Ds. W. Silfhout - Mattheüs 5 : 5

Zalig de zachtmoedigen

Hun staat
Hun toekomst

MattheĆ¼s 5 : 5

Mattheüs 5
5
Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beerven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 147: 3
Lezen : Mattheüs 5: 1-20
Zingen : Psalm 25: 4, 7
Zingen : Psalm 37: 6
Zingen : Psalm 72: 9

Gemeente, de tekst waarbij we willen stilstaan, kunt u vinden in het Schriftgedeelte dat u is voorgelezen uit Mattheüs 5 en wel daaruit het vijfde vers. Daar lezen we Gods Woord en onze tekst als volgt:

 

Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.

 

Onze tekst spreekt ons van: Zalig de zachtmoedigen.

 

We letten op twee gedachten:

1. Hun staat. Onze tekst zegt ons: Zalig zijn de zachtmoedigen.

2. Hun toekomst. Want zij zullen het aardrijk beërven.

 

1. Hun staat

 

De Heere Jezus zit op de berg der zaligsprekingen in de buurt van Kapernaüm. Aan Zijn voeten zitten de discipelen en om Hem heen staat een grote menigte, die daar is samengekomen om de woorden te horen die Hij, de grote Profeet en Leraar der gerechtigheid, spreekt.

Het is echter wel een andere boodschap dan die van de farizeeën en schriftgeleerden. Die leerden immers dat je door het onderhouden van de geboden, aangevuld met 613 zelfgemaakte geboden en verboden, het Koninkrijk der hemelen zou kunnen ingaan. Maar Jezus predikt hier in de zaligsprekingen wat nodig is om welgetroost te leven en eenmaal zalig te sterven.

 

Er zijn mensen die zeggen dat de Bergrede eigenlijk een soort vervanging is van de wet van Mozes. Als je maar leeft volgens die Bergrede en wat de Heere Jezus daarin heeft gezegd, dan zal het allemaal wel goed met je komen op reis naar de eeuwigheid.

Maar die illusie heeft de Heere Jezus weggenomen door erop te wijzen dat onze gerechtigheden voor God niet kunnen bestaan. Hij heeft gezegd: Tenzij uw gerechtigheid overvloediger zij dan der schriftgeleerden en der farizeeën, dat gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan (Matth.5:20). Wie zal meer gerechtigheid kunnen aanbrengen voor het aangezicht van de heilige en de rechtvaardige God dan de schriftgeleerden en de farizeeën?

Bovendien, gemeente, al zouden we dat kunnen, moeten we dan ook niet belijden met de Schrift dat onze gerechtigheden voor God als een wegwerpelijk kleed zijn, en dat zelfs onze beste werken met zonde bevlekt zijn en niet voor God kunnen bestaan? De ware gerechtigheid is alleen maar te vinden bij de Heere Jezus Christus. Daarom gaat Hij in de Bergrede onderwijs geven wat tot zaligheid nodig is.

 

De Heere begint de Bergrede, die we vinden in de hoofdstukken 5 tot en met 7 van het Mattheüsevangelie, met de zaligsprekingen.

Hij spreekt dan eerst de armen van geest zalig, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Vervolgens degenen die treuren vanwege hun zonden en ongerechtigheden, want zij zullen vertroost worden. En dan volgt de derde zaligspreking: Zalig zijn de zachtmoedigen.

 

Gemeente, in de zaligsprekingen zijn het geen afzonderlijke groepen mensen die de Heere Jezus bedoelt, maar mensen die niet alleen treuren, maar tegelijk arm van geest zijn, zachtmoedig, barmhartig, en die ook hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.

De Heere noemt ze wel afzonderlijk, opdat de troost van de afzonderlijke woorden zou mogen worden verstaan, maar ze staan in een onlosmakelijk verband met elkaar. Allen die daar iets van kennen worden door Jezus zalig gesproken.

Zalig zijn wil zeggen: werkelijk gelukkig zijn. Als we daar niets van kennen, dan zijn we ongelukkig.

 

Wat is eigenlijk ‘zachtmoedig zijn’?

Is dat iets van lauwheid, lafhartigheid of stoïcijnse onverschilligheid?

Nee, dat is het niet.

Of betekent ‘zacht van gemoed’: niet zo geneigd zijn tot heftigheid, zich gemakkelijk schikken naar de gang van zaken?

Iemand die zachtmoedig is, heeft meestal een aangenaam karakter. Met hem of haar ga je gemakkelijker om dan met iemand die bij het minste of geringste op zijn achterste benen staat.

Worden dergelijke mensen, met een zachtmoedig karakter, zalig gesproken door de Heere Jezus? Als je maar een zachtmoedig karakter hebt, dan ben je zalig, dan zul je het Koninkrijk der hemelen beërven?

Nee, het gaat niet om onze karaktereigenschappen, hoewel het een voorrecht is als we een zacht karakter hebben.

 

Als het over de zachtmoedigheid gaat waarvan Jezus spreekt, is dat een vrucht van de Geest. Paulus heeft daarover geschreven aan de gemeente van Galaten (Gal.5:22). Hij noemt daar als vruchten van de Geest: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid.

Wat is dan de zachtmoedigheid, die vrucht is van de Heilige Geest?

We moeten naar de Bijbel luisteren om te weten te komen wat dat inhoudt. We komen dan verschillende voorbeelden tegen van mensen in de Bijbel die zachtmoedig gemaakt zijn.

Denkt u maar aan Mozes. Ik lees van hem in Numeri 12 vers 3 dat de Heere van hem getuigt dat de man Mozes zeer zachtmoedig was, meer dan alle mensen op de aardbodem. Als Aäron en Mirjam tegen Mozes opstaan, dan bidt Mozes niet of de Heere vuur van de hemel wil zenden om hen te verteren, en als de Heere Mirjam bezoekt met melaatsheid, dan roept Mozes tot de Heere en vraagt: ‘Heere, heel haar toch, genees haar toch!’

Die zachtmoedigheid van Mozes komen we ook tegen in Exodus 32, waar het volk van Israël zich een gouden kalf heeft gemaakt om dat te aanbidden. Dan ontsteekt de toorn des Heeren, en kondigt de Heere Zijn voornemen aan om het gehele volk uit te roeien. Maar Mozes werpt zich voor de Heere neer, als de middelaar van het oude verbond. Mozes heeft zichzelf over voor het volk. Hoor hem bidden: Delg mij nu uit Uw boek (Ex.32:22). Bij zachtmoedigheid hoort dus ook zelfopoffering.

 

Had Mozes dat van zichzelf? Was dat een karaktereigenschap van hem?

Ach, gemeente, Mozes is zachtmoedig gemaakt door de Heere. Dezelfde Mozes komen we immers ook tegen als een hardvochtig mens, als een mens die in toorn ontsteekt en een Egyptenaar doodslaat.

Later komt de ware aard van Mozes ook nog openbaar in de woestijn. De Heere zegt dat hij tegen de rots moet spreken, opdat er water uit zou vloeien, maar Mozes is vertoornd vanwege de ongehoorzaamheid van het volk van Israël en slaat op de rots. Dit is de reden waarom Mozes niet mee mag naar het beloofde land.

Mozes is zachtmoedig gemaakt. Dat was voor Aäron ook nodig. Als Nadab en Abihu vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren brengen, worden ze door het vuur van Gods aangezicht gedood. Aäron moet dan zwijgen en mag zelfs geen rouw bedrijven. Hij  wordt onderworpen gemaakt aan de wil van de Heere en zachtmoedig gemaakt.

 

In het Nieuwe Testament vinden we ook iemand die door God zachtmoedig gemaakt is. In 2 Korinthe 11 beschrijft de apostel Paulus wat hij allemaal heeft meegemaakt. Hij spreekt over slagen die hij heeft ontvangen, over gevangenissen waarin hij geworpen werd, over de gevaren waarin hij verkeerde. Hij is zelfs gestenigd en hij moest zijn arbeid voortdurend in moeite doen.

Komen er dan bittere woorden over zijn lippen? Nee, we horen diezelfde apostel Paulus zeggen, als hij staat voor koning Agrippa: Ik wenste wel van God dat, én bijna én geheel, niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, zodanigen werden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden (Hand.26:29).

Daarom kan Paulus ook schrijven: Ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft (Fil.4:13).

 

Er staan dus vele voorbeelden in de Bijbel over zachtmoedigen, maar we hebben een veel groter Voorbeeld van zachtmoedigheid.

Het volmaakte Voorbeeld om ons te leren wat zachtmoedigheid is, is Christus. Hij is de Zachtmoedige, Die Zichzelf gaf, overgaf, om de wil van Zijn hemelse Vader te doen. Hij verliet de hemel van Zijn heerlijkheid en kwam op deze aarde om ons mensen in alles gelijk te worden, uitgenomen de zonde. Om te dragen wat Hij moest dragen, om zo aan het recht van God te voldoen. Hij deed dat voor een schuldig volk.

Christus heeft door Zijn lijden en sterven zachtmoedig de volle beker van Gods toorn tot de laatste druppel toe geledigd. Hij heeft de toorn van God gestild door Zijn gramschap te dragen.

Zachtmoedig heeft Hij de lijdensbeker tot de laatste druppel toe geledigd en gezegd: ‘Vader, niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.’ Hij heeft daartoe gekropen in de hof van Gethsémané als een worm en geen man. Hij is de weg gegaan naar het vervloekte hout van Golgotha om daar als een misdadiger gekruisigd te worden.

 

O, als de grote Zachtmoedige duldt Hij wat mensen Hem hebben aangedaan. In onbegrijpelijke en onbevattelijke zondaarsliefde heeft Hij verdragen dat men Hem in het aangezicht heeft gespuwd, en heeft Hij de geselslagen van de Romeinen verdragen.

Hij heeft verdragen dat men riep: ‘Kruis Hem, Kruis Hem! Weg met Deze!’

Men heeft Hem bespot, toen Hij aan het kruis hing: ‘Indien Gij Gods Zoon zijt, zo kom af van het kruis en verlos Uzelf.’

O, zachtmoedig heeft Christus het uitgeroepen, toen Hij hing tussen hemel en aarde: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk.23:34).

Als Hij gescholden werd, schold Hij niet weder. Als Hij leed, dreigde Hij niet, maar gaf het over in de handen van Hem Die rechtvaardiglijk oordeelt.

In de navolging van Hem heeft Stefanus, toen de stenen zijn lichaam beukten, het uitgeroepen: Heere, reken hun deze zonde niet toe (Hand.7:60).

 

Zo hebben we in Christus het hoogste Voorbeeld van zachtmoedigheid. Maar Hij is niet alleen een Voorbeeld van zachtmoedigheid voor u en voor mij, maar heeft die zachtmoedigheid ook als de Middelaar Gods en der mensen getoond om voor verloren zondaren de weg terug te banen naar de gemeenschap met God. Hij heeft zo gerechtigheid aangebracht voor een volk dat God in hoogmoed en in vijandschap naar kroon en troon heeft gestaan.

Christus heeft voor Zijn kerk alles verdragen. Hij is zachtmoedig geweest tot het einde toe. Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh.13:1).

Ja, Hij verdroeg het ongeloof van Zijn discipelen en de verloochening van Petrus.

Hij verdroeg de twijfel in het hart van een Thomas en de hoogmoed van Johannes en Jakobus die wensten te zitten in Zijn Koninkrijk aan Zijn linker- en aan Zijn rechterzijde.

 

Gemeente, als we samenvatten wat het betekent om zachtmoedig te zijn, kunnen we het omschrijven als:

Zich in alle dingen volkomen zachtmoedig overgeven in de handen van de Heere. Alles aan Zijn leiding overlaten.

Niets van onszelf, maar alles van de Heere verwachten.

Ons gewillig onderwerpen aan Zijn voorzienig bestel, ook als moeite en verdriet ons levenspad kruisen. En dan toch zingen: ‘Die, hoe het ook moog’ tegenlopen, gestadig op Zijn goedheid hopen.’

Niet tegenspreken in kruis en in moeite, niet opstandig zijn, maar in alle dingen op de Heere vertrouwen.

De Heere aanhangen, alle vertrouwen in onszelf verliezen, en ons alleen van Hem  afhankelijk weten. We zullen daarin niet beschaamd worden.

 

Zachtmoedig zijn betekent niet alleen tegenover God zachtmoedig zijn, maar ook jegens mensen, want in vers 44 van Mattheüs 5 zegt de Heere Jezus dat we onze vijanden moeten liefhebben. We moeten zegenen die ons haten.

Gemeente, gaat u voor uzelf eens na, of u iets kent van die zachtmoedigheid. Uw vijanden liefhebben en zegenen die u haten. Dat is geen vrucht die op de akker van ons hart groeit. Dat kan alleen maar door de genade van Christus, Die gekomen is om vijanden met God te verzoenen, om wederhorigen bij God te doen wonen.

Het is zo waar: de bloem van de zachtmoedigheid groeit slechts op het graf van onze hoogmoed. Ik hoop dat u nu begrijpt wat Christus met deze tekst bedoelt. Eerst moet, wil er sprake zijn van zachtmoedigheid, onze hoogmoed eraan. We leven immers in hoogmoed, hoe vriendelijk en zachtmoedig we ons ook kunnen voordoen.

Als we zachtmoedig van karakter zijn, is dat een voorrecht. Maar ten diepste kunnen we van nature alleen maar de werken des vleses doen en niet de werken des Geestes.

De werken van het vlees noemt Paulus in Galaten 5. Hij noemt naast overspel veel andere ongerechtigheden, zoals vijandschap, twist, afgunstigheid, toorn, gekijf, tweedracht en nijd.

Herkent u zich hierin? Wie zal niet moeten zeggen, als hij de hand in eigen boezem zou steken, dat hij haar er melaats zal uit halen? Die deze dingen doen, zo voegt de apostel Paulus er aan toe, zullen het Koninkrijk van God niet beërven.

Dus wat is ons nodig? Dat we met onze zonde bij God terechtkomen, aan de voeten van Hem Die machtig is om te verlossen. We moeten leren bedelen om een druppel van het allesreinigende bloed van de Heere Jezus Christus.

 

Gemeente, zachtmoedigheid wordt dus gevonden waar de vruchten van de Geest openbaar komen. Zij wordt gezien als de Geest des Heeren ons ontdekt wie we geworden zijn door onze diepe val in ons verbondshoofd Adam.

Als de Heere in het uur van de wedergeboorte ons harde hart verbreekt, worden we door de Geest van God zachtmoedig gemaakt. We willen dan graag verkeren onder het Woord van God en verlangen naar de woorden van het eeuwige leven. We horen dan graag wat tot onze eeuwige vrede dient en worden dan begerig naar de onvervalste redelijke godsdienst.

Als dan het Woord van God gepredikt wordt, gaan we verstaan wat Jakobus in zijn brief heeft geschreven: Ontvangt met zachtmoedigheid het Woord dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zalig maken (Jak.1:21). Dan wordt onze hoogmoed en ons verzet gebroken. Dan wordt een wolf een lam, en een vijand wordt een vriend van God.

We gaan God ook niet van onrecht beschuldigen als verdriet en moeite ons overkomt, als Hij met ons wegen houdt die tegen ons vlees en bloed zijn. We zien ook niet laag neer op mensen die niet naar de kerk gaan. We gaan verstaan dat we allen van dezelfde lap gescheurd zijn. Het wordt een wonder dat de Heere ons nog Zijn Woord doet horen, dat Hij met dat Woord nog tot ons komt.

 

Het Woord verkondigt niet alleen wie we zijn geworden door de zonde en dat we voor God niet kunnen verschijnen, maar ook dat er bij God verzoening is voor onze zonden in het allesreinigende bloed van de Heere Jezus Christus. Wat wordt het dan een wonder dat de Heere ons nog heeft gespaard en nog heeft gedragen!

We staan dan niet meer zo hoog met onszelf. We liggen immers allen onder het oordeel. Dan krijgen we Hem nodig Die gezegd heeft: Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Matth.11:29-30).

Als we zachtmoedig gemaakt zijn, leren we de ander uitnemender achten dan onszelf. Die zachtmoedigheid leert ons, als we op de ene wang geslagen worden, ook de andere wang toe te keren.

 

De Heere Jezus zegt in onze tekst van deze zachtmoedigen dat ze zalig zijn. Ze zijn in de wereld niet in tel. De wereld zegt immers: ‘Je moet voor jezelf opkomen.’

Nee, het zijn niet vele rijken, niet vele edelen, niet vele machtigen. Het zijn mensen die zich vaak moeten aanklagen dat ze juist een hard hart hebben. Zij moeten zich vaak veroordelen, omdat ze zo zeer aan de dingen van het tijdelijke leven gebonden zijn.

Ze hebben hun eigen hart leren kennen en ervaren juist dat ze vaak zo ver zijn van die zachtmoedigheid. Die mensen zijn het ook vaak niet eens met de weg die de Heere met hen houdt en ze ervaren zo weinig van de liefde tot God en tot hun naaste.

Maar toch staat er: Zalig zijn de zachtmoedigen. Het woordje ‘zijn’ is er door de vertalers tussen gevoegd. Er staat eigenlijk: Zalig de zachtmoedigen. De Heere Jezus spreekt ze zalig, niet een mens. Hij is de grote Hartenkenner en de Nierenproever.

 

Waarom zijn ze zalig?

Omdat ze zachtmoedig zijn?

Nee, zij zijn zachtmoedig omdat ze voor rekening liggen van een Ander.

Ze zijn gekocht met de prijs van Zijn dierbaar bloed.

Hij heeft hen uit de handen van de Vader ontvangen. Hij, de Heere Jezus, is het, Die als de grote Zachtmoedige het kruis heeft gedragen en de schande veracht. En Die nu gezeten is aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader, om voor Zijn kinderen de weg terug te banen tot de gemeenschap met God.

Ja, Hij heeft de toorn van God en de vloek van God gedragen over onze ongerechtigheid. Hij deed dat voor een volk dat het telkens weer verzondigt en verbeurt.

Toen Hij hing in die drie-urige duisternis, heeft Hij het uitgeroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46), opdat adamskinderen, die geleerd hebben dat ze niet zachtmoedig zijn, tot God zouden worden genomen, om nimmermeer van Hem verlaten te worden.

 

Misschien zijn er wel in de kerk, die zich moeten aanklagen en zeggen: ‘Ik ben zo koud en zo hard, onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Ik, zachtmoedig? U moest eens weten wat er in mijn hart leeft. U moest eens weten hoe opstandig ik kan zijn als de Heere wegen van moeite en van verdriet met me houdt.’

Als het u werkelijk om Hem te doen is, om de Zaligmaker, om Hem te kennen, als u Hem niet meer kunt missen, dan zegt Hij hier: Zalig de zachtmoedigen.

Hij zoekt het weggedrevene. Hij is gekomen tot behoudenis, niet voor beste mensen, maar voor zondaren. Wanhoop dan maar niet. Wanhoop veel aan uzelf, maar niet aan de Heere. Want aanmerkt Dezen, Die zodanig een tegenspreken van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uw zielen. De apostel voegt nog toe: Gij hebt nog tot de bloede niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde (Hebr.12:3-4).

 

Gemeente, dat is nu de staat van de zachtmoedigen. Zij kunnen het er vaak zelf niet voor houden, omdat ze door de zelfkennis die de Heere schenkt, zich steeds moeten aanklagen voor het aangezicht des Heeren.

Als het gaat om zachtmoedigheid moet Paulus vaak stamelen: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? (Rom.7:24). Als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt (Rom.7:21). Het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik (Rom.7:19).

 

Wij letten nu op onze tweede gedachte:

 

2. Hun toekomst

 

Want zij zullen het aardrijk beërven. Zachtmoedigen kennen ook wel eens ogenblikken dat ze het Paulus mogen nazeggen: Ik dank God door Jezus Christus, onze Heere (Rom.7:25). ‘Hij heeft me iets van die zachtmoedigheid en van die nederigheid geleerd.’

Gemeente, er is een heerlijke toekomst weggelegd voor de zachtmoedigen, want er staat: Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven.

 

Als we om ons heen zien, zou je niet zeggen dat de zachtmoedigen het aardrijk zullen beërven. Het lijkt eerder op het tegendeel. De groten der aarde verdelen de wereld in invloedssferen. Het gaat om invloed en om macht, waardoor vele oorlogen ontstaan. Ze wenden hun macht aan om de aarde te bezitten en daarover te heersen. Het lijkt er veel meer op dat zij de aarde zullen beërven.

Alles op deze aarde wordt in beslag genomen door de brutalen. We zeggen wel: ‘Een brutaal mens heeft de halve wereld.’ Maar de mogendheden van de wereld, die brutalen, zullen de aarde niet beërven. Zij heersen maar tijdelijk over Gods goede schepping. Nee, de zachtmoedigen zullen het aardrijk beërven.

 

In de wereld is vaak veel onenigheid om een erfenis. Men is vaak bezig om het beste deel uit die erfenis te krijgen. De mens wil immers deze aarde beërven en als God zijn, kennende het goed en het kwaad.

Verkrijgen de zachtmoedigen dan een erfenis? Nee! Zij hebben een erfenis!

Een erfenis is iets dat iemand nalaat bij zijn dood, waarover anderen, zoals de familie, de beschikking krijgen. Het wordt hun toegewezen, hetzij door wettelijke toedeling of door middel van een testament dat de erflater heeft opgemaakt.

Zo krijgen de zachtmoedigen ook een erfenis. Maar alleen door de dood van de Testamentmaker, door de dood van Christus. Die erfenis heeft Hij voor hen verworven en die wordt voor hen bewaard in de hemel.

Een schone erfenis is voor hen weggelegd. Wat is die erfenis dan?

Wel, zij worden weer hersteld in wat zij in het paradijs verloren hebben. Een schat van zegeningen in Christus zal hun ten erfdeel zijn.

De erfenis die zij ontvangen is, in tegenstelling tot het goed van deze wereld, onvergankelijk. Het is een duurzaam, een eeuwig en een zalig goed.

 

Wij mensen nemen zo vaak genoegen met het goede van deze wereld. Daar gaan we in op. We streven ernaar om zoveel mogelijk rijkdommen te krijgen. Daar staan ook veel voorbeelden van in de Bijbel.

Denkt u maar aan die rijke man en de arme Lazarus. Die rijke man had zijn deel in dit leven. In een aangrijpend beeld toont de Heere Jezus ons wat de eeuwige bestemming van die rijke man is. Hij leefde elke dag vrolijk en in weelde, en bekommerde zich niet om de eeuwigheid en zijn onsterfelijke ziel. Hij had genoeg aan zijn rijkdom, aan zijn geld en aan zijn goed. Maar het belangrijkste miste hij. Hij miste God.

Daarom slaat hij zijn ogen op in de hel en hij roept het uit: Ik lijd smarten in deze vlam (Luk.16:24).

Dat is het deel van degenen die dat grote goed, die erfenis, niet begeren; die genoeg hebben aan het geld en het goed van deze wereld.

 

Gemeente, het kan zelfs nog dichterbij komen. Denkt u maar aan de rijke jongeling. Hij kon zeggen dat hij al de geboden van God van zijn jeugd af had onderhouden. Maar wat ontbrak hem?

‘Geloof’, zegt u.

Ja, dat ontbrak hem ook, maar vooral de liefde. De Heere Jezus zegt tegen hem dat hij alles moet verkopen en dat hij dan een schat zal hebben in de hemel. Hij gaat dan teleurgesteld weg. Dat had hij er niet voor over.

Hij mist de zachtmoedigheid, de ware zachtmoedigheid. Hij kon geen afstand doen van zijn rijkdom. Alleszins godsdienstig hield hij vast aan de dingen van deze wereld.

 

Maar hoe is het met u? Hoe is het met jou? Hebt u ook nog zoveel in deze wereld waaraan u vastzit en wat u niet kunt missen? Want ten diepste kan een mens niets missen van deze wereld.

Staren we ons soms blind op een aardse erfenis die we misschien nog zullen ontvangen? Of hebt u reeds mogen zien op de erfenis die voor de zachtmoedigen is weggelegd, op die onvergankelijke, die onverwelkelijke erfenis, die door de Heere voor Zijn kinderen wordt bewaard in de hemel?

Laten we wel bedenken, geliefden, dat we niets kunnen meenemen. We kunnen heel veel schuren bouwen, net als die rijke man, maar we moeten alles achterlaten. We kunnen ons wel gedragen als eigenaar van onze bezittingen, maar we zijn slechts rentmeesters.

We vullen zoveel mogelijk onze bankrekeningen en verblijden en verlustigen ons daarin. Maar dan? O, dan zal de Heere zeggen: Gij dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen (Luk.12:20). Wat hebt u dan aan die aardse bezittingen? Wat hebt u dan aan die gevulde bankrekeningen?

 

Gemeente, we hebben één ding nodig: Zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid (Matth.6:33).

 

‘t Oog omhoog, het hart naar boven,
hier beneden is het niet!

‘t Ware leven, lieven, loven
is maar, waar men Jezus ziet.

                                     

Zachtmoedigen worden zalig gesproken en in Christus zal hun een schat van zegeningen  ten erfdeel zijn.

Voordat we daar verder op letten, gaan we eerst zingen Psalm 37 vers 6:

 

‘t Zachtmoedig volk zal eens de volle vrede

Genieten, in de zoetste rust verblijd,

En erven d’ aard’. Hoe ook de booz’ en wrede

Op d’ onschuld loer’, de tanden kners’ van spijt;

Hoe listig hij op haar zijn aanslag smede,

De Heer’ belacht het wrokken van die nijd.

 

Gemeente, de zachtmoedigen zijn zalig. Want ze zijn kinderen van God. En indien wij kinderen zijn, zo schrijft de apostel, zo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus (Rom.8:17). We zijn erfgenamen van Hem Die kon zeggen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde (Matth.28:18). Daarom schrijft Paulus: Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Céfas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is Gods (1 Kor.3:22-23).

Als je kunt zeggen, dat je van Christus bent, dan heb je alles. Dan kun je door het leven, dan kun je ook uit het leven. Al heb je dan in deze wereld weinig - misschien moet je wel je best doen voor je levensonderhoud - maar je bent van Christus, dan heb je alles.

 

Wat is het een rijkdom de voetstappen te mogen drukken van Hem Die rijk was en Die arm wilde worden! Hij zei: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij Zijn hoofd op nederlegge (Matth.8:20).

Het recht op de hemel en op de aarde werd Hem door Zijn vijanden betwist. Er was geen plaats voor Hem toen Hij geboren werd. Er was ook geen plaats voor Hem op de aarde als we Hem zien hangen tussen de hemel en aarde. ‘Weg met Deze, kruis Hem! Het is niet betamelijk dat Hij leve!’ En toch, in die weg heeft Christus de overste van deze wereld tenietgedaan.

Zijn kinderen, Zijn erfgenamen, zullen moeten ervaren dat een dienstknecht niet meerder is dan zijn heer. De zachtmoedigen zullen weliswaar het aardrijk beërven, maar de weg naar die erfenis is een weg die door de woestijn voert.

Maar die zachtmoedigen zijn in Hem meer dan overwinnaars. Ze hebben een schat die niet te waarderen is tegen alles wat de wereld biedt. Het is een schat die in de hemel bewaard wordt bij God.

De dichter van Psalm 31 zingt ervan: O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen (Ps.31:20).

 

Waarom zou de Heere dat goed hebben weggelegd? We lezen in onze tekst: Zij zullen het aardrijk beërven.

Waarom schenkt de Heere niet meteen de volkomen genoegdoening van Christus?

Waarom schenkt Hij hen niet meteen een volkomen verlossing?

Waarom schenkt Hij hen niet meteen de volle erfenis?

Wel, gemeente, ze zouden die doorbrengen. Zij is aan hen niet toevertrouwd, omdat die zachtmoedigen zo uit de aarde aards zijn. Maar op die erfenis mogen ze aan deze zijde van het graf wel eens zien!

 

De erfenis ligt vast. Als u in een testament wordt benoemd tot erfgenaam, dan is het nog helemaal niet zeker dat u die goederen ook zult ontvangen. Zolang de testamentmaker nog leeft, kan hij het testament veranderen. Hij kan u zelfs onterven, zodat u straks met lege handen staat. Maar dat is bij onze hemelse Testamentmaker niet zo, want de erfenis ligt vast in de doorboorde handen van de Middelaar. Zij ligt vast in de dood van deze Testamentmaker. Hij is gestorven, Hij heeft de dood gedood en Hij leeft tot in alle eeuwigheid.

Door vrije en soevereine zondaarsliefde hebben die zachtmoedigen deel aan ‘de erve van de heiligen in het licht’. De Heere geeft ze in dit leven zoveel dat ze op de weg naar de volkomen erfenis niet zullen omkomen. Hij neemt ze bij de hand, Hij doet hen proeven en smaken dat de Heere goed is.

Hij doet hen in het geloof op de erfenis zien, opdat ze zullen zoeken de dingen die boven zijn en bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.

 

Hoe de duivel ook moge woeden, hoe de wereld ook tekeer kan gaan, hoeveel bestrijdingen er ook mogen zijn in het hart van die zachtmoedigen, toch, de grote Testamentmaker zal er voor zorgen dat de poorten van de hel Zijn gemeente niet zullen overweldigen.

Waarom zal dit niet gebeuren? Omdat Hij voor hen Zijn bloed gegeven heeft. Omdat die zachtmoedigen vastliggen in het eeuwige welbehagen van God. Hij kocht hen met de prijs van Zijn dierbaar bloed. Hij verloste hen van de heerschappij van de duivel. Hij sterkt hen in de strijd. Hij helpt hen in de nood van het leven.

 

De zachtmoedigen beërven het aardrijk voor eeuwig, want aan hen is de nieuwe hemel en de nieuwe aarde beloofd. Daar, gemeente, zullen zij met Christus regeren tot in alle eeuwigheid.

Maar als Hij wederkomt op de wolken des hemels, dan zullen al degenen die niets kennen van het leven als zachtmoedige, uitroepen: ‘Bergen, valt op ons, en heuvelen, bedekt ons voor de toorn van God en van het Lam!’ Het zal vreselijk zijn om te vallen in de handen van de levende God.

Maar wat zullen de zachtmoedigen op die grote dag van Christus’ wederkomst horen? Tot hun verwondering zullen zij horen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth.25:34).

Dan zal het woord van onze tekst ten volle vervuld worden.

 

Welke erfenis verwachten wij, gemeente? Want het is van tweeën één; óf ons wacht de eeuwige rampzaligheid, óf we erven de eeuwige gelukzaligheid.

De zachtmoedigen zullen worden toegevoegd aan de schare die niemand tellen kan en zij zullen wonen in de stad die niet met handen is gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

Of we worden voor eeuwig weggestoten in de buitenste duisternis, of we mogen eeuwig bij de Heere zijn en die schone erfenis te ontvangen.

De inhoud van die erfenis is God dienen, God loven, God prijzen. We mogen daar de drie-enige God kennen, Hem loven en prijzen voor de menigvuldige verlossingen van Zijn aangezicht.

 

Het is nu nog het heden van de genade. Als u nog vreemdeling bent van het leven van die zachtmoedigen die Christus zalig spreekt, loop Hem dan toch aan als een waterstroom.

Bid om de Geest van zachtmoedigheid en vraag: ‘Heere, leer me de ware zachtmoedigheid, verbreek toch de hoogmoed van mijn hart en verbreek de vijandschap in mijn hart.’

 

Gemeente, zalig zijn de zachtmoedigen. Misschien zijn er onder ons die zeggen: ‘Ja, ik kan niet ontkennen dat de Heere het goede werk in mij begonnen is. Maar ik gevoel me zo schuldig. Ik beoefen zo weinig van datgene waartoe de Heere Zijn kinderen in Zijn Woord oproept. Alles is tekort! Alles vol gebrek!’

O, vraag dan maar om die Geest der zachtmoedigheid, om met liefde te mogen onderwijzen degenen die tegenstaan, opdat ze gewonnen mogen worden voor het Koninkrijk van God.

Paulus vermaant de gemeente om met zachtmoedigheid te onderwijzen degenen die tegenstaan. Om ook de vijanden te wijzen op dat grote goed dat God heeft weggelegd voor degenen die Hem vrezen.

Hij schrijft aan zijn geestelijke zoon Titus, zachtmoedigheid te bewijzen aan alle mensen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs. Hij moet bereid zijn tot verantwoording van de hoop die in hem is, met zachtmoedigheid en met vreze.

 

Zou u dat kunnen, gemeente? In eigen kracht? Nee, dat is onmogelijk. Het zal in eigen kracht nooit gaan. De apostel Paulus schrijft: Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. (…) Als ik zwak ben, dan ben ik machtig (2 Kor.12:9-10).

Dat is zo tegengesteld aan deze wereld. De wereld is uit op macht. Maar Paulus weet: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

In die zwakheid wordt het verstaan dat we zonder Hem niets kunnen. We zijn in alle dingen van de Heere afhankelijk. Het doet in alle dingen vragen: ‘Heere, leer mij de weg die Gij wilt dat ik gaan zal.’ Als ik zwak ben, dan ben ik machtig, want met mijn God spring ik over een muur en met mijn God dring ik door een bende.

Zalig de zachtmoedigen. Ze worden dus niet zalig, maar ze zijn zalig. Maar de volkomen zaligheid wacht nog.

Maar toch: Zalig de zachtmoedigen. Zie in al uw tekort en in al uw gebrek op Hem en vraag om de Geest des geloofs en der zachtmoedigheid, om van Hem te leren: Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Matth.11:29-30).

 

Het zachtmoedig volk zal eens de volle vrede genieten en zich in de zoetste rust verblijden. Zij erven de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Daar zal dat volk God eeuwig de eer, de lof en de aanbidding toebrengen die Hij waardig is.

Daar zullen die zachtmoedigen wandelen in het vrolijk levenslicht.

Daar zullen ze altijd bij de Heere zijn.

Daar zullen ze nooit meer aangevallen worden door de vorst van de duisternis.

Daar zullen ze nooit meer door de binnenpraters van hun stuk worden gebracht.

Daar zal de wereld hen geen kwaad meer kunnen doen, maar dan zal God zijn ‘alles en in allen’.

 

Geliefden, ons is de staat van die zachtmoedigen en hun toekomst voorgehouden. Hebt u uw hart erbij gelegd? De zaligheid is voor de armen van geest, die treuren en wenen, maar die door de Heere zachtmoedig zijn gemaakt en die getroost worden in hun verdriet.

Zij zullen het Koninkrijk der hemelen beërven, om daar straks tot in alle eeuwigheid te wonen.

Zij zullen het Lam zien, staande als geslacht, voor de troon, en zullen zich in God verblijden tot in alle eeuwigheid.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72: 9

 

De stedelingen zullen bloeien,

Gelijk het malse kruid.

Zijn naam en roem zal eeuwig groeien;

Ook zal, eeuw in, eeuw uit,

Het nageslacht Zijn grootheid zingen,

Zolang het zonlicht schijn’,

Hun zal een schat van zegeningen,

In Hem, ten erfdeel zijn.