Ds. D. Rietdijk - Zondag 30

De viering van het avondmaal

Een misvormde viering
Een bedoelde viering
Een verboden viering
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 15: 1
Lezen : 1 Korinthe 11: 17-34
Zingen : Psalm 97: 4, 6, 7
Zingen : Psalm 38: 18, 21
Zingen : Psalm 139: 14

Gemeente, wij gaan luisteren naar het catechetisch onderwijs dat gegeven wordt in Zondag 30 van onze Heidelbergse Catechismus. Daar lezen wij:

 

Vraag 80: Wat onderscheid is er tussen het avondmaal des Heeren en de paap­se mis?

Antwoord: Het avondmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de enige offerande van Jezus Christus, die Hij­zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door de Heilige Geest Christus worden ingelijfd, Die nu naar Zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in de hemel is, ter rechterhand Gods Zijns Vaders, en daar van ons wil aangebeden zijn. Maar de mis leert dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichame­lijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarom ook daarin moet aange­beden worden; en alzo is de mis in de grond anders niet dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgode­rij.

 

Vraag 81: Voor wie is het avondmaal des Heeren ingesteld?

Antwoord: Voor degenen die zichzelf vanwege hun zonden mishagen, en noch­tans vertrouwen dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Maar de hypocrieten en die zich niet met ware harte tot God bekeren, die eten en drinken zichzelf een oordeel.

 

Vraag 81: Zal men ook diegenen tot dit avondmaal laten komen, die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen?

Antwoord: Nee; want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd, en Zijn toorn over de ganse gemeente verwekt. Daarom is de christelijke kerk schuldig, naar de ordening van Christus en van Zijn apostelen, zulken, totdat zij betering huns levens bewijzen, door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.

 

Gemeente, wij gaan luisteren naar: De viering van het avondmaal.

 

We letten op een drietal gedachten:

1. Een misvormde viering

2. Een bedoelde viering

3. Een verboden viering

 

1. Een misvormde viering

 

Gemeente, onze catechismus besteedt aan het Heilig Avondmaal drie zonda­gen. De eerste zondag handelt over de instelling van het Heilig Avondmaal. De tweede zondag laat ons de strijd om het Heilig Avondmaal zien. En de derde zondag, die nu onze aandacht vraagt, gaat over de viering van het Heilig Avondmaal.

 

De catechismus begint met vraag 80: ‘Wat is het onderscheid tussen het avondmaal en de paapse mis?’ Dat is een vraag die achteraf door de opstel­lers aan de catechismus is toegevoegd. Oorspronkelijk stond deze er niet in. In de derde uitgave is deze tachtigste vraag pas erin gezet om duidelijk de afbakening tussen het Heilig Avondmaal en de paapse mis te laten zien. Want ondanks alles wat er gezegd is over de rooms-katholieke opvatting van de transsubstantiatieleer, waarbij geleerd wordt dat het brood verandert in het lichaam van de Heere Jezus en de wijn in het bloed van de Heere Jezus, is hierover nog niet alles gezegd.

 

Het gaat namelijk niet alleen om de stoffelijke aanwezigheid van de Heere Jezus in het avondmaal. Als we de communie, het deelnemen aan het Heilig Avondmaal hebben gehad, zijn we er nog niet, want dan is er de mis nog. En de mis is wat anders dan de avondmaalsviering.

De communie, waarbij de leek in de Roomse kerk het avondmaal viert, staat naast de mis. Dat moet u goed zien, opdat we ook een juist oordeel over de roomse eredienst zouden heb­ben in Bijbels licht. De mis betreft een offerande, die gebracht wordt. De mis is een offer, dat moet u goed zien. Dat heeft eigenlijk niets te maken met de viering van het Heilig Avondmaal. De mis is een offer dat elke dag gebracht wordt voor levenden en doden, zegt onze catechismus. De mis leert dat wij geen vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks door de mispriesters geofferd wordt voor de levenden en de doden.

Daar hebt u het verschil tussen het Heilig Avondmaal en de paapse mis, dat wil zeggen: de pauselijke mis. Het Heilig Avondmaal leert en betuigt dat wij vergeving der zonden hebben door het enige offer van de Heere Jezus, dat Hij aan het kruis heeft volbracht. Maar de mis leert dat Jezus’ offer niet voldoende is. Het zou onvolkomen zijn, het moet worden aangevuld met een dagelijks offer in de kerk.

Daarom heeft de Roomse kerk ook priesters in dienst, geen dienaren van het Woord, die het Woord en de sacramenten bedienen. Als u in een Roomse kerk komt, dan ziet u dat het altaar centraal staat. De preekstoel is altijd ergens verscholen aan de zijkant. Er is een priester en er is een altaar, waarop geofferd wordt.

 

En juist tegen de offerdienst, tegen de priesterdienst van de Rooms-katholieke kerk geldt ons bezwaar, want wij hebben geen herhaald en aanvullend offer van de Heere Jezus nodig. Als de apostel in de Hebreeënbrief (10:14) schrijft over de offerande van de Heere Jezus Christus, zegt hij: Met één offerande heeft Hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden (Hebr.10:14). En gelijk het de mensen gezet is eenmaal te sterven, en daarna het oordeel, alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen (Hebr. 9:27-28). Daar ligt de nadruk op in de Hebreeënbrief.

Het ene offer van Christus is overvloedig genoegzaam tot zaliging van verloren zondaren. Het is een volko­men offer. Daar heeft God behagen in gehad. De Heere Jezus heeft op het hout des kruises uitgeroepen: Het is volbracht (Joh.19:30). Daar is niets meer aan toe te voegen. Er hoeft niets meer bij te komen. Het is een volkomen offerande, die Jezus heeft gebracht.

 

Op de paasmorgen heeft God dat bewezen, toen Hij Zijn Zoon heeft doen opstaan uit het graf. Toen heeft Hij getoond dat Hij volkomen tevredengesteld is in het offer van de Heere Jezus Christus. Toen heeft God ‘amen’ gezegd op dat offer van de Heere Jezus. Toen is de Vader vergenoegd geweest in het offer van Zijn enige Zoon. Daar heeft Hij behagen in gehad. Daar heeft Hij voldoe­ning in gevonden en daarom mocht Jezus uit de doden opstaan. Welke over­geleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking (Rom.4:25).

In het ene offer van Christus ligt de volmaakte verzoening voor al de zonden van Zijn kerk. Daar mag de kerk zingen: ‘De hitte van Uw gramschap is geblust en de schuld Uws volks hebt Gij uit Uw boek gedaan.’ In het bloed van de Heere Jezus is een volkomen verzoening te vinden.

 

Bovendien zegt de Roomse kerk dat het offer ook voor de doden zou moe­ten worden gebracht. Dat offer zou dagelijks niet alleen voor de levenden, maar ook voor de doden gebracht moeten worden, want de verlossing uit het vagevuur zou daardoor verkort kunnen worden.

Maar, gemeente, bij ons sterven is ons vonnis geveld. Dan is het vonnis vast geworden. Dan is de boom gevallen en zegt de Schrift: Als de boom naar het zuiden of als hij naar het noorden valt, in de plaats waar de boom valt, daar zal hij wezen (Pred.11:3). Dan is het oordeel Gods voor eeuwig vast geworden. Dat zal nooit meer ver­anderd worden.

Daarom, doden kunnen geen vergeving meer ontvangen. Hoe zouden wij het offer van Christus vandaag nog voor de doden brengen, die reeds geoordeeld zijn? Want het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Zouden de doden door die offeranden in de Roomse kerk vergeving kunnen ontvangen? Welnee! Die hier in het geloof zijn gestorven, die zijn opgenomen tot hun heerlijk Hoofd Christus in de hemel. Zij zijn volkomen zalig bij Hem, met een zaligheid die geen oog heeft gezien en die geen oor heeft gehoord en die in het hart van een mens niet is opgeklommen. Zij heb­ben een zaligheid die onuitsprekelijk groot is. Maar degenen die veroor­deeld zijn, omdat ze in het ongeloof gestorven zijn, die zullen voor eeuwig zijn buitengesloten. Daarvan is ook geen terugkeer meer mogelijk. Daar is het vonnis geveld, voor eeuwig geveld.

En, gemeente, zouden wij Christus dan opnieuw offeren?

 

Bovendien brengt men die missen, dat offer van de Heere Jezus, voor allerhande zaken. Dat brengt men voor ziekte, voor de welvaart in de handel, voor de verlossing uit het vagevuur. De missen worden voor van alles en nog wat opgedragen. Maar onze catechismus zegt terecht dat het een vervloekte afgoderij is. Aan het opdragen van de mis heeft men zich in de kerken van de Reformatie gestoten.

Gemeente, het antwoord van de catechismus is terecht. Het is een ver­vloekte afgoderij, want je bedrijft afgoderij met het lichaam van de Heere Jezus, dat tijdens de mis wordt getoond in de hostie en waarvoor de leek zich buigt en haar aanbidt.

Het is een vervloekte afgoderij en tevens een ver­loochening van het enige offer van Christus. Het is een ontken­ning van de volkomenheid van de Heere Jezus. Het is een ontkroning van Christus. Het is de kroon van Zijn volbrachte werk afhalen.

 

Daar stelt de catechismus,  zo schoon, het volgende tegenover elkaar. Aan de ene kant de algenoegzaamheid van de Heere Jezus, waardoor we vergeving der zonden hebben, en aan de andere kant dat wij door de genade van de Heilige Geest gemeenschap hebben met de Heere Jezus, Die in de hemel is. Daar wil Hij aangebeden zijn. Ons avondmaalsformulier zegt terecht: ‘Dat wij onze harten opwaarts moeten heffen in de hemel, waar Christus is.’ Wij moe­ten niet aan het uiterlijke brood en wijn blijven hangen, maar Hem zoeken waar Hij is: in de hemel. Hij wil daar ook aangebeden zijn. Maar in de Room­se kerk aanbidt men de materie en het stof.

 

Het Heilig Avondmaal wijst ons op de volkomenheid van het offer en op de gemeenschap met Jezus door de Heilige Geest. De mis is een vervloekte afgoderij en een verloochening van het ene offer van Christus aan het kruis volbracht. De mis is een offer.

 

Het tweede dat wij met elkaar willen overdenken is:

 

2. Een bedoelde viering

 

De Heere Jezus heeft het Heilig Avondmaal ingesteld. En de vraag luidt: ‘Voor wie is het Heilig Avondmaal ingesteld?’ Er staat niet: ‘Mag ik het avondmaal hou­den?’ of: ‘Wie mogen aangaan?’ Nee, er staat: ‘Voor wie is het ingesteld?’ De catechismus luistert naar de Insteller van het Heilig Avondmaal. Hij beslist voor wie het is ingesteld. Hij bepaalt voor wie Hij het avondmaal gegeven heeft.

Voor wie is het ingesteld? Het antwoord is niet minder duidelijk. Zo zegt het terecht niet: ‘Het Heilig Avondmaal is voor de uitverkorenen.’ Dat zou natuurlijk gezegd kunnen worden. Maar dan bent u niet juist bezig, want de verkiezing Gods is voor ons verborgen. Er kunnen best nog mensen zijn, net als Saulus van Tarsen, van wie de Heere zegt: Deze is Mij een uit­verkoren vat (Hand.9:15). Een man dus die verkoren is door God, maar die nog niet is toegebracht. Zo’n antwoord zou dus niet terecht zijn, hoezeer je ook aan zo’n antwoord het zegel van rechtzinnigheid zou kunnen hechten. Maar het is niet juist.

Er staat ook niet: ‘Het is voor bekeerde mensen.’ Want dat is nu juist niet de bedoeling van het Heilig Avondmaal.

 

De catechismus blijft op de schrif­tuurlijke lijn als hij antwoord gaat geven. Hij grijpt weer terug naar het stra­mien waarop de hele catechismus is gebouwd, namelijk het stramien van de kennis van ellende, verlossing en dankbaarheid. Hoe zal ik in deze enige troost leven en sterven? Dan moet ik kennis hebben van die drie stukken. Dan zullen wij niet alleen in de enige troost leven, maar ook sterven. Niet alleen maar in de enige troost sterven, hoor! Want het wordt wel eens te zeer betrokken op het sterven. Nee, ook in die enige troost van leven.

 

Voor wie stelde de Heere Jezus het avondmaal in? Dan begint onze catechis­mus met de kennis van de ellende en zegt: ‘Voor degenen die zichzelf van­wege hun zonden mishagen.’ Dat wil zeggen dat je een mishagen aan jezelf moet hebben. Dat zegt ons avondmaalsformulier ook. Daar staat dat wij onze zonden en vervloeking moeten overdenken, opdat wij onszelf voor God zou­den mishagen vanwege onze zonden, omdat die zo groot zijn, dat God, eer Hij die ongestraft liet blijven, deze gestraft heeft met de bittere en de smade­lijke dood des kruises aan Zijn eigen lieve Zoon. Zo groot zijn de zonden.

Gemeente, dat is natuurlijk een wonderlijke zaak, jezelf mishagen. De mens is een behaagziek wezen. We hebben het zo goed met onszelf getroffen. We hebben hoge gedachten van onszelf.

Wat is er voor nodig om de mens zijn zonden te laten zien? Het gaat hier niet om een algemeen zondebegrip. Nee, het gaat erom dat wij onszelf mishagen en dat wij onze zonden gaan belijden. Wat kost dat veel, eer mensen openlijk, vrijmoedig hun zonden belijden! Wat is er voor nodig, eer een mens de zonden haat en vliedt? Wat is er voor nodig in het leven, eer hij die zonden nalaat?

Nee, de mens heeft niet zo snel een mishagen aan zichzelf vanwege zijn zon­den. Toch is het zo nodig. Want het mishagen over onze zonden – dat wil zeggen: kennis van zonde hebben, maar ook berouw over de zon­den hebben – is het begin van de bekering. Berouw, leedwezen hebben over het kwaad dat wij misdreven hebben. Droefheid kennen over de zonden. Schreien over het kwaad dat wij misdreven hebben. Verslagenheid in het hart vanwege onze zonden.

 

Gemeente, wie kan ons dat geven? Ach, daar komt de mens van zichzelf niet toe. We kunnen wel over een algemene zondekennis praten en over de zon­den van anderen, maar over onze eigen zonden, om die te zien in het rech­te, bijbelse licht, daarvoor is nodig dat u ogen krijgt die zien. Daarvoor is nodig dat uw hart geopend wordt. Daarvoor is nodig dat in uw hart de lief­de Gods wordt uitgestort.

Als die liefde niet in uw hart wordt uitge­stort, dan kunnen we over zonden praten en proberen om ze uit ons leven weg te werken, maar dan worden we nooit verbroken van hart en ver­slagen van geest. Dan zie ik niet wat zonden zijn. Dan zie ik niet dat ik gezondigd heb tegen een goeddoend God. Ik zie niet dat ik kwaad gedaan heb tegen een God, Die nog nooit anders dan goed gedaan heeft, Die nog nooit anders gedaan heeft dan mij achterna wandelen met Zijn goedheid en liefde.

 

Mishagen in onszelf en aan onszelf te hebben, is een werk dat aan de voeten van Jezus geleerd wordt. Er is er Eén, Die zondaren trekt. Er is er Eén, Die zondaren brengt in het dal van ootmoed. Er is er Eén, Die gezegd heeft: Leert van Mij dat Ik zacht­moedig ben en nederig van hart (Matth.11:29). Er is er Eén aan Wiens voeten wij leren zullen wie wij zijn voor God: zondaren en zondaressen. Paulus leerde het aan de voeten van deze gezegende Koning.

We plegen majesteitsschennis voor de hoge God. Belediging van Eén, Die ons heeft goed gedaan, vertreding van Zijn liefde, verachting van Zijn Woord, overtreding van al Zijn geboden en een boosheid in ons hart, die altijd blijft. Mishagen aan onszelf vanwege onze zonden.

 

‘k Wil mijn misdaân, die U tergen,

Niet verbergen;

Ik bedek voor U die niet.

 

Gemeente, u moet de boetepsalmen maar eens nalezen, Psalm 6, 32, 38, 51, 102, 130 en 143. Die mensen hebben gebogen voor God en gezegd: Zo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? (Ps.130:3)

Dat zijn mensen die in het stof gebogen heb­ben en onder tranen hun schuld, die zij voor God hebben, beleden. Dat is dus geen algemeen schuldgevoel en ook geen goedkoop schuldgevoel.

Er zijn mensen die zeggen dat zij zondaren zijn, maar het blijkt niet uit hun leven dat zij dit van harte belijden. Zij laten de zonde niet na, ze vlieden de zonde niet. Ze zeggen dat ze Jezus kennen. De apostel zegt tot Timotheüs: ‘Ze hebben een gedaante der god­zaligheid, maar de kracht derzelve verloochend.’ Nee, echt zondaar zijn, daar praat je niet zo over met een ander. Het is ook niet iets waar je mee te koop loopt. Het is vooral iets voor in het verborgene.

 

Ik denk dat er wel jon­gens of meisjes zijn, die weten wat het is om in stilte voor God, als er nie­mand bij is, schuld te belijden, en zonden waarmee ze tegen de Heere hebben overtreden. Dat doet pijn, dat geeft smart in je binnenste.

Gemeente, dat is genade. Het lijkt zo gemakkelijk schuldbelijdenis te doen, vooral als de gevolgen van de zonde openbaar zijn gekomen. Maar is er geen berouwen, geen leedwezen, dan is er ook geen hartelijk vluchten van de zon­den.

Mishagen aan onszelf te hebben vanwege onze zonden, is ook geen pes­simisme. Het is ook geen naargeestige droefheid. Dat is ook geen onvol­daanheid. Maar het is een hartelijke, echte droefheid vanwege het zondigen tegen de Heere. Dan krijgen we de Heere lief en bewenen we dat we tegen Hem gezondigd hebben.

Een mishagen aan zichzelf heeft elke avondmaalganger, als het goed is. Het zal zijn hele leven bij hem blijven. Want je houdt in je leven een litteken over. U vindt dat in Psalm 25. Daar leest u: Gedenk niet der zonden mijner jonkheid (Ps.25:7). ‘De zonde van mijn jeugd, Heere, gedenk er niet meer aan.’ De Heere vergeeft, maar zelf vergeven wij ons die zonden nooit. Dan moeten we zeggen: ‘Heere, gedenk ze niet meer, want het kwaad is door mij bedreven.’

 

Maar we moeten niet alleen ellende kennen, want het avondmaal is gegeven tot versterking van het geloof. Daarom moet er een vertrouwen zijn, zo zegt onze catechismus, dat de zonden hun om Christus’ wil verge­ven zijn en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is.

Het gaat om twee dingen: dat de zonden vergeven zijn en dat de overblijvende zwakheid met Zijn gerechtigheid wordt bedekt. Die zwakheid hebben we allemaal, die gaat nooit meer weg. Die is gewoon van bin­nen bij ons aanwezig en die zal tot onze doodssnik blijven.

Kan dat nu samen gaan, een mishagen aan jezelf en vertrouwen? Ja, u moet goed lezen wat onze catechismus zegt: ‘Een mishagen aan onszelf vanwege onze zonden en nochtans vertrouwen.’ Kijk, daar hebt u het ‘nochtans van het geloof’. Dat vertrouwen is geen zelfvertrouwen, want dan zou het hoogmoed zijn. Het is geen vertrouwen dat ik het wel klaren zal, dat ik het nog wel een keer ongedaan kan maken, dat ik mezelf nog wel eens redden zal of dat ik het de Heere nog wel eens betalen kan. Nee, het is geen ver­trouwen op mijzelf, maar het is het vertrouwen op het enige en volmaakte offer van de Heere Jezus Christus. Het is geen terugvallen op mijzelf, maar op Hem. Het is een terugvallen op Bethlehem, op Golgotha, op het enige en het volkomen offer.

Het wezen van het geloof is het hartelijke vertrouwen dat de Heilige Geest in mijn hart werkt, dat mij al mijn zonden alleen om de verdiensten van Christus, uit louter genade vergeven zijn. Dat is vertrouwen. Mijn zonden zijn vergeven, mijn overblijvende zwakheid wordt met Zijn offeran­de bedekt. Het is voor God staan, als had ik nooit zonde gekend en gedaan.

 

Gemeente, door het geloof heeft de kerk des Heeren gemeenschap aan dat offer. Het is een hartelijk vertrouwen, dat de Heilige Geest in mijn hart werkt. Het antwoord gaat over ellende, maar ook over verlossing en wel de verlossing door Christus. Dat is het tweede dat gezegd wordt. Net als in ons avondmaalsformulier. Onderzoek uzelf daarop, of u dat rechte, hartelijke mishagen aan uzelf kent, maar ook dat hartelijke vertrouwen dat al mijn zon­den, alleen om het offer van Christus vergeven zijn. Kent u dat?

 

Nu gaat hier meestal de strijd om. Er zijn mensen die weten van dat misha­gen aan zichzelf vanwege hun zonden voor God. Zij weten ook dat er alleen vergeving is in het bloed van de Heere Jezus. Hij is de Zaligmaker en nie­mand anders. Maar waar het om gaat in de strijd, is: heb ik deel aan dat offer en aan deze Zaligmaker? Dat is de strijd. Dat is het geloof dat bestreden wordt: ‘U hebt geen heil bij God. En u moet niet denken dat het ook voor u geldt, als daar geschreven staat dat Christus voor uw zonden aan het kruis gestorven is.’

Het gaat in die strijd over het deelhebben aan Christus. Dan is het klein­geloof aan het woord, dat zoveel op zichzelf ziet en zo weinig op Jezus. En dan komt de satan erbij. Ze gaan in zichzelf zitten kijken en ze komen er dan helemaal niet meer uit, want wat ze daar vinden, kan voor God helemaal niet bestaan. Als ze het formulier horen lezen over wie allemaal niet in het Koninkrijk Gods kunnen komen, wie geen deel hebben aan het avondmaal des Heeren, horen ze bij elk woord dat gezegd wordt hun naam noemen. Dan zeggen ze: ‘Welaan, zie, ik heb daar geen deel aan.’

Maar zo is het niet. Ons avondmaalsformulier zegt niet alleen: ‘Kijk, hier heb je nu de mensen die geen deel hebben aan het Heilig Avondmaal’ en dan noemt het formulier leugenaars, overspelers, echtbrekers, dieven en gaat u maar door. Het wordt allemaal opgenoemd: verachters van het goddelijk Woord en van de heilige sacramenten. Als u dat dan allemaal gezien hebt, kunt u overal ‘amen’ op zeggen.

Maar het formulier gaat verder met de woorden: ‘Dit zeggen wij niet om de verslagen harten van de gelovigen kleinmoedig te maken, alsof niemand tot het Heilig Avondmaal des Heeren zou mogen gaan, dan die zonder enige zonden ware. Want overmits die zonden ons door de gena­de van de Heilige Geest van harte leed zijn en wij dagelijks tegen de zwak­heid van ons geloof hebben te strijden, zo zullen die zwakheden en die zon­den ons niet verhinderen om deelgenoot te zijn van de tafel des Heeren. Want wij komen daar niet om te belijden dat wij in onszelf rechtvaardig zijn, maar wij belijden dat wij midden in de dood liggen en onze zaligheid buiten onszelf in een Ander zoeken.’

Daar hebt u in het avondmaalsformulier dat bevrijdende. Dit is het bevrij­dende, dat, hoewel wij midden in de dood liggen, wij onze zaligheid buiten onszelf in de Heere Jezus Christus alleen zoeken.

En in ons doopsformulier wijst ons de doop er op dat wij onze zaligheid buiten onszelf in een Ander zoeken. Kijk, daar gaat het om!

 

Hebben wij het oog geslagen op de Heere Jezus? Is Hij in ons leven? Is Hij vanuit het Woord van God dierbaar geworden als de van God Gezondene, Die gekomen is om zalig te maken wat verloren was? Is Hij niet schoon gewor­den in die heilige bladen?

Hoezeer dat aandeel nu bestreden kan worden in uw leven, u komt er niet uit door af te blijven. Het avondmaal des Heeren heeft Hij juist ingesteld om het zwakke, bestreden geloof te versterken. Want dat geloof is altijd onvolkomen. Het geloof behoort bij de heiligmaking en die is altijd onvolkomen in dit leven. Zolang u in dit leven bent, zal het geloof onvolkomen zijn.

Nu wordt het avondmaal ingesteld, opdat de Heere daardoor het zwakke geloof zal versterken. Dat hebben we nodig tot de laatste dag van ons leven toe. Er komt geen dag dat u daar bovenuit gegroeid raakt. Er komt geen dag dat u kunt zeggen: ‘Wel, daar ben ik bovenuit en nu ben ik vast en zeker een kind van God’, laat ik het maar heel eenvoudig zeggen, ‘en nu heb ik geen avondmaal meer nodig.’

Gemeente, tot het laatste ogenblik toe heeft iedereen de versterking van het allerheiligst geloof aan de dis des verbonds nodig. Want daar komt de Heere. Hij roept als de Gastheer al die zelfmishagers vanwege hun zonden: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. (Matth.11:28). Hij roept de mensen die in hun zonden en ellende tot Hem zich ter genezing wenden. Hij roept de kleinen, de zwakken, de bestredenen en zegt: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids (Jes.55:2-3).

Het is de Heere, Die nodigt en roept om het op Hem te wentelen en te ver­trouwen dat mij al mijn zonden, alleen om het offer van Christus, vergeven zijn.

 

En, gemeente, dan volgt ook de dankbaarheid en ze begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken. Ziet u het? Hoe langer hoe meer hun geloof te ster­ken… Er worden door de Heilige Geest geen mensen gevormd die een volkomen geloof hebben. Die zijn er niet. Maar zij begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken.

In het gebed voor de bediening van het Heilig Avondmaal staat: ‘Opdat wij onszelf hoe langer hoe meer aan Uw Zoon Jezus Christus overgeven.’ Daar hebt u het. Hoe langer hoe meer het geloof sterken. Het is een allengskens. Het is een voortgaan, soms zelfs een heel stil voortgaan. ‘Begeren hun geloof te sterken’, wil zeggen dat u een hekel hebt aan het ongeloof, aan het zwakgeloof, aan het kleingeloof. U ziet hoe godbeledi­gend dat ongeloof en kleingeloof is. U zegt: ‘Werd ik daar nu maar eens helemaal van bevrijd, dat ik alleen dat geloof mocht hebben, dat op U bouwt, op U hoopt en U verwacht.’

Mensen mishagen zichzelf ook vanwege het zwakke geloof. Hoe langer hoe meer verlangen ze hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Zij willen heilig voor God leven. Dat is de begeerte van hun hart. Alleen, ze halen het niet. Ze zijn het niet en het kan niet. Iedere keer opnieuw moeten zij weer een mishagen hebben vanwege hun zonden. Maar toch is er die begeerte. Ze zien er toch naar uit. Straks komt er een dag waarop ze van de zonde af zijn. Ze hijgen en verlangen ernaar, om bevrijd van de zonden, God eeuwig groot te maken. En in dit leven begeren ze hun leven te beteren.

 

Gemeente, zij die niet begeren het geloof te sterken en hun leven te beteren, komen ongenodigd aan het Heilig Avondmaal. Hoort u het niet bij Paulus, dat hij roept: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Hij wist het niet meer, hij was radeloos, maar zegt: ‘Heere, zegt U maar alles wat ik doen moet.’ Hij begeerde te leven naar de wil des Heeren. Hij is erachter gekomen dat wat hij wilde, hij niet deed en wat hij niet wilde, dat deed hij. Lees het maar in Romeinen 7. Daar vertelt Paulus uit zijn leven. Maar er was een hartelijke begeerte om zijn leven te beteren en in de geboden des Heeren te wandelen.

 

Drie dingen: ellende, verlossing en dankbaarheid.

Gemeente, zo zal de kerk des Heeren komen. Daar komen geen grote mensen, daar komen geen mensen die hoge christenen zijn. Nee, daar komen zelfmishagers, die bege­ren hun geloof te sterken en hun leven te beteren en die nochtans vertrou­wen dat zij in en door het offer van de Heere Jezus vergeving der zonde ont­vangen.

Alleen door dat offer! Wij liggen midden in de dood, maar onze zaligheid moeten we alleen in dat offer zoeken. Dat zijn degenen die daar aankomen. Dat zijn de mensen die zich kunnen vinden in Psalm 38, waar­van wij vers 18 en 21 gaan zingen:

 

‘k Wil mijn misdaân, die U tergen,
Niet verbergen;
Ik bedek voor U die niet.
‘k Ben vanwege al mijn zonden,
Die mij wonden,
Vol van kommer en verdriet.

 

Zie mij, Heer’, Wien elk moet duchten,
Tot U vluchten;
O mijn God, verlaat mij niet;
Blijf niet, wegens mijn gebreken,
Ver geweken;
Toon dat Gij mijn rampen ziet.

 

En ten slotte gaat het nog over:

 

3. Een verboden viering

 

Er zijn twee zaken die aan de orde komen bij die verboden viering. In de eerste plaats is dat de zelftucht, die er moet zijn bij het avondmaal, en in de tweede plaats de kerkelijke tucht.

 

In de eerste plaats dus de zelftucht. Er staat in antwoord 81: ‘Maar de hypo­crieten en die zich niet met ware harten tot God bekeren, die eten en drin­ken zichzelf een oordeel.’ Hypocrieten zijn schijnvromen, huichelaars. Ze hebben een gedaante van godzaligheid, maar hebben de kracht daarvan verloochend. Een hypocriet is mooi aan de buitenkant, maar in het verborgene klopt het niet. Soms zijn er ontzaglijke dingen, die de Heere openbaar laat komen. Indrukwekkend. Denkt u maar eens aan Ananias en Saffira, die allebei doodvielen. Zij deden net als de andere christenen, maar zij hadden een gedeelte van de opbrengst achtergehouden.

En, gemeente, dat gebeurt nog. Hypocrieten eten en drinken zichzelf een oordeel. 1 Korinthe 11 is u voorgelezen en daarin zegt de apostel: Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren (1 Kor.11:29). Dat is de hypocriet.

Dat oordeel is niet het eeuwige oordeel. Luister maar wat de apostel daarbij zegt: Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen (1 Kor.11:30). Er waren dus zwakken, er waren zieke mensen in Korinthe. Het was het oordeel over het avondmaal, over het onwaardiglijk eten en drinken, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.

Het ‘slapen’ – leest u daar de kanttekeningen maar eens op na – is het sterven van mensen. Er waren mensen die vroegtijdig stierven ten gevolge van het onwaardig gebruikmaken van het avondmaal des Heeren.

 

Een hypocriet is de mens geworden door de zonden. Huichelaars zijn we geworden in het paradijs. U vindt ze overal, in de wereld, ook in de kerk. Ja, zelfs aan het avondmaal.

Ook Judas heeft gezegd: Ben ik het, Rabbi? (Matth.26:25) Je zou zeggen: ‘Die man moet er toch van overtuigd zijn dat de Heere hem bedoelt.’ Toch heeft hij het gevraagd: ‘Ik ben het toch niet, Heere?’ Zover gaat het. Huiveringwekkend!

 

‘En die zich niet met een waar hart tot God bekeren.’ Er zijn ook kinderen van God die deelgenoot zijn van de tafel des Heeren, maar die bepaalde zonden aan de hand houden en daarmee weigeren te breken. Ze bevinden zich tijdelijk op een schadelijke weg met onbeleden zonden. Hoe zou dat met zegen gepaard kunnen gaan? Hoe kunnen we in de zonden blijven leven als Christus voor ons gestorven is?

Kan men u herkennen als een discipel van de Heere Jezus, die die Naam lief­heeft boven alles en die ook heilig voor Hem zou willen leven? Dat moet toch blijken uit de uitgangen van ons leven? Er is zelftucht nodig.

 

‘Zij die zich niet met een waar hart tot God bekeren, eten en drinken zich­zelf een oordeel.’ Er zijn dingen waar de kerk niet over oordeelt. De kerk oordeelt niet over de staat van het hart. Dat is de oude regel van de kerk. De kerk kan niet oordelen over de staat van het hart. Dat is alleen aan God. Hij oordeelt daarover. En dat doet Hij ook. Achan is daar een voorbeeld van. God alleen wist wie van de buit van Jericho gestolen had en in zijn tent verborgen had. De kerk oordeelt niet over de staat van het hart.

 

Daarnaast zijn er openbare zondaren. Sabbatschenders, spotters, wereldlin­gen, openbare ongelovigen en onboetvaardigen. Er zijn goddeloze mensen, die met hun woorden en daden bewijzen dat zij niet van de levende kerk zijn, dat zij God niet toebehoren, maar dat zij van de wereld zijn. Ze zijn een vijand van God, een vijand van Christus. Zij mogen tot de dis niet naderen. Daar heeft de kerk wel op toe te zien.

Dan komen we bij de kerkelijke tucht. Mensen die in het openbaar een goddeloos leven lijden of een ongoddelijke leer belijden, over hen gaat de tucht van de kerk.

De kerk kan geen huichelaar ontdekken, maar de kerk kan wel gaan over het openbare, goddeloze leven. Daarom moet de kerk de wacht bij de tafel des Heeren betrekken. Daar is de kerkelijke tucht en de prediking van het Woord voor. De kerk moet de wacht bij de tafel des Heeren betrekken, want anders wordt het verbond van God ontheiligd. De toorn van God wordt dan over de hele gemeente verwekt.

 

We keren nog even naar Achan terug. Als Israël Jericho heeft ingenomen en Achan uit de buit van Jericho heeft gestolen en die in zijn tent heeft verbor­gen, is dat bedekt voor iedereen. Niemand weet het. Maar de toorn van God wordt over het volk uitgegoten. Dat bleek wel toen zij Ai zouden innemen. Het was maar een heel klein plaatsje, daar kon je wel met een paar mensen naar toe gaan. Jozua dunt zijn leger uit. Hij zegt: ‘Dit is genoeg, een klein koppeltje mensen en dan nemen we Ai wel in.’ Maar het ging niet, want de Heere ging niet mee. De toorn van God was tegen het volk ontstoken, want het verbond van God was ontheiligd.

Jozua kon dat niet weten van Achan. Hij bidt: Wat zult Gij dan Uw grote Naam doen? (Joz. 7:9) Dan antwoordt de Heere: ‘Wat ligt u op uw knieën te bid­den? Ga het eens onderzoeken waar het in zit.’ Jozua laat al die mensen, die stammen, aan zich voorbijgaan. En dan weet hij het. De stam van Achan, het geslacht van Achan, en ten slotte valt het lot op Achan zelf. Tot het allerlaat­ste moment toe heeft deze man vastgehouden aan de zonde. Pas toen deze man ontdekt was en gestenigd, kon Israël optrekken naar Ai.

 

U moet zich eens voorstellen wat de Heere gedaan heeft! Hij heeft in het Oude Testament een teken gesteld en Hij heeft dat ook in het Nieuwe Testa­ment gedaan.

De kerkenraad, die in de plaats van de gemeente optreedt als opzieners van de gemeente, heeft de wacht te betrekken bij de kerkelijke tucht. Gemeente, wat luistert het allemaal nauw! Het is geen menselijke inzetting. Het oog van men­sen gaat er niet over. Als ik de gelijkenis van de koninklijke bruiloft lees, dan is het hoogtepunt van de bruiloft, als de zaal vol is en uit de heggen en de slop­pen de goeden en de slechten zijn ingebracht, dat de koning in die zaal komt en rondziet. De aanwezigheid van de koning is de luister van de bruiloft. De bruiloftsgasten zeggen niet: ‘Koning, daar zit er één zonder bruiloftskleed’, maar die koning ziet het. Als wij avondmaal vieren, komt die Koning ook. Hij ziet met Zijn alleszien­de ogen de gast zonder bruiloftskleed.

Wat ligt dat allemaal teer, wat ligt dat allemaal gevoelig. We moeten vragen: ‘Heere, heb ik een bruiloftskleed?’ Dat is niet iets wat u zelf kunt aanmeten en wat u zelf verwerven kunt en meebrengen. Het bruiloftskleed werd uitgereikt bij de ingang van de brui­lofszaal. Al de gasten hadden een bruiloftskleed gekregen. Want dat krijgt u. Dat is genade, goedheid. Het is een gift, het is alleen loutere goedheid van God. Dan krijgt u het bruiloftskleed van het geloof en het bruiloftskleed van de begeerte om het leven te beteren. Dat bruilofskleed kregen al die gasten bij de ingang, maar er was er één zonder dat kleed.

Het geheim van die ene ligt in het feit dat ze uit de heggen en sloppen werden bijeen vergaderd. De goeden en de kwaden, staat er. Die kwa­den waren blij dat zij dat bruiloftskleed kregen, want anders konden ze de bruiloftszaal niet in. Zonder bruiloftskleed konden ze nooit komen. Zij kwa­men uit heggen en sloppen, met gescheurde kleren, onder de modder en het vuil. Zo kwamen ze aan en ze kregen een bruiloftskleed, een soort toga zeg maar, aan.

Maar de goeden kwamen ook. Een man kwam aan en dacht: ‘Dat kleed van mij kan nog wel.’ Hij zag zijn vuilheid niet tegenover de heerlijkheid van de bruiloft. Hij zag de vuilheid van zijn kleed niet ten opzichte van de luister van de koning. Hij dacht: het gaat nog wel, ik heb dat kleed niet nodig. Hij kwam zomaar.

Gemeente, hebben wij het bruiloftskleed? Calvijn zegt in zijn verklaring van de koninklijke bruiloft: ‘Het is nutteloos over het brui­loftskleed te twisten en te vragen of hier het geloof of een vroom en hei­lig leven bedoeld kan zijn, omdat het geloof niet van de werken te scheiden is en de goede werken alleen uit het geloof voortvloeien.’

 

Gemeente, drie dingen: mishagen aan onszelf, nochtans vertrouwen, en een begeerte om het leven te beteren. Een bruiloftskleed hebben wij niet en niemand heeft dat, maar het is te krijgen uit louter genade, uit enkel goedheid. Dan komen wij niet met het onze aan, want het geloof rust alleen op het ene offer van Christus. Het geloof leeft door de Geest van Christus en zo alleen. Leunend op die Liefste, Die Zichzelf gege­ven heeft op Golgotha, komt de kerk. Het zijn in zichzelf kreupelen en blin­den, maar ze begeren door het geloof het leven te beteren, omdat zij op de goedheid van die Koning zien.

 

De Koning zegt: ‘Ga maar zitten. Zo waarlijk als u dat brood voor uw ogen ziet, zo waarlijk zal Ik uw ziel voeden met Mijn verbroken lichaam. En zo waarlijk u die wijn vergoten ziet, zo waarlijk zal Ik uw ziel laven met Mijn dierbaar bloed, want dat is vergoten tot een volkomen verzoening voor al uw zonden.’

 

De Heere wil ons door het Heilig Avondmaal versterken, en door het offer van Christus doen geloven dat al onze zonden vergeven zijn.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 139: 14

 

Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer’!
Is ‘t geen ik denk niet tot Uw eer?
Beproef m’, en zie of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt;
En doe mij toch met vaste schreden
De weg ter zaligheid betreden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).