Ds. J. IJsselstein - Filippenzen 3 : 7 - 8

Onderwerp

De balans van winst en verlies in het leven van Paulus
Verdienen
Verliezen
Verlangen

Filippenzen 3 : 7 - 8

Filippenzen 3
7
Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht.
8
Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Filippenzen 3
Zingen : vrij in te vullen

Gemeente, het Woord van God komt in deze dienst tot ons vanuit de brief van Paulus aan de gemeente van Filippi. Onze tekst kunt u lezen in Filippenzen 3, daarvan de verzen 7 en 8. Daar lezen we het Woord van God als volgt:

 

Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.

 

Het thema voor de preek luidt: De balans van winst en verlies in het leven van Paulus.

 

Er zijn drie aandachtspunten. Goed onthouden, jongens en meisjes, ze beginnen allemaal met dezelfde letter v:

1. Verdienen (daarbij denk ik aan het begin van vers 7: Maar hetgeen mij gewin was…)

2. Verliezen (daarbij denk ik aan het tweede deel van vers 7: dat heb ik om Christus’ wil schade geacht)

3. Verlangen (dat zien we vooral in het achtste vers: Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen)

 

Dus, jongens en meisjes, drie aandachtspunten die beginnen met een v: verdienen, verliezen, verlangen

 

1. Verdienen

 

Gemeente, in Handelingen 16 lezen we hoe Paulus op zijn tweede zendingsreis samen met Silas en Timotheüs door Klein-Azië reist. De grote heidenapostel heeft een ontembare drang om het evangelie verder te brengen, niet waar Christus genoemd was.

Maar de Heilige Geest, zo kunnen we lezen, verhindert hem om het Woord in Klein-Azië te spreken. Het Woord moet verder. En dan ziet hij tenslotte in Troas in de nacht een gezicht. Een Macedonisch man zegt: Kom over en help ons!

Zo is hij gegaan, met de anderen, en ook met Lukas, die zich ondertussen bij hen gevoegd heeft.

De eerste stad die ze aandoen heet Filippi. Een Romeinse stad. Een knooppunt van handel.

Hoewel er wel Joden woonden, was er waarschijnlijk geen synagoge. Daarom zien we Paulus op de eerstvolgende sabbat aan de oever van de rivier. De vier mannen spreken met de vrouwen die daar samengekomen zijn. En de Heere opent het hart van Lydia.

Maar korte tijd later zien we Paulus en Silas in de gevangenis zitten.

Jullie, jongens en meisjes, kennen vast de geschiedenis wel van de stokbewaarder. Paulus en Silas, ze zingen Gode lof en de gevangen horen naar hen.

Onverwacht in de gevangenis, en… nu weer. Want het is inmiddels jaren later. Paulus is nog een tweede keer in Filippi geweest, maar nu zit hij waarschijnlijk in de gevangenis in Rome.

Timotheüs is bij hem. Beiden voelen zich erg verbonden met de gemeente van Filippi. U kunt zich dan ook de blijdschap van deze mannen voorstellen als ze Epafroditus, hun medebroeder uit Filippi, op bezoek krijgen.

En nu, nu stuurt Paulus hem terug naar Filippi, met een brief.

 

Afzender: Paulus en Timotheüs. Dat staat erboven.

Aan: (daar begint het mee, lees maar in hoofstuk 1 vers 1) aan de geheiligden in Christus Jezus en aan de opzieners en diakenen.

En dan volgt de inhoud. Verschillende onderwerpen komen aan bod. Er zijn woorden van troost, van vermaning, van opwekking tot eensgezindheid, en (in hoofdstuk 3) ook van waarschuwing.

Want er dreigt gevaar voor de gemeente. Er zijn mensen die beweren dat de gemeenteleden de wetten van Mozes moeten houden. Dat die wetten nodig zijn om zalig te worden. Dat het niet alleen gaat om Christus, maar ook om de wet!

Daarom schrijft Paulus, leest u maar mee in vers 2:

Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.

Ongekend scherpe taal uit de mond van Paulus.

Honden, onreine honden zijn het, die denken dat de wet hen rein maakt.

Kwade arbeiders. Ze doen geen goed, ze doen kwaad.

Zij zijn de ver-snijding. Dat is een scherpe woordspeling. Zij zijn wel trots op hun be-snijding, maar eigenlijk is het alleen maar zelfbeschadiging. Ze snijden zichzelf stuk.

Dat is geen godsdienst.

Paulus zegt: Weet u wat de echte godsdienst is? God in de geest dienen. God dienen met je hart, en niet met al die zichtbare dingen. En in Christus Jezus roemen. Niet pochen, niet leunen, niet rusten op jezelf, maar alle roem, alle eer aan Christus geven. En niet vertrouwen op iets van jezelf.

 

En, zegt Paulus eigenlijk, als jullie die de gemeente van Filippi willen verleiden denken dat je veel hebt om op te pochen, als je zoveel hebt om op te vertrouwen… nou, dan heb ik vast nog veel meer.

Leest u maar mee. Paulus begint met alles wat hij van zijn geboorte af heeft meegekregen.

Besneden op de achtste dag. Zoals ieder jongetje in Israël. Zoals het hoort.

Uit het geslacht van Israël, zegt Paulus als tweede. Beter kan het niet. Geboren uit het volk van God.

Van de stam van Benjamin. Dat lijkt op het eerste gezicht geen pre, maar dat is het wel geweest. Benjamin was de liefste zoon van Jakob; zoon van mijn rechterhand. De eerste koning van Israël, Saul, kwam uit de stam van Benjamin. Misschien was Paulus of Saulus wel vernoemd naar deze koning Saul.

Dus niet zomaar een Israëliet, maar iemand van de goede soort. Uit de goede stam. Misschien niet de beste, maar toch… niet om je voor te schamen.

 

Een Hebreeër uit de Hebreeën. Echt Joods opgevoed. Aan de voeten van Gamaliël gezeten.

Naar de wet een farizeeër, in de goede zin van het woord. Letterlijk: afgescheiden. Zuiver in de leer. Stipt. Nee, niet iemand die steeds de grens opzoekt van wat mag, van wat niet mag... Maar zuiver, stipt, netjes, volgzaam.

Naar de ijver een vervolger der gemeente. Strijdend voor het goede doel. Voor de kerk. Voor de zuiverheid van de kerk.

Naar de rechtvaardigheid die in de wet is zijnde onberispelijk. Voorbeeldig in alles. Tot in de kleinste details.

 

En dan is Paulus klaar met zijn lijst. Zeven dingen, zeven plussen. En de manier waarop hij schrijft in de oorspronkelijke Griekse taal, duidt erop dat hij bedoelt dat hij al die dingen zelf bereikt heeft. Wat hij deed was naar de wet, naar de ijver, naar de rechtvaardigheid. Drie keer dat woordje naar, dat duidt op: dat was mijn werk, dit heb ik zelf bereikt.

 

Maar als u nu goed leest in vers 7, dan zegt Paulus niet: dat is winst voor mij, maar hij zegt het was winst. Maar hetgeen mij gewin was. Het is verleden tijd.

Eigenlijk zegt Paulus het in het meervoud. Het was winsten. Ik had een heleboel goede dingen, die allemaal winst waren voor me, totdat

Het leken allemaal plussen, totdat…

Er is iets gebeurd. En nu… nu is het allemaal verleden tijd.

Paulus wijst in onze tekst op een grote omkering in zijn leven.

Hij was nergens van te beschuldigen; hij was perfect, puur, vroom, rechtvaardig.

Paulus schrijft in zijn brief aan de Galaten hetzelfde. Hij zegt: weet u het nog? U hebt het toch gehoord? Mijn uitblinken in het Jodendom? En dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoeste? En dat ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen?

Eén woordje heb ik overgeslagen... Paulus schrijft: Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was. Dat was eertijds. Dat was toen. Maar toen heeft het Gode behaagd om Zijn Zoon in mij te openbaren.

Het was eertijds, het was toen. Nu is het anders.

Het was winst, zegt onze tekst. Toen. In de verleden tijd. Maar nu is het anders geworden.

Ongetwijfeld denkt hij terug aan dat ene moment in zijn leven, op weg naar Damascus. Hem omscheen onverwacht, plotseling een oogverblindend licht van de hemel. Het omscheen hem. Niet van één kant, maar van alle kanten. Het omscheen hem. Hij viel op de grond en een stem uit de hemel riep: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?

De opgestane Christus, van Wie Paulus dacht dat Hij dood was, toonde Zich plotseling in het leven van Paulus. Hij schrijft:

Toen heeft het Gode behaagd om Zijn Zoon in mij te openbaren.

Hoe? Beschuldigend, ontdekkend! Altijd gedacht een vriend van God te zijn, maar toen dit heldere licht van ontdekking van de hemel ging schijnen en deze stem gehoord werd, bleek ineens dat hij een vijand was, een vervolger. Het wordt een radicaal breekpunt in het leven van Paulus.

 

En nu… nu is er een verleden tijd. Zoals ze dat vroeger met een wat ouderwetser woord noemden: een eertijds.

Toen was het zo. Nu is het anders.

Toen dacht ik dat ik wat was, met al mijn prestaties. Toen dacht ik aan al mijn winsten, meervoud. Maar het werd schade. Enkelvoud.

Toen heel veel winsten, maar nu: één enkele schadepost.

Ken jij, kent u zo’n eertijds in uw leven? Een moment waarop het licht van Gods ontdekkende genade in uw leven ging schijnen? U zag tevoren alles wat u had, maar toen, bij dat licht ging u zien wat u allemaal miste...

Bij uw eigen licht alleen maar winsten geteld. Maar toen, toen u plotseling of meer geleidelijk werd omschenen door dat ontdekkende licht van Gods Geest, toen ging u zien (niet wat u allemaal had, maar...) wat u allemaal miste.

Eigenlijk gaat het daarover in onze tweede gedachte. Maar, gemeente, ik wil u vragen: kent u zo’n keerpunt in uw leven? Zo’n keerpunt als Paulus: neergeveld door Goddelijke ontdekking? Een schuld geopend door het blinkende licht van de hemel? Voor Gods heiligheid gesteld? En wat blijkt dan? Ik ben geen wetgeleerde, maar een wetsovertreder.

Geen vriend, maar een vijand.

Geen ijveraar, maar een opstandeling.

 

Als God daar Zijn lichtbundel op richt, wat geeft dat toch een nood, een smart, een diepe schaamte in ons hart. Ik ben God kwijt, door eigen schuld. Ik heb gedaan wat kwaad is in Zijn oog.

Als u daar helemaal niets van kent, dan bent u een vreemdeling van het werk van genade. Dan bent u nog in uw zonden. Namelijk in de zonde van het optellen van eigen winsten.

Want als Paulus straks gaat spreken over de uitnemende kennis van Christus, dan moeten we eerlijk zeggen dat dat woord ‘uitnemend’ een woord is van vergelijking. En je kunt pas twee dingen met elkaar vergelijken, als je van beiden op zijn minst iets kent.

U kunt niet zeggen dat Christus uitnemend is, als u niet iets hebt leren zien van de walgelijkheid van uw eigen bestaan, van de ellendigheid van het tellen van uw eigen winsten.

Daarom vraag ik u, heel persoonlijk: Hebt u ooit uw zonden, de zonde van het tellen van uw eigen winsten voor God, enigermate leren zien in het licht van Gods heiligheid?

Ik zeg u: als dat zo is, dan is er zonder twijfel van al die winsten niets overgebleven. Zo was het ook in het leven van Paulus. Al zijn werken leken in zijn ogen winsten. Maar toen God in zijn leven kwam, werd het radicaal anders. Toen werd het één grote verliespost.

 

Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

 

2. Verliezen

 

Leest u mee in vers 7?

Maar hetgeen mij gewin was (toen), dat heb ik om Christus’ wil schade geacht.

Schade! En om te voorkomen dat we het niet goed zouden begrijpen, gaat Paulus door:

Ja, gewis (jazeker, u hebt het goed gehoord!), ik acht ook alle dingen (niet één, maar alle dingen) schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik (en dan komt het nog een keer) al die dingen schade gerekend heb, en (nog een keer) acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.

En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof.

Hoort u het? Geen winsten, maar verlies, schade. Drie keer: schade, schade, schade! En dan niet één ding, maar alle dingen. En dan nog verder opklimmend. Niet alleen gewoon schade, maar schade en drek: mest, mest van de mesthoop. Stinkend, te vies om beet te pakken.

Schade ook in de zin van schadelijk. Gevaarlijk!

 

Jongens en meisjes, je moet het even voor de duidelijkheid vergelijken met je giro- of bankafrekening. Paulus gebruikt hier namelijk letterlijk handelstermen, termen van winst en verlies. Stel je voor, je hebt wat gewerkt bij Albert Heijn of met je krantenwijk. En je denkt aan het eind van de maand dat je wat geld verdiend hebt. Je kijkt op je internetafrekening en... wat blijkt? Wat staat daar…? Geen plus, maar min…! Geen plus, geen credit, zoals meestal -hoop ik-, maar een min! Debet! Schuld! Je bent niet alleen blut, maar je hebt schuld!

Je dacht dat je wat gepresteerd had, maar aan het eind is er helemaal niets. Je hebt alleen maar schuld.

Dus de rekensom van Paulus eindigt niet met een grote nul, maar met rode cijfers.

Niet alleen een lege portemonnee, maar schuld. Schade!

 

Maar nu is de vraag: Hoe komt het toch dat Paulus zo van gedachten veranderd is? Waarom zag hij alles eerst als winsten, en nu als schade, als afval? Waardoor is hij -om zo te zeggen- failliet gegaan?

Wel, dat komt omdat hij al die dingen in een ander licht is gaan zien.

Paulus is al die dingen, al die ogenschijnlijke winstpunten, in een ander licht gaan zien. Hij zegt het zelf, leest u maar mee in vers 7: Ik heb ze om Christus’ wil schade geacht. Hij zegt letterlijk: ik heb ze schade geacht door de Christus.

Door de Christus is hij alles anders gaan zien. Door het werk van de Christus werden winsten verlies. Het was de Christus, Die hem op de weg naar Damascus neervelde met de woorden Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij?

Het was Christus, Die Paulus door het werk van Zijn Geest ontdekte aan zijn schuld en verlorenheid. Hij liet hem zien dat hij geen vriend was, maar een vijand.

Het was de opgestane Christus, Die Paulus is al zijn Godsgemis op zijn knieën bracht, zodat gezegd kon worden: Zie, hij bidt.

Het is de verhoogde Christus alleen, Die door het werk van Zijn Geest zondaren neervelt aan Zijn voeten, zodat ze uiteindelijk gaan zeggen: Is er nog een weg, is er nog een middel, om zalig te worden? Heere, wat moet ik doen om zalig te worden?

De opgestane Christus heeft door Zijn Geest in het leven van Paulus de wet laten spreken. Paulus dacht de wet zelf wel te kunnen vervullen, maar de Geest van Christus is hem van het tegendeel gaan overtuigen.

In dat licht is hij gaan zien dat de wet volmaakte gehoorzaamheid eiste. Geen onberispelijkheid in de ogen van mensen, maar onberispelijkheid in de ogen van de heilige God. Vervloekt is immers een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. De werken der wet, al onze goede werken, kunnen ons nooit rechtvaardig maken voor God. Door onze werken komt de verbroken verhouding tot God nooit meer goed.

 

Als de Geest van Christus zo in ons leven werkt, dan gaan we niet alleen onze zonden zien, maar dan gaan we net als Paulus ook zien dat al onze vermeende goede werken ons niet baten voor het heilige oog van God. Dan moet er betaald worden voor mijn zonde en schuld, en zelfs voor mijn vermeende goedheid.

Dan gaan we Paulus begrijpen als hij zegt in Romeinen 3: Zijn wij uitnemender? Zijn wij beter? Nee! (…) Er is niemand rechtvaardig, ook niet één; er is niemand die verstandig is, er is niemand die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, er is ook niet tot één toe.

Onze keel is een geopend graf; met onze tongen plegen wij bedrog; slangenvenijn is onder onze lippen. Onze mond is vol van vervloeking en bitterheid; onze voeten zijn snel om bloed te vergieten; vernieling en ellendigheid is in onze wegen; en de weg des vredes hebben wij niet gekend. Er is geen vreze Gods voor onze ogen.

 

Als God in ons leven komt, met de glans van Zijn heldere licht en met Zijn ontdekkende woord, zoals bij Paulus, dan komt er een grote omkering in ons leven. Dan gaan we buigen voor God. Dan worden we zondaar voor God. Dan worden zelfs onze winsten, verlies! Dan houden we niets meer over. Niets! Dan gaan we net als Paulus failliet.

Leg daar, gemeente, uw hart eens naast. Heeft dat licht van Gods Geest ooit zo in uw hart geschenen?

Hebt u ooit gezien dat u geen vriend bent van God, maar een vijand?

Hebt u ooit gezien dat al die vermeende winsten, voor het licht van Gods heiligheid gingen wegsmelten tot schade, tot verlies?

Misschien roemt u wel in de Heere Jezus, maar zonder deze streep van Gods kant door uw rekening, kan dat niet. Als u uzelf nooit hebt leren kennen als een vijand van God, als u nooit failliet bent gegaan, dan kan het niet anders of u bent -zoals staat in vers 19- een vijand van het kruis van Christus.

Maar weet desondanks, dat Hij vijanden Zijn vriendschap biedt.

 

Bent u nooit echt failliet gegaan? Waarom vertrouwt u nog altijd op uzelf, op uw eigen werken, op uw eigen goedheid, op uw vroomheid? U denkt dat u beter bent dan anderen, maar dat is een grote misvatting. Laat het toch allemaal los. Keer u met al die eigengerechtigheid toch niet langer af van de Zaligmaker. Wend u naar Hem toe en word behouden!

Want deze Zaligmaker, deze uitnemende Christus, Die iedereen overtreft, biedt Zich gewillig aan om ook uw Zaligmaker te zijn. Kom dan toch, zoals u bent, als een zondaar, als een vijand tot Hem.

Hij wil u ontdekken aan uw gemis. En Hij is het ook Die ook u Zijn vrede en vriendschap biedt.

 

Paulus gaat verder. Leest u maar vanaf vers 8:

Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof; opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

 

Dat brengt ons bij ons derde aandachtspunt:

 

3. Verlangen

 

Op weg naar Damascus werden de winsten voor Paulus verlies. Toen, op dat ene moment, dat zijn ziel door de kracht van Christus tot leven werd gewekt. Toen hij, die blind was in zijn hart, ineens helder ging zien, bij het heldere licht van Gods Geest.

Maar, schrijft hij, daar is het niet bij gebleven. Daar ligt het begin, maar er is ook een vervolg.

Ik heb het schade geacht (toen), en ik acht het schade (nu, tegenwoordige tijd!).

Ik heb het schade gerekend (toen, verleden tijd), en acht het drek te zijn (nu!).

Ik ging failliet, maar sindsdien heb ik ook geen winst meer gedraaid. Het bleef verlies. Sindsdien mag ik bedelen

Daar is dus sprake van een voortgaand proces. Beginnend toen, op de weg naar Damascus, en doorgaand tot nu toe.

Als eerste zegt Paulus dat hij al zijn winsten destijds schade geacht heeft door de Christus. Maar nu voegt hij daaraan toe: ik acht ze (nu!) schade, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek (nu!) te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.

Door het licht van de hemel op de weg naar Damascus is alles anders geworden, maar daarna is dat doorgegaan. Het is verdergegaan. Omdat Paulus iets is gaan zien van de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, zo zegt hij.

 

Nee, hij zag niet alles in één keer, want hij heeft ook een verlangen voor de toekomst: Opdat ik Hem kenne.

Het is waar, de Christus is geopenbaard aan zijn ziel, toen hij bedelde aan Gods genadetroon, als een arme zondaar, in dat huis in Damascus, waar hij drie dagen en nachten niet at of dronk. Daar heeft het Gode behaagd Zijn Zoon in hem te openbaren, als een genadige Christus, als een genadige Borg voor zijn ziel. Voor de schuld van zijn zonden, en ook voor de schuld van zijn vermeende goede werken. Toen werd alles schade en drek om de uitnemendheid van Christus Jezus.

Maar dat zien was ten dele, het was maar een begin. Zeker, hij heeft in al zijn zielsellende daar voor het eerst iets gezien van de uitnemendheid van Christus. En dat was vol. Maar hoe vol het ook was (immers, hij preekte terstond Christus in de tempel), het was slechts het begin.

Dat beginnende ervaren van de liefde en de uitnemendheid van Christus doet hem alleen maar verlangen naar meer. Sindsdien begeert hij steeds meer te zien en te kennen van Hem, van de uitnemendheid van de kennis van Christus.

 

Paulus spreekt over de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus. De uitnemendheid. Door de uitnemendheid van die kennis is al zijn winst verlies geworden en gebleven. Die kennis is uitnemend, die kennis is onvergelijkbaar. Die gaat boven alles uit, die streeft alles voorbij. Die is weergaloos.

Wat is er weergaloos? Die kennis? Nee, het gaat in het Grieks om de inhoud van die kennis. Christus Jezus is uitnemend… weergaloos...

 

Wilt u Hem, die weergaloze Zaligmaker, nog eens vergelijken met Paulus’ vroegere winsten? Dan kunt u begrijpen dat hij maar niet ophoudt om ze schade te noemen.

Wat heeft Paulus in blindheid zijn afkomst geroemd! Maar let u eens op de afkomst van deze uitnemende Zaligmaker. Hij was het, Die in de stilte van de eeuwigheid was voor het aangezicht van Zijn Vader. God uit God, Licht uit Licht. Hij was het ook Die Zichzelf van eeuwigheid gaf om Borg te worden voor al de Zijnen. Hij sprak de woorden: Zie, Ik kom, in de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik kom om Uw welbehagen te doen. Uw wet is in het binnenste van Mijn ingewand, van Mijn hart.

Zijn afkomst is uitnemend.

Maar wat denkt u van Zijn ijver? Voorheen roemde Paulus zijn godsdienstige ijver. Later schrijft hij dat het een ijver was zonder verstand. IJver die zelf iets wilde aanbrengen, die zelf wilde werken.

Maar zie eens op de ijver van Christus. Hij heeft Zijn leven volkomen gewijd aan de dienst van Zijn Vader. De dichter van Psalm 69 zingt ervan:

Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen die U smaden, zijn op mij gevallen.

Zijn ijver was weergaloos.

En blijkt de uitnemendheid van Christus niet uit Zijn vrijwillige liefde voor een ellendig en een verloren volk, voor opstandelingen, voor rebellen? Dat Hij bereid was om voor zulke mensen de straf op Zich te nemen, de striemen te verdragen?

Zijn liefde is uitnemend.

God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.

En blijkt Zijn weergaloze liefde ook niet in Zijn lijden, in Zijn gewillig sterven aan het vloekhout van het kruis?

Zijn liefde en gewilligheid zijn weergaloos.

Zijn rijkdom is weergaloos. Paulus heeft het geschreven aan de gemeente van Efeze:

Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus.

En blijkt zijn uitnemendheid niet uit Zijn Namen?

Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst.

Blijkt het niet uit al Zijn werken dat Hij ver verheven is boven alles?

Christus is met recht weergaloos. Hij kent Zijns gelijke niet.

Beminlijk Vorst, Uw schoonheid, hoog te loven, gaat al het schoon der mensen ver te boven!

 

Vermoeide en belaste zondaren, is er niet allen reden om alle, werkelijk alle hoop op uzelf op te geven? Alle hoop, ook op uw liefde, uw ijver, uw tranen, uw gebeden.

O, kom, laat uw hoop toch vallen op deze uitnemende Christus. Hij heeft alles gedaan. En in Hem is alles wat u nodig hebt. Boven alles heling van uw zielenwonden.

Kom, allen die vermoeit en belast zijt, vermoeide zondaren, tot deze uitnemende Christus, en Hij zal u rust geven.

Kom toch, met niets van uzelf. U hebt ook helemaal niets, dus u hoeft niet alleen niets mee te nemen, maar u kunt ook helemaal niets meenemen.

Het ontbreekt u aan alles… maar het ontbreekt Hem aan niets…!

 

In het licht van Gods recht is Paulus verbroken.

Maar in het licht van die kennis, van die uitnemendheid van Christus is alles wat hij dacht te hebben, weggesmolten als sneeuw voor de zon. Zijn goede werken, zijn ijver, zijn hele leven, er bleef niets van over.

En niets is er zo uitnemend in zijn ogen geworden als de kennis van Christus. Als de kennis van deze uitnemende, weergaloze Christus.

Kent u daar iets van, gemeente? Wees eens eerlijk voor uzelf en voor God. Kent u iets van deze Christus? Dat is nodig om welgetroost te leven en zalig te kunnen sterven!

 

Onze tekst gaat verder. Ik zei u al: God wilde Zijn Zoon in het leven van Paulus openbaren. Dat vervulde zijn hart. Maar tegelijkertijd moet ik daaraan toevoegen: er was toch nog meer. Die vervulling blijkt ook een verlangen te wekken in zijn hart naar meer. Ondanks alles wat Paulus heeft gekregen, is er in zijn leven een verlangen naar opwas in de genade.

De eerste bekering van Paulus is inmiddels dertig jaar geleden. En nu, dertig jaar later, zegt Paulus: Het is mijn verlangen om (zo schrijft hij in vers 9) in Christus gevonden te worden, niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof.

Het is mijn verlangen om door het geloof steeds weer opnieuw… en steeds meer… iedere dag weer… te steunen op het werk van Christus alleen.

En het is ook mijn verlangen om Hem te kennen. Om Hem te kennen

 

Vergelijk het maar met een goed huwelijk. Dat doet Hosea ook. Hij profeteert: Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof, en gij zult de Heere kennen.

Elkaar kennen als man en vrouw. Als het goed is, is er het verlangen om de liefde van de ander te voelen, maar ook het verlangen om je eigen liefde te uiten. Liefde en wederliefde. Denkt u maar aan wat de Heere Jezus zegt in Johannes 10:

Ik ken de Mijnen, en word van (dat wil zeggen: door) de Mijnen gekend.

Hem kennen betekent: uit eigen ervaring, uit ontmoeting, meer weten van Zijn liefde en genade, maar ook: Hem hartelijker liefhebben. De Heere willen dienen. Voor Hem willen leven.

Dat is geen kwestie van: zeg ons wat we wel en niet mogen doen, hoe we als christenen wel en niet mogen leven. Dat is geen kwestie van: Heere, mag ik iedere dag een stapje vooruit? Het is een kwestie van: Heere, ik wil, ik kan niet meer tegen U zondigen. Hoe zou ik Uw liefde op het hart trappen? Het is, zoals Jeremia zegt: de wet is geschreven in het binnenste van het hart.

Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn.

 

En dat geeft strijd. Het leven van de heiligmaking is geen leven van overwinning. Ja, straks zullen al Gods kinderen de eerkroon behalen, en ze zullen zeggen: Het was door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen.

Maar voor nu… is het een leven van strijd. Altijd maar weer de worsteling met ons eigen hart. Zondigen, God verlaten, God vergeten, dagen zonder getal, eigen wegen gaan, zo weinig liefhebben, zo weinig worstelen aan de troon der genade, zo weinig door het geloof gebruikmaken van Christus, zo weinig vruchten dragen.

Ik ellendig mens, roept Paulus dan uit, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?

Opdat ik Hem kenne, en de kracht van Zijn opstanding, zo verzucht hij hier, bijna aan het einde van zijn levenspad.

 

Zijn opstanding. De opstanding van Christus, door Wiens kracht wij opgewekt worden tot een nieuw leven. Die kracht is nodig in de strijd tussen de oude mens en de nieuwe mens.

Strijden kan alleen in Zijn kracht, en dus is het een weg van afschrijven van onszelf. Afschrijven wat van onszelf is en steunen op de gerechtigheid van Christus. Op het werk van Christus, op Zijn opstandingskracht. Want Hij leeft en zal uiteindelijk ook al Zijn en onze vijanden -ons eigen zondige vlees, de wereld, de duivel- overwinnen. Maar dat is wel Zijn overwinning. Door U, door U alleen.

 

Die genade mogen we voortdurend vragen, aan de troon der genade. Aan de voeten van de Heere mogen we vragen om afbraak van onszelf, van onze neiging om te steunen op onze werken. Daar mogen we ook vragen om opwas in de genade en kennis van onze Heere Jezus Christus.

Daar mogen we vragen om meer kennis van Zijn Persoon, om meer kennis van Zijn ambten.

Als Profeet, om ons steeds meer te leren dat onze winsten verlies moeten zijn.

Als Priester, om ons meer te leren van Zijn verzoenend lijden en sterven. Opdat we in Hem zouden gevonden worden. Voor Zijn rekening, vanwege Zijn lijden en sterven in onze plaats.

Als Koning, om de kracht van Zijn opstanding te leren kennen.

De strijd tegen de zonde die altijd weer de kop opsteekt in ons boze hart, kan alleen maar gevoerd worden in de kracht van Zijn opstanding.

 

Kortom, we kunnen alleen maar van genade leven als we dagelijks bediend worden uit Christus. O, wat is ons leven arm, wat is onze ziel droog en schraal, als Christus uit het oog is, door onze eigen schuld. Wat zijn onze gebeden schaars, en waar is onze honger naar Hem?

Maar, o, wat is onze ziel rijk begenadigd, als een gewaterde hof, dat wil zeggen: als een fris besproeide tuin, als de Heilige Geest ons in onze armoede aan Zijn hand leidt, en brengt aan de frisse wateren van de Levensbron Christus Jezus. Als Hij ons arm maakt, opnieuw arm maakt. Als Hij ons dorstig en hongerig, opnieuw dorstig en hongerig maakt. En we vinden leven en zaligheid in Hem, in Christus.

Opwas in de genade. Dat is: armer, kleiner, nietiger worden.

Niets en nog weer minder.

En Christus wordt meer, meer, ja alles, en toch weer meer.

 

Laten we, kinderen van God, niet kijken naar en praten over wat we hebben of denken te hebben, om daar trots of zelfvergenoegd mee te zijn. Als je vol trots kijkt naar je prachtige Chinese porselein, wordt het tijd om uit te kijken. In een flits glipt het door je handen, en je bent alles kwijt.

Tel uw winsten niet. Acht het maar schade, in het licht van deze uitnemende Zaligmaker. En jaag ernaar om meer van Hem te kennen.

 

Paulus eerste hand na zijn bekering was een… bedelhand.

Zijn tweede hand was een… bedelhand.

Zijn laatste hand was een… bedelhand.

O Heere, maakt U mijn hand tot een bedelhand!

Zijn eerste, zijn tweede, zijn laatste bede werd niet gekenmerkt door bezit, maar door verlangen.

O Heere, werkt U toch voortdurend dat verlangen in mijn hart. Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende.

Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.

Genade is huiverig voor grote woorden.

Genade ziet niet op eigen bezit, maar rekent met eigen gemis.

En Christus leert ons rekenen met Zijn verdienste alleen.

Door Zijn werk wordt de oude mens in ons meer en meer gedood.

Door Hem verdragen wij kruis en lijden.

Door Hem jagen we naar de toekomst, waarin Hij alles zal zijn in allen.

Wast dan op in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in de dag der eeuwigheid.

Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op de dag van Jezus Christus.

 

Amen.