Ds. L. Huisman - Filippenzen 4 : 13

Paulus als overwinnaar

Waartoe hij in staat was
Waar hij die kracht vond
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

Filippenzen 4 : 13

Filippenzen 4
13
Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 62: 4, 5
Lezen : Filippenzen 4
Zingen : Psalm 147: 2, 6
Zingen : Psalm 18: 9
Zingen : Psalm 85: 4

Het Woord van God, geliefden, dat wij u in deze dienst willen bedienen is uit het u voorgelezen schriftgedeelte, Filippenzen 4 vers 13, waar we lezen:

 

Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.

 

In deze tekst ziet u Paulus als overwinnaar.

 

1. Waartoe hij in staat was

2. Waar hij die kracht vond

 

Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, de grote zondaar Saulus, was in een Paulus veranderd. De man die eenmaal de vuist balde tegen die verleider uit Nazareth, zoals hij Jezus zag, en op weg was om degenen die Jezus volgden, te vangen en kon het zijn te doden… Waar kan godsdienst zónder God, zónder Jezus toch toe leiden! Wat kan een mens fanatiek zijn, ook in het godsdienstige leven. Zonder enige verootmoediging erop afgaan en hen desnoods doden, omdat zij het niet met hem eens waren. Alleen uit een natuurlijke drijving om te mogen heersen en zijn macht te openbaren…

 

Ja, dat gebeurt nog! Je hebt nog van die mensen. Als je hen zo hoort zou je zeggen: ‘Zij zweren bij de waarheid.’ Maar je bemerkt bij hen nooit een kruimeltje liefde. Het is altijd: ‘Dát moet en dát moet en als het zó niet gaat…’ Altijd van de bovenste plank, met geweld. Ja, daar leven zij zelf bij, dat is hun hele intentie, daar zijn ze altijd mee bezig. De mast inklimmen, naar boven komen. Goed doen, zoveel mogelijk, zoals Paulus, stipt!

Een ijveraar naar de wet, zoals geen tweede, en dat was bij Paulus nog waar ook. Het was geen schijnheiligheid wat Paulus zegt van zijn eertijds; nee, het was waar! Hij offerde er zijn leven voor op, maar het was allemaal uit die harde wet. Om de straf te ontgaan, om goed te doen, om er zelf beter van te worden. Niet uit dankbaarheid, niet uit liefde tot God. Niet omdat de Heere hem, zo’n arme verloren zondaar gered had.

Dat heeft hij later gezien, toen God hem tegen gekomen was en toen God zijn harde hart veranderde in een vlesen hart. Toen hij plat voor God neerviel en het uitriep als iemand die nog nooit iets uit de Bijbel geleerd had: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand. 9:6) Die grote wetgeleerde, die misschien straks de opvolger zou worden van zijn leermeester Gamaliël. Aan diens voeten was hij onderwezen in al de wetten van Israël. Nauwkeurig tot op de punt en de komma. Hij was zijns gelijke, namelijk de gelijke van zijn leermeester. Dat beloofde wat! Straks zou hij zeker een professoraat krijgen. Hij was een man met een goed verstand, maar het was een verdorven verstand en zijn hart was een stenen hart. Zijn godsdienst was zelfbehaging. Goed doen, dan zou hij straks naar zijn werken beloond worden.

 

Dat zit in ons allemaal, hoor! Als we Christus niet kennen en we leven onder de waarheid, dan willen we toch door onze eigen gemaakte ladder opklimmen tot in de hemel en dan kunnen we soms de waarheid uitspellen voor mensen die de waarheid niet weten; hoe ze moeten doen, wat ze wel en wat ze niet mogen doen, maar altijd zonder de liefde.

U weet dat het Woord van God zegt dat het geloof zonder de liefde een dood geloof is. Het brengt je geen stap verder. Soms nog net als bij Paulus, toen hij nog Saulus was; verder van God af, in eigengerechtigheid, in eigenzinnigheid, ten diepste in dwaasheid. Altijd maar weer vijandschap, óf goddeloos óf vroom, tegen het kruis van Christus. En hoe meer mensen hij tegenkwam die in dat kruis roemden, die in dat kruis hun zaligheid vonden, in dat bloed van Christus, hoe woester hij werd en hoe meer het vuur in zijn hart tegen God en tegen Christus ging branden.

Dat is begrijpelijk, natuurlijk! Want als er mensen komen die zeggen dat je alléén maar door het kruis van Christus gered kunt worden, helpen ál je goede werken niet meer. Dan heb je alles voor niks gedaan. Heel je ijver, heel je kerkgaan en alles wat je in de collectezak deed, alles heeft geen waarde om nader bij God te komen. Nu, als je dan niets anders ziet, dan zou je toch dol worden? Als je je best gedaan hebt en je wordt dan nog afgekeurd. Dat is toch om hopeloos van te worden?

 

Dat is inderdaad bij Paulus gebeurd. Hij is zo hopeloos geworden, dat hij riep: ‘Wat nu, Heere, wat nu? Hoe kan ik nu zalig worden?’ En wie dat vraagt, en wie het zó vraagt, die zal God niet wegsturen zonder dat Hij hem redt. Daarin heeft God behagen, Hij heeft een behagen in mensen die nederig naar Hem vragen. Dat is nog zo. Als we tot dat punt gekomen zijn waar Paulus gekomen is, dan zijn we als was in de hand van de Heere, dan kan Hij met ons doen wat goed is in Zijn ogen.

Maar die genade leert ons dan ook strijden; de goede strijd van het geloof achter Christus, ziende op de overste Leidsman en Voleinder van het geloof (Hebr.12:2). Er is geen apostel geweest die zich meer beijverd heeft om de Naam, die éne Naam (die hem eenmaal was tot een doorn in zijn ziel), om díe Naam aan anderen te preken. Want zoals hij zichzelf had leren kennen was hij de grootste van de zondaren. Welnu, als hij dan de grootste was, dan konden die anderen zeker allemaal zalig worden.

 

Ja, geliefden, dat is de werking van Gods Geest. Als God míj bekeert, dan kunnen die anderen in mijn omgeving, in mijn familie, in de kring waarin ik leef, in de gemeente die ik dien, ook zalig worden.

Dan zeg ik: je moet niet wanhopen aan God. Je mag aan jezelf twijfelen en door al je beste bedoelingen mag je een kras halen, maar je moet niet twijfelen aan de genade van God.

Want als ik gered ben door God, zal Hij dan ook u niet redden? Want zo zegt de Heere tot het huis Israëls: Zoekt Mij, en leeft (Amos 5:4). Want Hij is te vinden.

 

Dat heeft Paulus waargemaakt in zijn prediking. Hier schreef hij een brief aan de gemeente van Filippi. En die gemeente, dat kunnen we begrijpen, die lag hem heel na aan het hart. Want die gemeente van Filippi was de eersteling van Paulus’ prediking in Europa. Daar kwam hij op zijn tweede zendingsreis en daar heeft hij het Woord van God gepredikt en daar heeft God mensen tot Zich bekeerd.

Daar is een gemeente ontstaan en daar hebben ze Paulus lief gekregen. De liefde die hij aan die gemeente betoonde door hun het evangelie van Gods genade te brengen, die is gereflecteerd in wederliefde. Zij hebben hem wederkerig liefgehad.

Paulus die zonder salaris werkte, want hij wilde niemand een aanstoot geven, hij wilde nooit door iemand belasterd kunnen worden dat hij het deed om het geld, had zich ook daarin aan Gods genade toebetrouwd. Toch kreeg hij dikwijls geldelijke ondersteuning uit Filippi. Daar prijst hij hen voor. ‘Niet dat ik uw geld zoek, dat weet u wel, maar ik vind het toch hartelijk, ik vind het broederlijk, ja ik vind het christelijk, dat u aan mijn behoeften gedacht hebt.’

Hij ruimde daar ook nog wel een plaats voor in; dat zegt hij open en eerlijk. Ze hadden Epafroditus gezonden, om hem van het nodige geld te voorzien. En dat was niet een reis van Vlaardingen naar Rotterdam, maar dat was een reis die dagenlang duurde. Zo lief hebben ze Paulus gekregen, dat ze het er voor over hadden om een afgezant te sturen met een som geld, zodat hij daar toch niet in armoede zou behoeven te leven. Een reis van oost naar west, van weken, misschien in die tijd wel maanden lang.

 

Wat kan de liefde sterk zijn; de liefde die uit God is, de gemeenschap der heiligen. Hier is het betoond. Hij zegt in het tiende vers: En ik ben grotelijks verblijd geweest in de Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijt om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad. Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in hetgeen ik ben. En ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden (Fil.4:10-12).

En dan komt onze tekst: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13).

 

Het leven is de kruisbanier dragen. Het leven van een christen staat duidelijk in de Bijbel: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en volge Mij (Luk.9:23). Het leven is kruisdragen.

Dat geldt voor elk mens trouwens. Ook al ben je nog onbekeerd, dan is het leven toch een kruisdragen. Heeft niet de mens een strijd op de aarde en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners? (Job 7:1) Zo staat er in het Woord; en dat om der zonde wil! Daarom hebben we zoveel moeite en verdriet en teleurstelling in dit leven. Dat past dus voor elk mens; christen en heiden.

Maar dan is er nog een bijzonder kruis, zou ik het haast willen noemen, want in het algemeen is er geen hart zonder smart en geen huis zonder kruis. We spreken hier niet over het algemene kruisdragen van ieder mens, want er is ook een algemeen ‘christelijk’ kruisdragen, waar Jezus van zegt: In de wereld zult gij verdrukking hebben (Joh. 16:33) en dan spreekt Hij tot degenen die Hem volgen, tot de christenen, tot degenen die Hem liefhebben: In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen (Joh.16:33). De beproeving van uw geloof werkt lijdzaamheid, zo heeft hij de gemeente verkondigd en zo doet hij nog aan ons.

 

Dan is er nóg een kruis. Het derde kruis, zou ik het willen noemen. Dat is het kruis dat de apostelen, de dienaars van Jezus Christus, dragen. Vooral in die tijd toen Jezus hen uitzond. Als apostel had Paulus een bijzonder kruis. De Heere had het reeds tegen Ananias gezegd: Want Ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam (Hand.9:16). Dat was dat derde kruis, waar in het bijzonder de apostelen, de dienaars van Christus, mee belast zijn.

Dat was al bij het begin. Nu, dat is in het leven van Paulus wel uitgekomen. In Damascus, helemaal in het begin van zijn apostolische bediening, heeft hij het al meegemaakt. Toen hij in levensgevaar verkeerde, moesten ze hem in een mand van de muur af laten zakken, anders was hij daar, toen hij nog maar zijn eerste preken gehouden had, al door de Joden gedood. Ze haatten hem van het begin af.Toen hij van een dienaar van de wet tot een bedienaar van het evangelie geworden was, werd hij van de Joden gehaat.

Natuurlijk, dat kun je begrijpen, ik heb er al iets van gezegd. Als je een mens zijn godsdienst afneemt, wat houdt hij dan nog over? Dan moet hij zich óf bekeren, óf hij moet er met geweld tegenin gaan. Dacht je dat we dát nog langer willen horen? Die man, die moet de wereld uit, want die berooft ons van ons geestelijk bezit. We houden niets, maar dan ook niets meer over. Hebben we dan alles voor niets gedaan? Ons kerkgaan, ons bidden, onze christelijke barmhartigheid, alles voor niks gedaan? Dat zou helemaal schandalig zijn. Zo bruut zijn wij natuurlijk niet. Dat durven wij niet zeggen, maar toch leeft de wortel van deze gedachte ook in ons hart. Net zolang tot ook wij bij het kruis gekomen zijn, het kruis van Christus.

 

Is het niet meestal zo, dat we ons met alle kennis van de Bijbel, met onze kerkgang en met ons bidden en onze christelijke acties toch eigenlijk wel boven die heidenen uitgestegen voelen? In ieder geval zijn we niet zoals die mensen die om God en gebod niets geven. Nu ja, dat we bekeerd zijn, dat durven we niet te zeggen, maar in ons denken zijn we toch in ieder geval wel een paar stappen nader tot God. De afstand is toch niet meer zo groot als de afstand van de heidenen tot God.

Wat een verdwaasde gedachte toch! Hoe kan ook daarin ons eigen hart ons verleiden. Het kan ons daarin menigmaal tot een soort geestelijke zelfingenomenheid aanzetten. Zo van: ik doe toch wat ik kan, ik zit toch in de kerk, ik lees toch, ik luister toch. En dan is het gevolg daarvan meestal medelijden met onszelf en harde gedachten van God.

Ook Paulus heeft hiermee geworsteld, maar God heeft hem eruit gehaald en heeft hem tot een bedienaar van zijn dierbaar evangelie gesteld.

 

Paulus heeft later veel geroemd: in de Heere, altijd weer in de Heere. Maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is (1 Kor.15:10). Zo mág je roemen. Zó krijgt God de eer. Dan begeer je niet meer om op de voorgrond te treden. Dan komt Christus op de voorgrond. Dan wijs je iedereen die het maar horen wil, op Hem. ‘Ik heb kracht ontvangen van Hem. Hij heeft mij daartoe de liefde, de kracht en de gaven gegeven, om dat te doen.’

Maar, en daar kunt u op rekenen, dan heeft God ook voor u zo’n bijzonder kruis. Dat past daarbij. Dat wil God. Dat hebben wij nodig. Vroeger zeiden ze: ‘Er moet gewicht aan de klok hangen.’ Misschien hebt u wel eens gezien dat zonder gewichten de klok stil staat. Zo geeft God elk van Zijn kinderen, naar dat ze dragen kunnen, een gewicht in hun leven, om ons tot aan onze dood toe te doen leren: Niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20). En wat ik nu doen mag, dat doe ik door het geloof in de Zoon van God.

Laat de gemeente het weten, laat de mensen het weten, laten m’n ouders, m’n man, m’n vrouw en kinderen het weten. Om Gods wil, alleen om Christus’ wil.

 

Paulus heeft dat ook in zijn leven ervaren. Hij was standvastig, vroeger reeds als leerling van Gamaliël, maar nu echter door het geloof in Jezus Christus. Standvastig, door het werk van de Heere in zijn hart. Hij had terug kunnen gaan, toen hij in al zijn ellende telkens weer opnieuw door allerlei golven overstroomd dreigde te raken, zoals ook Johannes Markus teruggekeerd was op de eerste zendingsreis. Deze zei: ‘Ja, als het nu zo moet, dan is dat voor mij te bar, hoor. Als ik dát nu allemaal door moet maken, als dát nu de roeping is waarmee God mij geroepen heeft, nee, dan haal ik het niet, dan ga ik maar terug.’ Dat is voor Paulus tot grote droefheid geweest.

Dat gold ook voor Demas. Die is helemaal teruggekeerd. Die heeft zelfs de tegenwoordige wereld weer lief gekregen. Hij zei: ‘Is dat nu christendom? Is dat nu het loon als je de Heere vreest, als je bidt en dankt en naar de kerk gaat? Je schiet er toch niets mee op’, zei Demas, want hij had de tegenwoordige wereld lief en die heeft hij ook in zijn zogenaamde bekering steeds liefgehad.

Je kunt namelijk niet God dienen en de Mammon. Je kunt niet een liefhebber van deze wereld zijn en dan toch een dienstknecht van Jezus Christus zijn. Want als het echt waar is in je leven, heb je er desnoods alles voor over! Waarom? Omdat Hij je éérst liefgehad heeft. Dat moet openbaar komen in ons leven. Het is van tweeën één.

 

Paulus bleef door genade getrouw. Hij droeg zijn kruis achter Christus. Ja, hij was zo geoefend in het leven van het geloof, dat hij een behagen had in zwakheden. Hij zegt: Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig (2 Kor.12:10).

Dat is toch helemaal een raadsel. Hoe kan dat nu? Als ik zwak ben, dán ben ik machtig. Dat kan toch niet? Dat is toch onlogisch? En toch kan het! Hij bedoelde ermee te zeggen: als ik mij een zondaar gevoel, dit weet en geloof, dan schuil ik temeer bij Hem, mijn Zaligmaker.

Is dat ook niet de praktijk van óns geestelijk leven? Is het niet meestal zo – het is niet tot onze eer, maar het is wel de weg die God meestal met ons gaat – dat Hij ons afbreekt, voordat Hij ons opnieuw Zijn gunst betuigt; dat Hij ons uit handen neemt waar wij zo stiekem of zijdelings op gebouwd hebben. Zo van: Christus is in ons en wijzelf moeten toch ook iets gaan worden met Christus. Nee, ook Paulus weet: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30).

En als wij denken dat wij samen met Christus kunnen groeien; Hij de sterke in ons leven, maar wij toch ook de bekeerde mens, dan gaat het verkeerd. Dan gaat het onherroepelijk verkeerd. En wie heeft daar geen last van? Wie heeft daar niet een strijd mee te strijden? Wie heeft daarmee ook niet een duisternis over zijn ziel gehaald? Dit duurde net zolang, totdat hij weer daar kwam waar God hem opraapte, namelijk: Ik ellendig mens (Rom.7:24), ik verloren zondaar…

Het zal toch worden: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!’ Dat maakt eigenlijk de hele strijd van het geloof uit aan deze kant van het graf. Altijd maar weer is God bezig om ons dat ene, dat eerste, dat allesomvattende te leren: door Christus alleen. Want dát moeten we zingen en mogen we zingen en zullen we altijd zingen aan de andere kant van de doodsjordaan: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen!’

Dat leerde God Paulus, en dat leert Hij ook óns aan deze kant van het graf.

 

Paulus kende een behagen in zwakheden. Ja, daar had hij een behagen in.

Typisch, we lezen van Paulus niet dat hij, net als Job of als Jeremia, ooit zijn geboortedag vervloekt heeft. Die twee mensen die ik noem, waren, hoewel het hooggeachte kinderen van God zijn geweest, mensen met veel geloof en genade, toch ook niet zonder struikeling. Want zowel Job als Jeremia hebben het er wat dat betreft ook maar slecht afgebracht, toen zij in de uiterste ellende hun geboortedag vervloekten: ‘Vervloekt zij de dag op welke ik geboren ben!’ Dat heeft Job gedaan en dat heeft Jeremia ook gedaan.

Dat lezen we niet van Paulus. Hij was zo begenadigd, dat wij nergens zulke woorden van Paulus lezen. Maar wat is nu het geheim om net zoals Paulus te mogen zeggen: Ik vermag álle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13)?

 

Geliefden, hier vindt u de oplossing van het raadsel. Door Christus. Paulus was ook een zondig mens, maar Paulus zocht zijn kracht bij Christus. Vroeger had hij daar geen behoefte aan, want hij had geen nood. Toen kende hij geen Verlosser en behoefde hij ook geen Verlosser.

Arme mensen, die met hun godsdienst tevreden zijn. Ook Paulus had toen genoeg aan zijn eigen werk; hij was tevreden met zichzelf. Maar toen God zijn ogen opende, toen zag hij zijn nood. De nood, door God hem bekendgemaakt.

Want het is ook nog een groot verschil wie die nood bekend maakt. Of de duivel het doet, of dat Christus het doet. Want er zijn ook mensen in grote nood, die omkomen. Welker ogen worden geopend, niet voor de zaligheid, maar welker ogen worden geopend voor de grote nood waarin ze zijn. En als ze er dan geen raad meer mee weten, als niemand ze meer helpen wil, en als ze een gesloten hemel vinden, dan zeggen ze: ‘Ach, ik ben tevergeefs geboren, laat ik er maar een einde aan maken. Ik zie geen uitzicht meer.’

Maar, geliefden, zo brengt God ons niet in de nood. Nooit, nee nooit! We kunnen er soms zwaar door moeten, we kunnen soms met Paulus plat ter aarde vallen vanwege het grootse gezicht en de hemelse stem die in ons hart klinkt, maar er is in het openbaren door God van onze zonden niet alléén de bekendmaking van onze ongerechtigheid, maar er is tegelijk ook de grote ontferming van God. Dat gaat altijd samen, daar moet u ook maar eens in uw eigen hart naar kijken.

Als God u werkelijk op uw knieën brengt, wat is daar dan de reden van? De angst voor de straf, de vlammen van de hel? Het vreselijke, dat u voor uw zonden gestraft zult worden? Nee, dat is er niet de bodem van, maar dat u uw zonden tegen die God bedreef, Die mild en goed en vriendelijk voor u was.

Dat doet ons niet naar de strop vluchten, maar dat doet ons naar God vluchten, zoals een kind dat een flink pak slaag gekregen heeft, maar als het uitgeschreid is, terugkeert naar vader en moeder, omdat het diep in zijn hart weet: ik heb het verdiend, ik heb het dubbel en dwars verdiend. Dat is nog maar een natuurlijke wederkeer, door natuurlijke liefde, maar er is ook een geestelijke liefde, die veel sterker is. Dat is de band die God aan ons gelegd heeft, door Zijn Heilige Geest.

Hij straft ons, Hij kastijdt ons, maar Hij doet het zoals een vader. Nooit brengt God ons in de diepte zonder dat Hij ons naspeurt in ons kermen, met milde handen en vriendelijke ogen. Ga uw leven maar na. Als u een kind van God bent, dan weet u dit, dan bekent u het hartelijk: ‘Heere, ik heb het verdiend.’ Dan komt u niet in opstand, maar dan zegt u: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

Dat doet God, als Hij ons kastijdt, als Hij ons vernedert, als Hij ons op de grond brengt. Dan betoont Hij dat het vaderlijke liefde is. Dan betoont Hij dat Zijn handelen met ons barmhartigheid en genade is, om ons voor het verderf te bewaren en ons terug te brengen tot Hem.

 

Dat was die ‘nabije’ God van Paulus. Zoals Henoch wandelde met God, mocht ook Paulus met Hem wandelen. Hij zegt: Christus leeft in mij (Gal.2:20). Die had hij maar niet een keer gezien, maar hij was ervan doortrokken, hij was ervan doordrongen. In alles was zijn gedachte: Christus leeft in mij.

Zoals het hoofd het lichaam regeert en zoals de wijnstok aan zijn ranken de sappen geeft om vruchten voort te brengen, zo was zijn gemeenschap met Jezus Christus. Hij was in Hem geworteld. Hij groeide uit Christus, de ware Wijnstok.

En hoe? Hoe kwam dat? Wat was die kracht die hij ontving? Waar kwam het vandaan? Wel, zegt hij, door de kracht-gevende Christus. Hij zegt: Ik vermag alle dingen, maar dan staat er geen punt. Daar staat: Door Christus.

 

Het is waar, in de winter kan de sapstroom schijnen stil te staan, dat weten de mensen die verstand hebben van bomen en wijnstokken. Geen knoppen, geen blaadjes, geen bloemen, geen vruchten, dat is een bange tijd.

Ook Gods kinderen kennen de wintertijd in hun leven. Meestal door eigen schuld, soms om ons geestelijk te oefenen, om ook in de duisternis op God te betrouwen. Het is niet altijd door bepaalde zonden dat we in de duisternis terechtkomen. God wil ons wel eens gebruiken om de wonderen van Zijn genade op een uitbundige wijze, zou ik zeggen, ten toon te spreiden. En dan vindt Hij het nodig, net als bij Job, om ons diep te vernederen. Niet door Zijn slaande hand, maar door Zijn vaderlijke wijsheid. Opdat we méér vruchten zouden dragen en ook anderen zouden zien genade van God te hebben gekregen. Maar ook dan geldt het: ‘Ik was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder.’ Opdat we ook anderen zouden kunnen bemoedigen.

 

Paulus zegt: ‘Nee, je moet niet met je hoofd in het stof gaan zitten. Hef je ziel op tot God, roep uit de diepte van je ellende tot de Heere, want Hij heeft mij óók verlost, ik was óók zoals u. Ik was vernederd, ik was verslagen, ik zat in de duisternis, het was wintertijd, er kon geen gebed door, er groeiden geen vruchten aan mijn levensboom. En toen riep ik uit mijn benauwdheid tot God, en de Heere hoorde en Hij heeft me verlost.’

God is wijs! Hij behandelt niet al Zijn kinderen op dezelfde wijze. Niet allemaal zijn we als Paulus, die Hij bestemd heeft de apostel der heidenen te zijn.

Paulus zegt: ‘Vroeger, toen had ik reden om in het vlees te betrouwen, ik was besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van de stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een farizeeër; naar de ijver een vervolger der gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk (Fil.3:5-6).

Máár, zegt hij, hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’wil schade geacht (Fil. 3:7). ‘Alles waar ik mijn betrouwen op stelde, was mij tot schade. Het voerde mij steeds verder van mijn Verlosser. Ik werd steeds harder, steeds wettischer, steeds ijveriger om m’n hoofd boven water te houden. Om goed te doen voor de Heere, om nog een trapje hoger te klimmen voor de Heere op de geestelijke ladder. Maar toen, toen Christus in mijn leven kwam, toen is het omgekeerd, toen walgde ik van mezelf. Toen zei ik: ik, de grootste der zondaren, ik heb het kruis versmaad, ik heb Christus veracht, ik heb de gemeente vervolgd. Ik heb hen die leefden door het geloof, niet verstaan. Ik leefde bij de scherpte van de wet en ik wilde dat ook anderen daar naar zouden leven.’

 

Ja, geliefden, dat is nog zo. Mensen die het van Christus geleerd hebben, zijn handelbare mensen. Die hebben ook nog een woord van opwekking voor zondaren. Dat zijn mensen die naast je kunnen gaan zitten. Die komen niet om je te veroordelen, om je de hel en de verdoemenis aan te zeggen, maar die komen smekend om je van de zonden af te houden.

Heb je ook zulke ouders, kinderen? Heb je ook zulke broers en zussen? Heb je ook zulke kinderen, ouders, die zo met je spreken? Die zeggen: ‘Ach, waarom zou je verder gaan op het pad der zonde, je doet de Heere er zo’n smart mee en je verwondt er jezelf zo mee.’

Dat zei de Heere ook tegen Saul: Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan (Hand.9:5). Het is ook voor jullie zo verschrikkelijk, als je doorgaat in de zonden en ongerechtigheden en het kruis van Christus van je wegduwt, omdat je dat kruis niet wilt dragen. Bedenk echter dat Saulus Paulus moet worden. En hoe wordt hij dat? Wel, op dezelfde manier zoals het nu nog gaat. Hij leerde de Heere Jezus kennen. Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt (Hand.9:5).

Dan is het afgelopen. Dan wordt hij van een ijverige christen in eigen ogen, een arme verloren zondaar. En roept hij het uit: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand.9:6)

 

Gelukkig ogenblik, gezegende tijd, wanneer het evangelie ons breekt, wanneer de kracht van Christus ons in het stof drukt, wanneer de genade van Jezus ons onze ellende, ons onze zonde doet zien. Dan hebben we in onszelf geen moed meer om op te staan, dan moeten we geholpen worden.

Ik zei straks: het kan ook in de wintertijd van het geestelijk leven wel eens zo zijn, alsof er geen levenssap meer in ons is. Maar als dan de lente komt, dat diezelfde boom, diezelfde wijnstok waarvan je in de winter zegt: ‘Hij is niet te onderscheiden van een dode boom’, dat, als het God behaagt om de zon over ons te doen schijnen en die koude winternachten wegdrukt uit ons leven en het dierbaar evangelie voor ons ontsluit, er weer leven in onze ziel komt.

Dan bot ons leven weer uit. Dan buigen we onze knieën weer. Dan heffen we onze ziel weer op tot God. Ja dan krijgen we weer bladeren van belijdenis. Dan gaan we weer goed van God denken en goed over God spreken en dan komen ook de vruchten weer openbaar, zoals liefde en ontferming over degenen die nog buiten zijn.

 

Dat was het wat Paulus geleerd heeft. Zijn grote ijver was dááraan te danken. Niet dat hij zo’n geweldenaar was die alles vermocht, maar omdat hij Jezus had leren kennen in Zijn uitnemendheid en in Zijn vriendelijkheid, in Zijn lijden en in Zijn sterven, in Zijn vaderlijk mededogen. Dat was nu zijn kracht.

Ik vermag alle dingen, want ik heb Christus leren kennen en ik heb gezien hoe Hij om mijnentwil het kruis heeft verdragen en de schande veracht en nu als de Verheerlijkte aan Vaders rechterhand, Zijn gaven uitdeelt aan een ellendig en arm volk. En nu vermag ik álle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. En wij?

 

Kom, laten we dit nog even overdenken, nadat we gezongen hebben uit Psalm 18 vers 9:

 

Ik kan met U door sterke benden dringen,

Met mijnen God zelfs over muren springen.

Des Heeren weg is gans volmaakt en recht;

Doorlouterd, rein en trouw al wat Hij zegt.

Hij is een schild en schutsheer voor de vrome,

Voor wie tot Hem de toevlucht heeft genomen.

Wie is een God, als Hij, in tegenheên?

Wie is een rots, dan onze God alleen?

 

Door Christus, Die mij kracht geeft. Dat was de oplossing van het geheim. Daardoor kon hij doorstaan wat hij doorstaan heeft en getrouw zijn tot in de dood.

Geliefden, laten we het daar dan ook zoeken, want daar is het alleen te vinden. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef.2:8). Paulus roem was alleen in Christus. Zolang we alleen nog maar uit de weldaden van Christus leven, dan blijven we toch murmureerders.

Dat kun je zien aan het volk van Israël in de woestijn. De Heere zorgde dag en nacht voor hen. Ze hadden geen gebrek, ze hadden manna uit de hemel, ze hadden water uit de steenrots, ze werden overdag beschut door de wolkkolom en ‘s nachts verlicht en verwarmd door de vuurkolom. God zorgde dat hun schoenen niet versleten en hun klederen niet verouderden, die hele lange woestijnreis. En wat hebben ze ervan terecht gebracht? Ze hebben gemurmureerd en aan het merendeel heeft God geen welgevallen gehad, maar Hij heeft hen terneergeslagen in de woestijn, omdat zij lust hadden tot het kwaad.

 

Zo kan het met ons ook gaan. Het waren ook kerkmensen. Ze droegen ook het teken van Gods verbond. Ze onderhielden op hun manier ook de inzettingen van de Heere. Maar ze kenden de Heere niet. En de Heere had Zich toch rijkelijk aan hen geopenbaard. Elke morgen, behalve op de sabbat, konden zij het manna bijeenrapen, zodat zij dagelijks vers brood hadden. En de steenrots die volgde, gaf water genoeg, heerlijk water van God! Dag en nacht waren ze onder Zijn beschutting van wolk- en vuurkolom.

Hoe kan het toch, dat je dan toch op jezelf blijft staan? Hoe kan het toch, dat je nooit Gods goede hand ziet en met Paulus voor God in het stof buigt? Misschien ben je ook net als hij, een ijverige jongen, een ijverig meisje, om nog iets voor de kerk van de Heere te doen en toch ten diepste vervreemd van Gods genade. Wat is dat erg!

Dan kom je er nooit aan toe om God de eer te geven, om Jezus lief te hebben. Laat ik het maar zonder omwegen zeggen. Want daarin is het leven, het eeuwige leven, dat je de Zaligmaker kent. Dat je met een betraand oog en met een gebroken hart zegt: ‘Heere Jezus, deed U dat voor mij? Arm geworden, mij tegemoet getreden op de weg naar Damascus. Mij in het stof gedrukt, om me weer op te richten, om me van een vijand een vriend te maken…’

 

Hebben wij God zo ook ontmoet in ons leven, al is het dan niet precies op diezelfde weg en op diezelfde manier? Want er moet toch een ontmoeting zijn tussen God en ons, willen we God in waarheid kennen.

Elke ontmoeting tot zaligheid betekent een verandering in ons leven, geeft ons andere gedachten over God, geeft ons ook een andere leefrichting, kortom: geeft ons anders te denken over God en ook over onszelf. Daarin is elke bekering precies gelijk.

 

En dan mogen we in ons leven niet geroepen zijn tot zo’n ontzaglijk werk als Paulus, maar toch, elke christen is een ambtsdrager, is profeet om van Hem te getuigen, is een priester om zichzelf als het erop aankomt aan de Heere te offeren voor de dienst van de Heere, met lot en leven de kant van de Heere kiezen, ook als je schade zou lijden, ook als de mensen je vertrappen en vernederen omdat je een christen bent. Jezelf offeren omdat Christus hét offer gebracht heeft…

En elke christen is ook koning om koninklijk te strijden tegen de zonden en tegen de satan, om in opstand te komen tegen het kwaad, in de eerste plaats in je eigen leven. Nu, daar heb je de kracht van Christus voor nodig, maar die geeft God je ook. Want we zijn één geworden met de Wijnstok. We mogen sappen uit Hem trekken. We kunnen Hem nooit meer lastigvallen. Al onze smekingen zijn Hem aangenaam. Hij heeft een horend oor en een opmerkzaam hart.

Hij roept ons toe: Wie is slecht, hij kere zich herwaarts (Spr.9:4), en op een andere plaats: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). In Hem is er nog sap genoeg, is er genade genoeg, voor de grootste van de zondaren.

Laten we dan onze reis niet verder gaan zonder Hem. Het is al erg genoeg als we twaalf, dertien, vijftien, achttien jaar de wereld en de zonde gediend hebben onder de schijn van vroomheid, maar toch met ons hart aan de wereld zijn blijven hangen.

Kom, het is nu tijd om te zeggen: ‘Heere, het is genoeg, het is genoeg dat ik de voorgaande tijd van mijn leven de wil der heidenen volbracht heb. Ik kom tot U gevloden. Red mij, genees mij, geef me een nieuw hart, leid mijn leven naar Uw raad, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond, want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.’ Dan gaat het toch leven in ons hart: Ik vermag alle dingen.

 

Zeg nu niet: ‘Ja maar, ik heb nog zoveel dingen in mijn leven waar ik geen afstand van kan doen. Mijn hart is nog zo aan mijn werk gekluisterd en aan het geld wat ik daarmee verdien. Ik zou het niet voor m’n vrouw of voor m’n man of voor m’n vader of voor m’n moeder durven bekennen dat ik andere dingen zoek.’

Dat kan ik begrijpen! Er kunnen van die tijden in ons leven zijn, dat we onszelf aan de ene kant door Gods liefde getrokken voelen en aan de andere kant ons zo verloren gevoelen, dat we het eigenlijk niet dúrven laten merken, dat we de Heere zoeken. Dat we ergens wegkruipen en in de eenzaamheid onze smart uitschreeuwen voor God, en we het voor de mensen niet durven bekennen dat we andere verlangens hebben, dat we een andere levenskoers begeren te gaan.

Onthoud dan wat hier staat, kruip ermee naar God toe: Ik vermag alle dingen.

 

Jongens en meisjes, misschien zit je op allerlei manieren midden tussen je vrienden en vriendinnen aan de wereld vast gekluisterd en heb je allerlei dingen die je tegenhouden. Maar hier staat de boodschap die voor jou bestemd is: Ik vermag alle dingen.

Dat kon zelfs Paulus zeggen, die een hater geweest was van Jezus Christus en een vijand van God. Hij heeft dingen gedaan die wij nooit gedaan hebben. Hij heeft de christenen vervolgd, hij heeft ze gevangen willen nemen en gebonden willen brengen voor de Joodse hoge raad om veroordeeld te worden. Nu, dat heb jij nooit gedaan.

Hef dan je ziel tot God op, laat Hem de ellende van je leven zien en belijd je zonden daar waar Paulus ze beleden heeft. Dat is de goede plek, namelijk aan Jezus’ voeten. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken (Hebr.11:6).

Als je die verwachting niet koestert, dan ben je net als een heiden. Dan belijd je net als de heidenen ook op goed geluk af je zonden aan de goden, die je niet uit je ellende kunnen verlossen. Nee, niet zó, maar aan de voeten van onze getrouwe Zaligmaker, de gekruisigde Borg, de Man van smarten, Die onzer Eén geworden is. Die het kruis heeft verdragen tot in de dood. Die in de wereld gekomen is, niet om rechtvaardigen te roepen, maar om zondaars met God te verzoenen.

Dwaal niet verder van Christus af. Laat Hem je geroep horen, als een verdwaald schaap, want daartoe is Hij in de wereld gekomen, om verlorenen te zoeken.

 

En u die houvast kreeg aan deze genade waarvan Paulus spreekt in deze brief aan de Filippenzen, het geldt ook voor u: Ik vermag alle dingen. Alle dingen, de knopen die u nu binden en de zelen en touwen waar u mee gebonden bent. U moet het in uw eigen leven maar eens uitzoeken, waarom het leven niet doorbreekt, waarom u zich schaamt om met uw man, uw vrouw en uw kinderen en op het werk en overal van Hem te getuigen, en als u het dan met woorden niet doet, met daden te getuigen dat de zonden u de dood geworden zijn. Want u bent een nieuw mens geworden, u bent een soldaat geworden in het leger van Jezus Christus en daar moet u zich niet voor schamen. Want om tot Gods eer te leven, is toch de begeerte van uw hart.

Paulus zegt: Ik vermag alle dingen, dat mag u Hem nazeggen, als u er dan maar achter zegt: Door Christus.

Want in Hem heb ik een welbehagen. Op Hem stel ik mijn betrouwen. Bij Hem zoek ik mijn heil. Van Hem wacht ik een heerlijk lot voor de tijd en voor de eeuwigheid. Hoe dieper u blikt in Zijn wonden, hoe meer gemeenschap u hebt aan die Gekruiste, aan die Vloek-dragende, aan die van God Verlatene, hoe meer dat Hij tot u spreekt in uw ellende en moeite en verdriet: ‘Ik om uwentwil, daar gij anders de eeuwige dood moest ingaan.’

 

En hoe meer u aan Hem verbonden wordt, hoe vrijmoediger u wordt, want u staat de sterke Held terzij, Die God u heeft verkoren. Zijn Naam is Jezus, de Zaligmaker, en wie Hem vindt, die vindt het Leven, die vindt God. En wie kan er tegen God strijden? Wie kan God overwinnen? Zo God vóór ons is, wie zal tegen ons zijn? (Rom.8:31)

 

Jongens en meisjes, neem het eens mee op je levenspad, want je wordt zo vaak voor de keus gesteld: óf de kant van de Heere, óf de kant van de duivel, van de wereld, van de zonde en van je eigen ellendige vlees. Tot nu toe heb je nog altijd gekozen voor de verkeerde weg, tenzij dat je hart net als Paulus mag zeggen: ‘God heb ik lief, want die getrouwe Heer’ hoort ook mijn stem. En nu: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft.’ Daar is hij achter gekomen, juist in de strijd van zijn leven.

Zolang je die strijd mijdt, zolang je je daar buiten houdt, om welke reden dan ook, weet je niet hoe sterk het geloof is. Maar als je dat strijdperk binnentreedt door de genade van God, als een geharnaste door het Woord, met de helm der zaligheid op je hoofd en met het zwaard des Geestes in je hand, dan kom je er achter hoe sterk de genade van God is. Dan ben je onoverwinnelijk. Dan wordt het: Ik vermag álle dingen door Christus, Die mij kracht geeft. Vooral als de verzoekingen van de boze komen en satan hoog spel speelt en de zonden de overhand dreigen te krijgen in je leven.

Welk kind van God is er die zich niet verootmoedigen moet vanwege de zonde?

 

Luther heeft gezongen in de nood: ‘Ons staat de sterke Held terzij, Die God ons heeft verkoren.’ Als je dan naar Zijn Naam vraagt, zo weet dat Hij de Christus heet, Gods ééngeboren Zoon. Hij is door God aangesteld als de Redder van zondaren. Hij is de Verwinnaar op de troon en Hij geeft Zijn volk de zegen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 85: 4

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;

De vrede met een kus van ‘t recht gegroet;

Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;

Gerechtigheid ziet neer van ‘s hemels boog;

Dan zal de Heer’ ons ‘t goede weer doen zien;

Dan zal ons ‘t land zijn volle garven biên;

Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,

Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).