Ds. J. IJsselstein - Handelingen 24 : 24 - 25

Paulus voor Felix en Drusilla

Verkondiging
Verontrusting
Verontschuldiging

Handelingen 24 : 24 - 25

Handelingen 24
24
En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus.
25
En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegenen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Handelingen 24
Zingen : vrij in te vullen

Gemeente, het Woord van God komt in deze dienst tot ons uit het boek Handelingen, hoofdstuk 24, en daarvan in bijzonder de verzen 24 en 25. Daar lezen we het Woord van God als volgt:

 

En na sommige dagen, Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus en hoorde hem van het geloof in Christus. En als hij handelde van rechtvaardigheid, en matigheid, en van het toekomende oordeel, Felix, zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.

 

Het thema voor de preek luidt eenvoudig: Paulus voor Felix en Drusilla.

 

Er zijn in de preek drie aandachtspunten:

1. Verkondiging

2. Verontrusting

3. Verontschuldiging

 

1. Verkondiging

 

Ziet u hem staan? Het is een ruimte in het rechthuis van Herodes in Caesarea, een stad in Israël, gelegen aan de kust van de Middellandse Zee.

Paulus is onder bewaking van een groep soldaten als gevangene van Jeruzalem naar Caesarea gebracht. Wel gevangen, maar hij heeft verlichting van zijn gevangenschap gekregen. Hij is vrij om bezoek van buiten te ontvangen.

Uit Handelingen 28 blijkt dat Paulus wel geketend is geweest, maar waarschijnlijk betekent dat niet dat hij altijd geboeid rondgelopen heeft. Meestal waren er één of twee soldaten die verantwoordelijk waren voor een gevangene. Omdat Paulus niet als een gevaarlijk man werd beschouwd, was één soldaat ongetwijfeld voldoende. ’s Nachts ketende men de gevangene via een keten of ketting vast aan de eigen pols zodat hij niet kon ontsnappen, overdag werd men gerust losgemaakt, maar wel bewaakt.

 

Ziet u het voor u: die zaal, in het rechthuis van Herodes? Paulus, staande, naast of bij de bewaker, en voor hem Felix en Drusilla.

Kortgeleden stond hij voor een echte rechtbank, met felle beschuldigers daarbij, maar nu is de sfeer meer vriendelijk en ontspannen.

Kortgeleden werd hij fel beschuldigd door de oudsten uit Jeruzalem, bij monde van een zekere advocaat die Tertullus heette. Paulus zou oproer gemaakt hebben, hij zou een pest zijn voor het volk, een voorstander van de sekte van de Nazarenen, en hij zou geprobeerd hebben de tempel te ontheiligen.

Maar als Felix, de rechter, met een kort knikje toestemming geeft aan Paulus om zijn verhaal te doen, dan blijft er van al die beschuldigingen maar weinig over.

Paulus blijft gevangen, maar met behoorlijk wat vrijheid.

En nu staat hij daar. Ziet u hem? Met die bewaker-soldaat, en voor hem zitten Felix en Drusilla.

 

Felix, ooit zelf slaaf geweest, maar onder keizer Claudius opgeklommen tot stadhouder. Felix stond bekend om zijn gewelddadige en wrede optreden. Hij was zelfs zo wreed, dat keizer Nero hem tot de orde moest roepen. Met harde hand trad hij op tegen opstandelingen en fanatieke godsdienstige groepen.

Naast hem zit Drusilla. We zouden denken: een vrouw van een jaar of veertig, maar… Drusilla is een jaar of zestien oud.

Drusilla was geboren in Rome en door haar Joodse vader naar Caesarea gebracht. Op haar zesde jaar werd ze als echtgenote beloofd aan Epifanes. Maar dat huwelijk liep fout, omdat Epifanes zich niet wilde laten besnijden. Toen ze veertien jaar was, werd ze door haar broer gegeven aan koning Azizus, een koning in het noorden van Syrië.

Echter, korte tijd later werd ze door een list van Felix ontvoerd en trouwde ze met hem. Drusilla, zestien jaar oud, Joods, bezig aan haar derde huwelijk…

Dat is het gezelschap dat we voor ons zien: Paulus, de bewaker, en Felix en Drusilla.

 

Felix is degene die Paulus ontboden heeft. Misschien wel op aandringen van Drusilla, die als Jodin ongetwijfeld ook nieuwsgierig geweest moet zijn naar die Paulus. Naar die man die die nieuwe weg voorstond, die weg van Jezus van Nazareth.

Felix wil zijn piepjonge vrouw, die bekend stond vanwege haar knappe uiterlijk, ongetwijfeld behagen, en vraagt Paulus voor hen te verschijnen.

Nieuwsgierig zijn ze: wat zal deze man ons te vertellen hebben?

Misschien houdt die nieuwe weg wel in dat die strenge normen volgens de wet van Mozes wat losser kunnen? Misschien heeft hij wel een boeiende verhandeling over de uitverkiezing, over de opstanding, over de vrije wil?

Ziet u de nieuwsgierige blikken op hun gezicht?

 

Hoor, Paulus gaat spreken. Hij spreekt over het geloof in Christus, over rechtvaardigheid, over matigheid en over het toekomende oordeel.

Dat is het kenmerk van de onbevreesde dienaar van het evangelie. Hij ziet niet aan wat voor ogen is, of het nu Felix is of Drusilla, of het nu buitenkerkelijken zijn of gedegen kerkgangers. Het gaat over het geloof in Christus, over rechtvaardigheid, over matigheid en over het toekomende oordeel.

De dienst van Christus en de redding van hun ziel is hem veel meer waard dan het oordeel dat zij over hem gaan vellen. Het is hem niet te doen om zijn goede naam, om hun reactie, maar om zijn Zender, en om hun zielen.

Hij spreekt van het geloof in Christus. Maar ook van rechtvaardigheid, juist tegenover die onrechtvaardige Felix. Hij spreekt ook van matigheid, van zelfbeheersing, juist tegen die onbeheerste Drusilla, die op haar zestiende al aan een derde relatie bezig is.

En terwijl hij de gevangene is, in afwachting van een vonnis, stelt hij deze twee mensen voor de hemelse rechtbank, als hij hen spreekt over het toekomende oordeel.

 

Het is mijn voornemen, gemeente, om in deze dienst hetzelfde te doen. Ik wil u niet spreken over rechtvaardigheid en matigheid, want u bent geen Felixen en Drusilla’s. Maar ik wil met u spreken, heel persoonlijk, over het geloof in Christus, over goede werken, over verborgen zonden, en over het toekomende oordeel. Vier punten, net zoals in de toespraak van Paulus.

 

1. Het geloof in Christus. Dat is het eigenlijke thema van Paulus’ toespraak. Wat daarna volgt is eigenlijk een directe en persoonlijke toespitsing.

Christus, dat is de Gezalfde. Dat is de van God gezonden Messias, Middelaar tussen God en mensen.

Buiten die Middelaar kan de mens voor God niet bestaan. Zonder het geloof in Christus kunt u niet sterven. U hebt een Zaligmaker nodig, u hebt een Borg nodig Die wil staan in uw plaats. Een Zaligmaker Die voor u, in uw plaats de straf wil dragen. Zonder dat gaat u de eeuwige dood tegemoet.

Immers, God is een verterend vuur en een eeuwige vloed, bij Wie niemand wonen kan. Door onze zonden hebben we de verhouding met God radicaal verbroken. We hebben ons losgescheurd van onze Maker, en zijn vervallen in dood, in geestelijke dood, en in misdaden. Dat wil zeggen: we leven in opstand tegen God door onze diepe val in Adam. We zijn verbondsbrekers, opstandelingen en vijanden van God.

Maar is dat dan werkelijk zo erg met ons? Ja, we snappen het voor de mensen buiten de kerk, maar wij… misdadigers tegenover God?

 

2. Daarom, gemeente, wil ik ook met u spreken over goede werken. Want u lijkt wel beter dan Felix, maar dat is schijn! U lijkt wel beter dan de mensen buiten de kerk, maar dat is schijn! U lijkt wel vroom en rechtzinnig, maar dat is schijn! Het is de buitenkant. Het is de mooie buitenkant van een witgepleisterd graf, dat van binnen vol is van dood en vijandschap.

U denkt: jazeker, ik ben wel dood in Adam, maar toch… een beetje beter dan de buren. Die bidden niet, die lezen niet, die gaan niet naar de kerk, die kijken naar van alles en nog wat op de tv, die kijken alleen maar voetbal. Nee, ik… ik lees een goed boek, ik lees een preek, ik ga naar de kerk…

Maar de Schrift zegt: Goed doet geen nut in de dag der verbolgenheid, alleen gerechtigheid redt van de dood. Uit u geen vrucht meer in der eeuwigheid!

Uw vroomheid, uw ijver, uw goede werken, zijn zonde voor God. De wereld dient het gouden kalf van geld, sport, vermaak, maar u dient het gouden kalf van een goed gereformeerde godsdienst. En ondertussen is uw hart vol van zonden, van verborgen zonden. Want ja, er is aan de buitenkant verder niets te zien. Maar het gaat ten diepste ook niet om de buitenkant, maar om het binnenste van uw hart.

 

3. Daarom wil ik ook met u spreken over uw verborgen zonden. Want, zegt de Heere Jezus: Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen.

Niet bij uw buurman of bij uw buurvrouw, maar bij u, uit uw hart.

En de Heere zag dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde, en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was.

De Heere heeft uit de hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht. Zij zijn allen afgeweken, te zamen zijn zij stinkende geworden; er is niemand die goed doet, ook niet een.

Kijk vandaag eens in het allerdiepste van uw hart… met de bede in het hart: doorgrond en ken mijn hart, o Heer’…

Dan zult u zien dat al de zonden van de wereld, als verborgen zonden leven in uw hart.

En om te voorkomen dat u zich zou verontschuldigen, wil ik u, net als Paulus deed, dagen voor de rechterstoel van Christus. Voor de troon van de Alwetende, Die alles ziet en weet, en de diepste diepten van uw hart doorziet en doorgrondt, Wiens ogen de ganse aarde doorlopen.

De Heere weet de gedachten des mensen, dat zij ijdelheid zijn.

 

4. Kijk in gedachten eens omhoog. Er komt een dag – wie weet, vandaag nog – dat u staan zult voor de blinkende troon van de Almachtige. Stefanus heeft hem gezien, toen hij de hemelen geopend zag. Hij zag de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods. Ook u zult Hem zien. Want alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben. Doorstoken, met hun goede werken, met hun verborgen zonden, en met hun ongeloof.

U zult staan voor de Man van smarten, Die dan uw Rechter wezen zal. De boeken zullen geopend worden. De Heere Jezus heeft het gezegd: Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk de mensen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.

Ontelbaar veel vragen zullen u gesteld worden door de vertoornde Rechter, maar u zult geen antwoord hebben. U zult verstommen. U zult het horen: ga weg van Mij, gij die niet gewild hebt dat Ik Koning over u zou zijn. U, die altijd netjes in de kerk zat, in de beste kerk van uw woonplaats, maar die nooit wilde bukken en buigen. U zult het horen: Buigt! Knielt!

Alle knie zal gebogen worden, maar dan is het te laat… Als u staan zult voor de Rechter, terwijl u hier in dit leven uw Rechter nooit om genade hebt leren bidden, dan zal het te laat zijn. Voor eeuwig te laat.

Nette, vrome kerkmensen, eerlijke en nette jongens en meisjes… U, jullie, die geen Felixen en Drusilla’s bent, maar toch buiten Christus voorleeft, huiver toch bij de gedachte dat u, dat jullie zullen staan voor de hemelse Rechter. De toorn van het Lam zal onverdraaglijk zijn.

O weet toch, dat er een dag van oordeel komt, en dan is het te laat! Als uw ziel niet in Christus geborgen is, dan is het voor altijd te laat. Dan komt er nooit geen dag van genade meer. Dan heeft al die vroomheid u alleen maar geschikt gemaakt voor de diepste plaats van het verderf. Want de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.

 

Ons tweede aandachtspunt:

 

2. Verontrusting

 

Felix – ziet u hem voor u? – is zeer bevreesd geworden. Paulus ziet het.

Kijk… Vastgenageld aan zijn stoel…, de man bijt op zijn lip… hij trilt… hij beeft als een rietje…

Hij is zeer bevreesd, doodsbang, bij de gedachte dat hij met al zijn gedaan onrecht zal staan voor de hemelse Rechter, Die hem oordelen zal naar zijn werk.

Hij trilt, hij beeft, hij is zeer bevreesd.

 

Waarom beeft u niet bij de gedachte dat ook u, met al uw schijnbaar goede werken, en met al uw verborgen zonden zult staan voor het hemelse gericht? Is uw hart zo verhard, dat u dat zomaar als bekende klanken over u heen laat gaan? Waarom kan de schrik des Heeren u zo ongemoeid laten? Wij dan wetende de schrik des Heeren, zegt Paulus, bewegen de mensen tot geloof, want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus.

Waarom luistert u met een ernstig, maar met een onbewogen gezicht, met een onbewogen hart?

U bent erger dan Felix! Uw hart is harder dan dat van Felix!

Uw reactie lijkt meer op die van Drusilla. Van haar reactie lezen we immers niets. Felix is bevreesd, maar over Drusilla lezen we niets. Was het omdat ze Joods was en zich vastklemde aan de wet? Was het de gedachte dat haar werken haar nog zouden rechtvaardigen?

Maar dat kan u niet meer geruststellen. Ik heb u immers gezegd: Goed doet geen nut in de dag van de verbolgenheid. Uw werken zijn schijn! Die tellen niet mee in het gericht. Van die werken geldt: gewogen, gewogen, maar te licht bevonden!

Als uw hart niet beeft bij de gedachte aan het hemelse gericht, dan is dat een stellig teken van verharding. Dan is uw hart onder de hamerslagen van de wet en onder de liefelijke nodigingen van het evangelie alleen maar harder geworden.

 

Felix’ hart wordt aangeraakt door de Heilige Geest. Door het algemene werk van de Geest.

Die gekomen zijnde, zegt Jezus, zal de wereld (dat wil zeggen: de van God vervreemde wereld) overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel.

Geplaatst voor de spiegel van de wet, overtuigt van zonde, maar niet door een almachtige en onwederstandelijke werking, niet door de bijzondere werking van God de Heilige Geest, zoals de Geest Die werkt in de harten van de uitverkorenen.

 

Kijk eens wat er gebeurt...

Even wordt er gefluisterd in de bank. Dan antwoordt Felix. Hij valt Paulus niet in de rede, maar hij antwoordt: Voor ditmaal ga heen.

Nu hij het gezicht van het oordeel niet verdragen kan, niet kan aanzien, nu doet hij Paulus weg.

Hij spreekt hem niet tegen, hij wordt niet boos, hij gaat zich niet wreken, hij spreekt geen dreigementen, maar hij ontwijkt met list zijn overtuiging. Hij glipt weg. Hij kiest voor zijn plezier met Drusilla. En… hij verlaat snel de zaal.

Hij werd wel verschrikt, maar niet veranderd, wel bevreesd, maar niet bekeerd.

Het geweten aangeraakt, maar, zouden we zeggen: de aanrakende vinger ontweken. Weggeglipt.

 

Wees eens eerlijk voor uzelf en voor God... zit u misschien ook zo in de kerk?

U wordt aangewezen, als door Gods vinger: u bent die man, u bent die vrouw!

Uw geweten is geraakt, maar… u gaat door, u probeert het te vergeten.

Kortgeleden was u nog onrustig, maar… u bent doorgegaan. En nu? Nu is uw hart weer even koud. Nee, het is nog veel kouder en harder dan voorheen.

Vroeger, toen u nog jong was, toen bad u ernstig, terwijl u dacht aan het komende gericht. Maar nu…? Nu leeft u alsof u altijd zult blijven leven. Alsof er nooit een moment van sterven komt. U belijdt wel uw geloof in een komend gericht, maar het lijkt alsof u er helemaal niets meer van gelooft…

U bent net Felix…

 

Hoe anders was het gegaan in het leven van Paulus zelf.

Op weg naar Damascus plotseling overvallen, omschenen door dat allesomschijnende, rond hem schijnende licht… En Saulus, bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?

En wat denkt u van de stokbewaarder? Midden in de nacht van de aardbeving eiste hij licht. En hij sprong in, en werd zeer bevende, en viel voor Paulus en Silas neder aan hun de voeten. En hen buiten gebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde ?

Wat was nu het verschil tussen het beven van Felix en het beven van Paulus zelf en dat van de stokbewaarder?

De vrees van Felix doet hem vluchten, wegvluchten!

Maar de vrees van Paulus en van de stokbewaarder deed hen buigen onder God.

Calvijn zegt: Dit is een teken van de ware vooruitgang, wanneer een zondaar genezing zoekt, op dezelfde plaats vanwaar hem de wonde geslagen is.

Leg daar uw hart eens naast. Bent u ooit als een geslagene terechtgekomen aan de voeten van de Heere?

Niet weggevlucht, maar geknield, gebogen…?

Heere, u bent rechtvaardig. Het is waar, mijn werken deugen niet, mijn hart zit vol van verborgen zonden. U bent rechtvaardig. Ik heb Uw toorn, Uw oordeel verdiend. Is er nog een weg om zalig te worden? Wat moet ik doen om zalig te worden?

 

Waar de Geest zo onwederstandelijk werkt, daar wordt in die slagen ook iets gevoeld van de liefde van God, van de liefdekoorden waarmee Hij zondaren tot Zich trekt.

Daar wordt de nood van het leven zonder God en buiten God geproefd, maar ook het heimwee en verlangen naar God. Ik kan zonder U en buiten U, Heere, niet meer leven...

Ik zal niet wegvluchten, ik zal niet wegglippen. Ik zal buigen… en ik zal mijn Rechter om genade bidden: Zone Davids, ontferm U mijner, wees mij zondaar genadig…

 

Zeg, wegglippende zondaar, u bent ondertussen wel heel stiekem de rechtszaal uitgeglipt, maar dat is niet de weg om zalig te worden.

U hoort de veroordeling van het Woord.

U spreekt niet tegen, maar u buigt ook niet het hoofd.

U wordt niet boos, maar u loopt wel weg!

Kom eens terug. Christus, Die aan Paulus verscheen op weg naar Damascus, met woorden van veroordeling en ontdekking, was ook Degene Die op zoek was naar redding en behoud van zijn verloren ziel.

Het evangelie veroordeelt uw zonden, maar nodigt u tegelijkertijd, weglopende zondaren, om terug te keren.

Wie slecht is, die kere zich herwaarts en kome tot Mij!

De opperste Wijsheid roept u overluid toe:

Gij slechten, hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken.

 

Zondaren, verharde zondaren, ongevoelige zondaren, buk en buig toch aan de voeten van Christus. Vraag Hem, Die Zichzelf een Vriend van tollenaren en zondaren noemt, om een nieuw hart, om een vlesen hart.

Wendt u naar Hem toe, al gij einden der aarde.

Neigt uw oor, hoort en uw ziel zal leven.

Waarom glipt u weg, als het Woord u veroordeelt?

U glipt weg. U bent onrustig gemaakt, maar u zoekt afleiding, u drinkt een glaasje en u gaat slapen...

O, doe dat niet! Kom met al uw zonden en met al uw goddeloosheid tot Christus.

Daar zijn geen voorwaarden, daar is geen belemmering, zegt Calvijn, dan alleen… uw eigen ongeloof.

De nodiging van het evangelie is vrij. Er is een geopende toegang, gebaand door het bloed van Christus. Niet om daardoor te gaan met opgeheven hoofd, met een hoogmoedig hart, maar om te komen met smeking en geween. Dat is ook geen voorwaarde die u vervullen moet, maar zo moet u, zo mag u komen.

Alleenlijk ken uw ongerechtigheid, dat u tegen de Heere uw God hebt overtreden.

 

Bedenk: als u wegvlucht, als u aangeraakt bent door dat algemene werk van overtuiging en u vlucht weg en u gaat door op uw zondige weg… dan zal uw hart harder zijn dan ooit tevoren!

Is dat niet de ervaring van velen van u?

Vroeger wel eens onrustig geweest, maar nu… nooit meer.

Vroeger wel eens aangeraakt, maar nu… nooit meer.

Vroeger nog wel eens in stille avonden tranen gehuild om uw zonden, maar nu… nooit meer.

O, verharde zondaren, uw gevaar is groter dan dat het ooit geweest is!

Zie toch dat u zult moeten verschijnen voor de rechterstoel van Christus. U zult geen excuus hebben. Immers, hoe vaak is er geklopt aan de deur van uw hart?

Zie dan toch de nood van uw leven en roep tot God!

Hij heeft het beloofd: Wie Mij aanroept in de nood, vindt Mijn gunst oneindig groot. Ja, het geldt zelfs de allerhardsten: Een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen zal zalig worden.

 

Jongens en meisjes, jongelui, de tijd van je jeugd is de beste tijd voor je bekering. Als je vier bent, acht, of vijftien… Dit is de tijd, als je het voelt van binnen, en ik weet dat dat wel eens gebeurt of gebeurd is: zo kan het niet! Ik kan niet sterven. Ik heb geen nieuw hart!

Dat is de tijd om je te bekeren!

Dat is de beste tijd.

Dan moet je niet wegglippen. Dan moet je niet tegen jezelf zeggen: even niet aan denken… straks weer… nu even niet… ik word zo naar van die gedachten… morgen weer verder… Nee, dan moet je een stil plekje zoeken in huis, en je knieën buigen en zeggen: Heere, ik ben zo zondig, zo vol van zonde, ik leef zonder U, wees mij toch alstublieft genadig!

Dan moet je geen tijd meer verliezen, maar aanhouden, vasthouden, niet ophouden.

Doorgaan met bidden. Vragen of die onrust in je leven mag blijven. Vragen of de Heere je niet alleen wil overtuigen maar ook wil overbuigen.

 

Kleine kinderen, als je die stille plekjes zoekt in huis, en steeds maar weer bidt op je knieën en vraagt om een nieuw hart, dan zul je het krijgen. Daarom: doorgaan hoor, met bidden, met vragen… dan zul je een nieuw hart krijgen!

Niet omdat je zo goed en zo vaak gebeden hebt. Maar omdat de Heere het beloofd heeft: klopt en je zal opengedaan worden! Zoekt en je zult vinden! En wie Mij vroeg zoeken, zullen Mij zeker vinden.

En als je de Heere Jezus vindt als Degene Die jouw zonden wil vergeven en vergeeft, dan heb je alles! Alle geluk van de wereld maakt je niet meer blij. Hem te hebben is alles.

 

Maar doe niet als Drusilla. Ze was nog maar zestien, maar ze glipte mee weg, met Felix. Het woord van Paulus raakte haar eigenlijk helemaal niet. Misschien omdat ze bezig was met van alles en nog wat, met alle plezier, alle pracht en praal van haar leven…

Jongelui, glip niet weg in een leven dat bestaat uit plezier dat ooit ophoudt.

In het schijngeluk van een nieuwe relatie, van je zoveelste vriend of vriendin.

In het je storten op het aantrekkelijke van alles wat met geld te koop is. Maak je tijd niet op met het kijken naar films, dvd’s, sportwedstrijden, en alles wat spannend of mooi is (of lijkt). Vlucht niet in de schijnwereld van drank of drugs, in alleen maar werken voor nog wat meer geld, maar vlucht naar een verborgen plek om genezing te zoeken voor je ziel.

Het leven met de Heere gaat ver boven alles uit. Je vindt er vrede, geluk, blijdschap. En dat niet alleen voor nu, niet alleen voor even, maar voor altijd.

Doe één ding niet. Doe het nooit: het moment van je bekering uitstellen.

Dat deden Felix en Drusilla ook... en het werd hen noodlottig.

 

Ons derde aandachtspunt:

 

3. Verontschuldiging

 

Wonderlijk, zegt u misschien, als u dat stel in gedachten voor Paulus ziet staan.

Wonderlijk, dat die brute Felix zo bewogen is.

Is het niet veel wonderlijker, veel onbegrijpelijker, dat hij, terwijl hij bevreesd wordt voor de rechterstoel van de hemelse Rechter, opstaat en zegt: Voor ditmaal ga heen, en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen?

 

Het is een wonder, dat u aangedaan bent onder de preek.

Maar het is niet veel wonderlijker dat uw tranen korte tijd later weer gedroogd zijn?

Voor ditmaal ga heen, en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.

De tijd komt me nu even niet meer gelegen...

Nu moet ik mijn huiswerk maken.

Wat zul je spijt hebben van die gedachte!

Vanavond moet ik uit, als ik thuiskom ben ik moe, morgen dan maar weer…

Wat zul je spijt hebben van die gedachte, als morgen niet meer komt.

Woensdag, dan staat er niets in mijn agenda, dan zal ik toch nog eens nadenken over de preek.

Wat zul je spijt hebben als het nooit woensdag wordt.

Vanavond familiebezoek, morgenochtend een afspraak met de baas, morgenmiddag een klant, morgenavond laat thuis, dinsdag een drukke agenda, woensdag vereniging, donderdag… dan misschien gelegen tijd?

Weet u zeker dat het donderdag wordt voor u?

 

Zie, nu is het de welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid!

Dit is de gelegen tijd. Deze tijd komt nooit meer terug. Heb ik u niet tot getuige, die uw zaligheid al zo vaak hebt uitgesteld? Is het niet waar, dat uw hart alleen maar harder geworden is?

Nu! U zegt: straks, als ik thuis ben.

Nee, nu! Heden, want u weet niet of u nog thuiskomt. Hef nu uw hart en roep omhoog tot God en blijf roepen tot de hemel.

Laat na die excuses, loop niet weg. Want er komt een dag van oordeel, en die grote dag zult u niet kunnen ontvluchten.

Hoe zult u ontvlieden, indien u op zo grote zaligheid nu geen acht geeft?

Glip niet weg met Felix en Drusilla, met de verwachting dat u op een ander moment verder aan deze zaken kunt denken.

Uit de geschiedenis van Felix en Drusilla blijkt ook dat die tijd nooit gekomen is.

Ja, ze wilden wel praten, maar niet meer over die dingen van toen.

Over geld... Daarover wilde Felix zelfs vaak praten, maar niet meer over rechtvaardigheid, matigheid en over het komende oordeel.

Hij ging door met wat zijn hart begeerde, met de genieting van de wereld, met de zonde.

 

Tijd genoeg, zegt u misschien...

Hoe lang zal uw tijd nog zijn?

Ouderen onder ons, niet meer dan enkele jaren, misschien enkele maanden, enkele dagen. Jongeren, hoe zeker is jullie tijd?

En is het geen grote verachting van de Zaligmaker, als je je tijd doorbrengt in de zonde, in de hoop dat je je laatste levensdagen zult kunnen geven aan de dienst van de Heere?

Deze preek kan je laatste waarschuwing zijn. Geen kerkmens ging ooit verloren zonder laatste waarschuwing…

Zo gij Zijn stem dan heden hoort… Bekeert u, bekeert u, waarom zou u sterven?

 

De Geest zal niet altijd twisten met de mens. Noach heeft honderdtwintig jaar lang gepreekt. Jarenlang hebben al die mensen hun bekering uitgesteld, tot de laatste dag. Toen was het te laat. Er was geen weg terug…

Zo zal het ook zijn op uw laatste dag, als u steeds maar weer wacht op die ‘gelegen tijd’, die… nooit komt. U zult omkomen, omdat u de dag der genade hebt veracht, de genade van Christus hebt vertreden en niet gebogen hebt.

Als dan nu de alarmroep in uw oren klinkt: zie, de Rechter staat voor de deur. Stel dan niet uit!

Als dit uw laatste dag is, dan is het heden nog de laatste gelegen tijd. De roep van het evangelie klinkt overluid in uw oren. Veracht het niet. Loop niet weg.

Buk, buig, aan de voeten van de Zaligmaker!

Kom heden, als een arme zondaar, om de waarheid van uw schuldige leven te bekennen aan Zijn voeten.

Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.

 

Als u deze genade veracht, dan blijft er geen slachtoffer over voor de zonde. Dan gaat u verloren, niet omdat er geen genade was, niet omdat er geen Zaligmaker was, maar omdat u niet wilde komen.

 

Nog staat de deur der genade open. Nog klinkt de nodigende stem:

Heden!

Kom tot Mij!

En die tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.

 

Amen.