Ds. L. Huisman - Genesis 45 : 26 - 28

Jozef leeft nog!

Genesis 45
Een bijna ongelofelijke tijding
Een onweerlegbaar bewijs
Een zeer hartelijke geloofsopenbaring

Genesis 45 : 26 - 28

Genesis 45
26
Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet.
27
Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.
28
En Israel zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 1, 6
Lezen : Genesis 45: 8-28
Zingen : Psalm 147: 1, 10
Zingen : Psalm 105: 10, 13
Zingen : Psalm 81: 5, 12

Gemeente, de woorden van God waarbij we in deze dienst willen stilstaan, vindt u in  Genesis 45 vers 26 tot en met 28:

 

Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland! Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob, hun vader, levendig. En Israël zeide: Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve!

 

De inhoud van onze tekst is: Jozef leeft nog!

 

Wij staan stil bij:

1. Een bijna ongelofelijke tijding

2. Een onweerlegbaar bewijs

3. Een zeer hartelijke geloofsopenbaring

 

In de geschiedenis die Genesis 45 beschrijft, blijkt bij uitstek dat de raad van God dwars door het zondig handelen van mensen heen wordt vervuld.

Wij horen als het ware Petrus zijn stem verheffen na het pinksterfeest en de genezing van de kreupele aan de poort. Het volk stroomt samen in de voorhof om het wonder te zien dat door de apostelen is gedaan. Petrus spreekt dan het volk aan en gebruikt daarbij het zwaard van de wet. Hij wijst hen op de bodem van hun bestaan en zegt: ‘Dat heeft u gedaan! U heeft Jezus, de Zoon van God, in de dood gedreven. U hebt een man die een moordenaar is gekozen, en de Heilige hebt u aan het kruis genageld. Maar, broeders, ik weet dat u het uit onwetendheid gedaan hebt.’

God heeft deze woorden van Petrus gebruikt opdat Zijn Woord voorspoedig zal zijn, en om Zijn genade te openbaren in deze wereld. Nee, hij legt geen pleister op de wonde. Integendeel. Hij treft ze eerst dodelijk en zegt vervolgens dat hij hen daarmee niet in de afgrond wil stoten. Opdat u, zo zegt hij, belijdenis doende van uw overtredingen, zou zien dat wat u ten kwade heeft gedacht, God ten goede gekeerd heeft.

 

In het tekstgedeelte dat onze aandacht vraagt, zien we het voorspel van wat straks voor en na de pinksterdag gebeuren zal. Jozef is in deze geschiedenis een type van Jezus Christus: de verachte, de verworpene, de doodschuldige. Jozef moest verdwijnen, hij is het niet waard om te leven, nooit mag hij meer terugkeren! Dat was de bedoeling van de broers. Iets dergelijks beluisteren we als eeuwen later de Joden roepen over Jezus Christus: ‘Weg met Deze! Hij is niet waard dat Hij leeft! Kruist Hem! Kruist Hem!’

Nadat Jozef op het diepst vernederd was, is hij door God groot gemaakt om een behouder des volks te zijn. Hij wordt zo genoemd omdat hij zijn broeders, die hem gehaat hebben, die hem in feite gedood hebben, die hem verkocht hebben in de hoop hem nooit meer te zien, in het leven heeft behouden.

Onder diepe indrukken van onwaardigheid, vol vrees en schaamte, maar tegelijk vervuld met verwondering en verbazing, staren de zonen van Jakob sprakeloos naar de man die ze dachten nooit weer te zien, maar die nu vol ontferming naar hen omziet.

Pas nadat Jozef zijn broers voor de tweede keer toespreekt en ze verzekert dat zij vrijmoedig tot hem mogen naderen, komen ze dichterbij om zich door hem te laten begroeten, en zich door hem te laten dienen.

 

Is deze Jozef in deze geschiedenis niet een type van onze dierbare Borg en Zaligmaker Jezus Christus? Christus, Die voor ons, Zijn broeders, is verstoten. Hij is verstoten door ons allen, ook al zijn we bij de waarheid grootgebracht, ook al dragen we van jongs af het teken van het verbond. Wij allen verwerpen Hem en zijn Hem vijandig gezind. Wij allen dulden Zijn koninklijke heerschappij niet, en wijzen Zijn juk af.

Met sprekende daden bewijzen wij: Wijk van ons, want aan de kennis van Uw wegen hebben wij geen lust (Job 21:14).

Maar voor degenen die door de prediking van het Woord – dat scherp en vlijmend hun hart binnendringt – deze boodschap aanvaarden, keert vandaag het oordeel weer tot gerechtigheid.  Voor hen geldt: Jozef leeft nog, en Hij is heerser over gans Egypteland! Dan mag u met de oude, grijze en moedeloze Jakob uitroepen: ‘Het is genoeg! Jezus leeft nog! Hij is Heerser over hemel, zee en aarde! Ik zal tot Hem gaan; ik zal Hem al mijn zonden en overtredingen belijden. Het is genoeg, ik zal tot Hem gaan om Hem te zien voordat dat ik sterf.’

 

Gezegend bent u, wanneer dit voornemen vandaag uw hart vervullen mag en u op reis zou mogen gaan naar het Vaderhuis hierboven, gedreven door Jozefs woord en gevoerd op Jozefs wagens. U zult dan niet tevergeefs strijden, want Paulus heeft het uitgeroepen dat allen die op deze wijze op weg gaan en de goede strijd strijden, eenmaal gekroond zullen worden in het huis van die Meerdere van Jozef, en gespijzigd zullen worden door het vette van het Vaderland hierboven.

 

In onze eerste gedachte staan wij stil bij:

 

1. Een bijna ongelofelijke tijding

 

Jozef leeft nog! In de geschiedenis die in Genesis 45 beschreven wordt, komen twee dingen in het bijzonder openbaar: in de eerste plaats de afschuwelijkheid van de zonde en in de tweede plaats de rijkdom van de goddelijke genade.

Toen boodschapten zij hem zeggende: Jozef leeft nog! Uit Egypte thuisgekomen riepen de zonen van Jakob dit hun vrouwen, hun kinderen, maar in het bijzonder hun vader toe:  Jozef leeft nog!

Hoe waren de broers hier achter gekomen? Uit zichzelf?

Nee, tot deze kennis waren ze niet gekomen uit eigen bewegingen, door onderzoek dat van henzelf was uitgegaan. Zij zijn niet tot deze kennis gekomen omdat zij eerst berouw hadden gekregen over wat ze 22 jaar geleden hun broer aangedaan hadden.

Nee, gemeente, nooit zal een hart verbroken worden over de zonde dan door het evangelie en het woord van Gods genade. Niemand wil zichzelf schuldig kennen voor God, geen mens zal zijn ongerechtigheden en zonden voor God gaan belijden, tenzij dat hij hoort dat er verlossing en een weg ter ontkoming is.

 

We zien dat heel duidelijk in deze geschiedenis. Niet Jozefs broeders waren de eersten die op zoek gingen naar Jozef. Ze werden door de nood gedreven en door Gods hand naar Egypte geleid. Ze zijn gegaan omdat ze niet anders konden; omdat ze anders in Kanaän gestorven zouden zijn van de honger. Jozef was de eerste die hen kende. Niet de broers hebben Jozef herkend, maar hij heeft hen herkend.

 

De honger was in die dagen groot in Kanaän. Ook in Kanaän? Kanaän was toch het beloofde land, het land overvloeiende van melk en honing? God heeft toch juist het land Kanaän aan Abraham en zijn zaad toegezegd, omdat dat een land is waarin zij gerust neer kunnen zitten onder hun wijnstok en onder hun vijgenboom?

Gemeente, dat is waar! God heeft Zijn volk rijke zegeningen toegezegd; Hij faalt nooit in Zijn trouw en Hij zal Zijn verbond nooit schenden.  

Hoe komt het dan, dat Jakob en zijn zonen in ellende verkeren? Hoe komt het dat de honger zich ook naar Palestina uitbreidt en dat ook het door God geheiligde zaad onder de ellende van de zonde komt?

Wel, dat komt omdat er in het huis van Jakob verborgen zonden waren, en dan schort God de verbondsweldaden op.

Nee, Hij verbreekt Zijn verbond niet; terwijl de zonen van Jakob nog in hun goddeloosheid volharden, bereidt Hij reeds verlossing in Egypte. Wel schort Hij, wanneer er onbeleden zonden zijn te midden van het verkoren volk, soms voor een tijd de verbondsweldaden op. Want onbeleden en onbeweende zonden zullen door de Heere niet onopgemerkt blijven.

                             

Wij mogen nooit vergeten dat de broers, ondanks alle ondeugden die hen aankleefden, toch tot het uitverkoren volk behoorden. Het volk Israël, dat God Zich tot een eigendom gemaakt had. Zij behoorden tot de kerk van het Oude Testament, waarvoor geldt: ‘Indien Mijn kinderen ooit Mijn zuivere wet verlaten, indien het richtsnoer van Mijn wet ter regeling niet kan baten, indien zij ontheiligen wat Ik heb voorgeschreven, dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven’ (Ps.89:13 berijmd). Dat gold ook het gezin van Jakob.   

God vergeet daarom niet dat Jakobs zonen hun broer Jozef hebben verkocht. Daarmee werd Jozef immers uitgestoten uit de kring van het heilig geslacht en overgegeven in de handen van de zondaars. Het kan daarna lang goed gaan, het mag schijnen alsof God vergeten is de zonde te bezoeken, maar God doet dat wel, óók in het heilige geslacht.

Wij zien die bezoeking in deze geschiedenis: de roede van de honger daalt op de rug van Zijn volk. Wat moeten ze nu? Naar Egypte, om daar voedsel te kopen, want ze hebben gehoord dat daar nog koren is.

 

Ook van de Egyptenaren staat geschreven dat zij tot Jozef kwamen om koren te kopen. Maar ze moeten er wel voor betalen.

Als ze geen geld meer hebben, komen de Egyptenaren met hun bezittingen, vee, ezels en ossen. Als ze ook geen vee meer hebben, bieden ze hun andere bezittingen aan, hun landerijen en huizen, en zeggen ze: ‘Jozef, koop het van ons, maar geef ons koren opdat wij leven.’

Als ze tenslotte geen geld, geen vee en geen land meer hebben om te verkopen, bieden ze zichzelf aan: ‘Jozef, neem ons maar als slaven in uw dienst; als we maar koren kunnen krijgen, als we maar in leven kunnen blijven.’  

‘Goed’, zegt Jozef, ‘u zult koren hebben en u zult zaad hebben om uw akker te bezaaien. Ik zal voor u zorgen.’ Zo heeft hij hen allen aan zich onderworpen en ze hebben het goed gehad. Heel Egypte is in leven gebleven door Jozef.

 

Geliefden, zo zijn ook de broers van Jozef op reis gegaan om hun geld te geven voor koren, opdat ze in leven zouden blijven. En Jozef heeft ze herkend.

Er was evenwel geen wrok in zijn hart, ondanks alle ellende die ze over zijn hoofd hadden uitgegoten. Want het ís wat, om als jongen zo uit je ouderlijk huis te worden ontvoerd, om achter een lastdier te worden gebonden en te worden weggevoerd naar een vreemd land! Om in dat vreemde land als een koe op de markt verhandeld te worden, en als slaaf in het huis van een heiden te werk gesteld te worden. En vervolgens door de ongerechtigheid en zedeloosheid van een vrouw in de gevangenis terecht te komen, zonder dat hij er ook maar het minste aan doen kon!

Nee, Jozef koesterde geen wrok in zijn hart. Hij volhardde in het wandelen met de Heere, de God van het leven. Het moet wat voor hem geweest zijn om de woorden van God te spreken en toch in de gevangenis te moeten blijven. De dromen van de bakker en de schenker zijn verklaard, maar als de bakker opgehangen is en de schenker vrijgelaten, wordt Jozef vergeten. Jozef moest in de gevangenis blijven, totdat de Heere Zelf hem eruit redde. In deze weg werd hij door God gelouterd.  

 

We zien nu de broeders voor Jozef staan. Nee, hij is niet verbitterd, maar wél zal hij zijn broers op de proef stellen. Hij zal ze beproeven of ze in boetvaardigheid hun berouw over hun vroegere wandaden willen uitspreken. Daarom toont hij een hard, een stuurs gezicht en handelt hij schijnbaar in willekeur met hen.

Als we de geschiedenis wat oppervlakkig lezen, kan de gedachte opkomen: ‘Maar Jozef, ga je niet wat ver? Moet je je broers nu zó in het nauw brengen?’ We kunnen de spanning nauwelijks verdragen en we zien als het ware met pijn in ons hart de tranen van het gezicht van hun grijze vader Jakob vloeien.

Nee, Jozef is niet hardvochtig. Want Jakob was niet onschuldig aan de gebeurtenissen. Hoewel God Jozef verkoren had tot dit grote werk, heeft Jakob dwaas gehandeld door deze jongen boven de anderen zulke grote geschenken te geven en hem als zijn troetelkind te verwennen. Ook Jakobs zonden worden bezocht.

Nee, Jozef is niet wreed, Jozef is geen tiran. Hij zou zich zeker aanstonds geopenbaard hebben, als zijn broers direct aan zijn voeten waren neergevallen en hun ongerechtigheden tegenover God en tegenover de mensen beleden zouden hebben. Want daar zit het op vast! Daar gaat het nu juist om! Wat hij deed was zonder meer noodzakelijk. Als zij niet eerst op het diepst vernederd zouden worden, nooit zouden ze beseffen hoe groot, goeddoend, vriendelijk en barmhartig Jozef was.

 

Hoe wordt nu een mens vernederd?

God laat dat niet over aan de duivel, aan mensen, zelfs niet aan de wet, maar aan Jezus Zelf. Hij doet dat door Zijn Woord, óók door het woord van de wet, maar Jezus doet het.

Jozef vernedert zijn broeders. Jezus brengt de Zijnen aan Zijn voeten. Dat is de bediening van de Heere Jezus Christus, waartoe Hij door de Vader gezalfd is tot hoogste Profeet, om de weg ter zaligheid te leren aan degenen die op een dwaalweg wandelen.   

 

Hoe doet Jozef dat?

Door hen te beschuldigen dat zij verspieders zijn. Met een onschuldig gezicht staan ze evenwel voor hem. Ze antwoorden: ‘Mijnheer, het is echt niet waar; we hebben geen verkeerde bedoelingen; we zijn vroom en we komen slechts om brood te kopen.’

Wanneer Jozef vervolgens doorvraagt naar hun ouderlijk huis, en ze antwoorden: ‘In totaal zijn we met z’n twaalven, één broer is er niet meer, en de jongste is nog bij vader thuis’, zegt hij: ‘Goed, jullie gaan die jongen halen. Maar Simeon moet hier blijven om er zeker van te zijn dat jullie je aan je woord houden.’  

Nu zinkt de moed hen in de schoenen, maar zij hebben geen andere keus.

 

Thuisgekomen brengen zij aan vader Jakob verslag uit over die onderkoning van Egypte, die zo hardvochtig en streng tegen hen gesproken heeft: ‘Vader, hij heeft zijn aangezicht gesteld als een keisteen. Bovendien, vader, heeft hij één van uw zonen gevangen genomen, net zolang tot we onze jongste broer Benjamin meegebracht zullen hebben.’

Het hart van de oude Jakob wordt nu overmand door droefheid. Hij roept vertwijfeld uit:

Gij berooft mij van kinderen: Jozef, die is er niet, en Simeon, die is er niet; nu zult gij Benjamin wegnemen; al deze dingen zijn tegen mij (Gen.42:36). Ten dode toe is hij bedroefd en hij weigert Benjamin af te laten reizen…

Maar de honger wordt zo groot, dat hij tenslotte op aandringen van Juda toestemt en Benjamin meegeeft. Door de nood gedreven geeft hij alles over wat hij heeft; zijn geliefde Benjamin en al zijn zonen, in de hand van die schijnbaar zo hardvochtige onderkoning.

 

Ja, Benjamin reist mee, maar op voorspraak van Juda, die borg staat voor zijn broer Benjamin.

Ruben had in zijn onbezonnenheid tegen zijn oude vader gezegd: ‘Geef die Benjamin maar mee. Als ik hem niet terugbreng, dan mag je twee van mijn zonen doden.’ Alsof een grootvader genoegen zou vinden in het doden van twee van zijn kleinzonen…

Ruben is bereid zijn zonen te geven, Juda evenwel geeft zichzelf. Hij zegt: ‘Vader, ik zal borg voor Benjamin zijn; ik zal uw zoon terugbrengen, en zo niet, ik zal schuldenaar zijn voor uw aangezicht al de dagen van mijn leven.’ Zo is Juda in deze geschiedenis het type van de grote Juda.

Nadat Juda zijn pleidooi voor vader Jakob heeft gehouden, heeft Jakob met een wenend hart zijn jongste zoon meegegeven.

 

U kent verder de geschiedenis. Voor de tweede keer heeft Jozef hen beproefd. Ook toen hij zag dat Benjamin erbij was.

Nee, hij was niet hardvochtig; want er staat verschillende keren dat Jozef, als hij zijn broers zag, zich afzonderde omdat hij zichzelf niet langer kon bedwingen. Ook nu weer. Als hij Benjamin ziet, wordt zijn hart zo bewogen, dat hij van zijn broers wegvlucht naar een ander vertrek om zijn tranen de vrije loop te laten.  

 

Geliefden, wij mogen in deze geschiedenis een blik slaan in het hart van Koning Jezus, als de meerdere Behouder des levens, de meerdere Jozef.

Wanneer Hij tegenspoed over ons brengt en ons ogenschijnlijk streng behandelt, zeggen we: Hij heeft hard, streng, tot ons gesproken. Dan stemmen we in met vader Jakob: ‘Wie is toch die man? Waarom behandelt hij ons zo? Jozef is er niet meer, ook Simeon niet, en ontnemen jullie mij nu ook Benjamin? Al deze dingen zijn tegen mij.’

Zo gaat het vaak in het leven van Gods kinderen op weg naar de hemel. Christus handelt zo om ons te ontdekken aan onze zonden, aan zonden die we misschien 22 jaar geleden begingen, zoals bij de broers van Jozef. Denk erom, we zondigen niet goedkoop.

Maar de meerdere Jozef handelt nooit met ons naar onze zonden; Hij straft ons niet naar onze ongerechtigheden. Dit geldt echter alleen indien wij ze belijden. Want anders zal Hij wél met ons handelen naar onze zonden; dan zal Hij ons wel straffen naar onze ongerechtigheden. Dat zullen de verlorenen eeuwig moeten ervaren.

Maar indien we hier komen tot een waarachtige bekentenis van onze ongerechtigheden, nee, dán handelt Hij nooit met ons naar onze zonden. 

Tóch kan God geen andere weg gaan met Zijn kinderen. Indien Jezus niet op deze wijze met ons handelde, zouden wij verloren gaan in onze zonden en nooit tot de hartelijke bekentenis komen dat we moordenaars zijn van de Zoon van God, en Hem hebben overgegeven tot de dood, ja tot de dood des kruises.  

 

Wanneer de beker, die door de bedienden van Jozef in de zak van Benjamin is gestopt, bij Benjamin gevonden wordt, en ze totaal verslagen terugkomen in het paleis, kijkt Jozef hen dan ook boos aan en zegt hij: ‘Zie je wel, ik heb het wel gedacht, dat jullie met oneerlijke bedoelingen gekomen zijn.’

Jozefs hart schreit echter. Zijn ziel weent omdat hij ze op deze manier behandelen moet.

De zonen van Jakob staan nu sprakeloos. De bewijzen zijn aangevoerd, de beker zit in de zak van Benjamin; ze kunnen er niets tegen inbrengen, ze hebben het allen gezien.

Maar dán treedt Juda naar voren en vertelt hij wat hij tegen zijn oude vader gezegd heeft toen ze afreisden uit Kanaän. Hij besluit zijn pleidooi met de indrukwekkende woorden: ‘Laat mij uw slaaf zijn, laat mij uw dienaar zijn, maar zendt deze mijn broers met Benjamin heen tot onze vader, opdat zijn grijze haren niet met droefenis ten grave dalen.’

O, als Jozef dan bemerkt dat de broers hem alles zonder omwegen vertellen, en dat ze niet meer zullen vallen in die zonden van 22 jaar geleden, als hij dan ziet dat er geen bedrog meer is in het hart van zijn broers, als Juda zich borg stelt voor zijn broer Benjamin… dan lezen wij dat Jozef zich niet langer bedwingen kan. 

Hij roept uit: Doet alle man van mij uitgaan. En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broederen bekendmaakte (Gen.45:1).

Nee, op dit moment kan geen enkele Egyptenaar er bij zijn.

Nee, er kan geen mens getuige zijn van hoe Jozef zich bekendmaakt aan zijn broers, maar ook wat de broers aan Jozef verklaren. Geen mens kan het geheim inzien dat wij aan Jezus verklaren en wat Jezus ons verklaart!  

 

Er zijn twee geheimen in ons leven, in mijn leven en in het leven van al Gods kinderen, die we aan niemand vertellen kunnen. In de eerste plaats het geheim van onze zonden; hoe groot, hoe goddeloos, hoe langdurig, hoe hemeltergend ze zijn. Niemand weet dat dan ik alleen. Dat ligt hoogstpersoonlijk. Dat is een geheim dat we met onze liefste vriend nog niet willen delen. Tegen niemand kunnen of durven we zeggen hoe goddeloos en hoe zondig we zijn, en hoe menigmaal we Gods geboden met gedachten, woorden en werken hebben overtreden.

Maar daartegenover staat dat andere geheim, dat ook zo persoonlijk ligt. Dat is die nieuwe naam, die niemand kent dan die hem ontvangt. Dat is die zoete inspraak van Gods vergevende genade, wanneer Hij ons laat weten hoe lief Hij ons heeft, met hoeveel barmhartigheid Hij over ons bewogen is, en welke prijs het Hem gekost heeft om ons van onze zonden te verlossen. ‘Doet álle man van voor mijn aangezicht uitgaan!’

 

Geliefden, kent u dat geheim? Die verborgen omgang met God, wanneer u als een overtuigde zondaar voor Hem ingewonnen bent en zonder iets te verzwijgen bekent tegen al Gods geboden zwaar en vaak te hebben overtreden?

In deze geschiedenis geeft Juda zijn leven voor dat van zijn broer. Ja, wanneer we het aan God gewonnen mogen geven, verliezen we ons leven, dan maken we geen enkel voorbehoud en mogen we neerzinken op Gods ontferming. Dat is een werk dat God met ons in het verborgen doet. Daar kan niemand bij zijn; dat weten Jezus en ik alleen.

 

Wanneer Jozef zich aan zijn broeders bekendmaakt, is hij de eerste die spreekt. Ja, ze leven al langere tijd van zijn goederen, maar ze kenden hem nog niet. Kent u die plaatsen, die tijden die er in het leven van Gods kinderen kunnen zijn? Jezus Die Zich bekendmaakt en Zich door Zijn Woord aan u verbindt?

Gemeente, die broers van Jozef hoorden niet bij die mensen, die je in de kerk nogal eens tegenkomt. Mensen die zeggen: ‘Jezus ken ik wel niet, maar ik geloof toch dat ik een kind van God ben.’

Dat is een uiterst gevaarlijke gedachtegang. Ik ontken niet dat er zulke kinderen van God zijn, van wie ik overtuigd ben dat het nieuwe leven in hen verheerlijkt is. Maar ik zou zo blij zijn als ze dat niet van zichzelf zouden zeggen voordat ze rust hebben gevonden in de kennis van de Meerdere van Jozef. Ik geloof dat het ware werk van God geen rust kent buiten de gemeenschap met Christus.

  

Er zijn zuchtende zielen die weliswaar door het koren van Jozef gevoed worden, maar Hem niet kennen als hun Borg en als hun Zaligmaker. Zij kunnen niet meer zeggen dan: ‘Ach, Hij heeft hard met ons gehandeld. Ik durf voor Zijn aangezicht niet te verschijnen.’ Deze mensen kunnen zich niet als broeders van Jozef presenteren, want dat bent u pas wanneer Hij Zich aan u bekend heeft gemaakt, wanneer Hij Zijn hart voor u heeft geopend.

Nee, dat is niet hard, dat is Bijbels, dat is naar waarheid. Eerder kan uw arme ziel toch geen moed scheppen en in die hemelse vreugde delen? U heeft dan toch geen grond waarop u staan kunt? Er is maar één grond om op te staan en dat is de openbaring van onze dierbare Borg en Zaligmaker. Er is maar één weg waarin onze Vader verheerlijkt wordt en dat is: Hem kennen en de kracht van Zijn opstanding, om Zijn dood gelijkvormig te worden. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.

 

O, als u Hem aanschouwen mag – en God geve dat u spoedig op die plaats komt – dan zult u zonder dat u iets verzwijgt uw leven onvoorwaardelijk in Zijn handen geven en zeggen: ‘Heere, ik heb niets meer te zeggen, ik heb niets meer te bedingen, ik heb niets meer te bieden, ik heb geen eisen om te stellen, hier ben ik voor Uw aangezicht, doe met mij wat goed is in Uw ogen. Kom ik om, zo kom ik om. Ik heb gehoord van genade en ontferming, breid dan uw vleugels over uw dienstmaagd uit, want gij zijt de losser (Ruth 3:9)!’

De meerdere Jozef zal dan zeggen: ‘Laat alle man van voor Mijn aangezicht uitgaan!’ Er was niemand bij toen Jozef zich aan zijn broers bekendmaakte. En dan nóg zien we dat ze niet met vrijmoedigheid tot hem durven naderen.

 

Er zijn twee dingen die zielen van Jezus afhouden: de ongerechtigheid en eigengerechtigheid. Eigengerechtigheid, wanneer we menen zonder offer zalig te kunnen worden, wanneer we veronderstellen ons levensschip zelf wel recht te kunnen houden op de woelige levenszee. Maar het kan ook gebeuren dat we door het gezicht op onze ongerechtigheid volharden om niet in Jezus te geloven; dat kan ook. Dan zitten we ons leven lang te klagen: ‘O, ik ben zo’n grote zondaar, ik ben zo’n zondares; was het nu maar eens zó; had ik nu maar eens dít; kon ik nu maar eens méér…’ Dan zitten we vooral op onze zonden te kijken, en dat is ongeloof! Dan denken we dat onze zonden groter zijn dan de genade van Jezus Christus. Dan denken we dat de kracht van onze zonden groter is dan de kracht van Jezus’ bloed. Gemeente, dat is ook zonde.

 

Daarom gaat Jozef door om zijn broeders voor zich in te winnen. Voor de tweede maal zegt hij: ‘Ik ben uw broeder!’ Pas dan durven ze tot Jozef te naderen. Dan is hij het, die zich aan hen openbaart. Dan kennen ze hem en vallen ze in diepe beschaamdheid aan zijn voeten neer.

 

Twee dingen worden in de aanschouwing van Christus ervaren. Wanneer Hij Zich openbaart kun je je niet vergissen. Dan zie je enerzijds hoe groot, hoe oneindig vol barmhartigheid God is, maar dan zie je aan de andere kant ook hoe diep, hoe walgelijk, hoe goddeloos en hoe ver je van God bent afgevallen.

Nooit, nooit zal de wet ons zo aan onszelf ontdekken, als we in de aanschouwing van Christus aan onszelf bekendgemaakt worden. Alleen dan smelten we weg, zinken we weg, en roepen we het uit: Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens (Luk.5:8).

In die hartelijke verootmoedigingen voor het aangezicht van God in Jezus Christus verfoeien we ons in stof en as. Maar op die plek richt Hij ons op en geeft Hij ons een boodschap mee; een boodschap voor de wereld, een boodschap voor allen die nog in boeien geslagen zijn, en ook voor vader Jakob.

Daarom zegt Jozef tegen de broers dat ze zich moeten haasten om ook Jakob, om ook het geslacht van Israël te brengen naar het rijke land van Egypte. Dan zegt hij: ‘Uw oog verschone uw huisraad niet, kom haastig!’

De broers maken haast. Zij krijgen van Jozef wagens mee om Jakob en de zijnen te voeren naar het beste van Egypteland. Als ze dan komen bij het ouderlijk huis van Jakob, roepen ze hem uit de verte toe: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland!  

 

We zingen nu eerst Psalm 105 vers 10 en 13:

 

               Wie kan Gods wijs beleid doorgronden?

               Een man werd voor hen heengezonden:

               De vrome Jozef, rijk in deugd,

               Tot slaaf verkocht in zijne jeugd,

               In ijz’ren boeien wreed gekneld,

               Werd, hun tot heil, in eer gesteld.

 

   Daarna toog Israël, gedreven

               Door nooddruft, tot behoud van ‘t leven,

               Naar ‘t rijk Egypte; Jakob kwam

               Als vreemdeling in ‘t land van Cham.

               Daar groeid’ en bloeide zijn geslacht,

               En overtrof zijns vijands macht.

 

Wij letten nu op onze tweede gedachte:

 

2. Een onweerlegbaar bewijs

 

Laten we nu eerst een blik werpen in het leven van Jakob. Daar zit hij, honderd en dertig jaar oud. Straks zal hij tot de farao zeggen, wanneer deze vraagt hoe oud hij is: Weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen (Gen.47:9).

Daar zit hij, grijs geworden, eenzaam en somber in zijn huis in Kanaän. Daar zit hij, die de belofte van God draagt. Daar zit hij, op wie de beloften van Abraham gekomen zijn in het beloofde land.

Maar hij beschouwt zich als een vreemdeling op de aarde. Zijn land wordt door een hongersnood geteisterd, zijn gezin is uitgedund, zijn liefste kind al jaren kwijt, en van zijn andere zonen weet hij niet of ze ooit nog terug zullen keren.

 

Gemeente, in deze zuchtende Jakob wordt de kerk getekend, lijdend aan haar zonde en aan haar eigen kwaad. Hier wordt de kerk getekend in de diepte van haar ellende. Maar terwijl Jakob zucht: Al deze dingen zijn tegen mij, terwijl hij zegt: Als ik van kinderen beroofd ben, zo ben ik beroofd (Gen.43:14), laat God Zijn kerk niet los.

Zelfs onder deze omstandigheden is God reeds jaren bezig om Jakob een huis te bereiden, een koninkrijk te bereiden, en eer en heerlijkheid te bereiden in het beste van Egypteland. Hij wist het niet, totdat de dag kwam dat de Heere het hem bekendmaakte. Maar dan zijn ze er ook allemaal. De broers van Jozef, Simeon en ook Benjamin! Ze roepen: Jozef leeft nog, ja, ook is hij regeerder in gans Egypteland!

Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet. Hij kon het niet geloven, het was té groot. Zijn hart bezweek, nee, niet van geloof, maar van ongeloof.

 

Nee, onder het geloof bezwijkt uw hart niet. De liefde maakt een mens niet dood, wel uw ongeloof. Hij geloofde hen niet, staat er, en daarom bezweek zijn hart. De strijd was zo hevig; enerzijds die sterke begeerte naar Jozef, en anderzijds die onmogelijkheid: dit kan toch niet? Jozef is immers al meer dan 22 jaar weg? Het kan toch niet anders of hij moet dood zijn, want waarom zou hij dan geen bericht hebben gezonden?

Nee, hij geloofde het niet.

Maar toen zijn zonen al de woorden van Jozef tot hem gesproken hadden en hij de wagens zag die Jozef gezonden had om hem te vervoeren, werd Jakobs geest levend.

Waardoor gebeurde dat?

Door het getuigenis van de jongens over hoe goed ze het bij Jozef hadden gehad? Ze zullen het hem ongetwijfeld verteld hebben.

Maar weet u hoe het hart van vader Jakob levend werd? Hoe hij als uit de dood ontwaakte? Lees goed wat er staat… Als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef! Alleen de woorden van Jozef, de woorden van Jezus, maken levend.

 

De broers pronkten niet met zichzelf, met de goederen en de prachtige opperkleden die ze van Jozef gekregen hadden. Nee, geliefden, ze hebben de woorden van Jozef gesproken.

Want wie zal een verslagen geest uit het stof verheffen? Wie kan een verwonde, een ellendige en een verloren zondaar verlossen uit zijn ellende?

Niemand dan Jezus alleen!

U kunt uw bekering in de meest rijke bewoordingen uitmeten, maar een verslagen geest kan er niet door worden levend gemaakt.

Maar hoe wordt zo iemand dan wel getroost? Door Jezus! Door de woorden die Hij spreekt. Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht (Gen.50:20). Hij is de meerdere Zafnath-Paäneah, door God gezonden om de Behouder te zijn van het volk. 

 

Geliefde gemeente, waarmee zal ik u nu troosten? Troosten met mijn geluk? Troosten met mijn ervaring? Troosten met het goede en de zegeningen die God mij schonk?

Nee, ik troost u met de woorden van mijn Borg en Zaligmaker, opdat een ieder die tot Hem komt, niet zal omkomen, maar het eeuwige leven hebben. Want Hij spreekt ook heden nog tot het hart van zondaren: Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen Mij gedacht; u hebt uw zonden bij tientallen vermenigvuldigd, doch God heeft dat ten goede gedacht.

Terwijl ú bezig bent om de Zoon van God te kruisigen, om het Woord van God ván u te werpen, verkondigt God verlossing in Hem, Die door uw toedoen in de handen van moordenaars is overgeleverd en aan het kruishout het leven gegeven heeft.

 

Jakob zag de wagens die Jozef gezonden had; wagens om hem en zijn huisgezin naar het beste van Egypte te voeren.

Geliefden, u hoeft niet op eigen kracht naar Jezus, u hoeft niet door uw eigen kunnen en kennen tot Hem te gaan. Hij heeft wagens gezonden om u te dragen naar de schaapstal. Wat zijn dan die wagens, zult u zeggen?

Het zijn het Woord en de sacramenten; de genademiddelen!

U hoeft niet zelf de weg te zoeken om verlost te worden. De Heere Jezus zegt: Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven (Joh.14:6).

Hij heeft bovendien nog andere wagens: ‘Gods wagens boven ’t luchtig zwerk, zijn tien- en tienmaal duizend sterk, verdubbeld in getalen.’ Hij legert Zijn engelen rondom degenen die Hem vrezen, opdat uw voet zich aan geen steen zou stoten. Dat is de betekenis van de wagens van farao.

Wanneer ik u het woord der genade verkondig, dan stel ik u de wagens van farao voor, die Hij door Jozef tot u gezonden heeft, de wagens van Jozef, die tot u gekomen zijn. Dan mag u zich vastklemmen aan, dan mag u zich neerzetten op dit Woord der waarheid.

 

U zult wellicht zeggen: ‘Ja, maar ik heb geen kracht, ik ben nog onbekeerd, ik ben onmachtig, mijn hart is zo hard…’ Gemeente, op déze wagens rijden we naar Jozef. Er is geen andere weg tot God dan het vertrouwen op dit naakte Woord, dat vanuit Zijn mond uitgaat. Zoveel eeuwen lang hebben ellendigen reeds op Hem vertrouwd. Ze hebben op Hem vertrouwd en ze zijn niet beschaamd geworden.

Zó wordt de geest van Jakob levendig.

 

Er staat verder – het is niet slechts een woordspeling; de Heilige Geest heeft het opzettelijk neergeschreven – dat Jakob uitroept: Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog! Ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve.

 

Wij letten nu in onze derde gedachte op:

 

3. Een zeer hartelijke geloofsopenbaring

 

We lazen zojuist dat Jakobs geest bezweken was, maar als hij van Jezus hoort, van Jozef hoort, dan wordt zijn ziel, zijn geest weer levend. Dan gaat Jakob, nee, dan gaat Israël, spreken!

Jakob worstelde met God. Toen Jakob Hem overwon, gaf God gaf hem een nieuwe naam. Toen hij aan de hals van de Engel des verbonds hing en zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (Gen.32:26), toen zei God: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël (Gen.32:28).

Ziet u het? Die strijd wordt in het leven van Gods kinderen niet slechts eenmaal gestreden; wat gebeurde bij Pniël herhaalt zich nogal eens in het genadeleven. Jakob sterft pas wanneer hij wachtend op Gods zaligheid, zijn voeten bij elkaar legt, wanneer hij de eeuwige heerlijkheid binnengaat.

Dan blijft Jakob achter. Dan hoort Jakob bij het huisraad, waarvan Jozef zegt: Uw oog verschone uw huisraad niet

 

Zolang we op aarde zijn, zijn we vleselijk, en zijn we meer Jakob dan Israël. Toch zijn er ook tijden in ons leven dat – Gode zij dank – Israël triomfeert! Op welke momenten vindt dat plaats? Geliefden, wanneer we Jozefs woorden horen en wanneer we Jozefs wagens zien; wanneer Hij Zijn wagens tot ons zendt, Zijn Woord ons doet horen, ons de tekenen toont van Zijn verbond, en wij in het gebroken brood en in de vergoten wijn, de tekenen van Zijn liefde, van Zijn genade en van Zijn ontferming zien.

Wij mogen dan alles verlaten, en met Israël zeggen: Het is genoeg! Dan hoeven de zonen van Jakob zelfs hun versierde gewaden en Jozefs geschenken niet te tonen. Als Jakob het woord van Jozef hoort en als hij de wagens van Jozef ziet, dan zegt hij: Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve!

In deze geschiedenis zien we dat Israël nogmaals alles achterlaat, zelfs het beloofde land, en de Heere geeft er Zijn goedkeuring aan. Als hij bij Berseba aan de grens van het beloofde land komt, en daar een offer brengt, zegt de Heere tegen Jakob: Vreest niet van op te trekken naar Egypteland.

 

In het verlaten van zijn huisraad en het op Gods bevel verlaten van het beloofde land gaat Jakob toch de goede weg. Voor een tijd bereidt de Heere hem een thuis in het beste van Egypteland. Het woord van God tot zijn vader Abraham gesproken, zal daarmee vervuld worden. Vierhonderd jaren zullen ze in Egypteland verkeren en er verdrukt worden, maar dan zal God aan Zijn verbond gedenken en zal Hij ze uitvoeren door een machtige arm en een sterke hand.

 

Voor de tweede maal verlaat Jakob het beloofde land, als een berooide en als een vreemdeling op aarde. Op weg naar Jozef. Jakob, die zo lang gezworven had, die twintig jaar bij Laban verkeerde in een vreemd land, en daarna in het land der ruste kwam, gaat nu op weg naar Jozef.

In Kanaän was de wezenlijke rust niet. Ook aan het verblijf in Egypte was door de zonde veel smart verbonden. Maar Jakob wist dat hij er onder de vleugelen van Jozef in de gunst van God zou mogen wonen al de dagen van zijn leven, en dat hij op Jozefs kosten zou mogen leven in het rijke Egypte, waar het hem aan niets zou ontbreken. En zo kon hij zijn huisraad achterlaten.

Kunnen wij dat ook? Ach, we zitten soms zo vast aan onze baan, onze vriend of vriendin. Maar Jozef zegt: Uw oog verschone uw huisraad niet, want het beste van gans Egypteland, dat zal het uwe zijn. Dat betekent: Laat los! Laat los waar je misschien hier zo aan gebonden bent. Laat je vrienden los die je in de weg staan om zalig te worden, laat die vriendin los waarmee je niet samen de Heere kunt vrezen. Laat los alles wat je ziel schade kan doen, en je hart doet schreien van leegte en van armoede.

 

Hoe lang verkeert u reeds in de duisternis? Met een onvervuld leven en met een bekommerd gemoed? Zonder waarachtige levensvreugde? Hoe lang nog?

Voor de broers duurde het 22 jaar. De oude Jakob verkeerde eerst twintig jaar in de ellende bij Laban, daarna nog eens 22 jaar in het gemis van Jozef. Komt er dan nooit een einde aan?

Ja! Het einde is nu in zicht: En Israël zeide: Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan en hem zien, eer ik sterve. De oude Jakob wist het: ‘Maar na de dood is het leven mij bereid; God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.’

 

Nog zeventien jaar leeft Jakob uit de schatkamers van Jozef. Aan het eind van zijn leven zegt hij tenslotte tegen zijn zoons: ‘Als ik straks ontslapen zal zijn, breng me dan terug naar het beloofde land.’ Hij houdt vast aan de beloften van God en zegt: ‘Begraaf mij in de grafspelonk van Machpela; daar waar Abraham ligt en Sara, zijn huisvrouw. Waar Izak begraven ligt en zijn huisvrouw Rebekka, en waar ik Lea begraven heb.’

Jakob wil dat zijn gebeente zal rusten in heilige grond, in de verwachting van de stad die fundamenten heeft; dat betere Kanaän, dat een ruimschootse vergoeding zal zijn voor al het leed dat hem hier door de zonde overkomen is.

Dan zal hij zijn grote Zoon, Die niet uit Jozef, maar uit Juda geboren zal worden, mogen aanschouwen. Dan zal Hij van Hem verzadiging van vreugde ontvangen, en lieflijkheden uit ’s Heeren rechterhand, eeuwig en altoos.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 81: 5 en 12

 

Dit doet Jozefs zaad

Aan Egypte denken,

En in welk een staat,

Waar ‘t een sprake vond,

Die het niet verstond,

God Zijn heil wou schenken.

 

Opent uwen mond;

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,

Mild en overvloedig.