Ds. L. Huisman - Jesaja 1 : 16 - 18

Het gericht van God met Zijn bondsvolk

Jesaja 1
Hoe God Zijn verbondsrecht handhaaft
Hoe Hij Zijn verbondsgenade belooft
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).

Jesaja 1 : 16 - 18

Jesaja 1
16
Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
17
Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.
18
Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 65: 1, 2
Lezen : Jesaja 1
Zingen : Psalm 51: 4, 5
Zingen : Psalm 25: 5, 6
Zingen : Psalm 143: 10

Geliefden, het Woord van God dat wij in deze dienst ter gelegenheid van de bediening van het Heilig Avondmaal volgende week zondag, u als een woord van voorbereiding willen verkondigen, kunt u vinden in Jesaja 1 de verzen 16, 17 en 18:

 

Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak der weduwe. Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

 

Deze tekst spreekt ons van: Het gericht van God met Zijn bondsvolk.

 

1. Hoe God Zijn verbondsrecht handhaaft

2. Hoe Hij Zijn verbondsgenade belooft

 

De dagen waarin de trouwe Godsgezant Jesaja het Woord des Heeren aan het volk van Israël heeft bekendgemaakt, waren dagen van diep verval.

Het geestelijk leven stond op een zeer laag peil. U hebt hopelijk dit hoofdstuk met aandacht meegelezen. Dan is het u uit de voorlezing genoeg bekend, hoe het gesteld was in die dagen met Israël. Er was nog wel godsdienst, de uiterlijke plichten werden druk waargenomen, het was altijd druk in de voorhof van de tempel en het bloed van de offers stroomde rijkelijk. Daar lag het niet aan. Er werd ook nog wel gebeden en de feestdagen, de sabbat, de nieuwe maan en de andere feestdagen werden stipt onderhouden. Dat was prima in orde. Maar het was alles zonder hart. Het was een harteloze vormendienst geworden. Men besefte niet meer dat men kwam voor het aangezicht van de rechtvaardige, heilige God van hemel en aarde. Men zag het onderscheid niet meer tussen het schepsel en de Schepper. De hoogheid en de heerlijkheid van God waren vervaagd uit het hart van Israël en men hield een koude, dorre, droge vormendienst over.

Het is zelfs zo, dat de Heere Zijn volk in de leer zendt bij de dieren van het veld. Hij zegt: Een os kent zijn bezitter, en een ezel de krib van zijn heer, maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet (Jes.1:3). Dat is het vernietigend oordeel dat de Heere tot Zijn volk moet richten. Een dier toont nog enige blijdschap en kennis van zijn meester, die hem goed doet, die hem verzadigt, die hem verkwikt, die hem eten en drinken brengt, die hem verzorgt en hem naar zijn warme stal brengt en zijn krib met voeder vult. Een os en een ezel wel, maar Israël niet. Daarom zegt de Heere: ‘Houd maar op met al die offeranden te brengen naar Mijn heiligdom. Ik heb er geen lust meer in. Dat bloed, dat met stromen vloeit, kan Mij alleen nog maar ergeren. En als u uw handen naar Mij uitbreidt in het gebed, zal Ik niet horen! En als u voor Mijn aangezicht verschijnt, zal Ik Mijn hoofd van u afwenden, Ik zal u niet meer aanzien.’

 

Hoe moeten we dat dan zien? De Heere heeft toch Zelf Zijn wetten gegeven aan Israël, ook juist die wetten der ceremoniën, dat brengen van offers en het komen tot Zijn heiligdom en buigen aan Zijn voeten? Het staat allemaal nauwkeurig beschreven in de wetten van Mozes; hoe, wanneer, op welke tijden, en op welke wijze.

‘Nu’, zegt de Heere, ‘die hele dienst, houd er maar mee op. Breng niet meer vergeefs offer en hef uw handen niet meer op naar het heiligdom. Ik wil u niet meer zien!’ En tot Jesaja zegt Hij: ‘Ik zal het volk ook niet meer slaan. Ik werp het de teugels op de rug, nu moeten ze het zelf maar weten. Laat ze maar hollen en draven, laat ze maar voortgaan, want Ik heb ze al zo dikwijls geslagen, maar ze maken de afval nog des te erger en ze verharden zich tegen Mij en tegen Mijn Gezalfde.’

 

Op dat moment ziet Jesaja echter dat het oordeel nog niet geheel voltrokken is, want hij zegt: Zo niet de Heere der heirscharen ons nog een weinig overblijfsel had gelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomórra gelijk zijn geworden (Jes.1:9). Dan ziet hij temidden van het verdorven volk nog een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Niet dankzij het goede dat nog in het volk is overgebleven, maar dankzij de trouw van de Verbondsgod, Die het nog niet tot een eind had laten komen met dit ontrouwe volk.

Hij spreekt hen verder aan alsof het Sodom is en zegt: Hoort des Heeren woord, gij oversten van Sodom! Dan noemt hij Jeruzalem ‘Sodom’. Neemt ter ore de wet onzes God, gij volk van Gomórra! (Jes.1:10). Beseft u toch het vreselijke dat de Heere hier zegt? U weet wel, de steden Sodom en Gomórra met de bijsteden Adama en Zeboïm, zijn door het vuur van de hemel verteerd, wegens de zedeloosheid, wegens de zonde, die zó beestachtig, zo duivels doortrapt in die steden woedde, dat de Heere er geen geneesmiddel voor had.

Er was nog maar één middel, om het voor Gods ogen uit te roeien, en dat was het vuur en de zwavel van de hemel. Daarmee heeft de Heere die verdorven plek uit de wereld weggebrand.

 

En nu wijst Jesaja naar de kerk. Hij wijst niet naar de vlakte van de Zoutzee, maar naar de kerk en zegt tegen die kerk: Hoort des Heeren woord, gij oversten van Sodom! Neemt ter ore de wet van onze God, gij volk van Gomórra! Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer slachtoffers? zegt de Heere; Ik ben zat van de brandoffers der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch der bokken. Wanneer gijlieden voor Mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uw hand geëist, dat gij Mijn voorhoven betreden zoudt? Brengt niet meer vergeefs offer, het reukwerk is Mij een gruwel; de nieuwe maanden, en sabbatten, en het bijeenroepen der vergaderingen vermag Ik niet, het is ongerechtigheid, zelfs de verbodsdagen (Jes.1.10-13).

En zo gaat de Heere dan verder om dat volk voor ogen te stellen de zonden die ze tegen Hem begingen. Kortom, het is een vernietigend oordeel wat God over dit volk uitspreekt. Aan onze tekst gaat dan nog vooraf: En als gijlieden uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor Ik niet; want uw handen zijn vol bloed (Jes.1:15).

 

Maar dan komt de tekst. Dan heeft de Heere toch nog berouw dat Hij dit over Zijn volk gesproken heeft. Dan zie ik Hem staan als een trouwe Vader, Die de stok met veel gramschap opheft en Zijn halsstarrige zoon terecht onder het juk doet doorgaan, en onder de stok doet buigen; maar dan slaat Hij toch niet om te doden, dan is er toch in Zijn toorn nog ontferming.

Terwijl de Heere de zonden aan de kaak stelt en vlijmscherp de overtreding van Zijn halsstarrige volk openbaart, is er toch ook iets in van Zijn vaderlijk mededogen, dat de verlorenen terugroept tot de wet der gerechtigheid.

 

Twee dingen zegt Hij: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. En aan de andere kant: Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.

Zie, dat is wat de Heere van dit volk eist. Het moet een zaak van het hart worden. Het is dus niet zo dat de Heere vanaf nu Zijn eigen wet tenietdoet. Het is niet zo dat de Heere wat Hij door de mond van Mozes gesproken heeft, terugneemt en de gehele oudtestamentische schaduwdienst afschaft. Nee, die kan niet afgeschaft worden, die kan alleen maar vervúld worden. En die zál ook vervuld worden en die ís vervuld door Jezus Christus.

De Heere zegt: ‘Die hele schijngodsdienst moet weg, die godsdienst zonder je hart, daar heb Ik een gruwel aan. Doe het allemaal maar weg!’ Daarover gaat het. Maar dat is niet het laatste woord. Dat is nooit Gods laatste woord. God verheft Zich hier over Zijn volk, maar niet om het te doden. Hij zegt: ‘Dit is de weg: Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen!’

 

U zult zeggen: ‘Hoe zit dat nu eigenlijk? Gaat de Heere nu Zijn volk terugbrengen door de wet tot de wet? Hoe zit dat nu eigenlijk? Moet dat volk hier éérst met de zonde breken? Want dan komt pas in het volgende vers: Al waren uw zonden als scharlaken… Is het dan tóch zo, dat de wet vóór het evangelie gaat? Is het dan tóch zo, dat de mens éérst door de kennis der wet moet komen in het spoor der gerechtigheid en hij dán wordt vrij verklaard en dat hij dán wordt gerechtvaardigd en dat hij dan pas met God verzoend wordt? Is het dan tóch zo, dat een mens éérst de zonde moet verlaten, éérst met de overtredingen moet breken en dat hem daarna pas verzoening van zonden wordt aangeboden, en dat daarna pas vrede met God plaatsvindt? Is dat dan tóch zo? Hebben die mensen dan tóch gelijk, die de mensen eerst onder de eis van de wet willen brengen tot een heilig leven, of in ieder geval tot een heiliger leven, en pas daarna voeren tot de kracht van Christus’ bloed om genezing te vinden in die geopende fontein van Christus’ gerechtigheid?’

 

U moet hier echter goed op letten: Jesaja spreekt hier niet tot de inwoners van Sodom. Jesaja spreekt hier niet tot de heidenen. Jesaja spreekt hier tot het volk van het verbond. Hij spreekt hier tot dat volk dat God Zich tot een eigendom verkoren had. Tot dat volk, waartegen de Heere gezegd had: ‘Ik ben uw God, gij zijt Mijn volk!’ Dat volk, waarmee God in een verbond gekomen was, die Hij kinderen noemt.

Al hebben ze het nóg zo verdorven, Hij noemt ze kinderen, zelfs in dit hoofdstuk, in al hun zonden. Het is waar, Hij zegt: Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, maar dan zegt Hij toch: De verdervende kínderen (Jes.1:4). Het zijn dan tóch kinderen, het blíjven kinderen.

Zo moet u het zien. Als de Heere dat volk terugroept naar Zijn wet en naar Zijn inzettingen, dan roept Hij het terug als de God van het verbond. Ze hebben dat verbond ingewilligd en met hun hand onderschreven: ‘Wij zijn des Heeren.’ Maar ze hebben de geboden van de Heere vergeten, ze hebben de wet van de Heere niet waargenomen. Ze hebben niet geleefd in waarachtige verootmoediging en in waarachtige dankbaarheid. Ze gingen ten onder aan hun gruwelen en hun goddeloosheid.

 

En nu stelt de Heere hun voor hoe ze eigenlijk handelen moesten. Hoe die wet der dankbaarheid moest functioneren in het leven van dit volk. Hij zegt dan: Wast u, reinigt u.

De Heere bedoelt hier natuurlijk niet mee die uiterlijke wassingen en reinigingen, die ceremoniële wassingen en reinigingen. Nee, want die waren er juist genoeg. Dat deden ze nog wel. De vaten met water stonden voor de deur van elk huis. Men hield nauwkeurig bij: de wassingen van de voeten en de wassingen van de handen en de wassingen van de drinkbekers. Met die hele buitenkant was het wel in orde. De liturgie was prachtig, maar het had geen inhoud. De vorm was nog wel in orde, maar het wezen ontbrak. En daar heeft de Heere een gruwel aan.

O, dat is verschrikkelijk! Er is eigenlijk niets ergers voor God dan een huichelachtige godsdienst, een schijngodsdienst. Net doen alsof je God prijzen wil, alsof je ten avondmaal wil komen om de Heere te verheerlijken, alsof je naar het heiligdom wil komen omdat je het zo goed met God meent, en dan enkel maar buitenkant. Enkel maar vorm, enkel maar voor de mensen, enkel maar schijn. Dat vindt God verschrikkelijk. En nu zegt Hij: ‘Zó moet het: wást u! Nee, niet die buitenkant, maar wast uw hárt. Reinigt u, zó zou het moeten zijn, doe de boosheid van uw handelingen weg.’

 

Want waar het oprecht is, daar is geen leven meer in de zonde, dat kan niet. Een kind van God kan niet meer leven in de zonde. Daar heeft hij de dood aan gezien, zoals God daar de dood aan gezien heeft. Daar kunnen ze niet meer in leven.

Israël leefde er wel in. En nu zegt de Heere: ‘Hoe kan dat nu, het is toch Mijn volk, het is toch Mijn bondsvolk? Mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht en met het vette van uw slachtoffers hebt gij Mij niet gedrenkt, maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden (Jes.43:24).’

‘Hoe kan dat toch? Waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij, wat heb Ik nog meer aan Mijn wijngaard te doen, dat Ik aan haar niet gedaan heb? Ik heb verwacht dat ze goede vruchten zou voortbrengen en ze heeft stinkende vruchten voortgebracht.’

Nu, de Heere zegt: Wast u, reinigt u, doet de boosheid van uw handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen. ‘Dat is Mij welbehaaglijk, dat bent u verplicht!’

 

Leert goed te doen. Dat is de andere zijde van de bekering. Leert goed te doen, zoekt het recht. Niet zozeer de rechtswetenschappen. Dat is ook een nuttige oefening, als je het doet in de vreze Gods, maar dat wordt hier zozeer niet verstaan. Hier wordt de rechtspraktijk bedoeld. Zoekt het recht. De Heere wil zeggen: ‘Het is niet genoeg dat je weet hoe het moet zijn.’ Daar kunnen we boeken over vol schrijven, maar laat het in de praktijk uitkomen dat u het recht zoekt.

En wat is dan kenmerkend voor het zoeken van het recht? Nu, de Heere zegt: Helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak van de weduwe! Waarom gebruikt de Heere nu deze paar dingen? Hij had toch veel andere dingen kunnen noemen? Dingen waar het volk veel erger in zondigde tegen God. Waarom nu dat helpen van de verdrukte en de wees recht doen en de twistzaak der weduwe twisten? Waarom nu dat?

Wel, als u het gehele Oude Testament zo in zijn geheel ziet, dan springt dit altijd naar voren, dat de wetten die God aan Israël gegeven heeft, barmhartige wetten waren. Dat waren bij uitstek sociaal gerichte wetten. Er is geen volk geweest dat zulke heilige sociale wetten had dan het volk van Israël. Er kon onder Israël geen armoede zijn, daar had God voor gezorgd. Dat er wel eens armoede was, dat kwam omdat het volk de wet niet naleefde. Als het volk zich hield aan de wetten van de Heere, dan zou er geen bedelaar in Israël zijn.

 

Zo had de Heere voor de weduwen en voor de wezen gezorgd, dat ze geen gebrek hadden. Op allerlei wijzen. Zo mochten bijvoorbeeld de hoeken van het land niet afgemaaid worden, de boomgaard mocht niet nagelezen worden en de wijnstok niet en in het zevende jaar mocht er niet geoogst worden, en ook in het vijftigste jaar niet. Dat was allemaal voor de vreemdelingen, voor de weduwen en voor de wezen. Als u die wetten leest in het Oude Testament, dan komt dat tientallen malen voor: dat zal nu zijn voor de vreemdeling, voor de weduwe en voor de wees. Daar heeft de Heere voor gezorgd.

Het was het eerste teken van verval, als het volk het niet meer zo nauw nam met die wetten van de Heere. Ze begonnen dan eerst op een gierige wijze de hoeken van hun land tóch te maaien en de laatste vruchten van de wijnstok tóch af te plukken. Die hielden ze voor zichzelf. En ze lieten de weduwe, de wees en de vreemdeling niet op het land. Die moesten maar voor zichzelf zorgen.

 

Hierin onderscheidde Israël zich nu van de heidenvolkeren. Bij de heidenen was het immers zo, dat er geen recht voor de weduwe en wees bestond. Daar waren zij het toonbeeld van ellende. De vreemdeling was ook een vogelvrije. De weduwe en de wees waren een prooi van de wellust van het volk. Iedereen mocht ze straffeloos als slaaf in dienst nemen, want ze hadden geen rechten en geen beschermer.

En nu toont God aan Israël dat Hij een barmhartig God is. Hij alleen, boven al de goden van de heidenen. De Heere heeft juist het recht van de vreemdeling, van de weduwe en de wees benadrukt. Dat was als het ware het centrum van de dienst van God. Daaraan kon je direct zien dat Israël anders was dan de volken rondom. Daaraan kon je zien dat de God van Israël alleen een barmhartig God was, boven al de goden van de heidenen rondom.

Daarom zegt de Heere in deze tekst: ‘Laat nu eens zien dat je Mijn wet weer verstaat!’ En dan natuurlijk niet om te blijven bij de kring van de vreemdeling, de weduwe en de wees, maar om van daaruit het hele leven op elk gebied onder de tucht van Gods wet en Woord te brengen. Opdat zo overal de vrede weer zou bloeien en de rijkdom en de heerlijkheid, die het beeld waren van de rijkdom van het hemels Kanaän, onder de gunst van God weer zou ervaren worden.

Dát is de bedoeling van de tekst. Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt de verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak der weduwe.

 

Maar nu wordt het nog onbegrijpelijker. Vaak leest men het dan zo in vers 18: ‘Kom dan en laat ons dán tezamen richten.’ Dus: wanneer je je gewassen en gereinigd hebt en de boosheid van je handelingen weggedaan hebt en aflaat van kwaad te doen, leert goed te doen en het recht zoeken, de weduwe en de wees helpen… en als je dat nou allemaal gedaan hebt, kom dán en laat ons dán tezamen richten.

Let goed op hoe het er echter staat: ‘Kómt dan.’ Zo hoort het. Dus niet: ‘Komt dán.’ Nee, ‘Kómt dan!’

 

Dat spreekt eigenlijk vanzelf. Stel je voor dat de Heere aan ons vragen zou: ‘Mensen, nu moet je je wassen en je moet je reinigen en de boosheid van je handelingen wegdoen en dan moet je goed doen en de wees en de weduwe, enzovoorts, enzovoorts… En dan moet je al je zonden verbeteren, die moet je weg doen, en goed doen, en dán mag je zondag aan het avondmaal komen…’

Maar wat heeft dan de rest van deze tekst voor zin? Al waren uw zonden als scharlaken, dat heeft dan geen enkele zin. Dan heb ik geen zonde meer, dan kom ik aanstaande zondag aan de dis van het verbond en dan zeg ik: ‘Nu, Heere, ik heb alles gedaan, zo goed als het ging en zo goed als ik kon, met ingespannen krachten. Ik heb getracht om me inwendig te wassen en te reinigen en ik ben zuinig geweest op mezelf en ik heb dáár niet tegen gezondigd en dáár niet tegen, en ik heb die en die nog wat gegeven in deze week. Echt, ik heb het echt van harte gedaan hoor, wat Gij in Uw wet gevraagd hebt.’

U begrijpt wel dat dit de betekenis volstrekt niet zijn kan. Nee, het is dan ook zo, zoals ik het reeds gezegd heb. De Heere stelt dan ook hier het verbondsvolk voor, hóe het zijn moest. Hij zegt: ‘Israël, zó zou je moeten leven. Maar Ik weet dat je zo niet leeft. Ik weet dat je leeft als Sodom en als Gomórra.’ En nu zegt de Heere: ‘Zó moest het zijn en zó is het. Maar kóm dan, en laat ons tezamen richten…’

Dat zegt de Heere, de Verbondsgod, Die in het gericht Zijn verbondseis handhaaft. Want God zegt niet tegen de mens: ‘Mens, al ben je nu nog zo goddeloos en al ben je nu nog zo zondig en al is er nog zoveel verkeerds in je hart, kom dan toch maar aan het avondmaal hoor.’

Nee, dat zegt God niet. Dat zegt God nooit tegen een zondaar. Want God gruwt van de zonde, ook van de zonde van Zijn volk. De Heere zegt: ‘Zo zou het moeten zijn, zoals in vers 16 en 17, maar zo is het niet.’ En hoe moet het nu? ‘Nu’, zegt de Heere, ‘kóm dan, kóm dan. Stelt u zich dan voor Mijn aangezicht in de bekentenis dat het zo moet zijn, maar dat het zo niet is. Kóm dan!’

 

En zie, geliefden, (u zou kunnen zeggen: dat is nogal gemakkelijk) hóe het dan ook bij me is, al ben ik als Sodom en Gomórra gelijk geworden, dan mag ik tóch komen. Ja, let wel, kómt dan en laat ons samen richten, zegt de Heere; al ware uw zonden als scharlaken… Dus God wil dat u tot Hem komt in het besef dat u als Sodom en als Gomórra bent. Hij heft Zijn heilige verbondseis tot ons op en zegt: ‘Zó bent u nu en zó moet u zijn.’ Wat is daar dan aan te doen? Wat moet u dan doen om zalig te worden? ‘Nu’, zegt de Heere, ‘kóm dan! Ja, met die scharlakenrode zonden, maar dan ook met de bekentenis daarvan.’

 

O geliefden, dat is niet zo gemakkelijk als u van nature denkt. We hebben er alles op tegen om zondaar te zijn. Ja, wij willen dat nog wel, we vinden dat nog een soort eretitel, om van onszelf te zeggen: ‘Ik ben toch zo’n grote zondaar.’ Ja, dat kan zelfs gepaard gaan met het brengen van offers en het wassen van de handen en het komen tot Zijn heiligdom. Dan kan die dienst van God keurig in orde zijn aan de buitenkant. Maar het kan innerlijk zo hol en zo voos zijn in ons leven, dat we ons niet voort kunnen slepen, zo ellendig, zo innerlijk beroerd…

Dan kan het uiterlijk nog in orde zijn. Dan doet u nog wel als vader aan tafel uw gebed en dan komt u nog wel met uw gezin naar de kerk. En heus, u bent geen openbare dronkaard of hoereerder of vloeker. Daar zit het niet in. Maar dan kan toch de ziel zo leeg zijn van de vrede met God, dat onze ziel daaronder schreeuwt. Dan kan het innerlijk zo onbarmhartig en zo liefdeloos zijn. Dan kan het zo koud zijn als bij de heidenen. Voor niemand een woord ter opwekking. Voor niemand een woord van genade. Voor niemand een woord van zaligheid. Dan gaat er geen blijdschap en geen kracht en geen vrede van mijn leven uit. Dan geloof ik niet in de werkelijkheid dat ik als de grootste der zondaren verzoening vind bij God. Dan kan het ook voor een ander niet. Dan laat ik die ander ook maar voorthobbelen op zijn dodelijke weg.

 

Zie geliefden, zo kan het van binnen zijn. Nu heeft God vandaag dit woord tot u gebracht, opdat u zich spiegelen zou aan dit woord. Want u bent óók het verbondsvolk, uiterlijk of innerlijk, maar u bent het verbondsvolk, zoals Israël het was. En u bent ook door God omarmd en u bent ook gekomen onder de vleugelen van de God van Israël.

En God roept u volgende week. Iedereen die lid is, wordt geroepen aan de dis des verbonds. Iedereen die lid is, wordt geroepen om de dood des Heeren te verkondigen. Maar, en nu komt het, niet als een onbekeerde en niet als een mens wiens handen druipen van bloed. Nee, dat doen uw handen niet natuurlijk, maar uw hart. Uw hart druipt van bloed. Hoort u het goed? Niet als iemand die zegt: ‘Nou ja, het is uiterlijk nog wel in orde, maar ik ben tenslotte toch geen beestmens, er valt niks van mij te zeggen.’

Nee, zó nodigt God u niet. Ja, Hij roept u wel aan de dis des verbonds, u komt onder de klem van Zijn bevel niet uit, wat u ook doet. Maar Hij roept u niet zó, levend in uw zonden, levend in uw koudheid, in uw hardheid en in uw dorheid en in uw Gode ongelijkvormig leven. Nee, zó roept Hij u niet.

Hij roept u zo, ziende in die spiegel van de wet en in de belijdenis van uw overtredingen voor de Heere, als een gekneusde, als een verbrokene, als een neergebogen zondaar, die zegt: ‘O God, zo ben ik, hoe moet het nu?’

 

‘Nu’, zegt de Heere, ‘kóm dan, kom dan, kom nu, kom zo, kom dan en dan wil Ik met u richten.’ Nee, u moet hier niet denken aan een juridische daad. Het is hier een werk in het genadeverbond. Als Hij zegt: Komt dan en laat ons tezamen richten, dan is dat ontferming, dan is dat genade. Dan zegt God tegen die mens, die beeft en siddert onder de nood waarin hij verkeert en in de ellende waarin hij zit: ‘Kóm dan, laat ons samen richten, laat ons samen spreken en zeg Mij wat er aan scheelt. Ik heb gezegd hoe Ik u hebben wil, hoe Ik u ook maken wil.’

Dat is eigenaardig: wat God eist in het verbond, dat geeft Hij ook. De eisen van het verbond zijn ook tevens de beloften van het verbond. Als God een nieuw hart eist, dan zegt God: ‘Ik zal een nieuw hart maken.’ Als God eist dat we ons zullen wassen en zullen reinigen, dan zegt God: ‘En Ik zal je wassen en Ik zal je reinigen!’ Als God eist dat we in barmhartigheid, in genade leven ten opzichte van onze naaste, dan zegt de Heere: ‘Ik zal maken dat ze in Mijn wegen een welgevallen hebben en dat ze lust hebben om Mijn geboden te doen.’

 

Komt dan, en laat ons samen richten, zegt de Heere. Al waren uw zonden als scharlaken en als karmozijn… Dat is het bloedrood en het donkerrood dat in het Oosten gemaakt wordt uit de eieren van een bepaald insect, wat als verfstof gebruikt wordt. Hier wordt die verfstof genoemd, dat is een diep donkerrode kleur. Nu is in de Bijbel dat rood het beeld van de zonden, het beeld van het vuur, het beeld van de revolutie. Hebben daarom misschien de socialisten een rode vlag? Rood is de kleur van het bloed, van de zonden, van de revolutie.

 

Als in Openbaring het beest getekend wordt met die hoer daarop, dan is dat een vrouw, gekleed in scharlaken en gezeten op een scharlakenrood beest. De revolutie, de opstand, de voleinding van de zonden, de volharding tegen God, wordt hier zo getekend. Al waren nu je zonden bloedrood, al waren ze zo dieprood als van dat scharlakenrode beest, als het kleed van die vrouw, van die hoer die zich verzet tegen God… Dat is de wereldmacht, die zich in onze dagen verzet tegen al wat heilig genaamd wordt.

Je hoeft maar een blik in de dagbladen te slaan en dan weet je dat dat beest ook vandaag over de wereld rijdt, dat scharlakenrode beest, met die woelzieke vrouw met de scharlakenrode mantel aan. Waarin de lage lusten van een goddeloos volk ten toon gespreid worden als de heiligste belevenissen van een mens die naar Gods beeld gemaakt is. Dat is het begin van het einde. Het gaat met snelle schreden naar de ondergang.

 

Maar nu willen we vandaag niet alleen een blik slaan naar buiten, want het is ook nodig dat we een blik slaan naar binnen, ja, juist naar binnen. Dan zullen we bemerken dat die zonden waar de wereld aan dood gaat, waardoor de wereld straks in vlammen zal opgaan, in de kiem, in de wortel al in ons aller hart aanwezig zijn. Er is in ons aller leven zo’n vuile bron van wanbedrijven. En nu wil de Heere dat we dat zien en dat we zó tot Hem zullen komen. ‘Kóm dan’, zegt Hij, ‘al waren uw zonden dan als scharlaken, zij zullen wit worden als de sneeuw en al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.’

Die tegenstelling, dat bloedrood van de zonden, van de brand, van het vreselijke van de vijandschap van de revolutie, tegenover het wit van de sneeuw en van de witte wol, zoals een kudde daar tegen de groene heuvels van Judéa te zien was, als een wit kleed, zó, zegt de Heere, zo zal Ik u maken. Natuurlijk niet dat de zonden als zodanig goed gemaakt worden. Maar dat beeld wordt overgebracht op de persoon.

De Heere zegt: Die bloedrode zondaar wordt wit als de sneeuw die vers op het aardrijk nederviel. En die karmozijnrode zondaar wordt wit als de witte vacht van die schapen tegen de groene heuvels van Judéa. Nu, zegt de Heere, dat zal Ik doen! En dat geheim is aan Jesaja ontdekt.

 

O, geliefden, de weg daartoe is de weg van het avondmaal, is de weg van het rode bloed van onze Immanuël, is de weg van het bloed van onze Heere Jezus Christus, Die bloedrood onder ging in de nacht van het lijden, opdat Hij zondaren met God zou verzoenen.

Zo wil de Heere dat u komen zult aan de dis van Zijn verbond. En al is uw schuld dan bloedrood, al zegt u: ‘Ja, ik ben Sodom en Gomórra gelijk. Ik draag de tekenen van die zedeloze vrouw en het tomeloze beest dat zich tegen God en tegen Zijn Christus verheft’, al neemt u uzelf waar, door de werking van de Heilige Geest, als zulk een zondaar, dan roept God nochtans: ‘Kóm, kom dan, kom nu, kom zo, maar dan ook zó.’ Dan belooft de Heere, in Zijn peilloze trouw, in Zijn goddelijk mededogen, dat Hij het veranderen zal.

 

Dus let goed op. Nu niet eerst zelf gaan proberen. Nu niet eerst proberen zo goed mogelijk te leven en dan zondag met een schijnheilig gezicht bij uzelf denken: nou, zo zal het wel gaan. Nee, geliefden! Erken in de spiegel van dit Woord uw bloedrode schuld voor uw trouwe Verbondsgod. En dan, als u die bloedrode schuld ziet, niet zeggen: ‘Nou kan het niet.’ Nee, dan kan het nooit. Onder deze omstandigheden zegt de Heere: ‘Kom dan, kom zo. En wat zal Ik dan doen? Dan zal Ik de zonde van je nemen. En hoe dan? Ach, door de aanschouwing van het bloedend Lam, van het gebroken brood en van de vergoten wijn.’

Kom, dan is het geen waagstuk meer, geliefden, om zo met God in het gericht te treden. Dat is slechts een kwestie van kinderlijke gehoorzaamheid. Daar heb je niets bij te verspelen. Daar mag je eeuwig alles bij winnen.

Kom, stellen we dan ons hart in de weg van Zijn inzettingen en zingen we samen, voordat we met een kort woord van toepassing besluiten, Psalm 25 vers 5 en 6:


Lout’re goedheid, liefdekoorden,
Waarheid zijn des Heeren paân
Hun, die Zijn verbond en woorden,
Als hun schatten, gadeslaan.
Wil mij, Uwen naam ter eer,
Al mijn euveldaân vergeven!
Ik heb tegen U, o Heer’,
Zwaar en menigmaal misdreven.


Wie heeft lust de Heer’ te vrezen,
‘t Allerhoogst en eeuwig goed?
God zal Zelf zijn Leidsman wezen;
Leren hoe hij wand’len moet.
‘t Goed, dat nimmermeer vergaat,
Zal hij ongestoord verwerven,
En zijn Godgeheiligd zaad
Zal ‘t gezegend aard’rijk erven.

 

Godsdienst is dus een zaak van het hart. Zult u dat onthouden? Denk hier nog eens aan, jongens en meisjes. Maar ook wij, we hebben er samen telkens weer aan te denken. Het is bij God niet goed te maken met je hand alleen. Het is bij God niet goed te maken met de vorm alleen. God vraagt hart en hand tot Hem op te heffen. Hij ziet het hart aan. Dat is nodig.

En als u uw hart ziet, als u eerlijk uw hart ziet in het licht van de Bijbel, zoals het zijn moet, dan moet u toch ook bekennen: ‘O God, nee, dat kan niet!’ Wie klimt de berg des Heeren op, wie zal die Godgewijde top voor het oog van Israëls God betreden? Dan kan het niet. Wie kan een reine geven uit een onreine, immers niemand? Wij dwaalden allen als schapen en wij keerden ons een iegelijk naar onze eigen weg.

Dat is ons beeld. En daarom kunnen we tot God niet komen en kunnen we in het rijk van God niet komen, tenzij wij van nieuws geboren worden. En we kunnen ook niet aan het avondmaal, tenzij we van nieuws geboren zijn.

 

Dat ontheft u niet van uw plicht te moeten komen, onthoud het goed. U wordt door God geroepen en als u het niet doet, dan zal het oordeel op u blijven. Maar u mag niet onbekeerd komen. U mag niet komen in een weg van vorm alleen. Nee, zo niet.

U mag niet bij uzelf zeggen: ‘Nou, dan zal ik het van mijzelf ook maar geloven. Ik ben tenslotte opgevoed in de kerk, ik ben tenslotte gedoopt en ik heb belijdenis gedaan en ik leef er toch zo goed mogelijk naar. Een mens wordt toch nooit anders dan een zondaar op deze wereld, dus zal ik het toch maar doen.’

Dan zegt de Heere: ‘Ik heb er een gruwel aan.’ Nee, niet zó, geliefden. Nee, doe het zó toch niet! Want dan geldt het voor u: Die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel (1 Kor.11:29). Al is het dan niet hét oordeel, maar dan is het toch een oordeel, een oordeel van verharding.

 

Ach, ik bid het u, treed voor Gods aangezicht. Stel uw hart eerlijk voor God en zie in het licht van de waarheid wat er in uw hart leeft en vertel het aan God. Zie het in het licht van deze waarheid: zo moet u zijn. Als u een verbondskind bent, en u bént het, dan moet u zo zijn. En als u zo niet bent, dan bent u een afkerig kind, een trouweloos kind, een onbekeerd kind. Dan gaat u verloren.

Maar als u zich zo ziet, en God geve het in deze week van voorbereiding, als u het zo ziet en zegt: ‘O God, dat gericht trekt door, ik kan voor U niet bestaan, want zo moet ik zijn en zo ben ik en wat nu?’, luister dan naar de stem van de Heere.

O nee, de Heere is niet iemand die als het ware aan de rand van de Maas staat, terwijl er een drenkeling midden in de rivier ligt, en zegt: ‘Man, als je naar de kant komt, dan zal ik je eruit helpen.’ Nee, dan heeft die man het niet meer nodig. Ik weet dat er zo wel eens gesproken wordt. Als je zó en zó bent, dan mag je tot God komen, als een voorwaarde die de mens dan eerst volbrengen moet onder de werking van de wet. Nee, geliefden, dat is dwaas. Net zo dwaas als die man die naar die drenkeling roept, die niet zwemmen kan. Die man heeft nodig dat iemand hem nagaat en hem opzoekt midden in zijn stervensnood en hem vastgrijpt en naar de veilige oever brengt.

 

Zo ook hier. Zo ook ten opzichte van de bediening van het avondmaal. Maar weet je wat nu zo groot is? God zegt: ‘Kóm dan!’ God zou u naar de gerichtsplaats kunnen sleuren. Hij zou u daar kunnen brengen als onboetvaardige zondaar. Maar dan moet u sterven.  Dan is er geen vergeving, dan is er geen wegwassen van schuld.

Zo zal het zijn voor al degenen die niet komen. Die zullen toch eenmaal op de gerichtsplaats komen. Dan is er geen genade meer. Dan zal Hij zijn heilige engelen gebieden en die zullen u brengen voor Zijn heilig aangezicht. En als u dan hier niet vrijwillig gekomen bent, dan zult u komen onder dwang van de heilige engelen als Gods scherprechters, en die zullen u brengen op de plaats van het gericht. En wat u dan ook kermt en wat u dan ook smeekt, dan zal het niet meer helpen. Dan is er geen vergeving meer. Al zou u dan uw zonden één voor één noemen, dan wordt er niet één meer weggewassen.

 

O, wat ik u bidden mag: laat het toch zo ver niet komen! Wacht toch niet op dat uur. U weet niet of u het bewust beleven zult, dat u uit dit leven zult moeten scheiden. Zoek toch de Heere terwijl u gezond bent, in de dagen van uw jeugd. Hij is nabij!

En luister dan hoe de Heere het vraagt. Dan zegt Hij: ‘Kóm dan!’ Wat voor hards zit daar nu in? ‘Kom nu!’ Dat is de nodigende stem van uw Heiland. ‘Kom dan!’ Het is Zijn lokstem: ‘Kom dan, kom dan, hoe u ook bent, met welke nood u ook bevangen bent!’

Nee, zeg niet bij uzelf: ‘Ach nee, ik niet; dat kan nu niet, want…’ En dan gaat u het opnoemen: ‘Ik heb daar gefaald en dat niet gedaan, ik heb dat wel gedaan…’ En als u dan uw leven terugziet van de vorige bediening af, dan moet u zeggen: ‘O God, nee, nu niet.’

En waarom niet? Omdat u zonden ziet, omdat u uzelf ziet als gevallen mens, omdat u uzelf bij de voortduur ziet als een mens die God blijft bedroeven. Dat u het nooit meer goed kunt maken, omdat u zonden gedaan hebt waar u van zei: ‘Nee, dat zal ik nooit meer doen.’ Moet u daarom wegblijven?

 

Hoor dan de stem van uw Heiland: ‘Kom, kom dan, kom zo, hoe u dan ook bent en met welke zonde ook bevlekt, want het bloed van de Heere Jezus Christus, dat is roder dan uw schuld. Dat reinigt van alle zonden!’

Laat dat woord de klem zijn die u dringt. Dat woord van Christus’ nodiging; er is buiten Hem geen redding en er is buiten Hem geen bevrijding van schuld. Als u God wilt dienen uit een oprecht hart – en de oprechten willen dat – en eenmaal storeloos in Gods gemeenschap wilt ingaan, kom dan en treed op deze gerichtsplaats. Dan zult u het ervaren dat de grimmigheid van Gods aangezicht is weggedaan. Zijn toorn is geblust in het donkerrode bloed van Jezus Christus.

Hij heeft de prijs betaald die wij niet konden betalen. Hij heeft in het gericht van God gestaan, opdat wij nimmermeer in het gericht van God komen. En daarmee wordt ervaren: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Al waren dan al de zonden van Adams nakroost op uw ziel samengebonden. Al was u één klomp zonden, rood als karmozijn. Sterker kan God Zich niet uitdrukken. Want dat rode karmozijn is het beeld van de hel, van de verdoemenis. Dan mag u een duivels karakter hebben en er mogen duivelse zonden begaan zijn, u bent toch geen duivel geworden, want dan zou God u dit niet toeroepen. U bent mens gebleven. Beken het voor Hem!

Dan is er van Gods zijde geen verhindering. Al waren dan uw zonden zo rood als scharlaken, al waren ze rood als karmozijn, dan zegt de Heere: ‘Ik zal ze wit maken.’ Nee, niet: ‘Dan zal Ik er wat af doen, dan zal Ik u enige vrede schenken, dan zal Ik u een kruimeltje schenken.’ Ja, dat is ons smeken: ‘Heere, een kruimeltje, een kruimeltje, want we hebben het niet verdiend.’ Maar God geeft geen kruimeltjes. Wat God geeft, dat is altijd een heel brood, dat is altijd een volle maat. Dat is altijd het eeuwige leven. Dat is altijd een volkomen vergeving. Dat is de waarachtige zaligheid. Dat is het begin van het eeuwig zalig hemelleven.

 

Nu laat ons onszelf zo voorbereiden. Onder de adem van de Heilige Geest. In het besef van Gods hoge tegenwoordigheid. En wat ons dan ook in deze week zou bedroeven en wat ook een spaak in het wiel zou steken, en wat ons ook zou willen weerhouden van die dis des verbonds, als het dan aanstaande zondag niet verder is dan dit: ‘O God, een scharlakenrode zondaar, een bloedrode zondaar’, dan reikt Christus u Zelf Zijn rode bloed. En dan zult u het ervaren: ‘O God, ze waren rood als karmozijn, maar U hebt ze wit gewassen, wit gewassen met Uw rode bloed. In het bloed van het Lam. Wit als de sneeuw.’ Dan zult u die vrede ervaren, die alle verstand te boven gaat.

 

Laat dat uw troost zijn, laat dat uw sterkte zijn. Uw moeder heeft u onderwezen in de weg der zaligheid; zij heeft u het woord der waarheid voorgehouden. Je grootmoeder, kindertjes, heeft je verteld dat je, wil je ten leven ingaan, een nieuw hart moest hebben. Vergeet het nooit. Dat moet je hebben om zalig te worden. En dat geeft God aan wie het Hem smeekt.

En al waren dan je noden bloedrood, al was je smart bloedrood, al waren je zonden bloedrood, dat rode bloed van Jezus Christus, dat reinigt vandaag ook nog. En het is een banier tegen alle smart in de strijd tegen de vijand. Het is een banier die ons niet doet sneuvelen op het slagveld, maar ons veilig leidt naar het Vaderhuis hierboven.

 

Amen.

 

 

Slotzang Psalm 143:10

 

Leer mij, o God van zaligheden,
Mijn leven in Uw dienst besteden;
Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;
Uw goede Geest bestier’ mijn schreden,
En leid’ mij in een effen land.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ (deel 1) van ds. L. Huisman (Uitgeverij P. Boekhout, 2000).