Ds. L. Huisman - Jeremia 3 : 14

Onderwerp

De roepstem van God, door de mond van Jeremia, tot het afgekeerde Israël
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

Jeremia 3 : 14

Jeremia 3
14
Bekeert u, gij afkerige kinderen! spreekt de HEERE, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, een uit een stad, en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 32: 1, 3
Lezen : Jeremia 3
Zingen : Psalm 85: 1, 2, 4
Zingen : Psalm 86: 3
Zingen : Psalm 79: 4, 7

Het Woord van God dat wij u willen verkondigen, vindt u in het u voorgelezen hoofdstuk Jeremia 3 vers 14:

 

Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd; en Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.

 

In deze tekst horen wij: De roepstem van God, door de mond van Jeremia, tot het afgekeerde Israël.

 

Geliefden, deze roepstem klonk in de tijd waarin God de zonde van het tienstammenrijk bezocht had en zijn inwoners waren weggevoerd naar Assyrië. Meer dan vijftig jaar geleden was dit vreselijke oordeel gekomen. Wat niemand gedacht had was gebeurd. God verdreef Zijn volk uit het erfland dat Hij aan Abram, Izak en Jakob met een eed gezworen had te zullen geven.

Ja, zo gaat het. God belooft schatten; Hij belooft een hemel op aarde; een paradijselijk land voor Israël. Maar dan moet het volk wel leven als kinderen van God. Gods beloften moeten een antwoord vinden in onze bekering en in onze wederliefde tot Hem. Maar indien niet, als Israël het verbond van God trouweloos verbreekt, dan, zegt de Heere, zal Ik hen vinden en hen tuchtigen.

Nochtans heeft God Zijn volk niet voor eeuwig verlaten. Nee, dat doet Hij nooit. Want Hij is getrouw! Hij zendt het volk in ballingschap naar Assyrië, opdat ze daar onder de ijzeren roede van de verdrukkers zouden komen, omdat ze zich niet vrijwillig wilden buigen aan de voeten des Heeren.

 

Als de tien stammen van Israël al meer dan vijftig jaar in het land van Assur in ballingschap verkeren, zendt de Heere Jeremia naar de overige twee stammen, naar Juda. De Heere zegt als het ware: ‘Jullie hebben niets geleerd van alles wat Ik gedaan heb. Jullie hebben je niet verootmoedigd, terwijl je Mijn oordelen gezien hebt, die Ik over jullie broeders gebracht heb. Jullie hebben niet gezegd: Laten we toch terugkeren tot de Heere, want zie toch wat er gebeurt, als je van de Heere afwijkt. Je hebt je hart verhard, erger dan je zuster Israël, het tienstammenrijk, en je bent voortgegaan met je geestelijke hoererij. Je hebt gehoereerd met hout en steen. Maar weet desondanks dat Ik, de Heere, Israël getrouwd heb, en Mijn volk als Mijn bruid erken en als zodanig ook bemind wil worden.’  

Maar wat doet Juda? Zij keren zich van hun Man, van de Heere, af en zoeken andere minnaars. Zij hebben zelfs hout en steen tot hun goden gemaakt en ze buigen zich voor deze stomme beelden neer en roepen ze aan. Het is afgoderij in de ergste vorm. Hoewel ze hebben gezien dat God Israël bezocht heeft, verootmoedigen ze zich niet. De Heere zegt eigenlijk dat Juda nog trouwelozer is dan Israël en daarom stuurt Hij Jeremia met een laatste boodschap.

 

Wat is het beschamend, als we dit derde hoofdstuk nog eens tekst voor tekst rustig lezen. Dan kan het niet anders of we moeten diep onder de indruk komen van Gods lankmoedigheid en Zijn taai geduld.

Let maar eens op het eerste vers uit ons teksthoofdstuk: Men zegt: Zo een man zijn huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog wederkeren? Zou datzelve land niet grotelijks ontheiligd worden? Gij nu hebt met vele boeleerders gehoereerd, keer nochtans weder tot Mij, spreekt de Heere.

Hier zegt de Heere: ‘Hoe is het mogelijk dat een vrouw haar man verlaat en met een andere man leeft en dat haar eerste man dan toch zegt: Kom terug naar mij?’

Is dat niet in strijd met de wet? Gaat dat ook niet dwars tegen de natuur in, die God in het hart van de mens gelegd heeft?

Maar wat zegt de Heere als de ‘Man’ van het ontrouwe Israël, als de God van de hemel en van de aarde, Die Zich dit volk geëigend had uit al de volken rondom en het aan Zijn hart gedrukt had?

Wat spreekt Hij, Die Abram uit een land van afgoden naar het land der belofte gebracht had, en tot hem sprak: ‘Ik God, ben uw God en uws zaads God’, en die hem de besnijdenis gegeven had als het teken van Zijn trouwverbond?

Zie dan wat er staat in onze tekst: Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd. Hier klinkt een oproep tot bekering, die rust in het goddelijk trouwverbond.  

 

Maar wat heeft nu het volk daarentegen gedaan? Wat beschamend! Het volk van Israël en Juda, Gods bruid, heeft zich losgerukt van haar Man.

Het verval begon met de scheiding tussen het tienstammen- en het tweestammenrijk. Het noordelijke rijk onder de regering van Jerobeam heeft de godsdienst dichter bij huis gezocht. Deze koning wilde niet dat zijn volk naar Jeruzalem zou gaan om zich daar neer te buigen in het huis van God, in de tempel van de levende God. In Bethel en Dan stelde deze Jerobeam daarom de kalverdienst in en maakte daarmee een namaakgod. 

Aanvankelijk was het niet de bedoeling van Jerobeam om daarmee te zeggen: ‘Kijk, hier staan nu gouden kalveren en deze beeltenissen zijn nu goden.’ Nee, zover was het volk van Israël nog niet afgedwaald. In plaats van het gouden altaar daar in het heiligdom in Jeruzalem, en in plaats van het brandofferaltaar in Jeruzalem, stelde Jerobeam voor: ‘Laten wij in Bethel en Dan Jehova aanbidden!’

Maar zoals het altijd gaat, wanneer we op onze eigen manier God willen dienen,  vervallen we al snel tot beeldendienst, afgoderij en heidense tovenarij. Zo is het ook gegaan met het tienstammenrijk. Het ging van kwaad tot erger, en zo hebben zij zich van God losgescheurd. Ja, ze hebben de liefde Gods versmaad! Ze hebben God op het vaderhart getrapt.

Maar ondanks dit alles klinkt toch in onze tekst een woord van God: Bekeert u! De Heere spreekt, de beledigde Man, Die Israël heeft verlaten; Die het volk ontrouw is geworden. Hij keert terug naar Zijn ontrouwe bruid en Hij noemt de inwoners van Israël ‘kinderen’. Weliswaar zijn het afkerige kinderen, maar toch kinderen.

 

Kom, geliefden, maak de toepassing! Want het met Israël gesloten verbond van God is met de verwerping van de Messias niet tenietgedaan. Misschien hebben we het op de catechisatie geleerd, en weet u dat er een steeds rijkere openbaringsvorm van het door God gegeven verbond is.

Eerst onderscheiden we de persoonlijke openbaringsvorm van Adam tot Abram, daarna de patriarchale vorm van Abram tot Mozes, dan volgt de nationale vorm van Mozes tot Christus en als laatste de kerkelijke openbaringsvorm van Christus tot aan het einde der wereld. Steeds rijker, steeds groter, steeds ruimer en steeds heerlijker heeft God Zijn genadeverbond geopenbaard.

In dat verbond noemt God Zijn volk, Zijn kinderen. Zeker, het zijn afkerige kinderen. Het zijn onbekeerde kinderen, maar het zijn toch kinderen! Laten we daar eens meer aan denken. Want het maakt Gods bevel, dat in de mond van God een nodiging is, des te ernstiger. Maar dat God onbekeerde kinderen roept, hoewel toch kinderen op wie Hij een eigendomsrecht heeft, mogen we echter niet wegredeneren!

 

We kunnen hierin naar twee kanten afwijken. Er zijn duizenden zielen – dat weet ik maar al te goed – die dat verbond als zodanig tot een god gemaakt hebben; zij geloven in het verbond, in hun doop en in hun kindschap. Zij geloven dat ze gelovigen zijn, maar ze geloven niet in Christus. Helaas heeft dit gevoelen z’n duizenden verslagen.

Je wordt niet zalig omdat je gedoopt bent, of omdat je gelooft dat je een gelovige bent. Je kunt wel geloven dat de koningin je grootmoeder is, maar daarom is dat nog niet zo. Er moet iets in je leven gebeuren, wat je tot een kind van God maakt.

Dit verbondsoptimisme: ‘Wij zijn kinderen van Abraham, wij zijn gelovigen, wij zijn hervormden, wij zijn gereformeerden, wij zijn kinderen des verbonds’, ik zeg het nog eens, heeft z’n duizenden verslagen. Hoe vreselijk dwalen tallozen, die niets afweten van een staatsverwisseling of wedergeboorte, van een vernieuwing van hun hart. Zij kennen het ootmoedig zondaar zijn aan de voeten van de Heere niet. Zij zijn nooit in verwondering  weggezonken en hebben nooit beleden: Heere, ga uit van mij; want ik ben een zondig mens (Luk.5:8).

 

Maar we kunnen ook aan de andere kant van de weg in de sloot vallen, en denken dat het genadeverbond voor ons niets te betekenen heeft, totdat God ons krachtdadig bekeert. Dan hebben we het net zo goed mis.

Zeker, het is een zeer moeilijk punt. Er is over het verbond al heel wat geschreven en nog meer getwist. Wij weten allen dat Dr. Kuyper heeft gezegd: ‘Wij veronderstellen dat elke gedoopte werkelijk in het verbond van God begrepen is.’

Professor Heijns en de Christelijke Gereformeerden leren dat er drie verbonden zijn. In het verbond der genade zijn volgens deze opvatting meer mensen begrepen dan in het verbond der verlossing. Elke gedoopte is in het verbond der genade, maar daarom nog niet in het verbond  der verlossing.

Ds. G.H. Kersten leerde: er is één genadeverbond met een inwendige bediening en een uitwendige bediening. Vader à Brakel wil daar weer niets van weten; hij schrijft dat er geen uitwendig en inwendig verbond is, maar één genadeverbond.

Al deze mensen hebben, ieder op hun eigen wijze, geprobeerd om te verduidelijken, wat rationeel – dat wil zeggen met ons verstand – nooit op te lossen is. Namelijk dit: dat je een kind van het verbond kunt zijn en toch verloren kunt gaan. Dat God zegt: ‘Je bent Mijn kind, maar je bent een onbekeerd kind en als je je niet tot Mij bekeert, dan ga je voor eeuwig verloren.’

 

Geliefden, toch is dit Bijbelse taal! Ik kan het ook niet klein krijgen. Ik weet dat roeping en verkiezing onberouwelijk zijn; maar ik weet ook dat de macht van de zonde, door God toegelaten, zo groot is, dat er kinderen van het koninkrijk verloren kunnen gaan. Maar als we niet geloven kinderen van het verbond te zijn, heeft de oproep tot bekering geen enkele grond en geen enkele zin. Want God roept ons als kinderen van het verbond, als afkerige kinderen.

Als het God behaagt om ons te doen geloven wat Hij zegt, snijdt juist dit diep in onze ziel. Want we hebben niet zómaar gezondigd, we hebben niet slechts gezondigd als een heiden, maar als een kind. Gezondigd als de vrouw van onze Man, de Heere God, Die ons getrouwd heeft. Ik heb u getrouwd, zegt de Heere. Laat dat eens tot u doordringen.

 

Als er hier iemand zou zijn die genodigd was door een rijk man, door een prins, om met hem te trouwen; het zou met vette koppen in de krant staan. Stelt u zich voor: een inwoner van deze plaats, uitgenodigd om met iemand van prinselijke bloede te trouwen.

Maar nu zegt God, de God van de hemel en van de aarde: ‘Ik heb u getrouwd. U draagt daarvan het merkteken aan uw voorhoofd. Ik heb het u betekend en bezegeld, toen Ik u liet dopen in Mijn Naam; de Naam van de Drie-enige God. Ik heb daarmee gezworen dat Ik geen lust heb in uw dood, maar daarin, dat u zich tot Mij zou bekeren.’

 

Geliefden, hebben die weldaden van God, die zegeningen, al zulk een overweldigende kracht in uw leven gekregen, dat u eronder bezweken bent? Heeft de goedheid van God, laat ik het heel Bijbels uitdrukken, heeft Zijn goedertierenheid u tot bekering geleid, zoals er staat in Romeinen 2 vers 4? In Zijn trouw heeft Hij u hoofd voor hoofd tot Zijn kind laten dopen. Dáárom roept Hij u op, als een afkerig kind, als een onbekeerd kind, om u tot Hem te bekeren!

Deze oproep is niet maar een aanraden van een mens, maar er staat: Spreekt de Heere.

De Heere zegt Zelf: ‘Bekeert u!’

Maar kan dat dan? Ach, dát zegt God niet.

God zegt er niet bij dat u dat kunt.

Nee, Hij zegt: ‘Bekeert u, want Ik heb u getrouwd.’ Nee, wij hebben Hém niet getrouwd, maar Hij heeft óns getrouwd.

 

Er wordt wel eens gesproken over een éénzijdig genadeverbond.

Dat is in zekere zin volkomen juist. Want God heeft dat verbond uitgedacht; God heeft het opgesteld, en vanuit Zijn eeuwige raad Hij heeft hij dat verbond, samen met de tekenen en zegelen ervan, aan ons geopenbaard.  

Maar anderzijds is het ook een tweezijdig verbond, God neemt Zijn bruid niet tegen wil en dank aan Zijn zijde. God wil dat we Zijn nodiging, Zijn uitverkiezing tot Zijn vrouw, zullen beantwoorden in de weg van de waarachtige bekering.

Kan dat dan?

Ja, dat kan!

Niet omdat er in ons nog enig vermogen is overgebleven. Nee, dan zou het voor eeuwig verloren zijn. Maar wél omdat Hij ons getrouwd heeft, en omdat in die akte van trouw door Hem alles beloofd is wat wij nodig hebben om Zijn bruid te kunnen zijn.

Wat hebben wij dan nodig?

Dat is: Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen de Heere uw God gezondigd hebt (Jer.3:13). Dat is alles wat God van ons vraagt, om met Hem dat eeuwig verbond te bezegelen. Dat is alles wat we mee hoeven te brengen. Beken uw ongerechtigheid, dat u tegen de Heere uw God gezondigd hebt.

 

Kom, geliefden, onderzoek nu uw hart. God heeft u in de doop betekend en bezegeld  tot Zijn kind. Dat staat hier. Maar Hij zegt ook: ‘Bekeert u, gij afkerig en trouweloos kind!’ Hij schrijft de voorwaarden in het contract, waarop u in Zijn gemeenschap mag ingaan: Beken slechts uw overtreding.

Hebt u dat wel eens gedaan, terwijl u zag op die onuitsprekelijke en onverklaarbare liefde, trouw, genade, goedheid, lankmoedigheid en barmhartigheid van God in uw leven? Bent u wel eens verbroken aan Zijn voeten neergezonken, en heeft u toen gezegd: ‘O, ik kan niet langer zondigen tegen een God Die zoveel weldadigheden aan mij bewezen heeft; Die mij in Zijn trouw en goedheid zo nawandelt. Ik kan niet langer tegen zo’n God zondigen.’

Zó begint het leven der genade. Dat begint met het bekennen van onze overtreding voor Zijn aangezicht.

Die smart over de zonde is een zoete smart. Daar behoef je niet bang voor te zijn. Nee, ‘bekeren’ is niet met een lang gezicht gaan lopen en heel ernstig doen, maar bekeren dat is: je van harte tot je Man, Die je getrouwd heeft, te wenden, om je in Zijn zorg en in Zijn liefde te bevelen.

Dat is toch niet moeilijk? In het natuurlijke is het toch ook niet moeilijk, wanneer een man en een vrouw naar elkaar verlangen, om dan ondanks alles wat er gebeurd is, tegen elkaar te zeggen: ‘Kom, wij zijn toch getrouwd?’ 

 

Geliefden, dit betreft dan nog maar een huwelijk tussen twee zondaars. Maar hier is sprake van een huwelijk tussen God in de hemel en tussen een arme worm, die uit het stof verrezen is. Dit is een huwelijk dat ver uit gaat boven een huwelijk tussen een koning met een bedelaar. Dan is het toch zeker mogelijk bij zo’n rijke God, Die zo groot is in barmhartigheid en Die zo lang aan onze ziel gearbeid heeft? Die zoveel tranen over ons geschreid heeft: Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert (Luk.13:34).

Ja, de Heere wil waarachtig niet dat er één verloren zou gaan, maar dat ze allen tot de kennis der waarheid zullen komen. Zoals God wil dat alle mensen Zijn geboden zullen onderhouden, zo wil Hij ook krachtens het vredesverbond dat wij ons als Zijn bruid tot Hem zullen bekeren. 

 

Geliefden, wellicht vraagt u: ‘Hoe is dat mogelijk?’

Ik zeg dan: ‘Ja, dat is mogelijk, op grond daarvan, dat Hij het verbond aangegaan is en dat Hij ook de Borg van het verbond beschikt heeft.’

Hij heeft de weg geopend waardoor we terug kunnen keren, namelijk door en in Zijn Zoon Jezus Christus, Die alles volbracht heeft. In Wie volgens de psalmdichter genade van waarheid blij ontmoet is, en in Wie de vrede met een kus van het recht begroet wordt. In Wie God Zijn welbehagen heeft, omdat Hij de toorn van God gedragen heeft, en omdat Hij in onze plaats in het oordeel Gods schuldig verklaard is en in dit oordeel door God verlaten geweest is, toen Hij aan het kruis uitschreeuwde: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46).

O, denkt u zich toch eens in wat de prijs geweest is, waardoor God u getrouwd heeft. Die was niets minder dan Zijn enig Kind. Het leven van Zijn Hartezoon. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16). Bekeert u, gij afkerige kinderen, spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd.

 

Houd daarom nu op met uw getwist over het verbond en zeg nu niet: ‘Ja maar, alle gedoopten zullen toch niet in de hemel komen?’ Dat komt omdat ze zich niet bekeren willen, maar dat is niet omdat God ze niet getrouwd heeft. U kunt er nooit onderuit. Izak en Ismaël, ik weet het, waren beide kinderen van het verbond. Ze droegen het teken en het zegel en toch zegt God: Mijn verbond zal ik met Izak oprichten (Gen.17:21).

Jakob en Ezau waren beide kinderen van het verbond. Ezau had het eerstgeboorterecht; indien hij het niet bezat, zou hij het ook niet voor een schotel linzenmoes verkocht kunnen hebben. Of is dat niet waar?

Wat je niet hebt, kun je niet verkopen. Hij bezat het! Hij was een kind van het verbond, hij had het eerstgeboorterecht, waaraan de zegen van de Messias verbonden was. Maar wat heeft hij gedaan? Hij heeft zich van de Heere afgekeerd, hij stelde er geen prijs op. Hij zei: ‘Ik ga toch dood, en als je doodgaat wat heb je dan aan een verbond, wat heb je dan aan de belofte van de Messias? Geef me van dat rode, dat rode daar!’ En hij slurpt, en hij slurpt zich dood… Hij dronk zich dood aan het goed van deze wereld en stelde geen prijs op de belofte van God aan Abraham en zijn zaad.

 

Ja, dat is mogelijk! Die vreselijke mogelijkheid mag ik niet achterhouden, die kan ik voor u niet verzwijgen. Want ik wil u waarachtig niet op valse gronden de eeuwigheid in sturen. God beware me daarvoor. Maar ik wil u de ernst van Gods trouw onder ogen brengen.

Als u dan weigert om dat te erkennen, als u weigert om u te bekeren, als u weigert om uw zonden te belijden, de zoom van Zijn kleed aan te raken, te roepen om genade en Hem te smeken om redding, ja dan, dán zal het u vergaan als het verbondskind Ismaël.  Dan zegt de Heere: ‘Drijf hem uit!’ Of als Ezau, van wie Paulus zegt: ‘Hij was een onheilige, want hij heeft om een schotel linzenmoes zijn eerstgeboorterecht verkocht.’

 

Toch sluit dit de roepstem van God niet uit. Integendeel. Zie maar wat de Heere zegt in het twaalfde vers: Ga henen, en roep deze woorden uit tegen het noorden, en zeg: Bekeer u, gij afgekeerde Israël, spreekt de Heere, zo zal Ik Mijn toorn op ulieden niet doen vallen; want Ik ben goedertieren, spreekt de Heere. Ik zal de toorn niet in eeuwigheid behouden. God wil u terugnemen.

In het Nieuwe Testament heeft de Heere Jezus het ons voor ogen gesteld in de gelijkenis van de verloren zoon, die van het huis en van het hart van zijn vader was weg gedwaald; die de wereld lief gekregen had boven de gemeenschap met zijn vader. De Heere Jezus heeft hem ons voorgesteld als een trouweloos kind, als een afkerig kind. In deze gelijkenis heeft Hij ons laten zien hoe dat onbekeerde kind was weggelopen, maar dat het desondanks door de vader bemind bleef.

Wij zien tevens hoe blij en zielsgelukkig de vader was, toen die verloren zoon met belijdenis van zijn zonden weer terugkeerde naar zijn huis. Ja, zijn vader ontving hem en omringde hem met zijn liefde. Hij liet hem niet eens zijn schuldbelijdenis uitspreken, maar had het kleed en de ring al klaarliggen, om hem weer te ontvangen. En ze begonnen rondom het geslachte kalf vrolijk te zijn.

 

Welnu, de Heere zegt in het veertiende vers: Want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, één uit een stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion.

Wat nu? Neemt God nu met Zijn ene hand terug wat Hij met Zijn andere hand zo mild blijkt te geven? Schrikt God nu Zelf van die heerlijke roeping, waarmee hij die afgekeerde kinderen terugroept? Is het God dan toch maar te doen om één of twee kinderen? Laat Hij dan toch de grote massa verloren gaan, omdat Hij maar zo weinigen verkoren heeft?

Geliefden, wanneer we deze tekst nauwkeurig in haar verband beschouwen en naar de bedoeling van God zoeken, is het duidelijk dat het een belofte is. Maar velen vatten deze tekst niet zo op. Zij gaan slechts af op de klank en lezen deze woorden te oppervlakkig.

Daarom zijn er altijd van die vrome mensen die zeggen: ‘Ja maar, dat gaat zomaar niet hoor!’ Zij zijn nooit blij als Sion uitbreidt. Ze hebben er altijd wel wat tegenin te brengen, ze vinden het nooit echt genoeg. Ze zijn niet blij als er velen tot het avondmaal komen. Ze zijn niet blij als de kerk in aantal groeit. Ze zijn niet blij als jonge mensen komen om aan te zitten aan de dis van het verbond en met de oude vromen samen de Naam van Christus belijden. Want ze zeggen: ‘Nee, zo gaat het niet, mensen. Dán bij ons vroeger…!’ Ik heb ze wel gehoord, die daar hun twijfel over uitspraken. Maar dat er van een gemeente van vijfhonderd belijdende lidmaten slechts honderd ten avondmaal komen, dáár hebben ze nooit een nacht van wakker gelegen.

Ze hebben nooit geschreid: ‘O God, hoe moet dat nu met die vierhonderd, die niet aanzitten? Moeten die nu verloren gaan?’

Nee, ze hebben het altijd maar over wie ze er wel en wie ze er niet bij zouden willen rekenen. Helaas gebeurt dat maar al te veel. ‘Want’, zeggen ze, ‘het zal er maar één uit een stad zijn en twee uit een geslacht.’

Geliefden, het is mogelijk dat deze tekst door sommigen van Gods kinderen verkeerd verstaan wordt. Ik bedoel nu niet die mensen die zich boven anderen verheffen, die ‘heiligen van de hoge plaatsen’, die voor zichzelf een plaats in de hemel gereserveerd hebben met hun vermeende gerechtigheden. Nee, ik bedoel arme tobbers, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; die God zoeken, en die zich voor de Heere verootmoedigen en die wel eens een kleine blijk van Gods genade in hun ziel ervaren hebben; die zielsgelukkig waren toen het Woord hun hart eens vertroostte en ze hoop kregen dat God Zijn genade in hun leven verheerlijken ging. Maar die dan tegelijk weer terugschrikken en zeggen: ‘O, zou ik wel bij die weinigen behoren? Want er staat toch in Gods Woord: ‘Eén uit een stad en twee uit een geslacht’, en er is er al één bij ons in de familie.’

Ik heb wel eens iemand gekend, die zei: ‘Ja, ik heb al een bekeerde broer en ik heb al een bekeerde vader en moeder; zou het dan voor mij nog wel kunnen? Er staat toch in de Bijbel: één uit een stad en twee uit een geslacht?’ Ook deze mensen verstaan het Woord van God niet, zoals de Heere het bedoelt.

 

Maar hoe moeten we het dan zien?

Wel, geliefden, de Heere roept Israël en Juda, Hij roept afkerige kinderen. Hij weet dat velen van degenen die naar Assyrië en Babel weggevoerd zijn, geen kind van God meer wíllen zijn. Ze verbreken zelfs de uiterlijke band die hun bindt aan God. Zij miskennen de tekenen van het verbond, die God op hen afgedrukt heeft. Ze hebben het goed naar hun zin in de wereld en zeggen: ‘Laat mij maar met rust.’ Zij willen zelfs niet terugkeren naar Jeruzalem; ze hunkeren niet naar de verlossing. Ze hechten geen waarde meer aan de toekomst waarnaar Abraham en Izak en Jakob hebben uitgezien. Dat gebeurde toen, het kan vandaag nog zo zijn met ons.  

Velen van deze weggevoerden zijn in ballingschap gestorven. ‘Maar’, zegt de Heere, ‘de roeping en de verkiezing, waarmee Ik hen geroepen en verkoren heb, zijn onberouwelijk! Ze zullen desondanks komen, al is het er dan maar één uit een stad en twee uit een geslacht, ik zal ze tóch aannemen.’

De Heere zegt als het ware: ‘Goed, als dan de massa weg wil blijven; als ze zich niet willen bekeren, als ze Mijn Woord niet geloven, en als ze voor Mij niet willen buigen en hun zonden voor Mij niet willen bekennen, dan gaan ze verloren. Maar indien er nog iemand is die wil, als er nog één is wiens hart geraakt wordt door deze boodschap van genade, die Mij recht en gerechtigheid begint toe te schrijven, o, laat hem dan komen! Ik zal hem niet verwerpen, al was het er maar één.’

 

Geliefden, dat woord geldt ook vandaag nog. Zoon of dochter, jongen of meisje, mocht je op school, in de groep waarmee je werkt in de werkplaats of op kantoor, in het gezelschap verkeren van misschien tien, twintig of vijftig mensen die leven in de wereld en in de zonde, die de ongerechtigheid als water indrinken, maar als jij dan die éne bent, die zegt: ‘Heere, hier kan ik het niet uithouden. Heere, ik draag het zegel van Uw verbond, ik draag Uw merkteken. Zal ik dan met het teken van Uw genadeverbond de satan dienen, de duivel gehoor geven en in de wereld blijven leven? U bedroeven en beledigen? Heere, U hebt mij getrouwd, zal ik U dan verlaten, om een andere man te zoeken? Een man van geld en goed, een man van hout en steen, een man van tijdelijke vreugde, die ras voorbij gaat, zal ik zo iemand zoeken?’

Luister dan! Al was je maar de enige uit de hele klas, uit de hele fabriek, al was je maar de enige op het hele kantoor, die onder belijdenis van zonden tot God terugkeert, al was je de enige uit je hele familie en al kon je niemand uit je familie noemen die tot God bekeerd was, als jij tot de Heere zou zeggen: ‘Ik kom tot U, want Gij zijt mijn God’, dan zegt Hij: ‘Ik zal je aannemen!’

En als God je aanneemt, verwijt Hij je nooit meer al die zonden die je in de wereld met die andere man, met die afgoden, met goud en geld en goed bedreven hebt. Nooit  meer! Dan werpt Hij je zonden voor eeuwig achter Zijn rug. Hij vergeeft en Hij vergeet en Hij spreekt er nooit meer over. Hij doet alsof het huwelijk voor eeuwig echt geweest is.

 

We zingen nu eerst Psalm 86 vers 3:

 

Heer’, door goedheid aangedreven,

Zijt Gij mild in ‘t schuldvergeven.

Wie U aanroept in de nood,

Vindt Uw gunst oneindig groot.

Heer’, neem mijn gebed ter oren;

Wil naar mijne smeking horen;

Merk, naar Uw goedgunstigheên,

Op de stem van mijn gebeên.

 

‘Maar’, zeg je, ‘hoe kan dat nou? God is toch een heilig God? Hij ziet de zonden toch niet door de vingers? Word ik dan werkelijk niet gestraft om al dat kwaad dat ik gedaan heb?’

Nee, want God houdt de toorn niet in eeuwigheid.

‘Kan dat dan zomaar?’

Geliefden, deze vraag leidt ons naar de Borg van het verbond, dat brengt ons bij Golgotha. Daar heeft God genoegdoening gekregen voor al je zonden; zodat je zomaar terug mag keren, zonder dat je iets mee hoeft te brengen om aan de rijkdom van die God toe te voegen.

Dat is een terugkeren met alleen je zonden en je ongerechtigheid, als voorwaarden die God ook nog eens vervult, als Hij je hart verbreekt. Want dan is zonden belijden geen moeilijk werk. Dan val je niet aan het hart van een God die je dood en je verderf zoekt, maar van een beminnelijk Vader, Die al lang uitkijkt naar je wederkeer. Die lang op je gewacht heeft, op het moment dat je zegt: ‘Heere, ik keer weder tot U. Ik zal opstaan en ik zal naar mijn Vader gaan.’

 

Kom, ligt er iets in je leven van die verbreking, vanwege de goedertierenheden Gods? Want het is alleen de liefde van God, die tot bekering leidt.

 

               Waar vloek en wet het hart verstalen,

               daar zal ‘t gezicht door God gewrocht,

               hoe ‘t bloedrantsoen verzoening kocht,

               aldra het stenen hart vermalen.

 

 

Als we op Hem zien, staat er in de Schrift, dan zullen ze over Hem rouwklagen, als over een eniggeborene.

 

Heeft u zo iets van het verbond in uw hart ervaren?

O, dan mag u misschien hier op aarde een gekrookt riet en een rokende vlaswiek zijn, maar dan kunnen toch vele wateren deze liefde niet uitblussen. Want die liefde is sterker dan de dood en die ijver om bij God te mogen zijn is harder dan het graf. Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zal hem ten enenmale verachten.

Waarom dan wel?

Omdat u iets van die huwelijkstrouw van uw God in uw leven heeft ervaren.

Welnu, vertrouw op Hem, hoor opnieuw Zijn Woord: ‘Afkerig kind, bekeer u tot Mij!’

 

Misschien zijn er dingen in uw leven waarvan u zegt: ‘O, ik kan er niet omheen, want God kan er ook niet omheen. Daar zijn zoveel zonden die de toegang tot God versperren, die moet ik eerst te boven komen. Anders kan het nooit!’  

Ik antwoord: keer toch de zaak niet om! Christus is gegeven om onze zonden weg te nemen, dat kun je zelf nooit meer. Voel je nu niet dat je machteloos bent om één zonde te doden? Maar wanneer u door de Heilige Geest ziet op Jezus Christus, op Zijn trouw, op Zijn huwelijksverbond, op Zijn goedertierenheden, ach, dan is het zo gemakkelijk om de zonde los te laten. Dan is het zo gemakkelijk om te zeggen:

 

Weg wereld, weg schatten,        

ge kunt niet bevatten,

hoe rijk dat ik ben.

‘k Heb alles verloren,

maar Jezus verkoren.

 

Dan rust je ziel in God, je Koning, voor eeuwig en voor altijd.

 

Maar het mooiste komt nog.

Zolang we hier op de aarde zijn, moet de Heere steeds opnieuw tegen ons zeggen: ‘Mijn afkerig Israël, Ik heb u toch getrouwd? Ik heb u toch geplant, een edele wijnstok… Waarom dan die valse en bittere vruchten?’

Het mooiste moet nog komen.  

Als we zo al struikelend en al vallend, al biddend en al smekend, ons tot de Heere bekeren, ons aan Zijn voeten werpen, dan zullen we op deze smalle weg ervaren: Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen (Ps.73:23-24).   

Dan gaan we de dag van de bruiloft tegemoet. Dan treden we die eeuwige bruiloftszalen binnen. God weet wanneer; maar allen die Jezus Christus liefhebben, die Zijn verschijning hebben liefgehad, die op Hem hebben leren hopen, die naar Hem hongeren en dorsten, die naar Hem uitzien als hun Man en als hun Bruidegom, die schuilen in de schuilplaats van de Allerhoogste, die zullen er komen.

 

Welaan, straks komt de dag dat Jezus komt, en Zijn roepstem gehoord wordt: Zie, de Bruidegom komt, gaat uit, Hem tegemoet (Matth.25:6).

Dan zullen onze lampen brandend zijn voor Hem Die ons getrouwd heeft. Dan mogen we achter de Bruidegom de bruiloftszaal mogen binnengaan. Nooit zullen we meer ontrouw zijn, nooit meer omzien, maar ons eeuwig verlustigen in onze Borg en Zaligmaker.

Dan zullen we onze kronen neerleggen aan de voeten van het Lam en uitroepen: ‘Gij, o Lam Gods, Gij hebt ons gekocht met Uw dierbaar bloed en daarom staan we als de vrouw, de bruid van het Lam, voor Uw troon!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 79: 4 en 7

 

Gedenk niet meer aan ‘t kwaad, dat wij bedreven;

Onz’ euveldaad word’ ons uit gunst vergeven;

Waak op, o God, en wil van verder lijden

Ons klein getal door Uwe kracht bevrijden.

Help ons, barmhartig Heer’,

Uw grote naam ter eer;

Uw trouw koom’ ons te stade;

Verzoen de zware schuld,

Die ons met schrik vervult;

Bewijs ons eens genade!

 

Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,

In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,

En zingen van geslachten tot geslachten

Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb’re krachten.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).