Ds. H. Paul - Johannes 8 : 36

De ware bevrijding

Deze bevrijding is noodzakelijk
Deze bevrijding is mogelijk
Deze bevrijding is blijvend
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 15)

Johannes 8 : 36

Johannes 8
36
Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 107: 1, 8
Lezen : Johannes 8: 30-47
Zingen : Psalm 124: 1, 2, 3, 4
Zingen : Psalm 116: 5, 9
Zingen : Psalm 9: 9, 10

Gemeente, de tekst voor deze dienst vindt u in het gedeelte van het Woord van God dat u is voorgelezen uit het evangelie naar Johannes, hoofdstuk 8, daarvan het 36e vers:

 

Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.

 

Deze tekst spreekt van: De ware bevrijding.

 

1. Deze bevrijding is noodzakelijk

2. Deze bevrijding is mogelijk

3. Deze bevrijding is blijvend

 

1. Deze bevrijding is noodzakelijk

 

Gemeente, het is een groot voorrecht dat we een staatkundige vrijheid mogen genieten. Maar we hebben bijzonder nodig een geestelijke vrijheid, die ons verlost van de macht van de zonde en van de banden die ons van nature gebonden houden.

Dat bleek ook bij de Joden zo te zijn; die meenden vrij te zijn, maar ze werden door de Heere Jezus onderwezen dat ze ware geestelijke vrijheid nodig hadden. We lezen dat in het gedeelte dat u is voorgelezen uit Johannes 8, waarin we lezen dat de Heere sprak tot de scharen die tot Hem kwamen en dat Hij het volk Israël onderwees.

En velen geloofden in Hem, zo lezen we in vers 30. We zouden denken: wat een rijke zegen heeft de Heere gehad op Zijn arbeid! Velen geloofden in Hem! En toch, als we het verband van onze tekst nalezen, dan blijkt dat meer een oppervlakkige gemoedsaandoening te zijn dan wezenlijk in Hem te geloven, aan Hem verbonden te zijn. Het was meer door de indruk van Zijn woorden, door de indruk van de omstandigheden, dat men geloof hechtte aan wat Hij sprak.

Men geloofde wel áán Hem, maar niet ín Hem. Men geloofde niet in Hem als Zaligmaker, als Verlosser. Men had Hem als zodanig niet nodig. Men was onder de indruk van Zijn woorden en toch had men Hem niet nodig als de ware Bevrijder van hun zonden en van hun zondig leven.

 

Waar het ware geloof gewerkt is door de Heilige Geest, daar is verbondenheid aan Christus. Dan is er ook volharding, dan is er ook bestendigheid in Zijn dienst. We lezen in de brief van Paulus aan de Kolossenzen, hoofdstuk 2, vers 6 en 7: Gelijk gij dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandelt alzo in Hem, geworteld en opgebouwd in Hem en bevestigd in het geloof.

Dat is dus niet zomaar een ogenblik onder de indruk van het Woord of de omstandigheden zijn, maar blijvend in Hem geworteld zijn. In Hem geloven. Hem kennen in Zijn noodzakelijkheid, in Zijn onmisbaarheid. Hem benodigen, juist voor datgene wat hen terneerdrukte, wat hen gevangen hield. Dat is het kenmerk van het ware geloof in Christus.

 

Maar daar hadden deze mensen geen oog voor, want naar hun gedachten waren ze vrij. Vrij, maar - zoals de Heere ook aanwijst - slechts een uitwendige vrijheid, een godsdienstige vrijheid; niet een wezenlijke verlossing van de macht en de banden van de zonde.

Dat komt - de Heere Jezus wijst daar Zelf op in vers 43 - omdat ze geen begrip hebben voor Zijn woorden: Waarom kent gij Mijn spraak niet? Het is omdat gij Mijn woorden niet kunt horen. Ten diepste hebben ze niet verstaan wat de Heere zei. Het woord dat Hij gesproken had sprak hen niet aan. Gij kunt Mijn woorden niet horen. Ze waren gebonden in een niet-willen, gevangen in hun niet-kennen en niet-kunnen.

Dat gaat de Heere nu aantonen in het woord dat Hij tot hen spreekt: Gij, zegt Hij, zult Mijn woord horen en verstaan. En de waarheid zal u vrijmaken. De Heere Jezus zegt tot de Joden die in Hem geloven: Indien gij in Mijn woord blijft, zo zijt gij waarlijk Mijn discipelen; en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrijmaken.

De waarheid - dat is het Woord van God en de waarheid daarin vervat - zult u verstaan en ter harte nemen, indien u waarlijk in Mij blijft. Indien u, waarlijk in Mij ingeënt door het geloof, Mijn weldaden hebt leren aannemen en van harte door de band van geloof en liefde in de kracht van de Heilige Geest, in Mij bent en ook in Mij blijft, dan zult u Mijn discipelen zijn en u zult de waarheid verstaan en de waarheid zal u vrijmaken.

 

Die waarheid is: het weten Wie God is en Wie de Heere Jezus Christus is. Maar ook wie wij zijn, wat we geworden zijn door de zonde. Hoe God ons eenmaal geschapen heeft in het paradijs in de volmaakte vrijheid.

Want, gemeente, eens hadden we ook geestelijke vrijheid. In het paradijs was de mens in de volle vrijheid geplaatst. Hij had een vrije wil om God te dienen naar Zijn Woord en naar Zijn wet, die hem was ingeschapen in het hart.

Maar wij hebben God niet in erkentenis gehouden. We hebben de zonde gekozen en de ware vrijheid hebben we de rug toegekeerd. We zijn toen gebonden met de banden van de zonde.

Dat gaat de Heere nu de schare voorhouden. En Hij zegt ook hoe Hij alleen daarvan kan bevrijden en dat die bevrijding noodzakelijk is in het leven van hen allen. De waarheid zal u vrijmaken. Dat hebt u nodig. Die waarheid zal u bevrijden van de machten die u gevangen houden. Door te geloven in de waarheid, door de waarheid te aanvaarden, er voor te buigen en die van harte toe te vallen. U belijdt daarmee wie u bent voor God. Maar ook het geloof in de enige Zaligmaker, door Wie bevrijding mogelijk is, zoals we straks hopen te zien.

Als de Heere dan tot hen zegt: ‘De waarheid zal u vrijmaken, die waarheid alleen brengt u tot de ware vrijheid’, dan voelen ze zich gekrenkt. Ze zijn beledigd, want dat betekent dat ze nu niet vrij zijn. We laten ons niet zomaar zeggen dat we geen vrij man zijn, dat we gebonden zijn.

Ze zeggen: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt Gij dan: Gij zult vrij worden? Weliswaar dienden ze de Romeinen. Ze waren ook in Egypte eens slaven geweest van de farao. Ze waren later zelfs weggevoerd naar Assyrië en naar Babylonië. Maar naar hun eigen gedachte waren ze nu geestelijk vrij. Ze waren immers kinderen van Abraham, koningskinderen! En ze deelden in de voorrechten van Abraham en zijn zaad. Ze waren geestelijk vrij, hoewel maatschappelijk gebonden aan de macht van de Romeinen. Geestelijk vrij; ze bezaten de vrijheid van Abraham, want ze waren zijn afstammelingen.

 

En gemeente, daarin zien we de oppervlakkige beschouwing, je zou kunnen zeggen: de oppervlakkige verbondsbeschouwing van Israël. Oppervlakkig meenden ze dat ze, omdat Abraham hun voorvader was, automatisch deelden in de vrijheid van hem. Hij was Gods kind, Gods dienaar; zo waren ook zij geestelijk vrij en zouden ze straks de zaligheid verdienen als ze zich aan de wet hielden.

Hoe velen zijn er ook in onze dagen die zich daarmee tevreden stellen. Met hun gedoopt-zijn, met hun kind-des-verbonds-zijn, met hun leven naar het Woord van God zijn ze vrij. Ze delen in de vrijheid en mogen God hun Vader noemen en Christus hun Zaligmaker.

Anderzijds zien we dat er toch een gebondenheid is aan de wereld en ook aan de zonde. Men verstaat niet de wezenlijke vrijheid. Men begrijpt ook niet de weg waarlangs we alleen tot vrijheid kunnen komen, namelijk door het zaligmakend geloof. In de weg van ontdekking. In de weg van het zondaar zijn voor God. In het beleven van wat we geworden zijn door eigen schuld.

 

Maar buiten het wonder van de ware vrijmaking zucht men niet onder de heerschappij van de machten die ons gevangen houden. Daarom zegt de Heere Jezus ook: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, een iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zonde. Als de Heere begint met: ‘Voorwaar, voorwaar’, dat is: ‘Amen, amen’, dan betekent dit dat Hij dwars tegen hun voorstelling ingaat. Dat Hij hun iets voorhoudt ondanks hun eigen gedachten. Dan brengt Hij hun het Woord van God tegen hun mening in.

Daarom zegt Hij tot hen dat een ieder die de zonde doet een dienstknecht der zonde is. Die de zonde doet, dat wil zeggen: wie daarin leeft. Hetzij in de zonde van de eigengerechtigheid of in de zonde van de goddeloosheid, hij is een dienstknecht van de zonde; hij is daaraan onderworpen en kan in eigen kracht niet tot de ware vrijheid komen.

 

Gemeente, dat is niet alleen van toepassing op het volk van Israël. Dat geldt ons allemaal! We zijn door de zonde dienstknechten geworden van de zonde. Dat is de dienstbaarheid, waarin elk van ons verkeert. Wij zijn gebonden aan de machten van de satan, van de wereld en van het eigen hart. Dat is met ons allen zo gesteld.

Misschien denkt u wel: Nou, dat valt bij mij toch nog wel mee... Als ik kijk naar anderen, die zich overgeven aan de zonde, als ik denk aan al die mensen die met God en gebod geen rekening wensen te houden... Wij zijn nog fatsoenlijke mensen, wij zijn helemaal niet zulke dienstknechten van de zonde...

Als u zo denkt, dan moet u maar eens om licht vragen van boven! Dan moet u maar eens lezen wat Gods Woord ons zegt. Paulus schrijft in Romeinen 3 van elk mens dat er niemand is die goed doet, ook niet tot één toe! We zijn allen afgevallen van God en aan de machten van de boze en van de zonde onderworpen.

Daarom hebben we nodig vrijgemaakt te worden. Al hebben we dan een staatkundige en een maatschappelijke vrijheid, daarmee hebben we nog geen geestelijke vrijheid.

 

Wat komt dat openbaar ook in ons vaderland. Wat is er een gebondenheid aan de zonde. Ik noem de sportverdwazing. Wat heeft ‘koning voetbal’ honderdduizenden in zijn macht. Het hele leven wordt er door beheerst als er wedstrijden gespeeld worden waarbij het oranje-elftal is betrokken. Dan ligt alles stil vanwege de macht van de sport. Sportverdwazing!

En wat een lectuur wordt er niet gedrukt wat ook onze huizen binnenkomt! En wat komt er niet via allerlei media tot ons! Hoeveel wordt er niet vertoond en ten gehore gebracht wat de gebondenheid aan de zonde laat zien! Laten we ook de middelen die zo’n verslavende macht hebben niet vergeten, zoals alcohol, tabak en drugs. Uit alles blijkt zo duidelijk dat we geen echte vrijheid hebben en dat de mens gebonden is aan de boze machten. Wat een ijzeren greep heeft de housemuziek niet op de jeugd! Ze beheerst met gebruik van allerlei pillen het jonge publiek en brengt zalen vol jonge mensen tot een extase, zodat ze zelf niet meer weten wat ze doen. Wat een machten zijn het! Zijn wij dan vrij?

Staatkundige vrijheid is er wel, zeiden we, maar wat is er verder een gebondenheid! Een ontzaglijke tirannie van de machten die ons gevangen houden en van de zonde die ons bindt. Die machten zijn sterk. Daarom is bevrijding zo noodzakelijk.

 

Gemeente, wat is het groot daarvan bevrijd te mogen worden, zoals de tekst zegt: Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult u waarlijk vrij zijn. Want wie een dienstknecht van de zonde is, die komt nooit tot de ware vrijheid. Wat is het groot vrijgemaakt te worden van de banden van de dienstbaarheid, verbonden te worden aan de Heere door de band van de Heilige Geest en van het ware, zaligmakende geloof.

Daarom, wat een wonder dat wij worden gewezen op een vrijheid die blijft, op een vrijheid die mogelijk is. We kunnen niet zó gebonden zijn aan de machten van de zonde, aan de krachten die onze ondergang beogen, die als ketenen ons binden om ons neer te drukken in het verderf, of we kunnen ervan bevrijd worden door Hem, Die Zichzelf ‘de Zoon’ noemt. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult u waarlijk vrij zijn.

Gemeente, jongens en meisjes, wat een wonder dat we, te midden van onze gebondenheid aan de zonde en in de zonde en onder de zonde, mogen spreken van die Naam, gegeven tot zaligheid; van die Naam, gegeven tot ware vrijheid, ware bevrijding en vrijmaking. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben... Immers, God had ons allemaal kunnen laten liggen waar we door eigen schuld gekomen zijn. Hij had ons kunnen overgeven aan de goddeloosheid en de boosheid van ons eigen hart. Net als de eerste wereld, die onderging in haar goddeloosheid, waar wrevel het hart vervulde.

Maar nu laat de Heere nog verkondigen dat er bevrijding mogelijk is door de Zoon, de Zoon van God Zelf! De vrijheid is dus uit God en niet uit de mens. God gaf Zijn Zoon. Hij werd in deze wereld gezonden. Hij kwam uit eeuwige liefde tot de deugden Gods. En uit liefde tot de Zijnen gedrongen gaf Hij Zich van eeuwigheid. Toen de vraag gesteld werd: ‘Hoe zal Ik ze onder de kinderen zetten en geven het gewenste land?’, toen er geen weg was waardoor gebonden zondaren weer tot vrijheid konden komen, toen heeft God Zijn Zoon gezonden. En de Zoon heeft Zich vrijwillig daartoe gegeven: ‘Ik kom, Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen.’

 

Daarom moest Hij Zich laten binden. Daarom moest Hij gebonden worden met de machten die wij over ons hebben gehaald. ‘Waar Hij gebonden werd - ook letterlijk in de hof van Gethsémané - opdat Hij ons zou ontbinden’, zo zegt het avondmaalsformulier.

Want die vrijheid, waartoe de Heere de Zijnen zal doen geraken uit eeuwige zondaarsliefde, uit eeuwige barmhartigheid, moet op grond van recht verkregen worden. God kan de zonde niet door de vingers zien. Hij kan zondaren niet zomaar ontslaan van die banden waarmee de macht van de boze hen vasthoudt; ontslaan van de vloek van de wet, en van het oordeel dat onze zonden over ons gebracht hebben. Daarom moest Zijn Zoon komen.

En Hij heeft Zich gegeven. Hij is gezonden, en Hij is gekomen, geboren uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de vloek der wet waren verlossen zou en zij de aanneming tot kinderen zouden verkrijgen. Opdat zij daardoor kind van God zouden zijn. Opdat zij daardoor vrij zouden zijn.

 

Gemeente, het is een wonder - en laten we ons er over verwonderen! - dat er geestelijke vrijheid mogelijk is voor gebondenen. Daarover handelt onze tweede gedachte:

 

2. Deze bevrijding is mogelijk

 

Ik denk nu aan de gelijkenis van de verloren zoon. Die jongste zoon dacht dat hij vrij was toen hij wegging van huis. Hij was immers vrij om te gaan en te staan waar hij wilde... Hij was immers vrij om te doen wat hij wilde... Wat een vrijheid! Wat genoot die jongen! Hij was vrij van al die banden waarmee hij thuis gebonden was. Van dat beschermde milieu, omgeven door de wetten van God, moest hij niets hebben. Hij was vrij!

Totdat hij zag waar het hem bracht... Totdat hij zag dat die vermeende vrijheid niet anders was dan gebondenheid. Gebondenheid aan de zonde, aan zijn eigen lusten. Toen hij dat inzag kwam hij tot zichzelf, kwam hij tot inkeer. Toen heeft hij leren inzien hoe nuttig het was zoals hij thuis opgevoed werd; hoe goed het was wat zijn vader hem voorhield. Toen kwam hij tot zichzelf en keerde hij de zonde, de zogenaamde vrijheid, de rug toe. Hij kon niet meer zo verder; hij wilde het ook niet meer. Dat was geen leven waar zijn hart zich in kon vinden. Hij ging terug naar huis.

Zo keert de ontdekte zondaar terug naar God. Terug als zondaar. Terug als een gebondene, die de gevolgen daarvan draagt in zijn leven. En dan welkom te zijn bij de Vader! De Vader, Die reeds van ver met verlangen staat uit te zien naar zijn terugkomst. Is dat geen wonder, gemeente?

 

Vrijheid… God verleent vrijheid op grond van recht, op grond van de voldoening van Christus. Immers - zo lezen we in onze catechismus - nadat Christus de Zijnen gekocht heeft en vrijgemaakt, vernieuwt Hij hen naar Zijn beeld. Gekocht en vrijgemaakt, daar ligt de diepe oorzaak. Gekocht met Christus’vbloed en vrijgemaakt van de banden van de zonde. In beginsel hier reeds op de aarde en straks volmaakt en volkomen tot in eeuwigheid. Ware vrijheid, waar de Heere Zelf toe brengt. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn.

Dat is echte vrijheid. Die krijg je nooit door doen en laten. Die krijg je nooit door wetsonderhouding. De Joden dachten door kinderen van Abraham te zijn, door doen en laten, door de wet te onderhouden, straks tot de volle vrijheid en eeuwige zaligheid te mogen komen. Maar die weg is afgesneden, gemeente. Want dan ben je niet meer dan een dienstknecht. En een dienstknecht blijft niet in het huis, die komt nooit tot de vrijheid der kinderen. Die blijft altijd dienstbaar. Wie dienstknecht is en blijft, dat wil zeggen: wie het van zijn wettisch bezig zijn verwacht, komt nooit tot de echte vrijheid, tot de vrijheid der kinderen Gods.

Zo zegt de Heere het ook. Een dienstknecht der zonde en der eigengerechtigheid blijft niet eeuwig in het huis, want daar is geen plaats voor in Zijn huis. Die moet worden weggezonden, zoals eenmaal Ismaël werd weggezonden. Maar de zoon blijft er eeuwig. De zoon is degene die deel heeft aan de schatten die Christus verworven heeft.

 

Als je waarlijk vrij bent, dan weet je ook van de gebondenheid. Maar als je je vrij waant, dan heb je geen bevrijding nodig. Als je op grond van je verbondsbeschouwing dénkt dat je vrij bent, dan heb je weinig last van die gebondenheid. Dan ben je - naar eigen gedachten - vrij man. Maar als Gods Geest ons aan onszelf ontdekt, wanneer we leren zien wat we hebben gedaan tegen de Heere, hoe we in de schuld staan bij God en hoe de zonde de macht is die ons gevangen houdt, dan gaan we er onder zuchten. Dan heb je een Bevrijder nodig. Dan heb je bevrijding van de schuld en van de macht der zonde nodig.

En dat brengt tot de echte bevrijding. Dat is geen vrijheid die uit onszelf opkomt, waarbij je jezelf opwekt en oproept en opwerkt tot de vrijheid. Nee, dat is een vrijheid van boven. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben...

 

Wanneer de Heere plaats maakt voor Zijn genade, dan wordt de noodzakelijkheid ervan geleerd. Maar dan leren we ook dat het niet kan van ons uit. Het is enkel genade. En dan wordt die genade ook benodigd.

Wat is er reeds een verruiming als de Heere door het Woord iets doet kennen van Zijn genade. Dan is het al: ‘Ik mag ademhalen na zoveel bange tegenspoed.’ Wat wordt het echter weer gauw een gebondenheid als we de vrijheid in Christus missen. Daarom zal Gods Kerk ook geen rust kunnen vinden vóór ze de ware vrijheid in Christus vindt, door persoonlijk aan Hem verbonden te zijn met de levende band van het geloof, ja, vrijgemaakt, vrij verklaard te zijn door God, op grond van Christus’ werk. Want dat is de ware vrijheid, als die vrijheid in het geloof gekend wordt als een door God geschonken vrijheid, uit genade en om Christus’ wil. Vergeving van zonde, genade van God en daarmee ook gepaard het breken van de banden en de macht van de zonde, in een weg waarin al het onze wordt afgesneden. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben...

 

Die vrijheid laat de Heere nog verkondigen, die laat Hij nog prediken. We lezen in Jesaja 61 vers 1: De Geest des Heeren Heeren is op Mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen de zachtmoedigen; Hij heeft Mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om de gevangenen vrijheid uit te roepen en de gebondenen opening der gevangenis.

Is het geen wonder, gemeente, jongens en meisjes, dat de Heere dat nog laat verkondigen? Dat er nog vrijheid is bij de Heere? Dat er vandaag nog evangelieverkondiging is? Dat er - hoezeer we ook gebonden zijn aan de machten van de zonde en hoe groot en zwaar de schuld ook is - toch nog uitkomsten zijn bij de Heere tegen de dood en tegen de boze machten?

Christus heeft over alle machten getriomfeerd. Hij heeft overwonnen.

 

Gij, Heer’, alleen, Gij zijt

Verwinnaar in de strijd,

En geeft Uw volk de zegen.

 

Die vrijheid bestaat uit het leren haten en vlieden van de zonde. Zij die waarlijk vrij zijn, wensen niet meer te leven onder de heerschappij van de zonde. Ze verlangen niet meer gedreven te worden door de drang van het eigen vlees, of van het ‘doe dat’. Ze begeren niet meer beheerst te worden door het geweld van de duivel.

Het wonder is nu dat Christus dat alles verdiend en verworven heeft. Hij ging de dood in; Hij liet Zich binden met banden, opdat gebondenen tot vrijheid zouden worden geleid. Dat is een voortgaande zaak in het leven van Gods kinderen. ‘Ik sterf alle dagen’, zegt Paulus. En hij bedoelt: sterven aan eigengerechtigheid, sterven aan de werken van de wet om daardoor de zaligheid menen te verwerven, sterven ook aan de wereld. ‘Ik ben door het kruis van Christus der wereld gekruisigd’, zegt hij. Een stervend leven, een afstervend leven van de oude mens, en dan zo gelijktijdig ook de opstanding van de nieuwe mens. Dan wordt vrijheid gekend in liefdevolle binding aan het Woord en aan de wet.

 

We mogen u deze vrijheid voorstellen, gemeente, die alleen gevonden wordt als we een kind van God mogen zijn, als we de Heere mogen kennen en vrezen.

Dat is een vrijheid die straks brengt tot de volmaakte vrijheid. De volmaakte vrijheid in de eeuwige zaligheid. Want daar is volkomen vrijheid. Daar is geen enkele band meer die bindt aan de zonde of aan de wereld. Dan is er altijd die volle vrijheid, om God te verheerlijken naar de liefde van het hart. Dan is er altijd blijdschap en vrede en vreugde, eindeloos, eeuwig. Dan wordt het waar:

 

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ‘t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogste toppunt stijgen.

 

Voor we verder gaan om ons derde punt te behandelen, zingen we eerst uit Psalm 116 vers 5 en 9:

 

Gij hebt, o Heer’, in ’t dood’lijkst tijdsgewricht

Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen,

Mijn voet geschraagd; dies zal ik, voor Gods ogen,

Steeds wandelen in ‘t vrolijk levenslicht.

 

Och Heer’, ik ben, o ja, ik ben Uw knecht,

Uw dienstmaagds zoon; Gij slaaktet mijne banden;

Dies doe ik U gewillig offeranden

Van lof en dank, U plechtig toegezegd.

 

3. Deze bevrijding is blijvend

 

De Heere Jezus zegt immers: Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarlijk vrij zijn. Israël beroemde zich op een zogenaamde geestelijke vrijheid, een vermeende vrijheid. Ze waren kinderen van Abraham, afstammelingen van vader Abraham, kinderen des verbonds, rijk en verrijkt en aan geen ding gebrek. Dat was echter geen vrijheid. Zij verstonden niet dat ze ten diepste allemaal gebonden waren aan de zonde en aan de machten van de zonde, zoals Paulus dat uitdrukt in Romeinen 3: Beide Joden en Grieken, dat zij allen onder de zonde zijn, gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet één (Rom.3:9-10).

Een uitwendige verbondsrelatie brengt niet tot de echte vrijheid. Een persoonlijke toepassing van de vrijheid in Christus Jezus is nodig. Dan alleen verstaan wij wat ware vrijheid is.

Calvijn zegt er van: ‘Zoals ze ook nu nog in een groot deel van de wereld zich inbeelden dat ze koningskinderen zijn, zonder te beseffen dat ze in een jammerlijke dienstbaarheid verkeren.’ In een jammerlijke dienstbaarheid, terwijl ze menen vrij te zijn…

Kohlbrugge schrijft: ‘Want een mens verstaat van deze vrijheid niets, indien hij niet van God geleerd is. Hij kiest een vrijheid naar zijn lust en veracht en versmaadt de ware vrijheid. Het antwoord van het vlees op het woord van Christus vindt u - zegt Kohlbrugge - in vers 59, want we lezen daar dat ze stenen opnemen om ze op Hem te werpen.’ Zó zijn ze gekant tegen de woorden waarin de ware vrijheid wordt gepredikt.

 

De ware vrijheid is een vrijheid met verlies van eigen leven, met verlies van eigen verwachtingen, met verlies van eigen begeerten en lusten. Want dat kan niet samengaan. Immers, waar Christus komt en vrijmaakt, vernieuwt Hij naar Zijn beeld! Dan wordt het het verlangen van ons hart om de eer van God te mogen bedoelen en in de vreze des Heeren te leven. Daar wordt de vrijheid in gevonden.

En, gemeente, jongens en meisjes, dat is geen zware dienst, hoor! De Heere Jezus zegt Zelf: Mijn juk is zacht en Mijn last is licht (Matth.11:30). De dienst van de wereld is een harde dienst. De dienst van de zonde, waarin je wordt opgejaagd van de morgen tot de avond, van de ene zaterdagavond tot de andere… Dat bezet je, je bent er aan gebonden met de banden van de zonde.

Dat is de vrijheid die de verloren zoon aanvankelijk zocht, maar die hem naar de ondergang gevoerd zou hebben. Hij vond echter zijn leven in de ware vrijheid om thuis kind te zijn. Wat hij eerst veracht heeft, heeft hij later als een wonder mogen zien. Een wonder dat hem dat ten deel gevallen is, dat hij weer thuis mocht komen, dat hij weer kind in huis mocht zijn. Dat is het wonder geweest, dat hij nooit klein heeft kunnen krijgen.

 

Dat is een blijvende vrijheid, want ze mondt uit in een eeuwige vrijheid. De vrijheid van de wereld, de zogenaamde vrijheid, is slechts gebondenheid, die naar het verderf trekt. Maar de vrijheid die van boven is, waarmee de Zoon vrijmaakt, vrij van de schuld en de macht van de zonde, dat is een eeuwige vrijheid. Altijd bij de Heere zijn, altijd doen, met volle liefde van je hart, wat je verlangt te doen. Want daar kan geen zonde meer zijn. Daar is geen enkele zondige gedachte meer. Altijd in volle vrijheid, met volkomen liefde, altijd naar de lust en de liefde van het nieuwe leven, zonder enige beperking. Alles tot eer van God.

Dat is vrijheid! En dat geeft Gods Woord hier aan. Die vrijheid wordt u verkondigd. Die wordt u gepredikt als mogelijk bij God, verdiend door Christus, aangeboden in het evangelie. Immers, Hij is gezonden om gevangenen vrijheid uit te roepen en gebondenen opening der gevangenis.

Erken dan dat u een gevangene bent, en belijd het voor de Heere. Zoek die vrijheid die om niet te verkrijgen is. Dat niemand nu zegge: ‘Voor mij kan het niet, want ik ben zo gebonden en zo in de kluisters van die machten...’ Weet: de Heere is machtig om die boeien te breken en die banden te slaken. Hij kan het. De Heere Jezus, de Zoon van God, is almachtig! En het is het liefste werk wat Hij doet: de banden en de boeien verbreken, waarmee wij gebonden zijn.

Gemeente, jongens en meisjes, hef dan die geboeide handen maar op! Hef je gebonden hart maar op!

 

Vrijheid is een voortgaande zaak. U moet niet denken dat in de wedergeboorte gelijktijdig die vrijheid verkregen wordt en dat u dan geen last meer heeft van de zonde. De Kerk op aarde is een strijdende Kerk. Want er zijn zoveel machten die proberen om de verkregen vrijheid weer te ontnemen.

De vrijheid op aarde is altijd een aangevochten, een bestreden vrijheid. Dat zien we altijd en overal in de wereld. Maar geestelijk is dat nog veel meer het geval. Geestelijke vrijheid wordt altijd fel aangevochten en bestreden. Er zijn zoveel krachten van binnenuit en van buitenaf.

Paulus moest er van zeggen in Romeinen 7: Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom.7:24) Dat wil zeggen: Wie zal mij de vrijheid geven? Wij zouden zeggen: ‘Paulus, je bent vrij man!’ Hij heeft immers mogen getuigen dat niets hem zal scheiden van de liefde Gods, welke er is in Christus Jezus, onze Heere! Ja, zo staat het in Gods Woord. Maar tegelijkertijd zegt hij: ‘Ik ken een macht in mij, die mij gevangen houdt.’ Paulus kent zichzelf op aarde nog als een gevangene. Bij tijden neemt de zonde hem nog zo gevangen, als hij niet waakt en als hij niet strijdt.

Daarom zegt hij ook in de brief aan de gemeente van Efeze dat er gestreden moet worden in de wapenrusting Gods. Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen van de duivel (Ef.6:11). Want de duivel berust er niet in dat Gods kinderen hem ontnomen zijn. Hij probeert de oude macht weer te hernemen. Daarom zegt Paulus ook: Doet aan de gehele wapenrusting Gods. (…) Staat dan, uw lendenen omgord hebbende met de waarheid en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid (Ef.6:11,14).

Hij spreekt van het schild des geloofs, van de helm der zaligheid, van het zwaard van het Woord, dat gehanteerd moet worden tegen die machten, als de eenmaal verkregen vrijheid wordt bestreden en aangevochten door de kracht van satan en van het ongeloof. Die willen weer opnieuw binden en knechten. Maar hij wijst daarbij op de noodzaak van het gebed: Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in de Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid (Ef.6:18).

 

Er is één Macht, één Kracht, één Zoon, Die heeft overwonnen! Zijn Godheid heeft aan Zijn werk eeuwige waarde toegebracht. Hij is almachtig!

Als de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, dan zult u waarlijk eeuwig vrij zijn! Laten we daar toch acht op geven, gemeente. Laten we niet doen als Israël, dat wel Zijn lof gezongen heeft, maar Zijn stem niet wilde horen. We zingen immers in Psalm 81:

 

Maar Mijn volk wou niet

Naar Mijn stemme horen;

Israël verliet

Mij en Mijn geboôn;

‘t Heeft zich and’re goôn,

Naar zijn lust, verkoren.

 

En moeten wij ook niet zeggen: ‘Nederland, je hebt andere goden tot je lust verkoren’? Allerwegen breekt de zonde door. We zijn koploper geworden in het bedrijven van de zonde. Andere landen en volken staren met verbijstering naar ons land, hoe hier met drugs wordt omgegaan, hoe abortus en euthanasie wettelijk mogelijk worden gemaakt. Onze regering vraagt niet meer naar God en wil niet meer dat het Woord van God een stempel zet op het levend. Voorthollen, zogenaamd in vrijheid, maar in werkelijkheid in de ban van de zonde.

Er wordt gesproken over de rechten van de mens, over zelfbeschikkingsrecht van de mens. Maar, gemeente, het is enkel en alleen gebondenheid! Gebondenheid aan de zonde en aan de macht van de boze. Ons volk, dat zo bijzonder door de Heere is bevoorrecht, waarin het Woord van God zo’n hoge plaats had ingenomen, ons volk is koploper geworden ten opzichte van andere volken. Zó is ons volk in de ban van de zonde. Staatkundig wel vrij, maar geestelijk geknecht. En dat door eigen schuld.

Daarom hebben we die geestelijke vrijheid zo nodig, die vrijheid die blijvend is, die eeuwig blijft en waarin de ware vrijheid gevonden wordt om God te dienen naar de liefde van het hart.

 

Gemeente, jongens en meisjes, kinderen, de dienst van de Heere is een liefdedienst, die ik je zo van harte kan aanbevelen! De dienst van de zonde knecht je, die trekt je naar het verderf. Maar de dienst van God is een dienst waar vrijheid gekend wordt en vrede in het hart!

Al wordt die dan bevochten, al moet er dan gestreden worden... maar: ‘Ons staat een sterke Held terzij!’ Hij heeft overwonnen. En Hij helpt ook overwinnen! Wie Hem benodigt, wie tot Hem de toevlucht neemt, wie in Hem zoekt wat tot ware bevrijding nodig is, die zal Hij ook, naar Zijn eigen toezegging, helpen en bijstaan. Waar aan onze kant geen kracht is tegen die grote menigte, daar zal Hij doen ervaren: de Heere zal voor u strijden!

Dat is de hoop van hen die de gebondenheid kennen als een benauwende kracht. Dat is de hoop van hen die de zonde hebben leren haten en vlieden, en die beleven dat ze zondaar zijn. In eigen kracht kunnen ze de zonde niet de baas, maar ze hebben de Heere nodig en bidden:

 

O Heer’, verlos mij uit de banden,

Waarin de boze mij beknelt;

Behoed mij voor des wreedaards handen,

Voor dwing’landij en woest geweld.

 

Dat is een gebed dat niet tevergeefs is. Dat is een nood die door Gods Geest gewerkt is en die door de Heere Zelf vervuld zal worden. Staatkundige vrijheid is een voorrecht, een zegen die te mogen genieten. We mogen namelijk nog in rust en vrede samenkomen. We mogen ons leven nog inrichten naar de eis van het Woord van God, ook kerkelijk.

Maatschappelijk wordt het zo hier en daar wel moeilijker, want er zijn beroepen waarin je eigenlijk niet meer kunt werken, vanwege de eisen die men stelt dat je mee moet doen aan de dienst van de zonde. Denk alleen maar aan de zondagsarbeid, het openstellen van winkels op zondag. Of dat je mee moet doen aan datgene wat men wil: abortus, euthanasie, enzovoorts. Ja, maatschappelijk wordt het al moeilijker. We zullen moeten bidden en strijden voor de christelijke waarden. We zullen moeten strijden voor hetgeen ons is overgeleverd.

Dat geldt voor het maatschappelijk leven, maar dat geldt ook in het persoonlijk leven. We moeten staan voor de zaak die de Heere ons in Zijn Woord gewezen heeft. Dat is geen band die ons bindt met knechtelijke onderworpenheid. Nee, dat is een liefdesband, om God naar Zijn Woord en wet te dienen en om in de vreze Gods te leven.

Dat is ten diepste een keus voor de ware vrijheid. Die wordt wel bestreden, maar geen macht der hel zal die kunnen verhinderen. Geen macht ter wereld zal kunnen overwinnen in die strijd, waarin God voor ons strijdt. Als Hij strijdt, dan is de overwinning zeker en dan zal het ook eenmaal eindigen in een eeuwige overwinning. Dan zal de Zoon, Die ons heeft vrijgemaakt, tot de ware vrijheid leiden, tot in eeuwigheid.

 

Daarom, gemeente, hoe staan we tegenover de Heere? Kennen wij ook iets van die geestelijke vrijheid, van de ware vrijheid in Christus? Als u bekommerd en vol strijd zegt: ‘Zou het voor mij ooit kunnen?’, weet dan dat Hij regeert, dat Hij overwonnen heeft. Hij deelt Zijn overwinning gaarne mee als de Held der hulp, bij Wie God hulp besteld heeft voor hulpelozen en krachtelozen.

Dan wordt Hij steeds meer nodig in het leven van Gods kinderen. Waar wij steeds krachtelozer en hulpelozer van onszelf worden, mogen we door het geloof zien op Hem, Die heeft overwonnen, en zingen:

 

Gij, Heer’, alleen, Gij zijt

Verwinnaar in de strijd

en geeft Uw volk de zegen.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 9: 9 en 10

 

De Heer’ zal zijn een hoog vertrek

Voor wie getrapt wordt op de nek;

Een hoog vertrek in drukkend lijden;

Een toevlucht in benauwde tijden.

 

Hij, die Uw naam in waarheid kent,

Zal, Heer’, op U in zijn ellend’

Vertrouwen, wijl Gij nooit liet zuchten

Hen, die gelovig tot U vluchten.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 15)