Ds. D. Rietdijk - Zondag 28

De instelling van het Heilig Avondmaal

Dat het een instelling is van Christus
Dat daaraan een belofte van Christus verbonden is
Dat het ziet op de gemeenschap met Christus
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 111: 1, 3
Lezen : Lukas 14: 15-24
Zingen : Psalm 43: 1, 3, 4
Zingen : Psalm 116: 7
Zingen : Psalm 103: 2, 3

Gemeente, wij gaan u het Woord van God bedienen uit Zondag 28 van onze Heidelbergse Catechismus:

 

Vraag 75: Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd dat gij aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed gemeenschap hebt?

Antwoord: Alzo, dat Christus mij en alle gelovigen tot Zijn gedachtenis van dit gebroken brood te eten en van deze drinkbeker te drinken bevolen heeft, en daarbij ook beloofd heeft: eerstelijk, dat Zijn lichaam zo zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en gebroken en Zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met de ogen zie dat het brood des Heeren mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt; en ten andere, dat Hij Zelf mijn ziel met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed zo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en de drinkbeker des Heeren (als zekere waartekenen des lichaams en bloeds van Christus) uit des dienaars hand ontvang en met de mond geniet.

 

Vraag 76: Wat is dat te zeggen, het gekruisigd lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken?

Antwoord: Het is niet alleen met een gelovig hart het ganse lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen, maar ook daarbenevens door de Heilige Geest, Die én in Christus én in ons woont, alzo met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer verenigd worden, dat wij, al is het dat Christus in de hemel is en wij op aarde zijn, nochtans vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn, en dat wij door één Geest (gelijk de leden van een lichaam door één ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden.

 

Vraag 77: Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de gelovigen zo zekerlijk alzo met Zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood eten en van deze drinkbeker drinken?

Antwoord: In de inzetting des avondmaals, welke alzo luidt: De Heere Jezus, in de nacht, in welke Hij verraden werd, nam het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet; dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook de drinkbeker, na het eten des avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij die zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt (1 Kor.11:23-26). Deze toezegging wordt ook herhaald door de heilige Paulus, waar hij spreekt: De drinkbeker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap des bloeds van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus? Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn (1 Kor.10:16-17).

 

Gemeente, wij spreken over: De instelling van het Heilig Avondmaal.

 

Wij letten op drie dingen:

1. Dat het een instelling is van Christus

2. Dat daaraan een belofte van Christus verbonden is

3. Dat het ziet op de gemeenschap met Christus

 

1. Dat het een instelling is van Christus

 

Gemeente, het Heilig Avondmaal is een geweldige zaak. Dat blijkt reeds uit het verschil in de vraagstelling van de doop en het Heilig Avondmaal. Bij de doop werd gevraagd hoe het offer van Christus ons ten goede komt. Bij het Heilig Avondmaal wordt gevraagd hoe wij door het gebruik daarvan worden verzekerd dat wij deelgenoot zijn aan dat offer, dat wij gemeenschap hebben met dat offer.

Bij de doop gaat het er dus over hoe de genade van God naar ons toe komt, maar bij het avondmaal gaat het erom, en dat gaat dus verder, hoe ik deel aan dat offer heb. Bij de doop is het: hoe komt de genade van God naar ons toe? Want wij hebben onszelf niet laten dopen, dat hebben uiteindelijk zelfs onze ouders niet gedaan, maar het is God geweest, Die, voordat wij denken of spreken konden, Zijn hand op ons leven legde.

Bij het avondmaal is het anders. Wij hebben daar gemeenschap aan het brood. Wij worden daardoor verzekerd en vermaand dat wij aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed deelheb­ben. Daarover gaat het in het avondmaal.

De kinderen van God nemen plaats aan de tafel. Zij ontvangen daar brood en beker. Daardoor wor­den zij verzekerd dat zij deelhebben aan het offer van de Heere Jezus Chris­tus en aan al Zijn schatten en gaven, dat zij vergeving der zonden hebben en dat zij ook het eeuwige leven als erfenis verkregen hebben.

Het wordt verzekerd in het Heilig Avondmaal.

 

De catechismus gaat zich nu, en in de volgende twee zondagen, rekenschap geven van al de schatten en gaven die Christus voor Zijn kerk verworven heeft en aan de gelovigen meedeelt, waarvan Hij hen in het Heilig Avondmaal wil verzekeren.

De rechte avondmaalvierder doet dat ook. Die legt reken­schap af van al de schatten en gaven die de Heere Jezus voor hem verworven heeft.

Zouden wij dat ook niet doen? Eén keer in de drie maanden heeft u alle­maal te maken met de viering van het Heilig Avondmaal. Dan worden we daarmee geconfronteerd, dan komt het op ons af. Dan komt de vraag naar u toe: heb ik daar nu deel aan? Ben ik deelgenoot van dat offer van de Heere Jezus Christus?

 

Het gaat in de allereerste plaats over de instelling van het Heilig Avondmaal door Christus. Wij kennen geen andere sacramenten dan die door de Heere Jezus Christus Zelf inge­steld zijn. U weet dat de Roomse kerk vijf sacramenten meer heeft, maar die zijn door mensen ingesteld. Wij houden alleen vast aan de sacramenten die de Heere Jezus Christus Zelf heeft ingesteld.

De Heere Jezus heeft het avondmaal ingesteld in de nacht waarin Hij verra­den werd. Dat was de nacht voor het Joodse paasfeest begon. De Heere heeft tot Zijn discipelen gezegd: Ik heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde (Luk.22:15). Toen heeft Hij twee discipelen opdracht gegeven om een opperzaal in gereedheid te brengen, opdat daar het paasfeest door Hem en Zijn discipelen zou worden gevierd.

Dat Pascha herinnerde aan het eerste paasfeest dat gevierd is in de donkere nacht toen Israël uit Egypte werd geleid. U weet wel, de nacht waarin de ver­derfengel rondging en alle eerstgeborenen doodde. Hij ging van huis tot huis, maar sloeg de huizen van de Israëlieten in het land van Gosen over. Daar stierven de eerstgeborenen niet, maar in elk huis van Egypte, ook in het paleis van Farao, was een dode eerstgeboren zoon.

 

Hoe kwam dat, gemeente? Waren de Israëlieten beter dan de Egyptenaren? Kwam dat misschien omdat zij Gods vloek niet hadden verdiend? U denkt natuurlijk dat de Egyptenaren dubbel en dwars de vloek van de Heere over hun leven hadden verdiend, want zij hadden immers het volk van God ver­schrikkelijk onderdrukt. Farao en zijn handlangers hadden God getart. Nu nam God wraak op hen.

Maar Israël dan? Dacht u dat Israël geen straf verdiend had? Hadden zij geen afgoden gehad in Egypte? Dacht u dat Israël daar niet de afgoden van de Egyptenaren had gediend? Hadden zij de wet van God onderhouden? Waar­om heeft de Heere in de woestijn bij de Sinaï opnieuw Zijn wet laten afkon­digen? Het volk van Israël had de wet van God niet onderhouden. Boven­dien, hadden zij als één man achter Mozes gestaan in zijn worsteling met Farao om hen te laten gaan? Immers nee!

 

Als de verderfengel bij Israël niet komt en daar de eerstgeborenen niet doodt, dan komt dat vanwege het bloed, dat aan de posten van de deuren gestreken was. De posten van de deuren, zijposten en bovendorpel, waren roodgekleurd door het bloed. Rood van het bloed van het eenjarige, volmaakte lam. Zij moesten dat lam afzonderen en dat tussen de twee avonden slachten. Het lam, dat in zijn geheel gebraden was, lag op de tafel van de Israëlieten, in de nacht waarin de verderfengel voorbijging.

Naast dat lam lagen ongezuurde broden en bittere kruiden. Zo had de Heere dat voorgeschreven. Ongezuurde broden waren gebakken van deeg waarin geen zuurdeeg was gedaan. Zuurdeeg was in Israël gist, verzuurd deeg, deeg dat oud geworden was. Dat deed het deeg rijzen. Zuurdeeg is dus het beeld van het bederf, het beeld van de zonde. De zonde doortrekt alles. Zuurdeeg mocht in die nacht bij Israël niet worden gevonden. Alleen de ongezuurde broden mochten op de tafel staan en de bittere kruiden. Dat waren gewoon smakende groenten, zoals wij die ook kennen. De bittere kruiden waren een herinnering aan de verdrukking die het volk van Israël in Egypte had gehad. God werkt altijd beeldend, uitbeeldend, ook hier op het paasfeest.

Dan moesten die ongezuurde broden genomen, gebroken en in die bittere saus gedoopt worden. Zo werd dat ongezuurde brood gegeten met het lam, dat gebraden was.

Dat was een inzetting van de Heere.

 

Weet u wat Pascha betekent? Dat woord ‘Pascha’ betekent ‘voorbijgang’. De verderfengel ging voorbij. Vanwege het geslachte lam en vanwege het bloed ging de verderfengel aan dat huis voorbij. Het bloed van het lam ver­zoende en beschermde.

Dat Pascha werd voor Israël een inzetting van geslacht tot geslacht. Elk jaar opnieuw werd in de maand Nisan het Pascha gevierd. Dan vroeg de oudste zoon aan zijn vader: ‘Vader, wat voor dienst had u daar?’ Dan moest die vader uitleggen hoe het volk in verdrukking was geweest in Egypte, maar ook hoe de Heere met een uitgestrekte arm het volk had verlost en hoe de eerstgeborenen werden gered.

 

Zo vierde Israël het Pascha. Zo heeft de Heere Jezus dat ook gevierd met Zijn discipelen in de opperzaal in Jeruzalem. U leest niet van het geslachte lam dat daar aanwezig was, maar dat is er ongetwijfeld wel geweest, want in Jeruzalem zijn er ook dat jaar duizenden lammeren geslacht en door de Is­raëlieten mee naar huis genomen. Bloed werd tegen het altaar gesprengd en de Israëlieten, de feestgangers, namen dat geslachte lam mee, braadden het in z’n geheel en aten het met hun gezin.

Behalve de bittere kruiden, stond er ook een beker met feestwijn op tafel. Voor iedere feestganger was er een beker. Het bij­geloof speelde ook een rol. Zo werd er een extra beker bijgezet. Die was voor Elia, wanneer hij terug zou komen. U vindt deze dingen nog terug bij het joden­dom van vandaag als zij het Pascha vieren.

 

Verplaatst u zich nu eens even naar die laatste paasmaaltijd. Daar ziet u de Heere Jezus aanliggen aan de tafel. De evangelisten spreken wel niet met zoveel woorden van het lam, maar zij hebben daarvan gegeten en daarna de lofzang gezongen. Psalm 111 tot en met 118 werd daarbij gezongen. Daar heeft de Heere Jezus ook gezongen van het lijden, maar ook van de uitred­ding en de bevrijding door God. Als de Heere naar het lam keek, dat daar op de tafel lag, dan zag Hij daar het vergieten van Zijn eigen bloed in. Dat lam was Hijzelf. Hij zou geslacht worden. De Heere Jezus heeft daarin de profetie van Zijn Vader, de weg die Hij gaan moest, gezien.

Paulus heeft dat zo geschreven: Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus (1 Kor.5:7). Jezus heeft daarin Zijn eigen weg gezien.

Als het Pascha ten einde is, wordt het stil in de opperzaal. De Heere neemt als laatste één van die ongezuurde broden, Hij breekt het en deelt het uit aan Zijn discipelen en zegt: ‘Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebro­ken wordt, doe dat tot Mijn gedachtenis.’ Met deze woorden hebben de ongezuurde broden voor altijd hun kracht verloren. Morgen zal Hij, het Paaslam, voor de Zijnen gebroken worden, zoals nu dit brood gebroken wordt.

Toen de beker rondging, heeft Hij gezegd: ‘Neemt, drinkt allen daaruit. Voorwaar Ik zeg u, dat Ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op die dag, wanneer Ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.’

 

De discipelen hebben gespannen geluisterd, want zij hebben ongetwijfeld gedacht aan het messiaanse rijk, dat toch in Israël gestalte zou krijgen. Niet meer drinken van de vruchten van de wijnstok, voordat het grote rijk komt… Maar als ze hebben gedacht aan dat aardse rijk, dan heeft de tweede beker die de Heere ging ronddelen, hun hoop wel de bodem ingeslagen. Want Hij zegt: ‘Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.’ Daarachter volgde onmiddellijk het woord over het verraad.

Nee, de Meester dacht niet aan een aards rijk. In die beker fonkelde rode wijn, dat wil zeggen: daarin fonkelde bloed. Zo zou Hij morgen Zijn rode bloed laten druppelen langs de kruispaal. Zo zou dat bloed vergoten worden tot een verzoening van de zonden.

 

Zo schoof de Heere Jezus soe­verein, met eigen hand als het ware, dat Paaslam op tafel. Duizenden paas­lammeren waren in de loop der eeuwen geslacht en gelegd op de tafels van de Israëlieten. Maar nu zou Hij eens en voor altijd geofferd worden voor de Zij­nen. Zo heeft Hij, in de nacht waarin Hij verraden werd, het oudtestamenti­sche Pascha vervangen door het nieuwtestamentische paasavondmaal. ‘Doe dat tot Mijn gedachtenis, doe dat totdat Ik kom.’

De kerk des Heeren heeft dat al de eeuwen door waargenomen en zal dat blijven doen tot aan de dag waarop de Heere Jezus zal weerkomen op de wolken van de hemel.

Van geslacht op geslacht is het brood gebroken en de beker doorgegeven, ter gedachtenis aan het lijden en sterven van de Heere Jezus Christus.

 

De Heere heeft bevolen om dat te onderhouden: Doe dat tot Mijn gedachtenis (Luk.22:19). Wij mogen dus geen willekeur betrachten. Allen die de Heere Jezus liefhebben, hebben hier ook in gehoorzaamheid te handelen. Verkondigt de dood des Heeren, totdat Hij komt (1 Kor.11:26). Dat is het liefdesbevel van de Heere Jezus Christus. Dat is Zijn laatste woord dat Hij heeft nagelaten.

Zullen wij dat woord in acht nemen, zullen wij dat woord gehoorzamen? Want wij zullen het steeds moeten vieren, opdat wij de kracht zouden ver­staan van het offer van de Heere Jezus en opdat wij in ons hart verzekerd zouden worden van de vergeving der zonden en van het eeuwige leven. Het is een bevel tot een maaltijd.

 

Het is echt een heel gewone maaltijd, die de Heere daar bedoeld heeft. Een maaltijd met brood en wijn. Het is gewoon brood dat wij eten. Het is ook gewone wijn die wij tijdens het avondmaal drinken.

Maar hoe heerlijk en groot staat in elke avondmaalsmaaltijd de gestalte van de Meester getekend. Het begint reeds wanneer de dienaar voor uw ogen het brood breekt. Hij neemt een lange reep brood en breekt hem voor ieders ogen. Wanneer Hij uit de schenkkan de bekers vult, wijst dat op het bloed dat vergoten is. Wij eten het brood dat gebroken is en drinken de wijn die vergoten is. Eten en drinken, dat is een maaltijd.

 

En, gemeente, het is een bevel voor u en alle gelovigen. Alle arme en ver­loren zondaren mogen komen tot de maaltijd die de Heere bevolen en inge­steld heeft. Kijk eens met wie Hij dat avondmaal gevierd heeft! Zeker, dat was met Zijn discipelen, die Hem hebben leren kennen en die wisten Wie de Heere Jezus was. Ze hadden Hem ook lief gekregen. Maar als u tegen deze mensen gezegd had: ‘In deze nacht wordt de Heere Jezus gevangen­genomen en morgen zullen ze Hem kruisigen en dan zal Zijn bloed vergo­ten worden voor u’, dan had u Petrus vierkant tegen gekregen. Dan had Petrus u uit die zaal gestuurd. Maar als het erom ging, ten diepste in hun ziel, of ze Hem liefhadden, dan hadden ze die vraag allemaal met ‘ja’ beant­woord. Dan hadden ze allemaal gezegd: ‘Ja, Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik U liefheb.’

En dat was oprecht. Want toen Petrus zich verzette tegen het lijden van de Heere Jezus, was dat geen eigenzinnigheid van Petrus, waarvan u zeg­gen moet: ‘Nou ja, dat heeft hij gedaan omdat hij nou eenmaal zo’n figuur is geweest.’ Welnee, dat heeft hij gedaan omdat hij de Heere liefhad. Hij had Hem er niet voor over. Laten we het maar zo zeggen: hij doorzag niet dat het nodig was dat Jezus gekruisigd moest worden. Waarom het nodig was dat Hij om Petrus’ wil Zichzelf tot in de dood moest overge­ven en Zijn bloed vergieten, daar heeft hij niets van begrepen en niets van gezien. Maar dat Petrus Jezus liefhad, dat is boven alle twijfel verheven als hij zegt: ‘Heere, dat zal U geenszins geschieden!’

In het hart van Simon Petrus heeft Christus een plaats gekregen. Toen An­dreas hem meegenomen heeft en hij Jezus ontmoette en Deze tot hem zei: ‘Gij zijt Simon, maar Ik zal u Petrus noemen’, toen is er in het leven van Simon wat gebeurd. Al de woorden en tekenen van Jezus hebben hem geraakt. Simon heeft de Heere lief gekregen.

 

Geldt het avondmaal alleen maar voor mensen die weten dat de Heere ook om hunnentwil geleden heeft? Laten we het zo zeggen: dat hun zonden ver­geven zijn? Nee, het gaat in het avondmaal in de allereerste plaats hierom: heeft u Hem lief? U dan, die gelooft, is Hij dierbaar (1 Petr.2:7). Daar gaat het om. Dat is het volk dat genodigd wordt aan deze dis. Aan deze maaltijd mogen zij aanzitten.

Daar zijn wij in de bijzondere tegenwoordigheid van God, want aan die tafel is de Heere op een bijzondere wijze aanwezig in Christus Jezus. Daarom is de plaats waarop gij staat heilige grond. Dat is niet een ver­terende heiligheid die u zegt: ‘Daar kunt u niet verschijnen’, maar dat is een barmhartige heiligheid.

Zoals de verloren zoon omhelsd en gekust werd door zijn vader, zo wordt aan de tafel des Heeren een verloren mens gekust en aan het hart van God gedrukt. Zo wil God in het Heilig Avondmaal in Christus u Zijn liefde schenken. Een ieder die de Heere oprecht liefheeft en zichzelf verfoeit, heeft een plaats aan deze maaltijd, om te ervaren dat de Heere u lief­heeft en dat Hij al de zonden van uw leven afkust.

 

2. Dat daaraan een belofte van Christus verbonden is

 

Christus heeft aan het avondmaal ook een belofte verbonden. Hij heeft niet alleen bevolen dat u dat avondmaal zult vieren, maar Hij heeft daar ook een belofte aan ver­bonden. De kern van die belofte vindt u in vraag en antwoord 75 onder woorden gebracht. Daar wordt gezegd dat Christus bij het bevel ook beloofd heeft dat Hij aan het kruis Zichzelf voor mij geofferd heeft. Vervol­gens staat er dat Hij mijn ziel met Zijn gekruisigd lichaam en bloed tot het eeuwige leven spijst en laaft.

Twee dingen dus: Hij heeft Zichzelf voor mij opgeofferd en Hij wil ook mijn ziel met Zijn lichaam en bloed voeden.

‘Het voeden en laven met het lichaam en met het bloed van de Heere Jezus’, zijn gouden woorden, die niet een­voudig in hun diepgang te peilen zijn. Antwoord 76 laat ons er iets van zien, wanneer er staat dat wij zo door de Heilige Geest met Christus verenigd worden, dat wij op aarde vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn en dat wij door de Geest eeuwig leven en geregeerd worden.

Er zit dus een diepte in. Het voedingsmiddel en de drank is het lichaam en het bloed van de Heere Jezus. Hij belooft ons dat Hij ons zo zeker met Zijn lichaam en bloed naar onze ziel wil voeden en laven, als wij voor ogen zien dat dit brood gebroken wordt en de drinkbeker uit des dienaars hand mee­gedeeld wordt. Dat voeden en laven doet de Heere Jezus Christus Zelf.

 

We zien twee dingen in het Heilig Avondmaal. In de eerste plaats wat Hij voor Zijn kerk gedaan heeft, en in de tweede plaats wat Hij in Zijn kerk doet.

Wat Hij voor Zijn kerk gedaan heeft, is: Hij heeft Zichzelf geofferd aan het kruis van Golgotha. En wat Hij in Zijn kerk doet, is: Hij voedt ze met Zijn vlees en bloed. Daarop ziet de maaltijd, waarin de dienaar het brood geeft en de beker aanreikt. Zo ontvangen wij als uit Jezus’ hand zowel brood als beker. Zo zeker wordt nu de ziel van allen die in Hem geloven, gevoed en gelaafd met Zijn vlees en bloed.

 

Het is een diep woord om ‘met het vlees en bloed van de Heere Jezus gelaafd en gespijsd te worden’. Er wordt dan ook naar de diepte van de beloften van Christus gevraagd. Daarom gaat antwoord 76 daarop wat nader in.

Er wordt op gewezen dat het twee dingen omvat. Het is ‘met een gelovig hart het ganse lijden en sterven van Christus aannemen’. En verder ‘dat wij door de Heilige Geest niet alleen gemeenschap hebben met Christus, maar ook met elkaar’. Twee dingen dus: het geloof dat Christus omhelst, dat is het eten en drinken van Zijn bloed. En het tweede is: de gemeenschap door de Heilige Geest met Hem en met al de Zijnen.

 

Het eerste is het geloof dat werkzaam is. Eten wil zeggen dat er spijs is die wij nodig hebben en onze behoeften aan levens­onderhoud kan bevredigen. Brood en wijn zijn door de Heere gegeven. Dat is ook het zinnebeeld en teken van het sterven van de Heere Jezus aan het kruis.

Brood komt niet zomaar op uw tafel. Daar is geweldig veel aan voorafgegaan. Brood is eigenlijk een wonder, want daar moest eerst de grond voor opengetrokken, geploegd en geëgd worden en het tarwegraan moest erin uitge­strooid worden. En dan denken we aan het Woord van de Heere: ‘Tenzij het tarwegraan in de aarde valt en sterft, zo brengt het geen vrucht voort.’ Zo is Hij in de aarde gevallen en zo moest Hij sterven. Als het koren opgroeit, moet het geoogst worden. Dan gaat de maaier uit om met de sikkel de hal­men te maaien. Het mes gaat erin. Vervolgens gaat het koren naar de dorsvloer en wordt het gedorst, het wordt geslagen. Als de korrels eruit zijn, wordt het in de molen gemalen, tussen de molenstenen door. U ziet, het is één weg van snijden, dorsen en malen en dan pas komt er meel uit waarvan deeg gemaakt wordt en dat deeg wordt in de hitte van de oven gelegd.

Er zit in brood dus een soort lijdens­gang. Tarwekorrels sterven, graan wordt gemaaid, gedorst en gemalen. Het deeg wordt in de oven gelegd.

U ziet, zo is Jezus verbrijzeld. Er zit in dat gebroken brood een prediking van het verbrijzelen van Hem. Om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld (Jes.53:5). Zo wordt Hij aan uw ziel geopenbaard vanuit het eeuwig evangelie als de Waarheid en het Leven. In het evangelie vindt de ziel die geen uitkomst heeft, een weg in Hem ontsloten. De Moorman op de wagen, die op weg was naar Gaza, heeft het gelezen in Jesaja 53: Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem (Jes.53:5).

Gemeente, zo gaat het geloof, dat door het evangelie en de Geest in het hart gewerkt wordt, vluchten naar Hem. Het geloof wordt vergeleken met een voet die loopt, met een oog dat ziet. Het geloof wordt in de Bijbel ook vergeleken met een mond die eet. Het geloof is toevluchtnemend, het gaat in de allereerste plaats naar Hem toe. ‘Zie mij, Heer, Die elk moet duchten, tot U vluchten.’

 

Dat is een Bijbels gegeven. Ik zie een Kananese vrouw, die achter Hem aan­ komt, omdat ze van Hem heeft gehoord en ze gaat Hem achterna wan­delen en zegt: Gij Zone Davids, ontferm U mijner (Matth.15:22). Het geloof gaat naar Hem toe. Denk maar aan de vrouw die de vloed des bloeds had en Hem van achteren, door de schare heen, naderde. Zij raakte met haar hand de zoom van Zijn kleed aan. Dat is een toevluchtnemend geloof, het gaat tot Hem uit. Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37). Dat zijn Bijbelse gegevens. Zo komt een mens tot de tafel.

In het vieren van het avondmaal zit een symboliek. U zou eigenlijk het boek van Matthew Henry ‘Aan Zijn tafel’ moeten lezen. Daarin kunt u lezen hoe zij aankomen. Dat is een opstaan en een komen tot de dis des verbonds om zich daar neer te zetten. Dat is een naderen tot de Heere. Dat geloof neemt niet alleen de toe­vlucht tot Hem, maar dat geloof omhelst Hem ook.

 

U kent vast wel dat gedicht van McCheyne, waarin hij heeft gezongen:

 

Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered;
Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet;
Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij;
Ik boog me, en geloofde, en mijn God sprak mij vrij.

 

Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis,
Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.

 

Gemeente, dan is er het overgeven, omhelzen van Jezus. En dat is het eten dat uit de hand van de dienaar ontvangen wordt. Het brood ziet op het lichaam van Hem, dat verbrijzeld was. De beker met de wijn die wij drinken, is de gemeenschap aan Zijn bloed. Het geloof eet en drinkt met de mond der ziel.

Gemeente, er is vergeving van de zonden en het eeuwige leven in die verbrijzelde Jezus. ‘De schuld van Uw volk hebt Gij uit Uw boek gedaan’, dat wordt aan de avondmaalstafel gepredikt. Dat is op Golgotha gebeurd en dat wordt op de avondmaalstafel gedocumenteerd in gebroken brood en vergoten wijn. Daar is gedocumenteerd dat Hij de schuld van Zijn volk uit Zijn boek heeft gedaan. Wie dat kleineert of verzwijgt, weet niet van de diepe nood van de ziel, weet niet dat er buiten Hem, de haven der behoudenis, geen toevlucht te vinden is. Die man of vrouw heeft nooit de afgrond van zijn bestaan gezien en nooit ontdekt dat de ware zegen alleen gelegen is in de geloofsgemeenschap met Hem.

 

Het geloof eet. In het avondmaal vallen, als het recht gebruikt wordt, het eten met de mond en het eten door het geloof samen. Het geloof is, met andere woorden, werkzaam met het offer van Christus en daardoor ontvangen de gelovigen vergeving van zonde en het eeuwige leven.

Zondag 31 ver­klaart ons dat zo helder en klaar, dat zo dikwijls als ons deze beloften gepredikt worden en wij die met een waar geloof aannemen, wij vergeving der zonden hebben. Zo dikwijls als wij dat door een waar geloof aannemen, heb­ben wij vergeving der zonden. Daarentegen wordt gepredikt dat op een ieder die niet gelooft, de toorn van God blijft.

 

Gemeente, als we daar zitten en uit de diepten van onze nood mogen rusten aan de tafel des Heeren en Hem mogen omhelzen met al Zijn weldaden, dan daalt de vrede Gods in onze ziel neer. Dat doet Jezus Zelf. Hij geeft spijs en drank, Hij voedt en laaft door middel van het sacrament. Hij geeft het aan een ziel die naar Hem hongert en dorst. Hij heeft Zich niet alleen gegeven vóór Zijn kerk, maar ook ín Zijn kerk schenkt Hij dat.

Dat is de ontmoeting met Hem aan de dis des verbonds. Daar is Hij Gast­heer en Koning. Hij vergeeft door Zijn offer al onze zonden. Al onze zon­den! En dat worden er steeds meer. Als je jong bent, zijn het de zonden van je jeugd. Het wordt niet minder naarmate je ouder wordt, maar dan wordt het steeds meer: Ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps.143:2). Des te groter wordt het wonder dat Hij u voeden en laven wil en dat in Zijn bloed en in Zijn gebro­ken lichaam de vergeving van de zonden en het eeuwige leven ligt.

 

In Jeruzalem in die opperzaal werd na het de maaltijd het groot Hallel, Psalm 111 tot en met 118, gezongen en dat doet de kerk des Heeren nog. Want ze gaan Hem prijzen, Die de verlossing heeft teweeggebracht en Die naar ons heeft willen omzien, zoals wij dat nu gaan zingen uit Psalm 116 het zevende vers:

 

Wat zal ik, met Gods gunsten overlaân,
Die trouwe Heer’ voor Zijn genâ vergelden?
‘k Zal, bij de kelk des heils, Zijn Naam vermelden,
En roepen Hem met blijd’ erkent’nis aan.

 

3. Dat het ziet op de gemeenschap met Christus

 

De Heere heeft in het Heilig Avondmaal niet alleen beloofd dat de gelovigen daar  vergeving der zonden en het eeuwige leven zouden ontvangen, maar ook dat zij gemeenschap met Christus heb­ben.

Dat is het laatste wat wij gaan overdenken.

 

‘Gemeenschap’ is een geweldig woord. In het ‘ik-tijdperk’ waar­in wij leven vind je weinig gemeenschap. Dat is een zeldzaamheid aan het worden. Mensen worden afgeschreven alsof men een oude auto wegdoet. Zo gaat men met mensen om. Dat komt omdat de liefde verkoudt en dat is in het Woord voorzegd: in het laatste der dagen zal de liefde verkouden. U ziet het om u heen gebeuren. Er is zo weinig herkenning van en waardering voor elkaar.

En dan komt het Heilig Avondmaal met ‘gemeenschap’…

 

In de eerste plaats gemeenschap met Christus, Die in de hemel is. Daar is Hij, begiftigd met Zijn Heilige Geest zonder mate. Die heeft Hij van de Vader ontvangen en die Geest heeft Hij uitgestort op deze aarde. En die Geest gaat wonen in het hart van mensen. Zo ontstaat er een nauwe gemeenschap met Christus door Zijn Geest.

Daarvan zegt ons antwoord dat ze vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn. Zo nauw is de band met Christus. Dit woord ‘vlees van Zijn vlees, been van Zijn gebeente’ is genomen uit Genesis 2. Adam en zijn Maninne zouden tot één vlees zijn. Dat wil zeggen: die twee mensen zouden een eenheid vormen. Het gaat vooral om de geestelijke eenheid in het huwelijk tussen man en vrouw. Er moet dan ook een basis voor zijn om zo’n geestelijke eenheid te vormen. Dat is de eenheid die er geweest is in het paradijs op een volkomen wijze. De Heere heeft die door Zijn goedheid en barmhartigheid ook na het paradijs onder de mensen gehouden en gegeven.

Zo is ook de gemeenschap met Christus. Zo nauw als die band tussen Adam en Eva in de staat der rechtheid was, zo nauw is die band met Christus. Paulus komt er op terug in Efeze 5. In dat hoofdstuk spreekt hij over het huwelijk en dan zegt hij in vers 32: Ik zeg dit ziende op Christus en op de gemeente.

Christus heeft dus ook een huwelijksver­bond met Zijn kinderen, met de Zijnen. Zij worden Zijn gemeenschap deel­achtig door de Heilige Geest. Dat is het geestelijk huwelijk van Christus met Zijn gemeente. Zij is de bruid, Hij de Bruidegom.

 

Gemeente, het avondmaal is een voorsmaak van het avondmaal van de brui­loft des Lams. Het avondmaal krijgt een toekomstperspectief, namelijk van het ogenblik waarop de Heere Jezus met de Zijnen één zal zijn. Volmaakt één. Door de bruiloft van het Lam worden we één door deze Geest. Nu wor­den zij door die Geest, Die hen met Christus verenigt, geregeerd.

Door die Geest ontvangen zij het leven, want het is de Geest Die levend maakt. Het vlees is u niet tot nut. Ook het vrome vlees niet en het eigengerechtigde vlees niet. Dat is allemaal niet van nut. Alleen de Geest van Christus maakt levend. Die schenkt u het leven tot in eeuwig­heid.

Onder de bediening van het Heilig Avondmaal worden wij verzekerd van die gemeenschap met Christus. En hoe komt dat dan? Wel, wij eten Zijn brood en drinken Zijn wijn. Als u eet en drinkt, dan wordt dat voedsel door aller­lei processen in uw lichaam deel van uw lichaam. Zo, zegt de Heere, ben Ik nu één door Mijn Heilige Geest met u. Dat is de eenheid met Christus. Wij worden door Hem geregeerd en door Hem leven wij.

 

Maar ook gemeenschap met elkaar. Want, gemeente, wij hebben niet alleen gemeenschap met Christus, maar al de mensen die rondom die tafel zitten, eten van dat ene brood en drinken van die ene wijn. Zij zijn door één Geest met elkaar verbonden, want de Geest, Die in Christus als in het Hoofd woont, woont ook in ons als Zijn lid­maten. Dus zij hebben ook met elkaar gemeenschap.

Zij geven ook elkaar de drinkbeker door. Daarin komt die een­heid tot uitdrukking. Zij geven ook elkaar dat brood door. Eén lichaam, één doop, één geloof, één Geest, één Vader, één God boven allen en in allen… Daar heeft u de eenheid. Het avondmaalsformulier zegt het zo mooi: ‘Gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en gelijk uit vele beziën, samengeperst zijnde, die zich ondereen vermengt, één wijn en drank vloeit, alzo zullen wij allen, die door een waar geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus onze lieve Zaligmakers wil, Die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, allen tezamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen.’

Dat is eenheid, de geweldige eenheid. Nu is die eenheid verstoord, ver­broken, en verschrikkelijk verdeeld. Dat is een schandvlek op de kerk van Christus op aarde. Het lichaam van Christus is gescheurd, maar straks zal toch openbaar komen dat zij allen één zijn, in Hem Die ons heeft liefgehad.

 

De Heere roept op regelmatige tijden tot die tafel. Als je een gezin hebt, dan zit dat gezin niet heel de dag bij elkaar. Dat is ook niet goed. Veronderstel eens dat je een gezin hebt en je zit heel de dag bij elkaar, altijd, alle dagen van het jaar. Dan gaat er iets fout, dan is er iets niet goed. Normaal gaan de gezinsleden uit. De één gaat hier naar toe en de ander daar naar toe, een ieder naar zijn werk. Alleen op bepaalde tijden zie je ze bij elkaar, name­lijk bij de maaltijden. Dan eten ze met elkaar en dan lezen ze uit het Woord. Zo is het ook in de kerk des Heeren. Dan ziet u al die leden weer zitten rondom die ene tafel. Dan wordt de eenheid beleden. Regelmatig moeten we het avondmaal vieren.

Een dode heeft geen spijze nodig. Wie dood is in de zonden en misdaden, kan niet aankomen aan dat Heilig Avondmaal. Een dode verlangt er ook niet naar, die heeft geen behoefte aan eten. Dat is erg. Hoort u daarbij?

 

Een zieke heeft geen trek. Die kijkt een beetje scheef naar het eten dat op tafel wordt gezet, maar eet daar niet van. Die moet eerst weer genezen worden in de weg van gehoorzaamheid. Maar als het recht ligt, gaat die ziel verlangen naar die geestelijke spijzen van Christus. Dan krijgt u lust en begeerte om aan te zitten aan de dis des ver­bonds, om daar te aanschouwen wat Christus voor ons deed, namelijk Zich geven op Golgotha. We zien dan ook wat Hij ín ons doet, namelijk dat Hij onze ziel voedt met Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed tot vergeving der zonden.

 

En tenslotte is er de onderlinge verbondenheid. Dan gaat er door het avondmaal een verlangen komen in de ziel en een begeerte in het hart, om aan te zitten met Abraham, Izak en Jakob aan de ronde tafel in het konink­rijk des Vaders, en om daar de vrucht van de wijnstok te drinken. Dan krijgt u begeerte om de lof des Heeren volmaakt tot in eeuwigheid te vertellen, want dan blijft het: ‘Ik zal U eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 2 en 3

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,
Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;
Uw krankheên kent en liefderijk geneest;
Die van ‘t verderf uw leven wil verschonen,
Met goedheid en barmhartigheên u kronen;
Die in de nood uw Redder is geweest.

 

Loof Hem, Die u vergunt uw zielsverlangen,
En ‘t goede tot verzading doet ontvangen;
Uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd.
De Heer’ doet recht, is heilig in Zijn richten;
Treft iemand druk, Hij wil de druk verlichten,
En hart en mond vervullen met Zijn vreugd.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).