Ds. J. Schipper - Johannes 1 : 29

De prediking van Johannes de Doper

Een nadrukkelijke inleiding
Een kernachtige boodschap
Een noodzakelijke toepassing

Johannes 1 : 29

Johannes 1
29
Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 3
Lezen : Johannes 1: 19-34
Zingen : Psalm 100: 1, 2, 3, 4
Zingen : Psalm 40: 4
Zingen : Psalm 130: 4

Geliefden, de tekst voor deze dienst kunt u vinden in het u voorgelezen gedeelte, Johannes 1, daarvan het 29e vers, waar we lezen:

 

Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komende, en zeide: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

Wij gaan stilstaan bij: De prediking van Johannes de Doper.

 

In drie gedachten:

1. Een nadrukkelijke inleiding, want Johannes begint te zeggen: Zie.

2. Een kernachtige boodschap: Het Lam Gods.

3. Een noodzakelijke toepassing, waarmee het eindigt: Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

1. Een nadrukkelijke inleiding

 

Des anderen daags, zo begint de tekst. Er is dus een vorige dag aan voorafgegaan. Er gaat altijd wat aan vooraf. Dat zien we hier ook. Er is wel wat aan voorafgegaan, Johannes heeft getuigd, hij heeft gepredikt, hij heeft gewaarschuwd en vermaand. ‘De bijl ligt alrede aan de wortel der boom. Bekeert u, bekeert u!’ Hij heeft vermaand en gewaarschuwd. Hij heeft ook het oordeel aangezegd de goddeloze, en zij die niet leven naar datgene wat de Heere van hen vraagt.

Dan staat er: Des anderen daags. Dat is groot, als zo’n andere dag mag aanbreken, want op die andere dag gaat hij heenwijzen naar het Lam Gods: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Op die andere dag mag de ontmoeting met Christus plaatsvinden.

Kennen we dat, gemeente, de ontmoeting met Christus? Dat moeten we voor onszelf heel eerlijk nagaan, of we die ontmoeting kennen, of we die openbaring kennen. Als dat zo is, dan weet u daar wel wat van, dan kunt u daar wel wat over vertellen. Want dat geschiedt niet in een hoek, maar daar ben je zelf bij. De kennis van Christus, de ontmoeting met Hem, de gemeenschap door het geloof met dat gezegende Lam. Dat is dus al een heel belangrijke vraag die we mogen stellen zo aan het begin van de preek. Hij openbaart Zich en Hij gaat Zich verklaren in Wie Hij is en wil zijn voor een doemwaardige zondaar in de duisternis van zijn bestaan.

Als dat nu mag geschieden in je leven, ja, dan krijg je ook een andere gang. Dan komt er een andere gang in je leven. Je levensgang gaat dan veranderen. O, die Gezalfde te mogen kennen, want Die doet dan Zijn intrede. Christus is de Gezalfde. Hij is gezalfd - weten we van de catechisatie, jongens - tot Profeet, Priester en Koning. Die grote Profeet, die enige Hogepriester, maar ook die eeuwige Koning van de Kerk. Die doet dan Zijn intrede in Zijn profetische bediening, Zijn priesterlijke arbeid en Zijn koninklijke regering.

 

Maar ja, er staat: Des anderen daags. Er is dus een vorige dag aan voorafgegaan. Ja, toen heeft Johannes dus gepredikt: De bijl ligt ook alrede aan de wortel der bomen (Luk.3:9). Hij heeft gesproken over de wan en over het vuur, want koren en kaf zullen gescheiden worden. Dat kaf zal met onuitblusselijk vuur verbrand worden. Dat is de prediking van Johannes. Hij heeft dus vermaand en gewaarschuwd.

Maar nu gaat hij ook heenwijzen naar een weg ter ontkoming. Dat heeft hij al gedaan met de woorden: ‘Bekeert u, bekeert u, brengt dan vruchten voort der bekering waardig.’ Want door die bekering kan een weg der ontkoming ontsloten worden. Hij heeft dus de prediking van zonde en genade gepredikt. Hij heeft gepredikt Zondag 2 tot en met 4. Dat heeft hij niet overgeslagen. Dat is dat stuk der ellende. Het gaat over de gevolgen van de val. En hij heeft ook gesproken over de oorzaak van alles. Maar te midden van Zondag 2 tot en met 4, dat weet u wel, staat het woordje ‘tenzij’. Dat is wel een heel belangrijk woordje. Ik denk aan Zondag 3. Aan het einde daarvan staat het: ‘Tenzij, tenzij gij van nieuws geboren wordt, tenzij gij door de Geest Gods geboren wordt’. Gelukkig staat dat ‘tenzij’ er, en is er een mogelijkheid van zalig worden. De Heere Jezus Zelf zegt ook tegen Nicodémus: ‘Tenzij gij van nieuws geboren wordt. Anders, Nicodémus, zult ge het Koninkrijk van God niet zien.’

 

Er is dus een andere dag aan voorafgegaan. Kennen we ook die vorige dagen, gemeente, die eraan voorafgaan? Die zijn eraan verbonden, die zijn eigenlijk onafscheidelijk daarmee verbonden in het geestelijk leven. Dan heb je dat klaaglied van zonde en schuld. Dan gaat het over de val. Dan word je de val ingeleid. Dan moeten we zeggen: Dan gaat daar iemand met zijn ongeluk over de wereld. Maar dat levert ook droefheid op, die droefheid over de zonde en de ongerechtigheden. De wet wordt voorgehouden, waar ze voor de spiegel van Gods heilige wet komen te staan: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10).

Ach, dan is er ook een schreeuw naar de hemel. Want, geliefden, dan gaat er ook een betrekking ontstaan op Gods Woord, op Zijn dienst, op Zijn dag, op Zijn volk, en dat vanwege de liefde die de Heere bij aanvang, in het uur der wedergeboorte, ook in het hart gaat uitstorten. Dan komt er een liefdesbetrekking. Dan kun je jezelf geen verklaring en geen naam geven, maar die is er wel.

Gelukkig als er dan een ‘andere dag’ noodzakelijk gaat worden in je leven. Want je kunt van de noordenwind alleen niet leven. Maar gelukkig als die andere weg noodzakelijk wordt, als een mens met alles wat van hemzelf is, vastgelopen is, aan een einde gekomen is, dat hij uitgewerkt raakt en niet voor God kan bestaan, maar dan ook vanuit dat gemis gaat uitzien naar die andere dag. Hoe zal het moeten? Want hij moet ervaren dat hij schuld met schuld vermeerdert, en dat dagelijks de schuld ook toeneemt, en dat hij niets heeft om te kunnen afbetalen. Dan is het leven zo onrustig …

Totdat die nieuwe dag mag gaan aanbreken, die door God Zelf geschonken wordt. Is de Heere daartoe verplicht? Nee, God is daartoe niet verplicht. Het is uit louter genade, door de werking van Zijn Geest, op grond van het gezegende Borgwerk. Die nieuwe dag, door God Zelf geschonken.

 

Des anderen daags, staat er. Dan zien we dat die oordeelsprediking van Johannes overgaat in de evangelieboodschap. Johannes ziet Jezus. Dan gaat hij de anderen die bij hem zijn, ertoe opwekken om op Hem te zien. Hij zegt: Zie. Dat betekent eigenlijk: Let op. Het is een woord tot opwekking.

Ja, zult u zeggen, maar die mensen zien Hem toch wel? Ja, ze zien Hem wel, maar het gaat om het oog des geloofs. Mogen ze Hem zien door het oog des geloofs? Want, gemeente, duizenden gaan aan Hem voorbij en zien Hem niet. Dat was al in de tempel zo, toen Simeon met dat Kindeke in de tempel stond. De ogen van Simeon waren voor Hem geopend, maar er waren zovelen, priesters en anderen, die aan dat Kindeke voorbijliepen, want ze zagen niet anders dan een gewoon kind in Hem.

Zo moeten dus de ogen voor Hem geopend worden. Anna mocht Hem ook zien; ‘insgelijks’, staat er, mocht ook Anna op dat Kindeke zien. Toen Maria Magdaléna in de hof na de opstanding op Hem zag, zag ze ook niet Wie Hij was. Haar ogen moesten bij vernieuwing in haar leven voor Hem geopend worden. Ze dacht dat Hij de hovenier was. Toen die Emmaüsgangers naar het vlek Emmaüs liepen, met die derde Man aan hun zijde, moesten hun ogen voor Hem geopend worden. Dat mocht gebeuren bij de breking des broods.

Zo is het ook in het leven van Gods volk, dat de ogen steeds voor Hem geopend moeten worden. Hij is de broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Jesaja moet van Hem zeggen dat Hij geen gedaante noch heerlijkheid had. Dus wat dat betreft is er uitwendig geen verschil. Hij heeft die ontluisterde menselijke natuur van na de val aangenomen, uitgenomen de zonde. Maar de bruid mag, ziende door het oog des geloofs, uitroepen: ‘Hij is de Schoonste aller mensenkinderen! Al wat aan Hem is, is nu gans begeerlijk! Hij is blank en Hij is rood, Hij draagt de banier boven tienduizend.’

 

Dus Johannes roept: Zie! Velen hebben hun hoofd omgedraaid, en hebben op Hem gezien, Hem aangezien, maar dan blijkt Hij zo’n verborgen Persoon te zijn. Bij aanvang, maar ook in het verdere is Christus nog zo’n verborgen Persoon. Dat is van nature zo, voor een natuurlijk mens, maar ook voor zoekende zielen, die gaan uitroepen: ‘Och, dat ik Hem kenne, en de kracht van Zijn opstanding.’ Ook na ontvangen genade is Hij zo menigmaal verborgen voor de ziel, voor dat huis van Jakob en voor de inwoners van Jeruzalem.

 

Ik denk aan Jozef, de kinderen kennen die geschiedenis wel. De broers komen bij Jozef, en ze herkennen hem niet, en Jozef blijft voor zijn broers verborgen, totdat hij zich gaat openbaren. Hij ziet zijn broers voor zich. Ach, wat hebben ze hem een ellende aangebracht, in die put, en dat hij weggevoerd werd, en in dat huis van Pótifar, en in de gevangenis, dertien jaren lang, wat een ellende!

Maar nu ziet hij die broers voor zich, en zijn hart wordt week, waar ze zondaar gaan worden voor God. Daar ziet hij Benjamin, zijn jongste broer, ook geboren uit Rachel, en hij hoort Juda spreken. Dan wellen de tranen in zijn ogen op. Dan is zijn hart vol van de liefde tot zijn broers. Dan kan hij zich niet langer bedwingen, en zegt hij: ‘Doet alle man van mij weg.’ Iedereen moet weggaan. De Egyptenaren, de huismeester en de knechten, ze moeten allemaal de zaal verlaten, want hij wil hen apart hebben. Jozef wil eigenlijk twee dingen verbergen voor al die Egyptenaren, namelijk de zonden van zijn broers, maar ook dat hij straks wenend aan hun hals zal vallen. Hij wil hen apart hebben.

De Egyptenaren worden dus buitengesloten. Dat moeten we goed onthouden, gemeente: waar Christus Zich gaat openbaren, daar moeten de Egyptenaren worden buitengesloten. Zo is het ook in het bevindelijke leven. Dan gaat Hij hen dus apart nemen. Christus neemt Zijn volk altijd weer apart. Dan neemt Hij hen zo alleen, dan wordt het zo heel persoonlijk. Dan gaat Hij Zich openbaren en verklaren. Dan oefent Hij de gemeenschap in de eenzaamheid, zo heel persoonlijk. Dat doet Hij niet te midden van de wereld, het gejoel en het gedruis van de wereld, maar in de eenzaamheid, vaak in de nachten. Kent u van die nachten? Die nachten van:

 

‘k Zal Zijn lof, zelfs in de nacht,

Zingen, daar ik Hem verwacht.

 

Maar ook wel:

 

’k Bracht de nachten door met klagen;

’k Liet niet af mijn hand en oog

Op te heffen naar omhoog.

 

Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht (Jes.26:9). O, die nachten! Hij gaat Zijn volk wel eens apart nemen in de nacht.

 

Het is groot, geliefden, als een ontledigde, uitgewerkte zondaar in de benauwdheid van zijn leven een blik buiten zichzelf mag slaan op Hem. Dan mag er zo’n nieuwe begeerte in het hart leven.

Wat is de oude begeerte, jongens? Wel, die is van Genesis 3, hè? Eva zag op de vrucht van de boom der kennis des goeds en des kwaads, en een begeerte werd in haar opgewekt. Dat was niet zo’n beste begeerte: om te zijn als God, kennende het goed en het kwaad.

Maar nu is de nieuwe begeerte, die door de Heilige Geest bearbeid wordt in het hart, die begeerte van David: Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagens mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel (Ps.27:4). Dat is de begeerte van de bruid uit het Hooglied: Trek mij, wij zullen U nalopen (Hoogl.1:4). Met mijn ziel heb ik U begeerd in de nacht (Jes.26:9). Want Hem te kennen en vervolgen te kennen, dat is het eeuwige leven.

 

Johannes wekt op, hij roept uit: Zie! Hij wekt die schuldige zondaren er dus toe op om te zien op dat Lam. U begrijpt wel, dat kan alleen waarlijk met het oog des geloofs, dat ware geloof, dat geschonken wordt in het uur van de levendmaking.

Ambrosius heeft een dik boek geschreven, Het zien op Jezus. Nu kunnen we hele dikke boeken schrijven, ook over Jezus, en hele mooie dingen over Hem en over Zijn werk zeggen, terwijl het hart er toch niet bij is, maar dat het beschouwend, voorwerpelijk blijft. Maar ik geloof dat Ambrosius er ook wel wat van gezien heeft. Het is niet verkeerd om dat boek te bestuderen, Het zien op Jezus.

Als we dat zien willen beoefenen, dan moeten we ook eerst wel wat zien van onze zonde, van die hemelhoge schuld, die breuk die geslagen is tussen God en mijn ziel, maar ook ziende op Zijn majesteit; ziende ook op de wet, waar ik een overtreder ben van al Gods geboden. Dan wordt er in het hart plaatsgemaakt voor dat Lam.

Want dat is een kernachtige boodschap, hetgeen Johannes zegt: Het Lam Gods.

 

2. Een kernachtige boodschap

 

Hij zegt dus niet zomaar ‘een lam’, maar ‘hét Lam’. Dan gaat het dus over geen ander lam dan zoals Hij dat is. Johannes de Doper, gemeente, is een rechte dienaar van het Woord, hij is een vriend van de Bruidegom, zoals ook Petrus Hem aangewezen heeft: ‘Er is geen andere naam onder de hemel gegeven tot zaligheid, dan deze Naam.’ Al onze betaalmiddelen schieten tekort. Wij moeten van al onze gronden afgewerkt worden. Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid, maar de gerechtigheid redt van de dood (Spr.11:4).

Er wordt gesproken over het Lam. Waarom gaat het eigenlijk in Gods Woord steeds over het Lam? Petrus heeft het over een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. In de Openbaring, het laatste bijbelboek, gaat het ook zo over het Lam, Dat in het midden staat. Het gaat hier toch over een mens? Ja, het gaat over de Zoon des mensen, en Hij wordt aangeduid met ‘het Lam’.

Ja, lammeren zijn natuurlijk ook schepselen van God. Alles heeft Hij gemaakt, en niet wij, hebben we gezongen uit Psalm 100. Als een boer honderd koeien heeft, is het eigenlijk: Gód heeft ze; want het is alles van de Heere, en Hij heeft het geschonken en Hij heeft het geschapen.

 

Maar nu gaat het hier over een mens, en die wordt aangeduid als: het Lam. Waarom zou dat nu gebeuren? Wel, in het volk van Israël was dat volk van de herders een bekend beeld. Zo zien we dus ook in Gods Woord telkenmale, ook in het Oude Testament, dat er gesproken wordt over de herders en de schapen.

Abel was al een schaapherder. En Abraham, nietwaar, en Lot. Ze moesten zelfs gaan scheiden, want ze hadden veel te veel om op één weide te grazen. David moest achter de schapen vandaan gehaald worden, geroepen worden, enzovoort. We lezen ook in Éxodus 12 van een lam, met Pasen, weet u wel. Als het gaat over de uittocht uit Egypte, dan moest daar een volkomen lam zijn. Dat volkomen lam moest geslacht worden. Dat was hét middel om te kunnen ontkomen, want als het bloed van dat lam gestreken was aan de zijposten en de bovendorpel van je deur, ging de engel des verderfs voorbij. Het moest een eenjarig lam zijn, dus niet te jong en ook niet te oud. Het moest een mannelijk lam zijn. Het moest ook een volkomen lam zijn, dat wil zeggen: er mocht geen gebrek aan zijn.

Het moest vier dagen in het gezin verblijven, zodat ze daaraan konden wennen. Op de veertiende dag van de maand moest het geslacht worden, tussen twee avonden, overdag. Het moest gebraden worden, niet gekookt, en er mocht niets van overblijven. Als er wat overbleef, dan moest je de buren er maar bij roepen, want er mocht niets van overblijven, er mocht ook niets bewaard worden. Het moest volledig gegeten worden.

Ze namen daarbij de bittere kruiden en de bittere saus, als herinnering aan die bittere tijd, die periode dat ze in Egypte geweest waren. Ook het ongezuurde brood; ongezuurd, dus niet vermengd met wat anders. Want God begeert een heilig volk, en niet vermengd met het zondige, met het wereldse.

 

Nu, u begrijpt, dat zag dus allemaal op hét Lam. Dat ziet nu allemaal op de noodzakelijke verzoening van Zijn lijden en sterven. Dat is nu noodzakelijk, opdat de toorn Gods wordt afgewend. Achter dat bloed vind je nu schuiling tegen de Goddelijke toorn vanwege de zonden en de ongerechtigheden. Het wijst op de geheel enige Middelaar, Die Zich tot Borg gesteld heeft van eeuwigheid. Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God (Hebr.10:9).

Die geheel enige Middelaar is verordineerd van de Vader, om dat te zijn, om als Profeet, Priester en Koning op te treden. Maar Hij is ook bekwaam gemaakt in de tijd, om dat Middelaarschap op een volkomen wijze te gaan volvoeren. Dat zijn de geheimenissen van de raad des vredes.

Gemeente, geen adamskind heeft daar ooit naar gevraagd, maar Hij wordt geschonken. Het is door Christus volbracht. Hij heeft Zich vrijwillig daartoe gegeven, Zich afgezonderd. Hij was onbevlekt, dus zonder zonde. Hij heeft het volkomen gedaan. Aan het kruishout van Golgotha hangt een volkomen Zaligmaker. Hij is de broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Hij heeft Zichzelf geofferd op Golgotha in de kracht van Zijn leven. Niet te oud, niet te jong. U ziet, alles ziet op dat Lam. Zo heeft God Zelf gezorgd voor een Middelaar, Een Die tussen twee partijen staat, om die met elkaar te verzoenen.

 

Heeft dat Lam, gemeente, al betekenis gekregen in ons leven? Heeft Hij waarde voor u mogen ontvangen? Het kan alleen vanuit de onwaarde aan onze zijde. Dat gaat ook altijd weer samen. Dan krijgt Hij zulk een waarde. Wat een schapen en lammeren zijn er niet geslacht onder het Oude Testament. We lezen daarvan, maar het is ook waar:

 

               Brandofferen, noch offer voor de schuld,

               Voldeden aan Uw eis, noch eer.

 

U zult zeggen: ‘Is dat dan niet tegenstrijdig? Dat is toch ook ingesteld, om die brandoffers en die schuldoffers enzovoort allemaal te offeren? Spreekt de Heere Zich niet tegen?’

Nee, dat is niet het geval, maar dat is ook weer een beeld van al datgene wat nu nodig is tot wegneming van de zonde en de onreinheid. Het behaagde de Heere om het zo te doen. Dat bloed van het Oude Testament wijst nu heen naar dat grote offer dat Hij Zelf zal gaan offeren.

Nu gaat Johannes daarop wijzen: Zie, het Lam Gods. Zoals Jesaja gewezen heeft op dat Lam, Dat Zich tot een schuldoffer gesteld heeft. Die Moorman op zijn wagen zat te lezen in Jesaja 53, de kern van het Oude Testament, het evangelie van het Oude Testament. Hij begreep het niet, en zei: ‘Van wie zegt de profeet dat, het lam? Zegt hij dat van zichzelf of zegt hij dat van een ander?’ U weet, toen kwam Filippus, als de uitlegger, en voegde zich bij die wagen. Hij ging het uitleggen vanuit het paradijs vandaan: dat Lam in plaats van de zondaar. ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Een lam is onschuldig en teer. Een leeuw heeft scherpe klauwen, en een koe heeft hoornen, en een vogel kan met zijn snavel scherp pikken, maar een lam is kwetsbaar en teer.

Gewillig heeft Hij Zich laten leiden, onderworpen, zoals Izak, die zich onderwierp aan het bevel van zijn vader. Maar op dat moment is Izak ook een type van Christus. Hij heeft het gewillig gedaan. Abraham heeft die woorden gesproken: God zal Zichzelf een lam ten brandoffer voorzien (Gen.22:8). O, dan zien we dat Izak zich daar uitstrekt op het altaar. Je zou kunnen zeggen: als een lam, onbevlekkelijk, onbestraffelijk.

Maar dan zegt de Heere Jezus in de omwandeling: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan (Joh.18:8). Dan ziet u daar weer dat plaatsvervangende Borgwerk van die Gezegende des Vaders. Dat heeft Hij gedaan voor een onwillig, tegenstrevend en murmurerend volk. Ze worden niet zalig omdat ze zo graag bekeerd willen worden, maar het is Zíjn gewilligheid, gemeente.

 

Het gaat over het Lam Gods, dus het is het Lam van God. God is de Schenker. Op de berg des Heeren zal het voorzien worden (Gen.22:14). De Vader heeft gezorgd. Wat een boodschap is dat voor een arm en nooddruftig volk! Dus geen slachtoffers voor de zonde. Dan is het aan hun zijde onmogelijk om bekeerd en verzoend te worden en hersteld te worden in die gemeenschap. Maar de Heere eist het wel. Dat heilige recht van Hem vraagt betaling. Er werd gezien op het mes en op het vuur, en toen werd de vraag gesteld: ‘Waar is nu het lam?’

Wat heeft Israël oudtestamentisch al kostelijk onderwijs mogen verkrijgen. Dat is een voorrecht, en het geldt ook voor ons, dat we nog onderwezen mogen worden, op school, thuis en in de kerk, waar het Woord nog geopend mag worden. Maar het moet wel worden toegepast. Dat geldt hier ook.

In het Lam is het te vinden. Hij is een Middelaar van verdienste, en gelukkig ook een Middelaar van toepassing. Zijn bloed reinigt van alle zonde. Dus in Hem, en in Hem alleen, wordt de toorn des Vaders gestild. De hitte van Gods gramschap wordt in Hem geblust. O, dan is daar vrede én gerechtigheid te vinden. De vrede wordt met een kus van het recht gegroet. Dat Lam is nu voor dat Sion een Leidsman tot levende fonteinen der wateren, en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

 

3. Een noodzakelijke toepassing

 

Wat doet dat Lam? Dat Lam gaat de zonde wegnemen. Dat de zonde der wereld wegneemt. Wat zeggen de kanttekeningen daarbij? Niet de hele wereld, hoofd voor hoofd, maar de gelovigen uit de wereld. De ware gelovigen vanuit de wereld, die van alle kanten worden getrokken.

Hij neemt die zonde weg, en die zonde neemt Hij op Zich. Hij draagt de straf, Hij gaat de schuld eigenen en Hij gaat ze verlossen door Zijn bloed. Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes.53:7). Alleen in de weg van de bloedstorting is er nu vergeving van zonde en van schuld. Dus niet de gestalte in u, maar dat bloed reinigt van alle zonde.

Voor wie krijgt nu dat bloed betekenis? Wel, voor hen die nu alle wegen hebben afgespeurd, maar alles is tot teleurstelling geworden. Dan is er maar één weg overgebleven, en die weg is gelegen in Hem.

Ze hebben van alles geprobeerd, en ze zijn vastgelopen met zichzelf, met al hun werkzaamheden. Ze zijn ontgrond en ontkracht. Maar wat een voorrecht als dan het oog des geloofs ontsloten mag worden, in de leiding des Geestes, voor Hem, voor dat Lam. Dan liggen zij midden in de dood, maar in Hem en in Zijn bloed is nu het leven te vinden. Dat is nu de weg der behoudenis. Door de bediening van de wet komt er nu dus plaats voor de bediening van Christus.

 

We mogen vragen, gemeente: zijn we al met Johannes in aanraking gekomen? Daar gaat wat aan vooraf: ook die prediking dus van Johannes, in de veroordeling, zeker. Dan blijft er van mij niets over, maar we gaan ook bewenen dat we het zo gemaakt hebben. Dat Lam mag nog gepredikt worden, maar hebben we er ook persoonlijk deel aan? Want daar gaat het om!

 

Misschien zijn er in ons midden, ach, die gebukt gaan onder de zonde, die niet makkelijk voor zichzelf leven, en die de schuld hebben moeten leren eigenen. Ze leren zich schuldig kennen voor een heilig en rechtvaardig God. Voor zo Eén kun je niet bestaan. God kan met de zonde en met die zondaar ook geen gemeenschap hebben.

Wellicht hebt u al van alles geprobeerd om buiten Christus om, buiten dat Lam om, behoudenis te vinden, maar is alles op een teleurstelling uitgelopen. Dat kan ook niet anders, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. En daarom: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Dat is nu noodzakelijk. Anders zal die verderfengel niet voorbijgaan. Dan kan hij niet voorbijgaan, want God komt om Zijn recht.

O, misschien heb je bij aanvang wat geleerd om je blik te werpen buiten jezelf, op Hem, dat dat mocht gebeuren. Toen was het zo vol, nietwaar, en je was vol van de liefde Gods in Christus. Ach, dan denk je misschien wel: Dat gaat nooit meer over, dat gaat recht op Kanaän af, we gaan van kracht tot kracht steeds voort. Maar het wordt toch weer anders. Het is wel een wonder op dat moment, nietwaar, een volkomen Lam, een plaatsvervangend Lam, een onbestraffelijk Lam, een onbevlekt Lam, een noodzakelijk Lam. Dan heb je zoveel in Hem mogen zien en mogen zeggen: ‘Niet alleen voor anderen, maar nu kan het ook nog voor mij.’

En toch, dat zien van Zijn dierbaarheid en Zijn gepastheid, o, het is groot, gemeente, het is een voorrecht, maar dat Lam moet ook geslacht worden. God komt om Zijn recht. Dat bloed moet dus aan de zijposten en aan de bovendorpel. Dat moet ook gebeuren in het leven. Die priesterlijke arbeid van die grote Profeet, dat vraagt dus om de toepassing in je leven, opdat je deel mag hebben aan die bloedgerechtigheid. Dan gaan ze uitroepen, als dat mag gebeuren, in de verwondering, maar ook in de aanbidding: ‘Hij de mijne, en ik de Zijne!’ Hij brengt Zijn volk altijd weer in de verwondering.

 

O, dan is Johannes 1 wel een indrukwekkend hoofdstuk, wat we hier allemaal lezen. Het optreden van Johannes was indrukwekkend in zijn eenvoud, maar ook in zijn prediking. Hij had niet zoveel woorden, hij had geen omhaal van woorden, en het ging rechttoe rechtaan.

Ach, het ging Johannes niet om de verandering van de structuren van de samenleving of zo, maar het ging hem eenvoudig om bekering. Bekering, dat heeft hij nogal eens gezegd. In de woestijn van Judéa heeft hij die bazuinstoten doen horen: ‘Bekeert u. Brengt dan vruchten voort der bekering waardig. Het Koninkrijk der hemelen is nabij. De bijl ligt alrede aan de wortel der boom.’ Zo heeft hij gepredikt. Maar hij heeft dus ook gepredikt: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Want Hij is Borg en Middelaar, en Hij is gegeven. Hij is gegeven tot wijsheid, tot rechtvaardiging, tot heiligmaking, ja, kortom: tot een volkomen verlossing.

Velen zagen toen in Jezus wel een mooi Voorbeeld om na te volgen, of ze zagen in Hem wel een groot Profeet, Die mooie dingen zei. Misschien zagen anderen Hem in die dagen zeker ook als een voorman, een revolutionair om de Romeinen weg te jagen, om hen van het juk van de Romeinen te ontdoen, ook dat. Maar Hij is de Zoon van God. Hij is het Lam Dat op deze aarde kwam om de dood in te gaan en die te overwinnen, om zo een eeuwige gerechtigheid voor Zijn volk aan te brengen.

Dan moet u Hem leren zien, dan moet u Hem leren kennen als het Lam. Anders blijven we daar blind voor. Maar als we Hem mogen zien met de ogen des geloofs, o, dan is in Hem de rust te vinden. Want al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen worden als witte sneeuw. En al waren ze als karmozijn, ze zullen worden als witte wol.

En Hij zorgt. Dat volk mocht dan op Hem zien. Ze mogen ook wel eens vooruitzien naar die dag der dagen, die zal komen, als Hij zal komen op de wolken des hemels, om te oordelen de levenden en de doden. Want dat Lam is gekruisigd, Hij is ook opgestaan, Hij is ten hemel gevaren vol van eer. Hij is zittende aan ’s Vaders rechterhand om voor Zijn Kerk zorg te dragen, maar Hij zal ook eenmaal wederkeren op de wolken des hemels.

 

Ach, velen hebben Hem in die dagen niet geloofd. Velen gingen aan Hem voorbij. Ze hadden geen Zaligmaker nodig. Ze hadden geen heilbegerig hart. Ze waren niet verlegen om Hem. Ze verwachtten niet een Verlosser van de zonde, maar ze verwachtten een verlosser, zeg maar, van de Romeinen. Zo kan het ook in ons hart zijn. Ach, we willen wel verlost worden, geliefden, van de gevolgen van de zonde, maar nu gaat het over de zonde zélf. Dan moeten we naar de oorzaak, dan moeten we terug naar het paradijs. O, dan vraagt dat om een plaats in het hart voor dat Lam.

 

Zie, het Lam Gods, zei Johannes. We zouden kunnen wijzen op drie plaatsen die beginnen met ‘zie’. Want dat was al zo in de stilte der eeuwigheid; toen heeft de Zoon des Vaders gezegd: ‘Zie, Ik kom, o God, om Uw wil te doen. Ik zal Mij met Mijn hart Borg stellen voor dat doemwaardige volk.’ Hier is het de prediking in de tijd, in de genadetijd: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt. Er zal nogmaals een ‘zie’ opklinken, aan het einde, de dag der dagen. Dat staat in de gelijkenis van de wijze en dwaze maagden: Zie, de Bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet (Matth.25:6). Dan kan het alleen goed zijn als we deel hebben aan Hem van Wie Johannes de Doper getuigd heeft: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 130: 4

 

Hoopt op de Heer’, gij vromen;
Is Israël in nood,
Er zal verlossing komen;
Zijn goedheid is zeer groot.
Hij maakt, op hun gebeden,
Gans Israël eens vrij
Van ongerechtigheden;
Zo doe Hij ook aan mij.