Ds. D. Rietdijk - Zondag 27

De kinderen van de gelovigen moeten gedoopt worden

Krachtens Gods bevel
Tot verzegeling van Gods beloften
Als een roeping tot de wandel in de wegen des verbonds
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 135: 1, 2, 12
Lezen : Genesis 17: 1-22
Zingen : Psalm 105: 1, 4, 6
Zingen : Psalm 147: 7
Zingen : Psalm 22: 5

Gemeente, wij gaan luisteren naar Zondag 27 van onze Heidelbergse Cate­chismus:

 

Vraag 72: Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelf?

Antwoord: Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

 

Vraag 73: Waarom noemt dan de Heilige Geest de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?

Antwoord: God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer omdat Hij ons door dit goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

 

Vraag 74: Zal men ook de jonge kinderen dopen?

Antwoord: Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, der christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude verbond of testament door de besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe verbond de Doop ingezet is.

 

Gemeente, het thema van deze catechismuszondag is: De kinderen van de gelovigen moeten gedoopt worden.

 

Wij letten op drie dingen:

1. Krachtens Gods bevel

2. Tot verzegeling van Gods beloften

3. Als een roeping tot de wandel in de wegen des verbonds

 

1. Krachtens Gods bevel

 

Gemeente, wij beginnen de behandeling van Zondag 27 met de laatste vraag, namelijk die gaat over de kinderdoop. Dat brengt ons dadelijk bij het hart van de zaak.

 

‘Zal men ook de jonge kinderen dopen?’ Dat lijkt een heel gewone vraag. Maar zo’n gewone vraag is dat niet, want tegen die kinderdoop is heel wat opgekomen. Zeker in de tijd van de Reformatie werd er veel tegen die kinderdoop ingebracht. En laten we wel zijn, ook vandaag is het niet meer zomaar een vraag,  want als u om u heen kijkt, worden er niet meer zoveel kinderen gedoopt. Dat is wat!

In de vorige eeuw schreef Johan Adam Wormser, een man uit de Afscheiding, een boek­je over de kinderdoop, waarin hij zegt: ‘Leer de natie de doop verstaan en de natie is gered.’ Maar dan moet ik vandaag zeggen: ‘Dan is onze natie ver­loren, want het merendeel van de kinderen ontvangt dat teken en zegel van de Heilige Doop niet meer.’ En bovendien, ook de kinderen uit de kerken ontvangen niet altijd meer de Heilige Doop.

De kinderdoop is altijd al een fel aangevochten zaak geweest. Als iets grote waarde heeft, zal satan niets ach­terwege laten om dat aan de kerk te ontnemen. Hij zal alles in het werk stel­len om daar de kracht aan te ontnemen. Satan zal niet stilzitten eer hij het waardevolle dat de Heere aan de gemeente gegeven heeft, de gemeente heeft ontnomen.

 

Als onze catechismus de vraag stelt: ’Zal men ook de jonge kinderen dopen?’, staat op de achtergrond van deze vraag de strijd van de Reformatie tegen de veruitwendiging van het doopsacrament van de Roomse kerk.

Dat bestrijdt ook de eerste vraag van Zondag 27: ’Is het uiterlijk waterbad de afwassing der zonde zelf?’

Zo zag men dat in de Roomse kerk. De doophandeling was de afwassing van de erfzonde van het kind. Door de doop werd het kind wederom­geboren. Daarom konden ongedoopte kinderen ook niet zalig worden. Die waren immers buiten de staat der genade! Zij kwamen dan, zo zei Rome, in een soort hemel voor kinderen van waaruit zij al wel in de verte naar de zalig­heid van de hemel konden kijken, maar daar nooit in de eeuwigheid terecht zouden komen. Daarom hechtte Rome zoveel waarde aan het dopen van kinderen, dat men de nooddoop heeft ingesteld. Kinderen die gevaar liepen kort na de geboorte te sterven, mochten gedoopt worden door een ieder die daar maar in de buurt was en die dat kon verrichten.

Ongedoopte kinderen kwamen niet in de hemel. Dat is de veruitwendiging van de waterdoop. Dan hecht men zoveel waarde daaraan, dat men de zalig­heid aan het sacrament van de doop verbindt.

Maar dat is niet waar, want u zou in de Bijbel bijvoorbeeld kunnen wijzen op de moordenaar die aan het kruis gestorven is en tegen wie de Heere Jezus gezegd heeft: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk.23:43). Die man ging ten hemel in, maar wel onge­doopt. Dus de doop op zich geeft ons de zaligheid niet, al is aan de doop wel heel veel verbonden.

Tegen deze veruitwendiging van het sacrament van de doop heeft de Reformatie zich heftig verzet. U leest de sporen daarvan in deze zondagsafdeling van onze catechismus.

 

Maar aan de andere kant van de Reformatie kwam een stroming die leerde: ‘Kinderen dopen? Dat is dwaasheid. Want kinderen kunnen toch niet gelo­ven? Zo’n kind kan toch niet geloven en zo’n kind kan toch zeker niet het geloof belijden? En als ze niet geloven, mag je ze niet dopen. Als je dat wel doet, dan ben je aan de roomsen gelijk, dan ga je ook het sacrament stellen als een middel van de genade. Dan is alles maar uitwendig.’

Die mensen die zo spraken in de tijd van de Reformatie, waren de anabap­tisten, de wederdopers. Ze zeiden: ‘Er staat in de Bijbel: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden (Mark.16:16). Dus: eerst geloven, dan dopen.’

Die anabaptisten uit de tijd van de Reformatie zijn er nu niet meer. Het waren sekten die op deze tekst grote nadruk leg­den en zeiden: ‘Een kind moet eerst geloofd hebben en dan mag je pas dopen, anders glijdt dat doopwater toch maar van het kind af. Het is alleen maar buitenkant, een uitwendige handeling. Het heeft zodoende geen enkele betekenis. Waar is het geloof dat de beloften die verzegeld worden in de doop, aanneemt? Toch nergens? Dus weg met die kinderdoop!’

 

Anabaptisten, wederdopers zijn er niet meer. Maar u moet niet denken dat we vandaag de dag van alle mensen af zijn die zeggen: ‘Moet u luisteren, daar staat: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden. Dus eerst geloof. Welnu, kinderen kunnen hun geloof niet belijden en daarom mag u kinderen niet dopen.’ Zulke mensen zijn er vandaag legio.

Ook in sommige kerken wordt de kinderdoop aangevochten. Daarom moeten wij wel blijven oppassen dat we goed de waarde van de doop blijven inzien, want wij zijn gauw net zo dopers als de dopers uit de zestiende eeuw. We moeten oppassen dat wij niet in die doperse wateren terechtko­men, dat we bang worden voor de doop en de waarde daarvan. De doop betekent dan gauw niets meer voor je. Vandaar dat wij telkens opnieuw de klemtoon moeten leggen op de laatste vraag van onze 27e zondagsafdeling.

 

Tot op vandaag de dag heb je baptisten. Die vindt u bijvoorbeeld in Engeland. Het zijn veel stromingen. Het is geen eenduidige groep die hetzelfde leert en zegt.

Er zijn enkele pinkstergroepen in Nederland en ook in de rest van de wereld, bij wie je niet met de kinderdoop moet aankomen. Zij willen daar niets van weten; ze stellen zelfs dat de kerk daarmee zou staan of vallen.

Er is zelfs een algemene tendens in de kerk waar te nemen om de kinderdoop overboord te zetten. Dat is de invloed die de inmiddels reeds lang overleden Karl Barth heeft in de kerken van Nederland door zijn geschriften, voornamelijk door zijn Dogmatiek. Dat is een zeer uitgebreid werk van Karl Barth, waarin hij heel eigen gedachten naar voren heeft gebracht. Hij was een fel tegenstander van de kinderdoop. Hij gebruikte daar ook een bepaald beeld bij, een sprekend beeld zelfs. Hij zei dat de kinderdoop eigenlijk een executie is zonder slachtoffer. Hij bedoelde: als er geen geloof is, dan kun je niet dopen. Dat is bij kinderen zo. Die kunnen geen geloof belijden. Daar is geen geloof te vinden. Het is geen gelovige die gedoopt wordt.

 

Vandaag de dag komt u de bestrijding van de kinderdoop op allerlei terrei­nen tegen. Misschien komt u dat ook tegen op uw werk. In uw omgeving krijgt u te maken met mensen die de kinderdoop verwerpen. Wat je in ons land ook nogal eens hoort is: ‘Ja, maar kinderen moeten zelf beslissen als zij opgegroeid zijn. Dat willen wij hen niet opdringen.’ Maar wij beslissen niet en uw kind beslist niet, maar God beslist! Want als wij kinderen dopen, dan is dat niet een beslissing van een vader en een moeder.

Als een kind niet gedoopt wordt en niet opgevoed wordt bij het Woord van God, moeten we niet denken dat zo’n kind ooit van zichzelf tot de beslissing zou komen van: ‘Nu wil ik gedoopt worden.’ Want niemand komt tot die keuze. We hebben al lang geleden in het paradijs een andere keuze gemaakt.

 

Maar waar het om gaat, is dat God kiest in de kinderdoop. Dan ziet u in de allereerste plaats de keuze van God, dat u in een christelijk gezin geboren werd, dat u in een land leeft waar de Heere een gemeente heeft en dat u daartoe mag behoren.

Calvijn spreekt van graden van de verkiezing. Er is een verkiezing tot zalig­heid, maar ook dat u in Nederland woont, dat u hier in een kerkelijk gezin geboren bent, dat u tot de gemeente van God behoort. Dat is ook verkiezing van God. Hij heeft gekozen.

Als er een jongetje in Israël geboren werd, moest dat op de achtste dag besneden worden, zoals we dat gelezen hebben uit Genesis 17. Dat was Gods bevel; dat was verkiezing van God. ‘Gij volk uit Abraham gesproten…’ Daar verbindt Psalm 105 de verkiezing aan. Door God verkoren! Er zijn gra­den in de verkiezing. Dat is een keuze van God. Daarom is de kinderdoop zo geweldig belangrijk.

 

De kindertjes zijn zich niet bewust van het feit dat zij in de kerk zijn en van wat er gebeurt en wat het psalmgezang betekent, maar op dat moment heeft God aan dat kind Zijn drie-enige Naam verbonden. Op hen heeft Hij Zijn hand gelegd en gezegd: ‘Je behoort Mij toe.’ Dat is een keuze van God.

Gemeente, als we dat door het geloof gaan zien, als die genade ons wordt geschonken in het leven, wat gaat u dan door het geloof de grootheid van de kinderdoop zien. Eer wij konden spreken of denken, eer wij ons bewust waren van te zijn op deze wereld, heeft God al Zijn hand op ons leven gelegd. Dan is het werkelijk waar dat God de Eerste was in ons leven. En dat kan je zoveel sterkte geven. Het kan het geloof zo versterken, dat niet ik, maar dat God gekozen heeft en dat God mij Zijn drie-enige Naam geschon­ken heeft. Daardoor en daaruit mag ik de vrijmoedigheid ontvangen om tot Hem te gaan, om Hem mijzelf met al mijn nood en met al mijn vragen op te dragen en dat ik het van Hem ook mag verwachten.

 

Gedoopt te zijn, dat is niet niks. De kinderdoop rust in Gods welbehagen, in Zijn verkiezing.

De kinder­doop rust ook in het bevel.

U vindt nergens in het Nieuwe Testament ook maar één tekst waarin de kinderdoop aan ons wordt opge­dragen. Dus als men tegen u zegt: ‘De kinderdoop is nergens door God bevolen in het Nieuwe Testament’, dan kunt u rustig antwoorden: ‘Daar heeft u gelijk in.’

Maar de vraag is of het nodig is, dat God dat doet in het Nieuwe Testament. Wij moeten altijd uitgaan van de eenheid van de Schrift, van de doorgaande leer van het Oude en Nieuwe Testament.

Wij moeten niet als de Jehova’s getuigen doen, dat wij allerlei tek­sten op zak hebben die wij in bepaalde situaties en omstandigheden, naar het uitkomt, kunnen gebruiken; een soort klapper waarop we per onderwerp een paar teksten hebben.

Nee, zo is de Bijbel niet. De Bijbel begint in Genesis met de schepping en de val. Van de moederbelofte uit trekt de Bijbel een lijn door, en die vindt u door de hele Schrift heen, tot Openbaring toe. Daar gaat het om. Die lijn staat in de laatste zin uit Zondag 27, waar staat:  ‘Gelijk in het oude verbond of testament door de besnijdenis geschied is, voor hetwelk in het nieuwe verbond de doop is ingezet.’

Ze trekken gewoon de lijn door. Dat is de leer van Calvijn. Zo kunt u die in de Institutie vinden in het hoofdstuk over de kinderdoop. U vindt daar die lijn doorgetrokken vanuit het Oude Testament naar het Nieuwe Testament. Er verandert in het Nieuwe Testament maar één ding. Als de kinderen van het Oude Testament besneden moesten worden, de jongetjes ten acht­ste dage, omdat zij tot de gemeente van God en tot dat verbond behoorden, dan moeten vanzelfsprekend onder het Nieuwe Testament de kinderen, die uit gelovige ouders zijn geboren, wor­den gedoopt.

 

Ons doopformulier neemt ook deze lijn op en wijst naar Genesis 17 vers 7, waar de Heere tot Abraham, de vader aller gelovigen, heeft gesproken: Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u - daar komt het - in hun geslachten - dan gaat het nog verder - tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u.

Hier hebt u het. ‘Ik ben uw God en uws zaads God.’ Dat is de belofte van het verbond onder het Oude Testament. En Petrus, die op de pinksterdag zeker nieuwtestamentisch bezig is, spreekt tot de mannenbroeders die voor hem staan in Jeruzalem: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen (Hand.2:39). Kijk, daar hebt u hetzelfde weer wat tot Abraham gezegd is. Dus dat geldt voor het Oude en Nieuwe Testament. De lijn wordt doorgetrokken naar het Nieuwe Testament en dan verandert de besnijdenis in de doop.

 

Maar het wezen is dat de doop een sacrament is van inlijving. Een sacrament van de inlijving in de kerk des Heeren, een sacrament van de geboorte.

U moet erop letten dat het in Genesis 17 niet alleen gaat om de instelling van het verbond. Als de Heere zegt: Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en u, is dat niet het enige wat Hij doet. Hij stelt in Genesis 17 vers 10 ook de besnijdenis in. Dat staat direct na elkaar in de tekst.

 

Er is nog een tweede zaak waarop we moeten letten als we dit hoofdstuk lezen. U moet bedenken dat het ingeklemd staat, vanzelfsprekend, tussen Genesis 16 en 18.

In Genesis 16 verhaalt de Schrift u van de geboorte van Ismaël. Toen God de besnijdenis instelde, was Ismaël dertien jaar oud. Dat betekende in Israël reeds volwassenheid, dus Ismaël was al een grote zoon van Abraham.

In Genesis 18 gaat het over de belofte van de geboorte van Izak. Hij zal over een jaar worden geboren. Er komen dus kinderen in de tent van vader Abraham. Ismaël liep er rond en over een jaar zal de wieg van Izak er staan. Nu is het voor de Heere de tijd om de besnijdenis in te stellen. Ismaël is nog verwekt door de onbesneden Abraham. Izak, de zoon der belofte, zal door de besneden Abraham worden verwekt. Uit Izak zal immers de Messias worden geboren!

 

God komt tot Abraham als hij 99 jaar oud is. God sluit niet alleen Zijn verbond, maar geeft hem ook een teken van dat verbond: ‘Wie acht dagen oud is, zal bij u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslacht. Gij zult het vlees van uw voorhuid laten besnijden.’

Gemeente, als u over de besnijdenis nadenkt, dan weet dat het een bloedige ingreep is. Dat heeft te maken met de gerechtigheid van God, waar we alle­maal aan onderworpen zijn. De besnijdenis, die bloedige hande­ling, wees heen naar Christus en naar het offer van Christus, dat aan de gerech­tigheid van God genoeg zou doen. Dat was het verbond met Abraham, dat is de belofte van het verbond. In uw Zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden (Hand.3:25).

 

De Heere vertelt niet aan Abraham hoe hij precies besnijden moet, want dat wist Abraham. In de dagen van Abraham was de besnijdenis bekend bij de oosterse volken. Abraham wist precies wat de besnijdenis was. Het bijzondere is dat de Heere aan die bekende besnijdenis, aan die bestaande gewoonte, een heel eigen betekenis gaf. De Heere gaf voor Israël aan de besnijdenis het teken van Zijn verbond, net zoals Hij bij de regen­boog deed. De regenboog was er al in de dagen van Noach, het is een natuurverschijnsel, maar de Heere gaf er de betekenis aan: ‘Als Ik die boog zie, dan zal Ik aan Mijn verbond gedenken.’

Zo deed de Heere ook met de besnijdenis. Deze wees dus heen naar de bloedstorting van de Heere Jezus Christus, Die komen zou. Maar als de Heere in het Nieuwe Testament de onbloedige doop inzet, dan is dat omdat Hij Zelf de beloftenissen van die bloedstorting heeft vervuld. Jezus heeft Zijn bloed gegeven. Het teken van de bloedstorting wordt onder het Oude Tes­tament aan kinderen van acht dagen gegeven. We trekken de lijn door naar het Nieuwe Testament. Het teken van het Nieuwe Testament, dat heen wijst naar het bloed van Christus dat gestort is, moet ook aan kinderen worden gegeven.

 

Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt zo mooi in artikel 34: ‘Het bloed van de Heere Jezus heeft Hij niet minder gegeven voor de kinderen dan voor de volwassenen.’ Hij heeft ook voor kinderen Zijn bloed gestort. Hoeveel kinde­ren zijn er al niet zalig geworden door dat dierbare bloed van de Heere Jezus?

Jongens en meisjes, zullen jullie er aan denken? Het bloed van de Heere Jezus is niet alleen voor volwassen mensen, maar ook voor kinderen. Ook jullie moeten gewassen worden in dat bloed en daarom heeft de Heere aan jullie het teken van de doop gegeven. Dat water is gesprengd op je voorhoofd om je te laten zien dat het bloed van de Heere Jezus ook kinderen toekomt, niet minder dan de volwassenen. Want kinderen zijn zonder hun weten ook aan de verdoemenis in Adam onderworpen en nu worden zij zonder hun weten ook in de gemeente van God ingelijfd en zij zijn in het verbond van God begrepen. Zo staat het in onze catechismus.

 

Er staat in het Nieuwe Testament inderdaad niet met zoveel woorden dat de kinderen gedoopt moeten worden. Maar het Nieuwe Testament zegt wel dat de Heere Zich bij de doop nauw aansluit bij de besnijdenis. Dat doet ook Paulus in Kolossenzen 2. Nadat hij de heerlijkheid van Christus heeft uitge­stald, legt hij een direct verband tussen besnijdenis en doop. Hij zegt: ‘Jullie hebben een besnijdenis ontvangen, niet met handen geschied, maar jullie hebben de besnijdenis van Christus ontvangen.’ Zij zijn met Christus begra­ven in de doop.

De besnijdenis is dus door de doop vervangen. De doop is de besnijdenis van de nieuwtestamentische gemeente, zou je kunnen zeggen.

De Heere gaf in het Oude Testament aan de jongetjes van acht dagen het sacrament van de inlijving, het teken van Christus’ bloed, het teken van het verbond.

Nu is het Nieuwe Testament zoveel ruimer dan het Oude Testament, op allerlei manieren.  Denk aan het evangelie, dat niet meer komt tot Israël alleen, maar uitgaat naar alle creaturen. Denk aan de vrouwen, die van veel din­gen, ook van de eredienst, waren uitgesloten onder het Oude Testament. Maar in Christus is er geen man en vrouw.

Als u de overvloedigheid van de genade in het Nieuwe Testament beziet, zegt u: ‘Als ze onder het Oude Testament dat teken moesten ontvangen, zouden ze dan onder het Nieuwe Testament dat teken van de geboorte niet moeten ontvangen?’

 

Bovendien vindt men in het Nieuwe Testament de zogenaamde huisteksten. Dat wil zeggen: als er over de doop gesproken wordt, wordt er gesproken over een bepaald persoon en zijn huis. Denk maar eens aan Lydia. Als zij gedoopt wordt, staat er dat zij gedoopt werd én haar huis. Ook Cornelius wordt gedoopt met zijn huis. Paulus schrijft in 1 Korinthe 1 vers 16 dat hij nie­mand gedoopt heeft dan het huis van Stefanus.

Die huisteksten, de oikos-teksten, komen vijf keer voor in het Nieuwe Testa­ment. Het is eigenlijk een term die uit het Hebreeuws is overgenomen, uit het Oude Testament. Je had ‘Abraham en zijn huis’, ‘Izak en zijn huis’, ‘Jakob en zijn huis’… Dat was Abraham met zijn vrouwen en kinderen, zelfs met zijn slaven, die voor geld gekocht waren.

Welnu, in het Nieuwe Testament is dat beeld overgenomen uit het Oude Testament. Ze werden gedoopt, Cornelius en zijn huis, dus iedereen die bij Cornelius behoorde. Zouden daar geen kinderen onder geweest kunnen zijn? Ja, zelfs kleine kinderen en slaven. Lydia en haar huis en Stefanus en zijn huis… Is het dan niet zo, dat juist deze huisteksten erop wijzen dat ook de kin­deren daar vanzelfsprekend bij hoorden? Dat hoefde een Jood echt niet te leren. Dat hoefden de apostelen niet te leren. Dat is voor een Israëliet een vanzelfsprekendheid. Het is voor Paulus, als hij het huis van Stefanus doopt, een vanzelfsprekendheid dat de kinderen daarbij horen.

 

Bovendien heeft de Heere Jezus, toen de discipelen druk bezig waren over de echtscheiding, de kinderen tot Zich geroepen. Er komen ouders met hun kinderen tot de Heere Jezus om die door Hem te laten zegenen. De dis­cipelen zeggen, in hun belangrijke discussie over de echtscheiding gestoord, tegen die ouders: ‘Dat moet je nu niet doen, wij hebben nu belangrijker zaken te bespreken. Stoor de Meester niet. Het is toch veel te onbelangrijk om met kinderen tot Hem te komen!’ Toen heeft Jezus Zijn discipelen bestraft en gezegd: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet, want derzulken is het koninkrijk Gods (Mark.10:14). Die kinderen komt het koninkrijk toe. Hij heeft ze omhelsd en gezegend.

Gemeente, die door Hem gezegend worden, die zijn gezegend. Calvijn zegt zo geweldig schoon: ‘Als dan deze kinderen de zegen van de Meester ont­vangen, en die wordt met de doop bedoeld, zouden zij dan het teken niet mogen ontvangen? Als ze dan de zegen zelf hebben ontvangen, zouden ze dan het teken van die zegen niet moeten ontvangen?’ Natuurlijk: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet, want derzulken is het koninkrijk Gods. De kinderkens werden tot Jezus gebracht om een zegen te ontvangen.

 

Gemeente, de Heere ziet nauw op het sacrament van de kinderdoop toe. Want Hij zag ook erg toe op het sacrament van de besnijdenis.

Mozes was een dienstknecht van God. Hij had een vrouw, Zippora, en zij was niet bepaald een godvrezende vrouw. Zij heeft waarschijnlijk altijd verhinderd dat die twee jongetjes, de zonen van Mozes, Gersom en Eliëzer, besneden zou­den worden. Toen Mozes terugkeerde naar het volk van Israël en op reis was, werd hij zeer ernstig ziek, tot stervens toe. Wat was er aan de hand? Wel, de Heere wilde niet dat Mozes met twee onbesneden jongetjes in Israël zou komen. Mozes kon niet meer verder en toen heeft Zippora een stenen mes genomen en deze twee jongetjes besne­den. Ze heeft de voorhuiden met verachting naar Mozes geworpen en gezegd: Gij zijt mij een bloedbruidegom (Ex.4:25). Daarmee verachtte zij eigenlijk Mozes. Het bloed van haar kinderen moest dienen om haar man te behou­den. Daaruit blijkt dat de Heere geweldig nauw toeziet op de doop van de kinde­ren, zodat we daar niet achteloos mee mogen omgaan. De Heere slaat dat gade.

 

Gemeente, ik denk wel eens, als ik zo in de wereld rondkijk, dat de Heere Zijn zegen hecht aan het getrouw bedienen van het sacrament van de kinderdoop. Dat ziet u in de gemeenten. Wat wil de Heere daaraan toch Zijn zegen verbinden.

De doop, de Heilige Doop, moet bediend worden aan de kinderen van de gemeente, want zij behoren de gemeente toe. Zij zijn in het verbond van God begrepen, ze zijn daar  erfgenaam van en daarom moeten zij gedoopt worden.

Het bloed van Christus is ook voor hen gestort.

 

2. Tot verzegeling van Gods beloften

 

De doop verzegelt de beloften. Dat is het tweede waar wij onze aandacht op richten. Want de doop is de afwassing der zonde zelf niet. Rome zei: ‘Als ze gedoopt zijn, zijn ze ook wedergeboren, dan zijn ze de erfzonden kwijt.’ Maar zo is het niet!

Als de catechismus vraagt: ‘Is dat uiterlijke water dan de afwassing der zon­den zelf?’, dan antwoordt ze heel kort: ‘Nee het, alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.’ Het bloed ver­geeft en de Geest vernieuwt. Dat zult u moeten kennen. Onze gereformeer­de vaderen maakten een onderscheid tussen het teken en de betekende zaak. Deze dingen staan niet los van elkaar, maar het teken is de betekende zaak niet.

 

Dat ziet u bijvoorbeeld - en dan haal ik even een geschiedenis aan uit de Bij­bel - toen Israël met de Filistijnen in gevecht was. De zonen van Eli hadden de ark uit de tabernakel gehaald en in de strijd gebracht. Zij dachten dat God dan ook met hen mee zou gaan in de strijd. Het teken was de ark des verbonds, de ark van de tegenwoordigheid Gods, en ze dachten dat God daar automa­tisch aan verbonden was. Maar dat was niet zo, want de Filistijnen hebben Israël overwonnen en de ark als buit meegevoerd en in de tempel van Dagon gezet.

Dus teken en betekende zaak is niet hetzelfde, die zijn niet automatisch aan elkaar verbonden.

Toch mag u niet zeggen dat teken en betekende zaak los van elkaar staan. Want als de Filistijnen zeggen: ‘Wij hebben de God van Israël in de tempel van Dagon gezet’, dan laat de Heere zien dat het teken van de ark meer is dan zomaar een teken. Dagon viel in stukken en daarna hebben de Filistij­nen zich van de ark ontdaan. Dus aan de ene kant is het teken niet de bete­kende zaak, maar het is ook niet zómaar een teken.

 

‘Is dan het uiterlijke water de afwassing der zonde zelf?’

Nee, maar u mag ook niet zeggen dat het teken en de betekende zaak los van elkaar staan. Luister maar. ‘Waarom noemt dan de Heilige Geest de doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonde?’ Dat kunt u bijvoorbeeld lezen in Titus. Daar wordt de doop het bad der wedergeboorte genoemd. En dan staat er als antwoord: ‘God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; name­lijk niet alleen om ons daarmee te leren dat, gelijk de onzuiverheid van het lichaam door het water, alzo onze zonden door het bloed en de Geest van Christus weggenomen worden - dat leert Hij daardoor - maar veel meer, omdat Hij ons door dit goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.’

Daar hebt u teken en betekende zaak in samenhang met elkaar. Dat mag u niet losmaken. God betuigt daardoor, als Hij de doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonde noemt, dat deze nauw aan elkaar verbonden zijn.

 

De Heere wil ons door de doop verzekeren. Zonder geloof zegt geen van beide sacramenten wat. Dan zegt ook het avondmaal niets. Dan ziet u in het avond­maal niets anders dan wat brood en een beetje wijn. Het ongeloof ziet er niets in, ook niet in de doop. Maar als u door het geloof op de doop mag zien, dan mag u daarin zien dat God u zo waarachtig inwendig met het bloed en de Geest van Christus gereinigd heeft, als dat uitwendig met het waterbad gebeurt. Dan mag u daaruit sterkte verkrijgen. Dat heeft de kerk des Heeren nodig: sterkte op de levensreis.

 

In de kinderdoop heeft God in het begin van ons leven Zijn hand al op ons gelegd. Het geeft sterkte te weten dat de Heere de Eerste was. Want in ons verdere leven is het telkens nodig dat wij sterkte krijgen uit dat sacrament, want satan zit niet stil. Die vecht aan, bestrijdt en zegt: ‘Het is niet waar, en dacht u nu dat God met u van doen wil hebben? Dacht u nu echt dat uw zonden uit­gewist zijn?’ Onder die omstandigheden mag het geloof de doop gaan zien ‘als het spreken van God, als het teken dat zijn leven lang zijn kracht behoudt’, zegt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Het doopwater droogt nooit op. Gewoon water droogt op, maar doopwater droogt nooit op. Dat blijft altijd krachtig. Dat heeft zijn kracht een leven lang. Dan mogen ze het weten: de Heere heeft mij gewassen in Zijn bloed en Hij wil mij vernieuwen door Zijn Heilige Geest.

Dan klimt de lof des Heeren ten hemel en gaat de kerk des Heeren verstaan wat de dichter zingt in Psalm 147 het zevende vers, wat wij nu ook zingen:

 

Hij wil in gunst uw heil bewerken,
De grendels uwer poorten sterken,
En zegent in uw land uw kind’ren;
Hij doet geen krijg uw wasdom hind’ren;
Hij deelt de liefelijke vrede,
Zelfs aan Uw verste grenzen, mede;
Met vette tarw’ wil Hij u spijzen,
En kronen met Zijn gunstbewijzen.

 

3. Als een roeping tot de wandel in de wegen des verbonds

 

De kinderdoop is ook een oproep tot een wandel in de wegen des Heeren. Er staat in antwoord 74 over de kinderdoop dat ‘de kinderen door het teken van het verbond de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelo­vigen onderscheiden worden’.

 

Als u even terugdenkt aan het gebed van het doopformulier, dan weet u dat het formulier tweemaal het beeld van water gebruikt uit het Oude Testa­ment.

In de eerste plaats het water van de zondvloed, waar Noach, zijn acht zielen behouden en bewaard werden, maar waar de onboetvaar­dige, ongelovige wereld in ten onder ging.

In de tweede plaats noemt het doopformulier in dat gebed de Rode Zee, waarin de farao en heel zijn leger is ondergegaan. Israël kon daar droogvoets door.

Heel opmerkelijk is dat in de oudste formulieren van de christelijke kerk steeds die twee beelden van Noach en van Israël en Egypte werden gebruikt. Het water van de Rode Zee en het water van de zondvloed. Die vindt u zelfs in de eenvoudige formulieren uit de Koptische kerk van de vijfde eeuw terug. De kerk des Heeren heeft daarin telkens het water van de doop gezien. Het water van de zondvloed en het water van de Rode Zee maakte scheiding tussen de ongelovige, onboetvaardige wereld en Noach en zijn acht zielen en tussen Israël en de farao met heel zijn leger.

 

Zo moeten onze kinderen door de doop onderscheiden worden van de kin­deren van de ongelovigen. Nu is dat onderscheid er niet alleen maar door dat water dat nie­mand meer zien kan. Want als je op straat loopt, ziet niemand of je wel of niet gedoopt bent. Dat weet God alleen. Er wordt dus nog iets anders mee bedoeld. De doop verplicht en roept tot een nieuwe gehoorzaamheid. In het formulier staat: we moeten onze oude natuur doden, in een nieuw godzalig leven wandelen en de wereld verzaken. Het gaat om een andere levenswandel, om een wandel naar het Woord van God.

Het betekent dat wij de kinderen die wij hebben en ten doop houden, ook moeten opvoeden om naar dat Woord van God te leven, want zij dragen het veld- en merkteken van Christus, volgens onze geloofs­belijdenis.

Zij hebben dus het uniform van Koning Jezus aan. Als je een uni­form draagt, is het duidelijk dat je niet met de vijand moet gaan heulen. Dat is het ergste dat er is. Daar staat de doodstraf op. Zo is het ook als iemand het veld- en merkteken van Christus draagt en met de vijand gaat heulen.

Wat is het nodig om onze kinderen op te voeden naar het Woord van God! Dat moeten wij thuis doen. Daar hebt u als vader en moeder ‘ja’ op gezegd. Dat moet je niet overlaten aan de catechisatie en niet aan de christelijke school. Die horen daarbij. Zeer zeker! Maar het onderwijs ligt in de gezinnen. U moet altijd maar denken dat de school en de catechisatie nooit boven het niveau van de gezinnen uitkomen. Als het in het gezin niet klopt, dan klopt het op school niet en dan klopt het op de catechisatie niet. Het moet in de gezinnen beginnen. Daar moet u uw kinderen gaan onderscheiden van de kinderen van de ongelovigen en ze opvoeden naar het Woord van God.

Dat moet in liefde gebeuren. Het geloof en de opvoeding van kinderen bestaat niet hieruit, dat u zegt dat er iets niet mag. Het onderwijzen uit het Woord van God is spreken over de rijkdom van de genade die in Christus Jezus is.

 

Gemeente, men heeft het wel eens over ‘de jeugd van tegenwoordig’. Dat is ook zo’n prachtuitdrukking. De jeugd is niet anders dan vroeger, maar ze is opener. Jonge mensen vragen meer, ze zeggen meer. U kunt met hen spreken over de dingen van het koninkrijk van God en dat moet u doen. U kunt hen vertellen hoe de Heere werkt. Daar luisteren ze naar. Doet u dat?

We hebben het wel eens over kerkverlating. Dat zijn van die zaken die soms ineens de aandacht hebben. Ik denk dat er ontzaglijk veel kerkverlating is, omdat er niet meer wordt gespro­ken over Wie God is in de Heere Jezus voor een zondaar. En ook dat er over het genadewerk van de Heilige Geest niet meer in eenvoudige bewoordingen gesproken wordt. Er wordt zelden aan een jongen of meisje verteld wat er in de kerk gebeurt, wat je van de Heere hebt gekregen en wat je in de Bijbel hebt gelezen. De hele leer der zaligheid wordt dan een rechtzinnigheid die dood is.

Het genadewerk van de Heere hebben ze te horen!

 

U zegt misschien: ‘Ja, maar daarover spreken kan ik niet.’ U moet dat aan de Heere vragen. Het is tijd dat u gaat vragen: ‘Heere, mag ik met mijn kinderen eens spreken over Uw werk, mag ik eens laten horen van de rijkdom van de genade die er bij U is? Heere, mag ik daarvan eens wat ontvangen om aan mijn kinderen door te geven?’

Laten wij met hen spreken en ons niet afsluiten, maar laten wij bovenal praten over het werk van God en over Zijn dienst en laten we die begerenswaardig voorstellen. Dan zal de Heere daar Zijn zegen over geven. Zo zullen de kinderen van de gelovigen van de kin­deren van de ongelovigen onderscheiden worden.

 

Worden alle gedoopten zalig?

Nee! In 1 Korinthe 10 vers 2 staat dat Israël in Mozes gedoopt werd in de wolk en in de zee, en toch is het merendeel in de woe­stijn gebleven. Hoe kwam dat? Dat lag niet aan de doop, dat lag ook niet aan de Steenrots Christus Die volgde. Weet u waar het dan wel aan lag? Het staat er bij. Dat lag aan het ongeloof.

Paulus zegt dat deze dingen ons beschreven zijn opdat wij niet in datzelf­de kwaad zouden vallen. Ze hebben hun hart niet aan God gegeven. Ze zijn door ongeloof omgekomen.

 

De Heere vraagt je tijd niet, de Heere vraagt niet je gaven, maar, jongens en meisjes, de Heere vraagt je hárt. Dat is het centrum van je leven. Daarvan zegt Hij: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart!’ Als je dan zegt: ‘Heere, dat kan ik niet geven, dat heb ik al zo dikwijls geprobeerd, maar het gaat niet’, vraag dan maar: ‘Heere, zou U mijn hart willen nemen en laat het dan toebereid worden tot Uw eer.’

De Heere heeft bij de doop gezegd dat de Geest in ons wonen wil. Buig dan je knieën voor God. Hij heeft al toen je nog zo jong was, en je onbewust naar de doopvont gedragen moest worden, Zijn Naam aan je voorhoofd gehecht.

Laat het dan zo mogen zijn, dat je zegt: ‘Heere, toen hebt U Uw Naam aan mijn voorhoofd willen verzegelen. Gedenk mijner, o God! Laat mijn leven toebereid zijn tot Uw eer.’

Dat is onze oude natuur doden en in een nieuw godzalig leven wandelen, door Hem, Die Zichzelf gegeven heeft tot een verzoening van onze zonden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 22:5

 

Gij immers, Heer’, Gij zijt het, door Wiens macht
Ik uit de buik weleer ben voortgebracht;
Aan ‘s moeders borst vertrouwd’ Ik op Uw kracht
Van ganser harte.
Zij wierp mij reeds op U, in barenssmarte
Gans onbevreesd;
‘k Mocht nauw’lijks ‘t licht aanschouwen,
Of Gij, Gij zijt, o grond van mijn vertrouwen,
Mijn God geweest.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Uitg. Groen, 1998).