Ds. D. Rietdijk - Zondag 31

De sleutelen van het hemelrijk

De sleutels van de kerk
De sleutel van het Woord
De sleutel van de tucht
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 122: 1, 2
Lezen : Mattheüs 16: 13-20
Zingen : Psalm 101: 1, 2, 5, 6
Zingen : Psalm 85: 3
Zingen : Psalm 1: 4

Gemeente, wij willen met u overdenken Zondag 31 van onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 83: Wat zijn de sleutelen des hemelrijks?

Antwoord: De verkondiging des heiligen evangelies en de christelijke ban of uitsluiting uit de christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijk de gelovigen opengedaan en de ongelovigen toegesloten wordt.

 

Vraag 84: Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des heiligen evangelies ontsloten en toegesloten?

Antwoord: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt dat hun, zo dikwijls als zij de beloftenis des evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden van God, om de verdiensten van Christus wil, vergeven zijn; daar­entegen alle ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.

 

Vraag 85: Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door de christelijke ban?

Antwoord: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, degenen die onder de christelijke naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijke malen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk leven niet willen aflaten, der gemeente, of degenen die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, aangebracht worden; en, zo zij aan de vermaning zich niet storen, van henlieden door het verbieden der sacramenten uit de christelijke gemeente, en van God Zelf uit het rijk van Christus gesloten worden; en wederom als lidma­ten van Christus en Zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zij waarachtige betering beloven en bewijzen.

 

Gemeente, wij luisteren naar: De sleutelen van het hemelrijk.

 

We letten op:

1. De sleutels van de kerk

2. De sleutel van het Woord

3. De sleutel van de tucht

 

1. De sleutels van de kerk

 

Gemeente, de sleutels van het hemelrijk, van het koninkrijk der hemelen, zijn niet een vondst van mensen, maar daarover heeft de Heere Jezus gespro­ken tot Simon Petrus, toen zij in de delen van Caesarea Filippi waren. De vraag was: Wie zeggen de mensen dat Ik, de Zoon des mensen, ben? Toen hebben ze geantwoord: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elia; en anderen: Jeremia, of een van de profeten. En dan gaat Jezus met Zijn vraagstelling wat dichterbij komen en vraagt Hij: Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?

Het is belangrijk om daar een antwoord op te hebben. Dat vraagt de Heere ook aan ons: ‘Wie ben Ik?’ Petrus antwoordt als eerste. Hij zegt: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. De Heere Jezus antwoordt Simon Petrus: Zalig zijt gij, Simon Bar-Jona; want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is (Matth.16:13-17). Petrus wist dus niet van zichzelf dat Jezus de Christus, de Zoon van de levende God was, maar via openbaring door God de Vader.

Het is een zaligheid om te mogen weten Wie Hij is. Hij is de Verlosser, Hij is de Gezalfde, de Messias, de Zoon van de levende God. Hij is het geschenk van de Vader in deze wereld, de Zaligmaker, Die gekomen is, gezonden door de Vader, om te zoeken en zalig te maken wat verloren is.

Jezus gaat verder en zegt: ‘Dat is een keurige belijdenis, Simon, en gij zijt Petrus, maar nu zal Ik op deze petra, dat wil zeggen: op deze belijdenis, deze van God geopenbaarde belijdenis, daar zal Ik Mijn gemeente op bouwen en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.’ Jezus bouwt dus Zijn kerk op het Woord van God en op de belijdenis: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Dat is een machtig woord: Op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen en de poorten der hel zullen dezelve niet overwel­digen (Matth.16:18).

 

Gemeente, wat is het toch belangrijk om bij dat geopenbaarde Woord te blij­ven en zorgvuldig de belijdenis van dat geopenbaarde Woord vast te houden. Als je naar de toekomst kijkt, zijn er grote zorgen. Dan vrees je soms dat we zullen wegzinken in een soort mysticisme, waar juist de Reformatie de kerk des Heeren uit weggehaald heeft en weer gebracht heeft bij het geopen­baarde Woord van God. Wat is het nodig dat wij onszelf in het Woord oefe­nen! Wat is het nodig dat de Heilige Geest ons in het Woord van God vast­zet! Want: Op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen.

Als u in het Woord geworteld en gefundeerd bent, dus niet op wat deze of gene eens gezegd heeft, maar wanneer u in het Woord van God geworteld bent en op de Rotssteen des behouds, Wiens werk volkomen is, gebouwd bent, dan zullen de poorten der hel in der eeuwigheid u niet overweldigen. Jezus belooft het: Op deze petra bouw Ik Mijn gemeente.

 

Vervolgens geeft de Heere aan Simon Bar-Jona de sleutels van het koninkrijk der hemelen en zegt daarbij: Wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn ; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, dat zal in de hemelen ontbonden zijn (Matth.16:19). Dat is hetgeen de Heere tot Simon Bar-Jona gezegd heeft en waaraan de uitdrukking ‘sleutelen van het koninkrijk der hemelen’ is ontleend.

Overigens heeft de Heere Jezus dat beeld ontleend aan Jesaja 22. In dat hoofdstuk wordt gesproken over Sebna de hofmeester, de hofmaarschalk, de beheerder van het paleis van koning Hizkia. Jesaja moet Sebna gaan zeggen dat het oordeel van God over hem komen zal. Eljakim zal in de plaats van Sebna komen en sleuteldrager worden. God zal de sleutel van het huis van David op de schouder van Eljakim leggen. En als hij opent zal niemand sluiten, en als hij sluit zal niemand openen.

Zo’n hofmaarschalk droeg als teken van waardigheid een houten sleutel op de rechterschouder. Hij beschikte over de toegang tot het paleis. Hij beslis­te wie bij de koning op audiëntie mocht komen. Wanneer hij de deur van het paleis openzwaaide, was die deur open en was de toegang tot de koning open. Maar wanneer hij de toegang tot de koning weigerde en dus de deur dicht hield, was die deur gesloten, dan was die goed dicht. Geen wacht kon de deur voor zo’n man of vrouw openen.

Zo'n hofmaarschalk was dus een zeer belangrijke man. De beheerder van het paleis van koning Hizkia zou Eljakim zijn. En dan die woorden: Ik zal de sleutel van Davids huis op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten en niemand zal opendoen (Jes.22:22).

Dat wordt in het boek Openbaring ook aangehaald. Daar wordt gezegd van de Heere Jezus dat Hij de sleutel Davids draagt en als Hij opent sluit nie­mand, en als Hij sluit opent niemand.

 

Het gaat hier niet om een paleis op deze aarde, het gaat in onze catechismus niet om een paleis van een koning. Nee, het gaat hier om het paleis van de Koning der koningen, om de deur, de poort van het koninkrijk der hemelen. Want op deze aarde is de poort van het koninkrijk der hemelen te vinden, maar hier zijn ook de poorten der hel te vinden. Die staan tegenover elkaar. Jakob heeft de poort des hemels ontmoet in Bethel. Dit is de poort des hemels (Gen.28:17).

‘Nu zullen de poorten der hel de gemeente niet overweldigen’, zei Jezus. Op allerlei manieren zijn de poorten der hel op aarde aanwezig en deze hel tracht de gemeente te verwoesten. Wie als gemeente gebouwd is op die petra, op die Rotssteen, de poorten der hel zullen die gemeente niet over­weldigen. Die zal dan nooit verloren kunnen gaan. Ze zijn gebouwd op dat enige Fundament, Christus Jezus. Maar dan moet die poort van het konink­rijk der hemelen ontsloten worden. Want pas als die opengaat, krijgen wij toegang tot het paleis van de allerhoogste Koning.

 

De sleutels van hemel en hel liggen in de handen van Jezus. Ik heb de sleu­tels der hel en des doods (Openb.1:18). En in Openbaring 3 staat: ‘Hij draagt de sleutel Davids; indien Hij opent zal niemand sluiten, en als Hij sluit zal niemand openen.’ Laten wij dus vaststellen dat de Heere het alleen voor het zeggen heeft, dat de Heere alleen de macht heeft om het koninkrijk der hemelen te openen en mensen toe te laten.

Die macht en dat recht zal niemand op aarde Hem ooit kunnen afnemen. Die macht en dat recht heeft Hij voor eeuwig.

 

De kerk op aarde, de strijdende kerk, is een afbeelding van dat koninkrijk der hemelen. De triomferende kerk is in de hemel, daar heeft alleen de Heere Jezus de sleutel voor. Hij laat de Zijnen toe door het geloof. Alle onboetvaardigen en ongelovigen sluit Hij buiten het koninkrijk, want daar zal niet inkomen iets dat verontreinigt, iets dat gruwelijkheid doet, iets dat leugen spreekt. Daar komen alleen degenen die geschreven zijn in het boek des levens des Lams. Jezus opent het koninkrijk der hemelen. Het eind­oordeel is bij Jezus.

Maar de strijdende kerk hier op aarde, die het beeld is van het koninkrijk der hemelen, heeft ook sleutels. En dat koninkrijk der hemelen is geestelijk van aard. Het is geen vleselijk koninkrijk. Dat koninkrijk der hemelen komt niet met uiterlijk gelaat. Het is een geestelijk koninkrijk en daarom zijn die sleutels van dat koninkrijk ook geestelijk van aard.

Als de Heere Jezus aan Simon Bar-Jona de sleutelen van het koninkrijk der hemelen geeft, dan zijn dat geestelijke sleutels. Die geeft Hij niet alleen aan Simon Petrus, aan Simon Bar-Jona, maar aan al de ambtsdragers die in de kerk des Heeren het ambt bekleden van Koning Jezus. Zij krijgen ook die sleutels van dat koninkrijk der hemelen.

 

Rome heeft dat anders gewild en gezegd: ‘Kijk, aan Simon Petrus worden die sleutels gegeven. Petrus is de sleuteldrager, en de opvolger van Petrus, als bisschop van Rome, draagt die ook.’ Als hij dat ooit geweest is… ‘Hij krijgt de sleutelen van het hemelrijk. Hij beslist over het eeuwig wel of eeuwig wee.’

Alleen de paus in Rome draagt daarom de macht van het koninkrijk der hemelen om dat te openen of toe te sluiten. Hij heeft dus de bevoegdheid de zonden wel of niet kwijt te schelden.

Nu kan de paus dat onmogelijk persoonlijk over de hele wereld doen, dus heeft hij die sleutelmacht in stukjes gebroken en zo elke priester een stukje van die sleutelmacht gegeven. De priester in de Roomse kerk oefent dat uit, niet in het openbaar, maar in de biecht, in de stilte van het biechthokje. Daar wordt in het geheim de zonde beleden, in het geheim de boetedoening opgelegd. Daar wordt ook in het geheim uitgesproken: ‘Ik vergeef u.’

 

Nu heeft de kerk van de Reformatie de sleutelmacht van de kerk om de zonde te vergeven ontrukt aan het biechthokje en aan het geheim van de biecht en het gebracht waar het thuishoort, namelijk openlijk op de kansel, onder de prediking van het heilig evangelie en van de christelijke ban.

De ambten in de kerk hebben dat uit te oefenen. Want niet alleen Petrus kreeg die macht. In Johannes 20 vers 21 tot en met 23 leest u dat de Heere Jezus op al Zijn discipelen blies en dat Hij hun macht gegeven heeft op aarde te binden of te ontbinden. Dat zal ook in de hemelen gebon­den en ontbonden zijn.

Zo komt op de kansel, in de prediking, in het publiek, de vergeving der zonden te liggen. Want God neemt mensen, uit het stof geformeerd. Die leidt Hij tot de kansel, niet om met spitsvondige redeneringen of vondsten de gemeente bezig te houden, maar om te verkondigen en te betuigen.

Dat staat er twee keer: openlijk verkondigen en betuigen. In dat betuigen zit de eed van God. Dat moet u zich zo voorstellen: die men­sen staan in de plaats van de Koning der koningen en prediken: ‘Alzo zegt de Heere, zo waarachtig als Hij leeft!’ Zij prediken als van Christuswege, alsof God door hen bade. Daar hebt u de hoge roeping en de opdracht die de Heere aan Zijn kerk gegeven heeft. Zo komt de prediking van het Woord en de kerkelijke tucht tot u. Zo worden de sleutelen van het hemel­rijk bediend.

 

Wat op aarde gebonden zal worden, dat zal in de hemel gebonden worden. Binden is een rabbijnse uitdrukking. Daar bedoelden de rabbijnen mee: met gezag, als leer afkondigen. Binden is dit: als u zich niet aan de goede leer van het koninkrijk der hemelen onderwerpt, dan wordt u de toegang tot dat koninkrijk ontzegd, dan wordt die deur gesloten. Die zal in de hemel gebonden zijn.

Ontbinden staat daartegenover. In een weg van berouw en boete wordt iemand toegelaten tot dat konink­rijk der hemelen. Dat geschiedt door middel van de prediking van het Woord. Daartoe worden de ouderlingen en de dienaren van het Woord geroepen. De dienaren van het Woord worden geroepen tot de heilige dienst van Woord en sacrament, van het ‘alzo zegt de Heere’.

Daarom gaat het er niet om of de één mooi preekt en de ander niet. of de één wat anders preekt dan de ander. Nee, het gaat erom dat het Woord gepredikt wordt. Het Woord prediken en openlijk verkondigen en betuigen aan elke gelovige en ook aan elke ongelovige en die zich niet van harte tot God bekeren. Dat is de dienst van het Woord, de sleutel­macht van de kerk des Heeren.

 

In de plaats van Christus, in de plaats van de Koning, staan daar de gezan­ten van Christuswege. De ouderlingen hebben de sleutel van de tucht, van de regering, en door die tucht wordt gesloten en weer geopend.

Gemeente, als er staat: ‘Wat op de aarde gebonden is, dat zal in de hemel gebonden zijn, en wat op de aarde ontbonden is, zal in de hemel ontbonden zijn’, moet u niet denken dat de ouderlingen macht hebben om mensen toe te laten tot het koninkrijk van God en anderen er buiten te sluiten. Nee, zij hebben het Woord te prediken en de tucht naar het Woord van God uit te oefenen.

God ontsluit door middel van de prediking van het Woord dat koninkrijk der hemelen. Dan zal in de prediking van het Woord die daad volgens de Schrift verkondigd moeten worden. Omdat God in dat Woord spreekt en dat opent, daarom zal het in de hemel ook ontbonden zijn. Omdat God in dat Woord sluit, daarom zal wat hier op aarde gebonden wordt, ook in de hemel gesloten zijn. God legt in Zijn Woord de sleutelmacht, een dienende macht in de handen van de kerk.

 

2. De sleutel van het Woord

 

Het tweede is de sleutelmacht van het Woord. Hoe gaat dat dan? De ver­kondiging van het heilig evangelie is de sleutelmacht van het Woord. Dat is de taak van de dienaren. De dienst van het Woord is voluit verkondiging van het heilig evangelie. Geen verhalen, geen vondsten van mensen, maar uit­legging en toepassing van het Woord van God. Het Woord moet worden uit­gelegd, zodat u het Woord verstaat en dan moet dat worden toegepast. Luis­tert u dan maar rustig naar dat heilig evangelie. Dat is de reinheid van het evangelie van Gods genade. Dat mag u niet verkorten, dat mag u niet ver­lengen door er wat aan toe te voegen, dat mag u niet besmetten of besmeu­ren.

Met het heilig evangelie heeft de mens alleen maar met de diepste eerbied om te gaan. Daar heeft de prediker ook met de grootste eerbied mee om te gaan. Daar heeft hij naar te luisteren in zijn studeerkamer, daar heeft hij bid­dend onderzoek naar te doen, daar heeft hij te vragen naar het­geen de Heere te zeggen heeft in Zijn Woord. Dat heeft hij te onderzoeken en te doorgraven tot op de bodem toe. Het evangelie is gezonden tot ope­ning van het koninkrijk.

 

Het is zo heel wonderlijk, als er gevraagd wordt in onze catechismus naar de prediking van het heilig evangelie, dat de vraagstellers beginnen met ontslo­ten en toegesloten. En als het om de tucht gaat, beginnen ze met toegeslo­ten en ontsloten. Dus bij het evangelie is het ontsluiten eerst en bij de tucht is het ontsluiten het tweede wat er gebeurt.

Door het evangelie wordt het koninkrijk der hemelen opengedaan. Dat is de aard van dat heilig evangelie. Daarom is het de goede boodschap of, zo u wilt, de blijde boodschap, want het is niet gering wat het evangelie doet. Het opent de poort van het koninkrijk, want de poort is dicht. Wij hebben die poort gesloten door onze zonden. Wij hebben God en Zijn geboden verlaten, Zijn Woord verlaten met alle beloften van zaligheid die de Heere in dat Woord gegeven heeft. Wij hebben in het paradijs de toezeggingen van God verlaten, die Hij gaf met betrekking tot het eeuwige leven. Daardoor hebben wij daar de poort van het koninkrijk der hemelen achter ons toegeworpen. Daar staat de mens bui­ten, ook zonder enige begeerte om die deur weer te openen.

 

Adam vluchtte voor God en verborg zich voor Hem. Zo is het nu ook met de mens gesteld. Hij kan naar God niet terug, hij wil naar God niet terug en hij gaat naar God niet terug. Dat doet de mens niet.

Maar nu komt God tot de mens en dat is het evangelie. God komt tot de mens, niet om dat konink­rijk der hemelen toe te sluiten, om die deur dicht te laten, maar juist om die deur te openen. God komt tot de mens met de vraag: ‘Waar zijt gij?’ Dat is opzoekende liefde, dat is het evangelie. Die opzoekende liefde openbaart de Heere als Hij mensen het evangelie doet verkondigen.

Door het evangelie wordt gelovigen verkondigd dat hun zonden om Chris­tus’ wil, om Christus’ verdiensten, vergeven zijn en dat hun alzo de poort des hemels weer ontsloten is, zodat ze weer een vrije toegang hebben ver­kregen tot de troon der genade. Door datzelfde evangelie wordt verkondigd dat op de ongelovigen, zolang zij in hun ongelovigheid en onboetvaardig­heid blijven voortleven, de toorn van God blijft en dat een eeuwige verdoemenis hen wacht. Dat is de eerste sleutel. Een macht om te ontsluiten en om te openen.

 

Het is het evangelie, dat naar het woord dat Paulus spreekt in de tweede Korinthebrief, ‘een reuke des levens ten leven’ is. De Heere Jezus gaf aan Zijn discipelen de opdracht om het evangelie te prediken aan alle creaturen, als een reuke des levens ten leven. Dat wil zeggen: het is een lieflijke reuk, die ook levend maakt. Die reuk van het evangelie schenkt ook vrolijkheid in het hart van alle gelovigen. Het wordt hun openlijk verkondigd en betuigd dat zij, zo dikwijls als zij deze beloften van het evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk al hun zonden om de verdiensten van Christus wil vergeven zijn.

Gemeente, het gaat om het waarachtige geloof. Wat is dat geloof, dat de beloften van het evangelie omhelst, dan toch belangrijk! Ziet u het staan in onze catechismus, in de leer van onze vaderen? ‘Zo dikwijls als zij die belof­ten met een waar geloof aannemen.’ Het geloof gaat nooit verder dan de beloften. In de beloften bezit het geloof hetgeen de Heere daarin belooft. Het geloof bezit wat God in de beloften belooft, namelijk vergeving der zon­den. En gemeente, vanuit die beloften wordt de hoop gevoed en de hoop ziet uit naar de toekomstige vervulling van de beloften, als de Heere deze volkomen gaat vervullen.

Maar hier op aarde gaat het geloof niet verder dan de beloften. Want de ver­vulling zullen ze straks ontvangen, als het geloof niet meer nodig is, als het geloof is overgegaan in aanschouwen en als de hoop bezit geworden is. Als ze daar voor de troon van God en het Lam staan, dan is het geloof niet meer nodig en zijn de beloftenissen vervuld. Deze worden in hun totaliteit vervuld op de dag van de wederkomst van de Heere Jezus, om dan ten volle te genie­ten de vervulling van de beloften Gods, die daar zijn in Christus Jezus, onze Heere.

 

Het geloof richt zich dus op de beloften van God. Zo dikwijls zij die beloften met een waar geloof aannemen hier in dit leven, hebben zij waar­achtiglijk vergeving der zonden, alleen om de verdiensten van Christus.

Gemeente, het gaat om het waarachtige geloof. Daar heeft onze catechismus al veel dingen over geschreven. Nu, in de laatste Zondag over de verlossing, komt hij daar nog één keer op terug en zegt dat het geloof de beloften van het evangelie omhelst. En zo dikwijls het die beloften omhelst, heeft het vrede bij God. Door onze Heere Jezus Christus heeft het vrede in de ziel.

Het gaat dus om de beloften van het evangelie met een waar geloof aanne­men. Dan zult u misschien zeggen: ‘Ja, altijd maar dat geloof.’ Ziet u het dan anders staan in onze catechismus? Zou u het ook anders zien staan in het Woord van God? Dacht u dat u zich op een andere wijze ooit de beloften van het evangelie toe zou kunnen eigenen, dan door het geloof?

Hoe dacht u dat de gelovigen van het Oude en Nieuwe Testament die beloften hebben omhelsd? Ze hebben door het geloof geleefd, de beloftenis omhelsd en ze zijn in het geloof gestorven, de beloftenis niet verkregen hebbende. Al die mensen hebben door het geloof in die beloften geleefd. Zodra ze geloofden, hadden ze vrede bij God.

Leest u maar bij Abraham. Hij had de beloften van een zoon die hem gebo­ren zou worden, van een zaad. Dan moet hij kijken naar de hemel en zien naar de sterren. Zo zal uw zaad zijn (Gen.15:5). Dan staat er: En hij geloofde in de Heere. En er staat achter: En Hij rekende het hem tot gerechtigheid (Gen.15:6). De verdien­sten van Christus worden hem toegerekend. Dan zult u zeggen: ‘Eens ver­geven is toch voor altijd vergeven?’ Weet u daarvan, van die beloften omhel­zen en aannemen?

 

Misschien zegt u: ‘Ja, geloof, je kunt beter over wedergeboorte spreken.’ Weet u wat het kenmerk is van de wedergeboorte en wat die uitwerkt in uw hart? Juist, dat wij metterdaad geloven en ons bekeren. Leest u artikel 11 en 12 van hoofdstuk 3 en 4 van onze Dordtse Leerregels maar. Hoe zullen we ooit zekerheid verkrijgen? Hoe zullen we ooit met de hand op het Woord mogen zeggen: ‘Ik weet het vast, God zal mij niet begeven, niets maakt mijn ziel vervaard’? Alleen door het geloof, dat de Heere Zelf als een gave in het hart werkt. Dan hebt u alleen houvast hieraan: ‘Gedenk aan het woord, gesproken tot Uw knecht, waarop mijn ziel verwachting heeft gekregen.’

De sleutel van de prediking van het evangelie is een scherpe sleutel. Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard, en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes, en der samenvoegselen en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten (Hebr.4:12).

 

Dat ene evangelie, gemeente, werd door de Heere Jezus gepredikt, zowel tot Petrus als tot Judas. Tegen hen zegt de Heere Jezus: ‘Verblijdt u daarover, dat uw namen geschreven staan in het boek des levens in de hemelen.’ Wat gebeurt er met Judas? Judas heeft op datzelfde moment dat Woord verworpen en ten slotte het ganse evangelie der zalig­heid verworpen. En dan is dat evangelie tegelijkertijd scherp, want dan zegt Jezus tot Judas: Wat gij doet, doe het haastiglijk (Joh.13:27).

Het evangelie schift en doet dat scherp. Het opent de deur van de schatka­mer van het evangelie en het sluit de deur voor het ongeloof en voor wie zich niet met een waar hart tot God bekeert. Dat ene evangelie, datzelfde Woord der prediking sluit de één in en de ander uit. En, gemeente, het wordt gezonden als een reuke des levens ten leven. Daartoe zit u onder de prediking van het evangelie.

Maar nu wordt het een reuke des doods ten dode, als u dit verwerpt door het ongeloof. Want dan zal het evangelie ook zeggen tegen u: ‘Waarom hebt u Mij verworpen, waarom hebt u Mij veracht, waarom hebt u al Mijn raad achter uw rug geworpen en waarom hebt u niet voor Mij gebo­gen?’ Dat vraagt dat evangelie u. Daarom is de prediking van het evangelie niet een verhandeling, niet een stuk dogmatiek, maar het is bediening van het Woord, het is uitlegging en toepassing. Het is de prediking van de schat­ten die in Christus zijn. Deze worden in het evangelie uitgestald.

 

De prediking dwingt altijd tot een keuze. Gemeente, daar komt u nooit onderuit, dat is altijd óf het verwerpen óf het aannemen. Eén van twee. Onder de prediking gebeurt het. ‘Het koninkrijk der hemelen’, zegt Jezus, ‘is als een schat in de akker.’ Een man, die aan het graven was, vindt ineens een schat, die schittert voor zijn oog.

Als de koopman van schone parels opeens de parel van grote waarde ziet, gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft om die parel te kunnen kopen. Hij ziet zoveel waarde in het koninkrijk en zoveel heerlijkheid in de Koning, dat hem buiten de Koning niets lust. ‘Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens u toch lusten? Niets is er waar ik in kan rusten.’

Buiten Jezus rust de toorn van God en de eeuwige verdoemenis op ons. Gemeente, dat verschrikt juist degenen die de Heere roept door Zijn evan­gelie en door Zijn genade tot Zijn gemeenschap. Ze verstaan er buiten te staan. Ze verstaan het niet te hebben. Ze verstaan dat de verdoemenis op hen blijft. Zij zijn het voorwerp van Gods toorn, reeds van het uur van hun ontvangenis af. Zij gaan zoeken.

Voor deze mensen, die uit de nood tot God roepen, opent God, door middel van de prediking van het Woord, het koninkrijk der hemelen. Zij mogen de schat in de akker of de parel van grote waarde zien. Zij mogen daarin de volkomenheid van de zalig­heid zien, die God voor een verloren mens weggelegd heeft.

 

Als u in de klem zit door het Woord en als de prediking u echt buitensluit, ga dan niet zoeken naar ontsnappingsclausules. Want die zijn er wel, we kun­nen erdoor onder de klem vandaan komen. Dan is de klem van het evange­lie geweest: erin of eruit, erbuiten of erin gezet. We hebben allerlei ontsnap­pingsclausules. We kunnen ons vrolijk maken over mensen die daar wat anders over denken, en we kunnen ons vrolijk maken over een prediking waarin het misschien wat anders gezegd wordt. Gemeente, zo redden wij onszelf telkens opnieuw onder de prediking uit als die ons buitensluit. Dan denken we: Nou ja, maar die heeft toch gezegd dat het niet zomaar ineens gebeurt en het moet toch anders gebeuren…

Ach, gemeente, er komt een ogenblik waarop we geen tijd meer hebben. Als de dood nadert, als wij moeten sterven en als wij voor Gods troon staan, heeft u geen tijd meer. Dan kunt u niet meer zeggen: ‘Dat komt nog wel eens over zoveel tijd.’ Gemeente, wij weten altijd te ontsnappen aan de klem van het evangelie. Wij hebben nog de tijd en het gaat zomaar niet… Maar er komt een dag waarop u zult staan voor de troon van God en dan zegt de Heere: ‘Naar dit evangelie zal Ik oordelen, beide in dit en in het toeko­mende leven.’ God oordeelt naar de prediking van het evangelie.

 

En dan moet u bedenken dat het hier niet gaat om het oordeel dat de wet over ons leven uitspreekt. Wij hebben niet gedaan wat de Heere beval, wij hebben achterwege gelaten wat de Heere beval. De wet oordeelt ons, dat is zeker. Maar het gaat hier om het oordeel van het evangelie en dat is veel erger. Naar ditzelfde evangelie zal God oordelen, beide in dit en in het toe­komende leven.

Gemeente, de Heere Jezus zegt: Wee u, Chórazin, wee u, Bethsáïda! (het gaat hier om het oordeel naar het evangelie) Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as bekeerd hebben (Matth.11:21). De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona (Matth.12:41).

‘De koningin van Scheba zal in het oordeel opstaan en u veroordelen, want zij is gekomen op het gerucht van Salomo.’ Zij heeft een lange, verre reis gemaakt om Salomo te horen en zijn wijsheid te aanschouwen. Maar u is dat Woord thuis gebracht en u hebt niet gewild. Zij zullen opstaan en u ver­oordelen.

Gemeente, die de weg geweten hebben en niet bewandeld, zullen met vele slagen geslagen worden. Met dit evangelie zal God oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.

 

U zult misschien vragen: ‘Maar hoe doet Hij dat dan in dit leven?’ Dat komt hierin openbaar dat zulke mensen nooit vrede en rust hebben. Zij heb­ben altijd de onrust in het geweten. Alle verzet tegen Christus vloeit voort uit de onrust van het hart. De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede (Jes.57:21). Ze leven ongelovig en onboetvaardig verder.

En, gemeente, lees hoe het er staat: ongelovig, onboetvaardig. Eerst ongelovig, dan onboetvaardig. Want de boetvaardigheid vloeit voort uit het geloof. Het geloof is een gave van God en de vrucht daarvan is de boetvaardigheid.

Gods toorn blijft op hen. Dan wordt er gebeden: ‘Verlaat de zonde en leef. Verlaat uw slechtigheden, kom tot Hem en leef, want in Hem is een volko­men verlossing.’ De prediking van het evangelie opent ruim en met vrij­moedigheid het koninkrijk der hemelen voor allen die de beloften van het evangelie met een waar geloof aannemen. Maar het sluit toe alle ongelovi­gen en alle onboetvaardigen en die zich niet met ware harten bekeren.

 

Deze prediking van het evangelie zal nu de grond zijn waarop God oordeelt. Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag des oordeels dan ulieden. Daartegenover zijn er die vredesklanken, waarmee God de zondaar ontmoet in de prediking van het Woord en waar de mens die op God wacht en hoopt, naar uitziet. Psalm 85 zingt daarvoor in het derde vers, wat wij nu gaan zingen:

 

Merk op, mijn ziel, wat antwoord God u geeft;
Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft,
Zijn gunstgenoot, van blijde troost en vreê,
Mits hij niet weer op ‘t spoor der dwaasheid treê.
Voorwaar, Gods heil is reeds nabij ‘t geslacht
Hetwelk Hem vreest, en Zijne hulp verwacht;
Opdat er eer in onzen lande woon’,
En zich aldaar op ‘t luisterrijkst vertoon’.

 

3. De sleutel van de tucht

 

Gemeente, ten slotte de sleutel van de tucht. Die sleutel gaat over zonden van bedrijf. Dat kunnen verborgen zonden zijn, die door verharding open­baar komen. Het kunnen ook openbare zonden zijn. Het kan een goddelo­ze leer zijn die wordt uitgesproken. Het gaat dus om hetgeen openbaar komt in het leven van iemand die zich door belijdenis als een christen uitgeeft.

 

Als dat verborgen is, dat wil zeggen dat het bij één mens bekend is, dan heeft die ene man of vrouw een geweldige taak. Er is in de wereld, de maatschappij, een soort sociale controle. Dat is in de kerk ook zo. Alleen, die moet wel goed worden uitgeoefend. Niet op een wereldse wijze, maar op een wijze zoals de Heere Jezus ons dat heeft voor­gehouden in Mattheüs 18.

Daarbij heeft de Heere Jezus gezegd: ‘Als u weet dat iemand tegen u gezondigd heeft – dat wil niet zeggen dat hij tegen u per­soonlijk gezondigd heeft, maar dat u gezien heeft dat hij gezondigd heeft; een zonde die u alleen weet – moet u dat niet tegen anderen zeggen en tegen anderen uitspelen, want dan bent u bezig met laster.’ Dat hebben wij met die persoon zelf uit te spreken. We dienen in oprechtheid met die ander te wan­delen. ‘Laat de oprechtheid meer en meer, met de vroomheid mij behoeden.’

Bovendien moet u die waarheid in liefde betrachten, want u kunt iemand wel eens de waarheid willen zeggen, maar dat gaat meestal verkeerd. Waarheid moet, volgens Paulus in de Efezebrief, in liefde betracht worden.

Als u dat gedaan hebt, met hem gesproken en gebeden, één en andermaal, en hij hoort niet, dan neemt u een betrouwbare getuige mee. U gaat met zijn tweeën die man of die vrouw waarschuwen. Als ze dan nog niet horen, dan moet het gezegd worden aan de gemeente. Dat is niet de hele gemeente, maar daar wordt de kerkenraad mee bedoeld, die het opzicht heeft over de gemeente.

De kerkenraad zal zich dan, na onderzoek en na zich op de hoogte gesteld te hebben, wenden tot de kerkelijke tucht; de tweede sleutel die hij heeft en die uitgeoefend moet worden. De Heere beveelt dat aan Zijn kerk. En dan moet de kerkelijke ban worden uitgeoefend.

 

Het gaat in deze catechismus om het volgende: wat de kerk op de aarde bindt, zal in de hemel gebonden zijn. Dat is zo wanneer die kerk doet wat ze doen moet. Dan is het in de hemel ook gebonden. Als de kerk niet doet wat ze doen moet, dan doet God het wel. Want rekent u erop, dat de cen­suur in de hemel doorgaat. De censuur is niet beperkt tot een handeling van een raad van de kerk, maar die gaat in de hemel door. Wat op de aarde gebonden zal zijn, zal in de hemel gebonden zijn.

Moet elke uitspraak van de kerk door het Woord gedragen worden? Het is een tucht met een hemels karakter, totdat de zondaar betering belooft en bewijst. Het moet dus niet alleen beloofd, maar ook bewezen worden. Die betering moet blijken, stelt de catechismus. Dan mag de kerk de zondaar die afgesneden is uit het koninkrijk der hemelen met de christelijke ban, ook weer toelaten tot de gemeenschap van de kerk en daarmee van de sacra­menten.

 

Het beste zal zijn, wanneer we met deze kerkelijke tucht nooit te maken zul­len krijgen. Maar al zouden we daarmee nooit te maken krijgen, al zou u daar nooit mee van doen gehad hebben, dan is er nog één ding nodig en dat is: Bekeert u en gelooft het evangelie (Mark.1:15). Dat is nodig. Want die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niet geloofd zal heb­ben, zal verdoemd worden (Mark.16:16).

 

De tucht vangt aan in de prediking. De tucht vindt zijn voortzetting in het opzicht over elkaar in de gemeente. De tucht zal ten slotte worden uitge­voerd door middel van de christelijke ban.

Maar, gemeente, het allergroot­ste is wanneer de prediking ons is als ‘een reuke des levens ten leven’. Daar­voor is ze ook bedoeld. De roepstem van God in het evangelie bidt u en laat de gezanten zeggen alsof Christus door hen bade: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20) Dat is de bede van God door middel van de prediking van het Woord en die komt tot u allen. Niemand uitgezonderd. Kinderen ook niet, jonge mensen ook niet.

Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christuswege: Laat u met God verzoenen. Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:20-21).

Laten we dat meenemen. God oordeelt naar dit evangelie, beide in dit en in het toekomende leven, opdat wij bij de Heere zouden terechtkomen en Hem bidden om die genade van die zegen over het evangelie van Zijn genade.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 1:4

 

De Heer’ toch slaat der mensen wegen gâ,
En wendt alom het oog van Zijn genâ
Op zulken die, oprecht en rein van zeden,
Met vaste gang het pad der deugd betreden;
God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan,
Maar ‘t heilloos spoor der bozen zal vergaan.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).