Ds. R. Kattenberg - Zondag 22

Onderwerp

Een onderdeel van de enige troost in leven en sterven
Troost met betrekking tot de ziel
Troost met betrekking tot het lichaam
Troost met betrekking tot het eeuwige leven

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 91: 1, 7
Lezen : Ezechiël 37: 1-14
Zingen : Psalm 16: 5, 6
Zingen : Psalm 73: 12
Zingen : Psalm 49: 6
Zingen : Psalm 31: 15

Wij willen uw aandacht vragen voor Zondag 22 uit de Heidelbergse  Catechismus en lezen daartoe samen de vragen en antwoorden 57 en 58:

 

Vraag 57: Wat troost geeft u de opstanding des vleses?

Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

 

Vraag 58: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Antwoord: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel , ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen.

 

Deze Zondag is een onderdeel van de enige troost in leven en sterven.

In de vragen 57 en 58 komt – net als in Zondag 1 – het woordje ‘troost’ voor. We bemerken dus steeds weer dat de inhoud van de catechismus één geheel vormt.

 

Drie aandachtspunten:

1. Troost met betrekking tot de ziel

2. Troost met betrekking tot het lichaam

3. Troost met betrekking tot het eeuwige leven

 

1. Troost met betrekking tot de ziel

 

Gemeente, we hebben samen een gedeelte gelezen uit Ezechiël 37.

We zien in dit wat sombere hoofdstuk de profeet Ezechiël in een vallei staan, die vol ligt met dorre doodsbeenderen. Her en der verspreid liggen geraamtes; botten en schedels, een spaakbeen, een ellepijp, bekkens, en noemt u maar op. Een triester beeld dan dit grote dal vol met menselijke resten kun je je nauwelijks voorstellen.

 

Ezechiël staat daar, en de dood grijnst hem van alle kanten aan. Er zullen mensen zijn die zeggen: ‘Och, een dal vol dorre doodsbeenderen. Dat is nu het einde van een mens. Je wordt een keer geboren en eens komt het einde. De dood hoort bij het leven. Wie kan de dood ontlopen? Trouwens, dood is dood.’

Maar is dit waar?

De Heere laat in Zijn Woord een ander geluid horen. Wij horen Hem vragen aan de profeet: ‘Zullen die dorre doodsbeenderen weer levend worden?’

Wat zou u op zo’n vraag antwoorden?

Denkt u zich eens in dat u in de plaats van Ezechiël zou staan en deze vraag aan u gesteld zou worden. God stelt die vraag!

 

Ezechiël weet ongetwijfeld dat bij God alle dingen mogelijk zijn. Hij voelt aan dat de Heere een bedoeling heeft met deze vraag.

Maar het antwoord van de profeet laat op zich wachten.

Hij zegt niet: ‘Ja, natuurlijk!’ En ook niet: ‘Nee, geen sprake van!’ Maar de profeet geeft het over in de hand van God.

Ezechiël weet en gelooft dat het kan. Dat alleen God zoiets kan. Maar of hij denkt dat God het doen zal, laat hij in het midden: Heere Heere, Gij weet het! (Ez.37:3)

We lezen vervolgens dat de Heere inderdaad nieuw leven, een levensgeest, in die dorre doodsbeenderen legt. Het wonder van de verrijzenis voltrekt zich. Een opstanding uit de dood.   

Het beeld dat door Ezechiël is opgetekend, verwijst naar het volk van Israël dat weggevoerd is in de ballingschap. In den vreemde zal er nooit meer iets van hen terechtkomen. Hun wederkeer is als het ware een opstanding uit de doden, zoals we vandaag de dag ook het huidige Israël zien herrijzen.

 

We zien verder dat als het om de opstanding van ons lichaam gaat, we ook in het Oude Testament noties vinden die verwijzen naar de opstanding uit de dood. Het Nieuwe Testament is daar uitvoeriger over, maar je kunt niet zeggen dat in het Oude Testament die gedachte volledig ontbreekt.  

Maar waar zou ú die lijn van de dorre doodsbeenderen uit Ezechiël naartoe trekken?

Moeten we die niet doortrekken naar ons eigen bestaan, naar ons eigen leven?

Want zoals Israël uit de dood opstaat, zo zal ook ons dode lichaam uit het graf verrijzen. Dat vraagt er dus om dat we na ons overlijden in een graf gelegd worden.

Ons lichaam zal eens uit het graf verrijzen. Als de bazuin zal klinken en de graven geopend worden, zullen al Gods kinderen met een verheerlijkt lichaam opstaan om hun Heere en Koning voor altijd groot te maken.

Paulus schrijft in een van zijn brieven dat Christus de Eersteling is van degenen die ontslapen zijn. Hij gebruikt daar een beeld uit de oogst die ’s zomers of in het najaar wordt binnengehaald. Met de eerstelingen worden de eerste vruchten bedoeld. Eens komt uit het graf de volle oogst binnen. Christus is als Eersteling uit de dood opgestaan en Zijn kinderen zullen volgen.

 

Het valt op dat de catechismus alleen spreekt over de opstanding tot zaligheid en niet over de opstanding ter verdoemenis.

Wil onze catechismus daar dan niet van weten?

Nee, zo mag u dat niet zien.

De catechismus laat dit niet achterwege om daarmee te zeggen: ‘Ach mens, het valt wel mee; maakt u zich niet al te veel zorgen.’ De catechismus is hierin, net als de Bijbel, erop gericht om mensen tot bekering te brengen.

Dat kan zeker ook door te wijzen op de ernst van de dood. Maar als troostboek stelt de catechismus ons allereerst de schatten van Gods genade voor ogen. Opdat we daaruit voor het eerst of opnieuw troost zullen verkrijgen. Dit geldt voor al Gods kinderen. Wat een wonderlijke troost ligt er toch in de opstanding der doden en het eeuwige leven!

 

Kinderen, weten jullie nog dat Eliëzer, die erop uitgestuurd werd om een bruid te gaan zoeken voor Izak, allerlei mooie dingen bij zich had? Hij liet ze aan Rebekka zien: ‘Moet je eens kijken; allemaal rijkdommen van Izak. Als je met hem trouwt, krijg je dit alles in bezit!’

Zo is het nu nog. Vanuit deze twee catechismusvragen laat de Heere de rijkdom van Zijn genade zien. Jullie moeten ook maar veel vragen: ‘Heere, geef ook mij deze genade.’

 

Gemeente, wat is uw enige troost in leven en sterven?

Welke troost ligt er in de opstanding van het vlees, en welke troost schept u uit het artikel uit onze geloofsbelijdenis dat over het eeuwige leven gaat?

Als een mens sterft, wat gaat er dan in hem om?

Wat maakt iemand mee wanneer hij zijn laatste strijd levert en het strijdperk van dit leven verlaat? Dat is voor ons verborgen.

Maar wel weten we dat op het moment dat een kind van God uit zijn of haar lijden verlost wordt, de eeuwige zaligheid aanbreekt. Zij zullen zingen: ‘God neemt mij op in Zijn heerlijkheid!’

Van stonde aan, zegt de catechismus. Van meet af aan. Er zit geen tijd tussen.

De Heere Jezus heeft dat met een van Zijn kruiswoorden duidelijk gemaakt.

Kinderen, jullie weten wel dat de Heere Jezus op Golgotha niet alléén hing. Er waren ook twee moordenaars met Hem gekruisigd. Een van beiden is tot bekering gekomen.

Toen heeft de Heere Jezus tegen hem gezegd: ‘Moordenaar, je vraagt of Ik straks aan je wil denken? Zeker wel, maar Ik geef je iets veel groters: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.’  

Deze moordenaar werd ter elfder ure gered. Direct na zijn sterven werd hij opgenomen in het Vaderhuis met zijn vele woningen. Van stonde aan, zegt de catechismus. Er is dus geen zielenslaap, geen vagevuur of tussentoestand.

Gemeente, het moment van sterven vormt de overgang uit deze tegenwoordige wereld naar de heerlijkheid die God dan ten volle zal openbaren.

 

Maar na de dood is ‘t leven mij bereid;

God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.

 

In het antwoord op vraag 57 lezen we dat onze ziel na dit leven direct tot Christus, haar Hoofd, zal worden opgenomen.

Wat ligt er een tegenstelling tot wat er ín dit leven zoal plaatsvindt. Het leven ná dit leven krijgt pas reliëf als je het afzet tegen dit aardse leven.   

Dít leven, dat is het leven waarin de gevolgen van de zonde zo bitter zijn. Denk maar aan rouw, ziekte, kruis, verdriet…

Maar ná dit leven is er geen strijd meer, geen kruis, geen doorn in het vlees. Want, zegt Paulus in een van zijn zendbrieven, dan is God alles en in allen.

 

Dít leven, dat is het leven waarin je de zonde maar niet te boven komt.

Komt u die hoogmoed, dat ongeloof en die eigengerechtigheid ook maar niet te boven?

Ondanks alle pogingen, moeite en strijd?

Vreest u te bezwijken onder deze zondekwaal?

Wat kan het een mens neerdrukken!

 

Gemeente, luister dan eens!

Ná dit leven zal het volk van God alle ongeloof te boven zijn en geloof zal dan aanschouwen worden. Nu leven zij nog een leven van geloof. Maar ná dit leven is het geloof verdwenen.

Verdwenen? Blijft het geloof er dan niet, vraagt misschien een meisje, een jongen of een kind.

Nee! Het geloof gaat over in aanschouwen. Geloof is een bewijs van de zaken die je nu nog niet ziet.

Als een kind van God ingegaan is in het Vaderhuis met zijn vele woningen, zegt God als het ware: ‘Kijk, tot nu toe heb je het gelóófd, maar nu mag je het zíen.’

Zij zien dan hun Zaligmaker, Die hier in de catechismus met name wordt genoemd: de Heere Jezus Christus.

Van stonde aan worden zij tot Christus opgenomen. Als die Naam niet genoemd zou worden, zou deze vraag en dit antwoord geen betekenis hebben.

U ziet: de catechismus betrekt haar onderwijs ook hier op Christus. Want wat is een hemel zonder Hem?

 

We richten onze aandacht nog eens op die moordenaar. Jezus sprak tegen hem: ‘Heden zult u met Mij in het paradijs zijn.’

Zal deze man in de hemel anders niet direct gevraagd hebben: ‘Waar is die Man Die naast mij hing? Is Christus hier niet? Wat moet ik hier dan doen?’

Begrijpt u? Alle nadruk ligt op Christus. Het gaat erom met Christus te zijn.

We moeten daarom letten op ons taalgebruik.

Natuurlijk begrijp ik best dat ze van iemand zeggen: ‘Hij is vast in de hemel.’

Je mag dat ook zeggen, meisjes en jongens. Ik hoop dat dat ook eens van jullie gezegd kan worden. ‘Hij of zij is in de hemel…’

Maar we moeten bedenken dat dit niet de volle waarheid is. Om met de catechismus te spreken moeten we eigenlijk zeggen: ‘Hij of zij is naar Christus gegaan.’

Gaan naar Christus, dat is bepalend bij ons sterven! 

 

Bij het sterven houdt ook voor een kind van God de onderlinge gemeenschap op en alle banden worden doorgesneden. Dat is ingrijpend! De band met je vrouw of je man; met je familie en met je kinderen; met je kleinkinderen als je die gekregen hebt. De band met je collega’s als je nog in het arbeidsproces stond. De band met je buren. Noem alle betrekkingen maar op.

Maar één band blijft in stand en dat is die met Christus!

Er staat dan ook in het antwoord op vraag 57: ‘Van stonde aan – direct – tot Christus haar Hoofd opgenomen.’  Daarom moet die band al tijdens ons leven gelegd worden. Hij kan niet meer ná dit leven gelegd worden.

Nee, ín dit leven moet die verbinding aan Christus er zijn. Paulus zegt daarom: Want het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin (Fil.1:21).

 

Meisjes, jongens, misschien denken jullie wel eens: ‘Hoe zal het met me zijn als ik sterf?’

Dat is een hele goede vraag.

Maar weet je, veel belangrijker is de vraag hoe je leven is.

Hoe was je leven deze week? Heb je met God geleefd?

Gemeente, leefde u in de vreze van ’s Heeren Naam?

Of denkt u: het komt er bij de dood op aan?

Nee, het léven is bepalend! Want naar dat uw leven is, zal ook uw sterven zijn.

 

Gemeente, luister eens!

Als u de Heere nog niet kent, wordt de rijkdom van Zijn genade u ook vandaag gepreekt.

U kunt behouden worden!

De Heere spreekt vanuit dit gedeelte van de catechismus: ‘Zie op de rijke schatten van Mijn verbond, en de zegeningen van Mijn genade. Ik heb geen lust in uw dood, maar Ik heb behagen in uw bekering, in uw leven!’

Daarom laat de Heere ons het leven prediken. En hét Leven, dat is er maar Eén!

Christus zegt: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven (Joh.14:6). Deze Hemelkoning wil u vandaag ontvangen.

Er is genade, er is heil, er is heling!  

Deze zaligheid wordt gepredikt in een wereld waarin bommen vallen en granaten ontploffen, waarin een kind zomaar zijn moeder verliest en een moeder haar kind. Een wereld waarin volwassenen en kinderen van honger omkomen. Een wereld waarin geaborteerd wordt. Een wereld waarin euthanasie gepleegd word. Een wereld vol van ongerechtigheden. 

 

Maar hoe zal het ná dit leven zijn?

 

Daarover mogen we met Asaf samen zingen uit Psalm 73, het twaalfde vers:

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God, mijn heil, mijn toeverlaat;

En mij, hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

2. Troost met betrekking tot het lichaam

 

Er blijkt voor het geloof nog meer troost in onze catechismuszondag te liggen. In het antwoord op vraag 57 wordt namelijk gezegd: ‘Maar dat ook dit mijn vlees – mijn lichaam – door de kracht van Christus opgewekt zijnde,  wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.’

 

Meisjes en jongens, de kerk gelooft in de toekomst.

Als jij nu een goede toekomst wilt hebben, zoek het dan bij de God van de kerk.

Want het geloof van de kerk is een toekomstgeloof. Zij gelooft in de overwinning op de laatste vijand.

De laatste vijand die tenietgedaan moet worden is de dood. Iemand heeft eens gezegd: ‘Als de érgste vijand dan maar overwonnen is…’

Onze ergste vijand is de zonde.

En als de érgste vijand is overwonnen, dan kan de láátste vijand, de dood, niets meer doen.

 

Eens komt de grote dag. De dag van Jezus’ glorie en heerlijkheid. En dan zal dit mijn vlees

door de kracht van Christus worden opgewekt.

Dit mijn vlees…

Ziet u Job zitten? Veel vlees had hij niet meer over na alles wat hem was overkomen. Hij zit op de vuilnishoop en krabt zich met een potscherf.

Vel over been…

En dan – als je zo afgetakeld bent en bijna tot niet vervallen – toch zeggen:  

Uit mijn vlees zal ik God aanschouwen (Job 19:26).

 

U hebt misschien ook wel mensen gekend als Job.

De omstandigheden kunnen verschillen, maar het kan toch zijn dat u moest zeggen: ‘Wat is er van deze mens over?’

Paulus spreekt in verband hiermee over het lichaam van de zonde en de dood. Daar gaat een mens het graf mee in. Ons lichaam, zo zegt de apostel in 1 Korinthe 15, wordt gezaaid in verderfelijkheid, in zwakheid.

Dit is de werkelijkheid van ons aardse bestaan.

En dan toch deze geloofsbelijdenis uitspreken: Uit mijn vlees zal ik God aanschouwen.

 

Wat zijn we in de wereld van vandaag toch vaak bezig om de ernst van de dood te camoufleren. De dood is niet ernstig meer, zei ik zo-even al. De dood hoort volgens velen gewoon bij het leven. Het graf wordt opgesierd, met zoveel mogelijk bloemen, groen en takken bedekt. De kist niet laten zakken… En noemt u maar op.

Maar de werkelijkheid wordt er ten diepste niet anders door. Ons vlees wordt overgegeven aan deze aarde. Na verloop van tijd is er niets meer van te vinden.

Ons lichaam is als een graankorrel die in de aarde valt en sterft. Alle vlees is gras (Jes.40:6).

’s Morgens staat het nog fris overeind en ’s avonds wordt het afgemaaid.

Kinderen, vroeger zag je nog korenschoven op het land. De overgeschoten aren werden geraapt, kijk maar naar Ruth. Het koren binnenhalen was toen een hele onderneming.

Tegenwoordig zie je tijdens het oogstseizoen de ene dag het koren nog prachtig overeind staan, en de dag daarna is het gemaaid en afgevoerd. Het is zo treffend: ’s morgens en ’s avonds, alles en niets…

 

Gemeente, het woordje ‘vlees’ heeft ook nog een andere dimensie, een andere inhoud. Met ‘vlees’ wordt ook wel alleen het lichaam bedoeld.

We zijn door God geschapen als een eenheid van ziel én lichaam.

U merkt wel dat dit ook weer naadloos aansluit bij Zondag 1. Dat ik met lichaam en ziel het eigendom van Christus ben.

Het lichaam én de ziel. De ziel én het lichaam. Een eenheid dus.

Het lichaam hoort er echt bij. Het is God om de gehéle mens te doen.

Christus heeft niet alleen de ziel aangenomen, maar Christus heeft ook ons menselijk vlees aangenomen.

We zijn wel eens geneigd wat geringschattend te spreken over het vlees of over het lichaam. Maar kijk eens naar Christus. Hij kwam als waarachtig mens. Hij werd als pasgeboren kind neergelegd in de kribbe van Bethlehem. Hij heeft uit de maagd Maria ons zondige vlees aangenomen. Hij had een door de zonde ontluisterd lichaam.

 

God verlost ménsen! Op de dag van de grote opstanding zullen de heiligen met ziel én lichaam voor de Heere verschijnen. 

Wij moeten daar eigenlijk in ons woordgebruik op letten.

Je hoort regelmatig zeggen: ‘Als je ziel maar gered is.’ We begrijpen dan wel wat er bedoeld wordt, maar de Schrift spreekt van ziel én lichaam. We zingen in Psalm 89: ‘Wie redt zijn ziel van het graf?’ Maar je ziel wordt toch niet begraven? We zien echter dat in het Hebreeuws de eenheid van ziel en lichaam veelal in één woord wordt gevat.

God verlost zondaren; zondige mensenkinderen. De verlossing naar ziel én lichaam zal de heerlijkheid zijn van al Gods gunstgenoten.

 

Jezus zal in de laatste overwinning op de dood ook het lichaam opwekken. ‘Hoe kan dat eigenlijk?’, vragen wij altijd maar weer.

Kinderen, jullie kennen de verhalen wel van martelaren uit de vroegchristelijke kerk die opgegeten zijn door de wilde dieren. En je hoort of je leest nog wel eens over zendingsarbeiders die op een vreselijke manier zijn omgekomen.

Soms worden lichamen van drenkelingen nooit meer gevonden; verdwenen in de diepte van de zee…  

En dan opgewekt worden? Hoe kan dat?

Dat moeten we maar niet vragen. Job deed dat ook niet. Maar hij geloofde het!

Bij hemels licht sprak hij: ‘Ik zal uit dit mijn vlees God aanschouwen.’

‘Maar Job, hoe kan dat dan?’

‘Dat weet ik ook niet, maar het zal zo zijn, vast en zeker!’

Gemeente, Job zag zijn lichaam, zijn vlees, totaal ontluisterd en afzichtelijk.

Wat zag hij nog meer? Nee, ik moet zeggen: ‘Wie zag hij nog meer?’

Jezus! Zijn Verlosser. Zijn Goël.

Hij zag over dood en graf heen.

Hij zag zich met ziel en lichaam beide met Christus.

Gemeente, waar de zonde voorgoed is uitgebannen, zullen de lichamen van de heiligen stralen en blinken.

Probeert u het zich maar voor te stellen. Iemand die in Christus is gestorven, in de hemel. Naar ziel en naar lichaam. Blinkend en stralend. Zonder enig gebrek…

Alle gezaligden zullen de Heere grootmaken; van ganser harte, van ganser ziele en met alle krachten.

Zij zullen de Heere grootmaken met al de bewegingen van het lichaam.

Niet zomaar, maar ‘door de kracht van Christus’, staat er in de catechismus.

Johannes schrijft in een van zijn brieven: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is (1 Joh.3:2).

 

Dat was ook het vooruitzicht van de dichter van Psalm 49. We zingen uit deze psalm het zesde vers:

 

Men denkt niet meer aan hun verleden staat,

Wijl al hun glans met hen in ‘t graf vergaat;

Maar na de dood is ‘t leven mij bereid;

God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.

Vreest hem dan niet, die grote schatten heeft,

Wiens machtig huis in eer en aanzien leeft;

Want hij zal niets in ‘t sterven met zich dragen;

Zijn naam, zijn roem, ‘t ligt al terneer geslagen.

 

Gemeente, wij hebben in ons eerste en tweede punt stilgestaan bij troost met betrekking tot de ziel en tot het lichaam. Tenslotte vragen wij uw aandacht voor:

 

3. Troost met betrekking tot het eeuwige leven

 

Vraag 58: ‘Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?’

Het antwoord luidt: ‘Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hartgevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geen mensenhart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen.’

Dit antwoord vormt de afsluiting van het laatste artikel van de Twaalf Artikelen.

Wat indrukwekkend!

We maken wel eens een zangavond mee waarvan de laatst gezongen regel als het ware blijft hangen. Zo ook hier. Ten laatste: het eeuwige leven! Het échte leven.

Leven dat niet sterft…

 

Wat wij leven noemen, is dat wel leven?

Meisjes, jongens, wat denken jullie? Je hoort wel eens zeggen: ‘Ik heb geen leven meer.’

Het doopsformulier zegt iets dergelijks: dit leven is niets anders dan sterven, een gestaag sterven, een voortdurend sterven.

Wat wij leven noemen is dus eigenlijk niets anders dan de dood.

Wat is het echte leven dan wel?

Dat heeft Johannes ons, door de Heilige Geest, gezegd: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, Die Gij gezonden hebt (Joh.17:3). Kort gezegd: het eeuwige leven is God kennen en Jezus kennen.

U kent vast dat versje wel: ‘Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’ Buiten God en buiten Jezus, ben je dood. Dood door de misdaden en de zonden.

Maar wie de Heere kennen mag, Hem dienen mag en met Hem leven mag, die leeft pas echt. Sterker nog: die leeft eeuwig! Dat leven begint niet pas bij het sterven.

We zeggen wel eens dat iemand het eeuwige leven heeft verkregen, maar het eeuwige leven is er nu al.

Wie in de Zoon gelooft – de oudere kinderen kunnen het misschien wel afmaken – heeft het eeuwige leven (Joh.3:36).

Luister je goed? Er staat niet: ‘Die kríjgt het eeuwige leven’. Nee: ‘Die hééft het eeuwige leven!

De catechismus noemt het hier het beginsel der eeuwige vreugde.

Eeuwig leven; dat is vreugde die nu al begint.

 

Een beginsel is niet zomaar een beginnetje. Nee, het is iets dat leeft. Een principe dat groeit.

Kinderen, vergelijk het maar met een bloemknop, of een plant die op het punt staat te gaan bloeien. Hoeveel knoppen zitten er wel niet in?

Eén, twee, acht, tien…  Die hele plant zit vol knoppen. Zo meteen zit hij vol bloemen. Maar eerst de knop en dan de bloem. 

Zo zegt de catechismus het hier eigenlijk ook: eerst het beginsel, en dan straks de volle heerlijkheid. Eerst de knop, en dan de volle bloei.

Hier op aarde zit de bloem van de eeuwige vreugde nog in de knop. Maar die knop groeit uit tot de bloem!

 

De heerlijkheid voor de troon van God mag u ook vergelijken met het einde van wat we wel eens de voorsmaken van het koninkrijk van God noemen.

Hier op aarde geeft God aan Zijn kinderen van tijd tot tijd die voorsmaken van de eeuwige vreugde te genieten.

Misschien vandaag weer.

Het gebeurt wel in de kerk. Luisterend onder het Woord van God. Of wanneer het doopvont met water is gevuld en de doop bediend wordt. 

U vult misschien aan: ‘Of aan het avondmaal.’

Ja, ook aan het avondmaal. Maar er zijn mensen die die vreugde teveel aan het avondmaal verbinden, als zou tijdens een doopbediening die vreugde niet ervaren kunnen worden. Laten we elkaar daarin opscherpen. Daarom wees ik u eerst op de Heilige Doop.

 

De hemel op aarde. Dat kan dus; een beginsel van de eeuwige vreugde.

Hoewel er nog zoveel is wat die vreugde overschaduwt.

Hier op aarde zijn grenzen. Maar eens zullen die grenzen wegvallen.

Hun vreugde, hun blijdschap zal dan onbepaald en onbegrensd zijn, zo zingt de psalmdichter.

Zo staat het in de catechismus ook. Hier in beginsel, maar na dit leven,  in het hiernamaals,  zullen wij volkomen zaligheid genieten.

David wist dat en heeft ervan gezongen: ‘Het blij vooruitzicht dat mij streelt…’

Jakob roept, omringd door zijn zonen, op zijn sterfbed uit: Op Uw zaligheid wacht ik, Heere! (Gen.49:18)

 

Na dit leven een volkomen zaligheid bezitten… Wanneer God verheerlijkt zal worden, zonder vermenging van iets wat daarmee strijdig is. Zacharia zegt in een van zijn profetieën dat overal geschreven zal staan: De heiligheid des Heeren (Zach.14:20). Heel beeldend heeft de profeet  gezegd: ‘Ook op de potten en de pannen.’

Kinderen, bij jullie thuis zal dat ‘heilig voor de Heere’ niet op de pannen staan.  

Zacharia wil zeggen: ‘Zo is het nu in de heerlijkheid. Alles is voor de Heere. De straten zijn voor de Heere, de pleinen, en de gouden poorten. Alles is heilig voor de Heere!’

Dat is het vooruitzicht en de verwachting van al de heiligen Gods in dit aardse leven.

Wanneer een ongelovige niets meer heeft te verwachten, gaat voor de gelovige de poort van de hemel ten volle open!

 

Voor een ongelovige is daarentegen geen blijde verwachting.

De Heilige Schrift spreekt weliswaar van een verwachting, maar dan over een heel vreselijke verwachting.

Leest u het slothoofdstuk van Jesaja nog eens en let op het indrukwekkend slot van zijn profetieën. Ik lees het u voor:

Want gelijk als die nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, spreekt de Heere, alzo zal ook ulieder zaad en ulieder naam staan.

En het zal geschieden, dat van de ene nieuwe maan tot de andere, en van de ene sabbat tot de andere, alle vlees komen zal om aan te bidden voor Mijn aangezicht, zegt de Heere.

En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de dode lichamen der lieden zien, die tegen Mij overtreden hebben; want hun worm zal niet sterven, en hun vuur zal niet uitgeblust worden, en zij zullen alle vlees een afgrijzing wezen (Jes.66:22-24).

 

Gemeente, dit zijn de laatste woorden van een bijbelboek.

Wat indringend en aangrijpend!

Antwoord 58 van de catechismus zegt echter: ‘Luister eens naar datzelfde Woord van God. Sla het open en lees welke vreugde er weggelegd is voor diegenen die de Heere vrezen.’

De catechismus verwijst dan naar een uitspraak van de apostel Paulus over de toekomstige zaligheid: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben (1 Kor.2:9).

 

Het doet ook denken aan wat de koningin van Scheba tegen Salomo zei na het zien van al zijn rijkdommen: De helft is mij niet aangezegd (1 Kon.10:7).

Wanneer we nadenken over de toekomstige heerlijkheid, komen we altijd woorden tekort. De helft is mij niet aangezegd!

Geen oog heeft het gezien. Het is in het hart van mensen niet opgeklommen.

 

Waar loopt alles op uit?

De catechismus wijst het aan: ‘Om God eeuwig te prijzen.’

Zo is het: U zij de lof in eeuwigheid!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 31:15

 

Hoe groot is ‘t goed, dat Gij zult geven
Hem, wiens oprechte geest
Op U betrouwt, U vreest!
Hoe groot is ‘t heil, dat G’ in dit leven,
Ver boven beed’ en wensen,
Reeds wrocht voor ‘t oog der mensen!