zij zo hoog stijgen als de arenden, zij ontvluchten het leven op aarde niet.

Ja, zij zijn vreemdelingen op de aarde, maar toch, de tekst zegt: zij lopen en zij wandelen ook op de aarde.

Zij zullen lopen, hard lopen, als een renner in een wedstrijd, maar niet moe worden.

Zij zullen wandelen, ontspannen wandelen, maar niet uitgeput raken.

Die de Heere verwachten verkrijgen in alle omstandigheden van het leven steeds nieuwe kracht. Zij blijven zwak in zichzelf, maar Gods kracht wordt in onze zwakheid volbracht.

Gemeente, ik wil eindigen met een boodschap voor verschillenden soorten van mensen onder u.

 

In de eerste plaats een boodschap aan uw adres, onbekeerde ouderen.

Jongeren doen dingen graag zelf, ze denken dat ze alles kunnen. Maar zo zijn ouderen ook. Als u ouder wordt, komt uw leven meer en meer in het teken te staan van afhankelijkheid. Alles gaat niet meer zo gemakkelijk als voorheen. En dan komt het misschien ook wel van uw lippen: Nee, ik kan het zelf wel. Ik doe het zelf.

Als u nu op uw oude dag nog leeft zonder God en zonder Christus, hoe moet het dan met u?

Als de sterke jonge mannen zeker zullen struikelen en vallen, hoe moet het dan met u?

U hebt het ervaren, wat het beste is van uzelf en van deze wereld. Sterk zijn. Alles zelf kunnen. Dat was het beste dat wij dachten te hebben, maar het was vergankelijk. Die tijd is voorbijgevlogen. En nu bent u oud geworden.

Oude, verharde zondaar, uw hart is in al die jaren steeds maar harder geworden.

Zie toch het gevaar van uw leven, want: Alle vlees is gras, en al zijn goedertierenheid als een bloem des velds. Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Heeren daarin blaast; voorwaar, het volk is gras.

Maar wanhoop niet, ouderen onder ons. Want op deze dag, al was het de laatste dag van uw leven, wordt u vriendelijk en welgemeend genodigd om te komen. Kom met uw dode hart, kom met uw verharde hart, o kom toch tot Christus. Hij biedt Zijn genade aan, aan de meest verharde zondaren. Hij roept het u toe: wie is slecht, hij kere zich herwaarts, en kome tot Mij. En wat u niet kunt, biedt Hij u aan om te doen. U kunt niet komen in eigen kracht, maar Hij wil u dragen.

Geliefde ouderen onder ons, word niet moedeloos, maar acht uw resterende dagen toch kostbaarder dan alles. Beken toch op deze uw dag wat tot uw vrede dient.

Bekeert u, bekeert u, want waarom zou u sterven?

 

Er ligt in onze tekst ook een bijzondere boodschap voor onbekeerde jongeren.

Misschien geniet je wel van de dingen van hier. Babel is geen vervelend land om te wonen, als het gaat om plezier. Maar de houdbaarheidsdatum van dat plezier is wel heel erg beperkt... En de vraag blijft toch: wie hadden nu een beter lot?

De mensen die gewoon genoten van het leven in Babel, of de mensen die de Heere verwachten?

De een heeft voor het oog alles. De ander lijkt nog helemaal niets te hebben...

Het lijkt alsof de levensgenieters het beste deel hebben. Maar dat is schijn! Dat is niet zo! Dat is niet waar!

Want in het zoeken van de Heere ligt zoveel zaligheid. Psalm 34 zegt: die de Heere zoeken hebben geen gebrek aan enig goed. Die hebben alles!

De droefheid over de zonde, het uitzien naar God, het verlangen naar God, het niet meer zonder de Heere kunnen leven, doet hier op aarde al iets proeven van het begin van de hemelse vreugde, dwars door onze tranen heen.

Voor niets van deze wereld zou ik de tranen van verlangen naar God willen ruilen voor het geluk van het bezit van alles van deze wereld. Ik zou de tranen van verdriet over mijn zonden niet willen ruilen, met de blijde lach van het genieten zonder God!

Er ligt blijdschap en vreugde in het zoeken en verwachten van de Heere. Misschien zie je het wel niet, maar het is er wel. En dat komt omdat heel het werk van God wordt gedragen door de onbegrijpelijke liefde van God. Die liefde van God die verloren zondaren zoekt.

Hij zoekt jou... trouwens ook! God heeft geen lust, geen plezier in je dood, maar daarin dat je je bekeert van je verkeerde weg.

Kan de liefdevolle nodiging van Christus je hart niet verbreken? Om aan Zijn voeten te komen met je zonde en schuld, met je verloren leven? Heere, ik weet niet hoe ik terug moet komen bij U, draag me toch...

Jongelui, ik bid je, in de Naam van Christus: laat je toch vandaag met God verzoenen!

 

Een laatste, een bijzondere boodschap voor allen die de Heere verwachten.

Geef alle hoop op uw eigen krachten maar op. En stel uw hoop door genade alleen op de levende God, op de getrouwe Verbondsgod. Want er is geen enkele twijfel, het is zeker, dat degenen die lopen in eigen kracht zullen vallen! Gewisselijk, heel zeker!

Maar het is ook zeker dat degenen die in moedeloosheid, zonder kracht, vanuit hun zonde en nood hun blik naar boven slaan, nooit beschaamd zullen worden.

Want God is geen man die liegen zou, of een mens dat het Hem berouwen zou. Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken?

En dit is Zijn woord, tot u allen, en in het bijzonder tot u die moe bent en geen krachten meer hebt:

Maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen; zij zullen opvaren met vleugelen, gelijk de arenden; zij zullen lopen, en niet moede worden; zij zullen wandelen, en niet mat worden.

Het is een viervoudig zullen, op grond van Gods onwankelbare trouw.

Moedelozen, er is hoop en verwachting voor wie de Heere verwachten.

Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden.

 

En men zal te dien dage zeggen: Zie, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de Heere, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.

 

Amen.