Ds. J. IJsselstein - Handelingen 3 : 19 - 20

De Christusprediking van Petrus

Een moordenaar in plaats van de Zaligmaker
De Zaligmaker in de plaats van moordenaars

Handelingen 3 : 19 - 20

Handelingen 3
19
Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,
20
En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Handelingen 3
Zingen : vrij in te vullen

Gemeente, de tekst voor de preek van deze dienst kunt u vinden in Handelingen 3, daarvan de verzen 19 en 20. In Handelingen 3, vers 19 en 20 lezen we het Woord van God als volgt:

 

Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, en Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is.

 

Het thema voor de preek is: De Christusprediking van Petrus.

 

We letten samen op twee aandachtspunten. In de eerste plaats op een moordenaar in plaats van de Zaligmaker, en in de tweede plaats op de Zaligmaker in de plaats van moordenaars.

 

Dus:

1. Een moordenaar in plaats van de Zaligmaker

2. De Zaligmaker in de plaats van moordenaars

 

Als eerste dus:

 

1. Een moordenaar in plaats van de Zaligmaker

 

Zie je hem zitten, jongens en meisjes? Kijk, daar, naast de deur van de tempel. Een gehandicapte man. Hij is niet meer zo heel jong, hij is zeker wel ouder dan een jaar of veertig. Hij is kreupel, dat wil zeggen: hij kan niet lopen.

Als je nu gehandicapt bent, dan kun je vaak met hulp van andere mensen heel veel dingen leren. Misschien kun je ook wel leren om je eigen geld te verdienen. Maar toen, vlak na de pinksterdag (en dat is meer dan tweeduizend jaar geleden), toen was dat niet zo. 

Iedere dag dragen zijn vrienden of familieleden hem naar de deur van de tempel, en daar houdt hij zijn hand op om te bedelen.

Hij bedelt om een aalmoes, om een gift. En gelukkig, veel mensen steken onopvallend hun hand uit en stoppen hem iets toe. En ja, natuurlijk, de man doet ook zijn best. Want als je niets vraagt, dan krijg je misschien ook wel niets.

 

Kijk maar, daar komen Petrus en Johannes. Ze gaan naar de tempel om te bidden. En de man, zie je zijn vragende ogen…? Hij steekt zijn hand uit en vraagt, hij bidt om een aalmoes: ‘Alstublieft, hebt u iets voor mij?’

Maar dan gebeurt er iets heel anders dan dat hij verwacht.

In plaats van dat Petrus geld geeft, zegt hij:

Zilver en goud (geld) heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geve ik u; in de Naam van Jezus Christus, de Nazarener, sta op en wandel! (vers 6)

En dan grijpt hij de man bij de hand, hij zet hem overeind, zijn enkels en zijn benen worden weer sterk, en hij springt op en wandelt. Wandelend en springend looft hij God (vers 8).

 

Wat gebeurt hier toch?

Dit is de wonderlijke kracht van de Naam van Jezus. Daar ligt hier alle nadruk op. Kijk maar in vers 6: in de Naam van Jezus Christus.

Die Naam, dat is niet zomaar een naam. Die Naam wijst naar alles wat Hij, Jezus Christus, gedaan heeft. Die Naam wijst naar Zijn geboorte, naar Zijn leven, naar Zijn preken, naar Zijn lijden, dood en opstanding, naar Zijn hemelvaart…, kortom, die Naam wijst naar de kracht en overwinning van Christus!

En het is alleen door het geloof in Hem, in Zijn Naam, door het persoonlijke geloof in de Heere Jezus Christus dat dit wonder gebeurt.

 

Wonderen waren in de tijd na Pinksteren niet ongebruikelijk. God werkte op een bijzondere manier, God werkte met kracht. Tekenen en wonderen gebeurden er door de handen van de apostelen (Hand. 2:43).

De apostelen hadden geen bovennatuurlijke krachten waardoor zij zelf in het middelpunt kwamen te staan. Nee, die wonderen waren tekenen

Een teken is iets dat ergens heen wijst. Een teken staat niet op zichzelf. Deze tekenen staan niet op zichzelf. Ze wijzen naar de opgestane Christus. Dat zie je hier letterlijk voor ogen. Deze man die ‘opgestaan is’, die wijst naar die andere Man Die ‘opgestaan is’, naar de Heere Jezus Christus. Dit wonder is een teken, bedoeld om de boodschap die Petrus en Johannes zo meteen zullen brengen te bevestigen en te onderstrepen. Het gaat om de boodschap die nu volgt. Het teken wijst naar en leidt tot het Woord. 

 

Wonderen gebeuren nog steeds. De Heere zegt: Op uw noodgeschrei, deed (doe) Ik grote wonderen (Ps. 81:7, ber.)

Dat kunnen bijvoorbeeld wonderen zijn als het gaat om ziekte. Dan kan de Heere wonderen doen. Het wonder kan ook zijn dat de Heere het in Zijn wijsheid beter vindt dat niet dat wonder gebeurt, dat wij verwachten. Dat is Zijn Goddelijke wijsheid.

 

Want hier dreigen wel gevaren. Wat is het gevaar groot, dat wij zelf met het wonder op de loop gaan. En wie komt er dan in het middelpunt? Ik. Wij.

Wandelen en springen en God loven, zoals hier, dat is meestal niet direct onze reactie.

Wat zijn we eerrovers van God. Dat blijkt hier ook direct. Want wat gebeurt er?

De mensen kijken naar… Petrus, Johannes! Zo, dat is bijzonder, zeg! Zij hebben die man genezen.

Ja, ze herkennen hem wel, die man. Kijk, hij is het echt. Dat is die man die altijd aan de Schone Poort zat te bedelen. Maar moet je nu kijken: hij loopt, hij springt, hij looft God.  De mensen zijn sprakeloos… om wat zij (Petrus en Johannes) hebben gedaan.

 

Wat een zeldzaam moment voor de prediking van het Evangelie!

Mannen van Israël, denk toch niet dat wij zelf bijzondere of bovennatuurlijke krachten hebben.

De God Abrahams, en Izaks, en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft Zijn Kind Jezus verheerlijkt, Welken gij overgeleverd hebt, en hebt Hem verloochend, voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde dat men Hem zoude loslaten (vers 13). Hij kwam tot het Zijne, tot het volk van Israël, Hij kwam tot u, maar… u hebt Hem verloochend!

 

Maar luister, want de spanning loopt nog veel verder op (vers 14).

(En) u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was, zou geschonken worden

U wilde liever een moordenaar dan de Zaligmaker. De Vorst des levens, de Man Die uit de hemel kwam om leven te brengen, Die hebt u gedood (vers 15). U koos Bar-Abbas in plaats van Jezus, u koos een moordenaar in plaats van de Zaligmaker. 

Want de stadhouder Pilatus zei: Welke van deze twee wilt u dat ik voor u zal loslaten? En toen hebt u gezegd: Bar-Abbas! Weg met deze Jezus, laat ons Bar-Abbas los! (Matth. 27:21)

Jongelui, als er weer verkiezingen zijn voor de Tweede Kamer, als je stemmen mag, wie kies je dan? Je kiest wie bij je past.

En dus kozen zij… en wij: Bar-Abbas! Want moordenaars kiezen voor… een moordenaar. (En) u hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was, zou geschonken worden, en de Vorst des levens hebt u gedood  (vers 14-15a). 

Messcherpe woorden die als dolksteken willen doordringen in de harten van…? In harten van Israëlieten, van kerkmensen: u bent moordenaars!

 

Maar gelukkig, de preek van Petrus gaat verder. Want zijn beschuldiging is niet bedoeld als een harde beschuldiging. De beschuldiging is wel scherp, maar niet hard

Hij legt de schuld op de plaats waar die hoort.

Als u aan Petrus, als u aan mij zou vragen: ‘Man, maar hoe zit dat dan met jou?’, dan zou hij zeggen, dan zeg ik: ‘Ik ben precies hetzelfde. Ik ben ook zo’n mens. Ik heb ook de dood gekozen boven het leven, in Adam, in het paradijs, en daarna had ik ook liever een moordenaar dan de Zaligmaker.’

 

Hier klinkt een scherpe beschuldiging. Waarvan ik hoop dat die doordringen zal tot in het diepst van uw hart. Scherp, maar niet hard. Want de pijlen van het Evangelie zijn gedoopt in zondaarsliefde, het zijn liefdepijlen. En die pijlen worden vandaag gericht op uw hart

Als God ook tegen mij en tegen u zegt: ‘U hebt (in het paradijs al, en nu weer!) de dood gekozen boven het leven. U hebt Mij, Mijn Zoon verloochend, u hebt Hem niet gewild. U had liever een misdadiger dan de Zaligmaker.’

O, beste vrienden, zeg dan toch geen ‘nee’, maar zeg: ‘Ja, Heere, het is waar. U hebt gelijk!’

 

Kom, vijanden en moordenaars, hoor toch de liefde doorklinken in deze ontdekkende woorden. Kijk maar in vers 17: ‘broeders’. Hoort u dat? Daar klinkt liefde in door. Ik weet dat u het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk ook uw oversten.

 

U zegt: ‘Ja, maar dat laatste is bij mij nog maar de vraag… door onwetendheid?’ Ja, ik begrijp wat u zegt. U hebt immers al zo vaak, tegen beter weten in de Zaligmaker veracht, Zijn bloed vertrapt en Zijn liefde geweigerd.

Maar kom, luister vandaag goed. Dit is juist bedoeld als een bemoediging aan het adres van onbekeerde kerkmensen, aan het adres van hardnekkige weigeraars.

Uw hart is wel hard, maar niet te hard. Uw verzet is wel groot, maar niet te groot. 

U zondigde immers niet tegen licht en genade in, maar in blindheid en in ongeloof. En daarom kunt u nog zalig worden!

 

Vijanden, moordenaars, haters van God, verachters van het bloed van Christus, u kunt nog zalig worden!

U hebt het gedaan (alles wat u gedaan hebt) en u bent tot nu toe zo geweest (zoals u geweest bent) vanwege uw geestelijke blindheid. U hebt nooit werkelijk de kracht gezien van Zijn bloed, en daarom hebt u Hem, de Zaligmaker, veracht. U hebt nooit werkelijk de liefde van Christus geproefd, en daarom hebt u die vertrapt. U hebt het gedaan in geestelijke onwetendheid. Want als u werkelijk Gods weg tot de zaligheid gekend had, dan zou u de Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben (1 Kor. 2:8).

Een moordenaar in plaats van de Zaligmaker... Liever Bar-Abbas dan Jezus... 

Weg met die laatste!

Gemeente, dat is ons beeld. We zijn kinderen van de mensenmoordenaar van de beginne, uit de vader de duivel (Joh. 8:44).

 

Als Petrus hier gestopt was, dan was er geen hoop meer. Voor niemand meer. 

Gezondigd tegen de Wet (moordenaars, die de hoofdsom van de Wet hebben veracht: God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf), gezondigd tegen het Evangelie (de Zaligmaker veracht). 

Als Petrus hier gestopt was, dan was er geen hoop meer. Voor niemand meer. 

Maar gelukkig, hij gaat door (in vers 19).

     Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden.

 

Beter u! Anders gezegd: word veranderd van gedachten, heb berouw! 

Laat het toch doordringen tot in het diepste van uw gedachten, want u gedaan hebt!

U zegt: wat heb ik dan gedaan?

Laat het toch tot u doordringen! U hebt de dood gekozen boven het leven. U hebt (in het paradijs al) een moordenaar gekozen in plaats van God. En nu hebt u weer een moordenaar gekozen, nu in plaats van de Zaligmaker. 

U vecht uw leven lang al tegen God. U gaat uw eigen weg. U luistert niet naar Zijn stem, u geeft geen acht op Zijn waarschuwingen. U wordt genodigd, maar u komt niet. Ik leg de liefde van Christus aan uw hart, maar het raakt u niet.

O, word toch veranderd van gedachten en heb berouw over al dat kwaad!

 

En bekeer u!

Keer u om. Ga weg van de zonde. U bent bezig weg te rennen bij God vandaan, maar dat gaat fout. Keer u om! Kom terug. Kom terug met smeking en geween, dat wil zeggen biddend en met diep verdriet in uw hart om alles wat u gedaan hebt.

 

Betert u en bekeert u!

U zegt: ‘dat klinkt bijna verdacht… dat lijkt een beetje remonstrants… dat betert u en bekeert u…’

Ja, die toepassing geeft de duivel u in handen, en misschien koestert u die wel. Maar het is goddeloos om dat te denken! Want dit zijn Gods woorden! U bent bezig door te gaan op uw eigen, heilloze weg als u deze woorden van God op dit moment weer afdoet als ‘remonstrants’, en opnieuw weigert om naar Hem te luisteren. Zo zegt de Heere: Beter u en bekeer u, voordat het te laat is!

 

Berouw en bekering…

Dat is niet alleen verandering van levenskoers: vroeger leefde ik werelds, maar nu doe ik daar niet meer aan mee…

Dat is niet alleen verandering van gedachten: vroeger dacht ik zus, nu zo…

Dat is niet alleen verandering van uiterlijk, van vrienden, van kleding, van….  Berouw en bekering, dat is verandering van heel ons hart en heel ons leven.

 

Dat hart, dat niet wilde buigen voor God, gaat buigen. 

Dat hart, dat niet wilde erkennen voor God, gaat erkennen: het is waar, Heere, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog.

Dat hart, dat niet wilde bidden, gaat bidden, gaat roepen tot God vanuit de nood.

Dat hart, dat zo hard was als een diamant, dat breekt, dat smelt, dat roept in tranen: 

‘Nu gevoel ik de grootheid van mijn kwaad. O, God, wees mij zondaar genadig!’ Dat hart, dat het dacht zelf wel te kunnen, dat gaat inzien: ik kan mezelf niet verbeteren, dat wordt nooit wat. Ik heb een Borg nodig voor mijn hemelhoge schuld. Dat hart, dat meende dat het langzaam misschien wel beter zou worden, dat moet uiteindelijk erkennen: het wordt alsmaar slechter. O, hoe word ik toch ooit met God verzoend? Ik heb een Borg, ik heb een Plaatsvervanger nodig, Die in mijn plaats wil staan vanwege mijn hemelhoge schuld.

Dat hart raakt alsmaar meer, dat hart dat raakt uiteindelijk alles kwijt. Dat gaat uiteindelijk erkennen: ‘Ja, Heere, een wegloper, een opstandeling, een moordenaar,  dat ben ik.’

Gij zijt die man!

‘Ja, Heere, het is waar…’ 

Mijn hart buigt, mijn hoogmoed breekt, en ik ga onderuit. Uw pijlen zijn scherp, zij treffen in het hart van des Konings vijanden (Ps. 45:6).

Kent u, door het werk van Gods ontdekkende genade, dat berouw, die hartetranen, die buigende knieën? Die erkennende woorden, dat verborgen roepen tot God, die droefheid naar God?

Heb berouw en bekeer u!

 

Bent u al bekeerd? Bent u al bekeerd tot God, om de levende God te dienen met heel uw hart en heel uw leven?

Dan kan het niet anders, dan is alles anders geworden in uw leven.

Het kan niet zo zijn, gemeente, dat we zeggen zegt: ‘Ja, ik heb berouw gehad, maar verder is alles precies hetzelfde gebleven. Wat de buren leuk vinden, vind ik ook nog steeds zo leuk. De programma’s die zij kijken, die kijk ik ook zo graag. Waar zij heen gaan, daar ga ik ook heen.’ Dat kan niet. Dat is onmogelijk!

Berouw en bekering, ze veranderen als het goed is alles in je leven: je hart en je daden, je gedachten en je woorden, je liefde, je verlangen, je innerlijk, je uiterlijk, kortom: alles.

 

Voordat we verder gaan met onze tweede gedachte, gaan we nu samen eerst zingen. 

Over die scherpe pijlen, die treffen in het hart van des Konings vijanden, uit Psalm 45 vers 3.

 

-----------------

 

Gemeente, het gaat in deze dienst over de Christusprediking van Petrus. We hebben gelet op een moordenaar in plaats van de Zaligmaker, we gaan nu verder met ons tweede aandachtspunt:

 

2. De Zaligmaker in de plaats van moordenaars

 

Petrus zegt (vers 19 en 20): Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, en Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is…

 

Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden.

Jongens en meisjes, denk maar aan school. Als je met een zwarte stift op een wit bord schrijft, dan staat het er: zwart op wit. Maar als je een borstel pakt en het uitveegt, dan staat er niets meer, dan is alles weg.

Zo staan onze zonden opgeschreven, zwart op wit. Opgeschreven voor Gods aangezicht.

In Gods boek. Alle zonden, één-voor-één. Zwart op wit.

En straks worden de boeken geopend… Dan zal blijken dat niet één zonde vergeten is. 

Johannes schrijft daarover in de Openbaring:

En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken (Openb. 20:12).

Hoe moet het toch straks, met u, onbekeerden onder ons, als u staat voor God en uw boek gaat open…? Dat boek, met al die zonden die u gedaan hebt, bladzij na bladzij, één-voor-één…, als er niemand is die in uw plaats wil gaan staan?

Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden, voordat het zover is.

 

In een weg van (eerst) ontdekking, en (daarna) berouw en bekering, in die weg wil de Heere, om Zichzelf, om Zijn lieve Zoon de Heere Jezus Christus, alle zonden wegvegen… uitwissen… één-voor-één…

En dan zijn ze weg. Allemaal. Ver weg. Zo ver het oosten verwijderd is van het westen.

 

Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden.

Uw zonden. Niet één zonde, maar allemaal. Uitgewist, weggewassen door het bloed van het Lam.

 

U zegt: ‘Ziet u nu wel, toch komt u nu weer met die gedachte: ik moet eerst iets doen, en dan doet God de rest. Ik moet berouw hebben, ik moet me bekeren, en dan gaat God de zonden afwassen. Dat zegt u toch?’

Nee, dat zeg ik niet. Eerst komt de Heilige Geest met Zijn ontdekkende woorden: ‘u bent die man!’ En dan staat er niet: betert en bekeert u en dan, en daarom zal de Heere uw zonden afwassen. Dat staat er niet. Er staat opdat’. Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden uitgewist mogen worden.

Dat is het doel van berouw en bekering: dat uw zonden door de Heere afgewassen zullen worden.

 

U hebt geen recht om te denken: ‘Ik zal beginnen, ik zal me bekeren en dan zal God daarna, omdat ik zo goed mijn best gedaan heb, vast wel mijn zonden vergeven.’ Nee! Dat is remonstrants!

Maar u hebt ook geen recht om te zeggen: ‘Ik kan geen berouw hebben van mezelf, ik kan mezelf niet bekeren, en daarom ben ik nog steeds onbekeerd.’

Nee! Dat ook niet! Dat is goddeloos

Dan verschuilt u zich achter iets waaraan u zelf schuld hebt.

 

Het is beter om u te houden aan wat Petrus zegt:

U hebt de Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was, zou geschonken worden; en de Vorst des levens hebt u gedood, Welken God opgewekt heeft uit de doden; waarvan wij getuigen zijn (vers 14-15). Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, en Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is (vers 19-20).

 

God roept ons op tot berouw en bekering.

En in Zijn onbegrijpelijke zondaarsliefde heeft Hij Zijn eniggeboren Zoon gezonden om moordenaars met God te verzoenen.

En in Zijn onbegrijpelijke wijsheid wijst Hij ons de weg tot de zaligheid, tot vergeving van al ons kwaad, namelijk deze weg: heb berouw en bekeer u van uw zondige levensweg.

Keer terug! Zoek Mij en leef!

En in Zijn onbegrijpelijke goedheid omhangt Hij die dringende oproep met een liefdevolle belofte, namelijk met de belofte van tijden van verkoeling.

 

Er staat eigenlijk zoiets als ‘dat vastgestelde tijden van verkoeling zullen komen’. Op Gods tijd, op de door Hem vastgestelde tijd, zullen ze komen: tijden van verfrissing, tijden van verkoeling, tijden van weer adem kunnen halen.

Het gaat hier, gemeente, niet om de tijd van de wederkomst. Het gaat hier in onze tekst om verfrissende en vertroostende tijden van Gods nabijheid.

Verkoelen, verfrissen, vertroosten, dat is een bijzonder werk van God de Heilige Geest, die water giet op het dorstige, en stromen op het droge (Jes. 44:3-4).

 

In een weg van ontdekking, in een weg van berouw en bekering laat de Heilige Geest ons iets voelen van de brandende toorn, van het grote ongenoegen van God over ons verloren en vijandige bestaan.

En ons hart huilt tranen van boete en berouw. En ons binnenste roept: ‘O God, dat ik toch zo tegen U gezondigd heb! Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waard. Wat is er toch een naamloos grote afstand gekomen tussen U en mij, vanwege mijn zonden! Hoe moet die afstand toch ooit overbrugd worden? U kunt en wilt de zonde niet ongestraft laten. Er moet betaald worden voor mijn schuld, maar ik heb helemaal niets om te betalen. Hoe kom ik ooit verzoend met U, o heilige en rechtvaardige God? Ik ben Uw gramschap, Uw toorn dubbel waard!’

 

Wat is het dan vertroostend, verkoelend en verkwikkend, als de Heilige Geest ons in zulke tijden ook iets laat zien van Wie God in Christus wil zijn, voor zo’n verloren mens. Als ons hart uitroept: ‘Wees dan mijn hulp, houd U niet ver van mij, mij prangt de nood, benauwdheid is nabij…’ (Ps. 22:6, ber.)

En wij toch in ons zielsverdriet mogen ervaren: God is het verbroken hart, het verbrijzelde en bedrukte gemoed te allen tijde nabij en goed. (Ps. 34:9, ber.)

Ook al zien we de weg nog niet, ook al hebben we nog niet zo’n helder oog op Christus als de Zaligmaker, maar als we toch mogen ervaren, in al het verdriet van ons hart: 

            God is nabij de ziel die tot Hem zucht, 

            Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht.

Dat ongeveinsd, in het midden der ellenden,

zich naar Gods troon met zijn gebeden blijft wenden (Ps. 145:6, ber.).

En: Voorwaar, Gods heil is reeds nabij het geslacht, hetwelk Hem vreest en Zijne hulp verwacht. (Ps. 85:3, ber.)

 

Wat is het dan vertroostend, verkwikkend en verkoelend, als de Heilige Geest ons iets laat zien van Gods eenzijdige ontferming, van Zijn bewogenheid in Zichzelf. Van dat Hij bereid is om tot ons te komen, om ons te hulp te komen in al ons verdriet. 

Als Christus ons iets laat zien van Zijn geschiktheid, van Zijn gepastheid voor zulke verloren mensen. Als Christus iets laat zien van het feit dat Hij juist gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, en dat Hij wilde staan en wil staan in plaats van zulke moordenaars.

Wat is het verkoelend en verkwikkend als de Geest ons dichterbij brengt.

Wat is het verkoelend en verkwikkend voor een dorstig en benauwd mensenhart, als de Geest ons in een weg van ontdekking, bekering en berouw, uiteindelijk brengt tot aan de voeten van Christus. Daar is werkelijk rust en verkoeling. Alleen in Hem.

 

Tijden van verkoeling… Als het moegestreden hart, voor het eerst of opnieuw, rust vindt aan Jezus’ voeten. Als Hij voor ons wordt een Hut tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een Toevlucht, tot een Verberging tegen de vloed en tegen de regen (Jes. 32:2).

Tijden van verkoeling… van het aangezicht des Heeren.

Dat aangezicht van de Heere was vanwege onze zonden zo vertoornd, zo donker, zo dreigend. Dus klonk de roep uit de diepte: ‘O God der heirscharen, breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden. Getrouwe Herder, breng ons weer; verlos ons, toon ons ‘t lieflijk licht van Uw vertroostend aangezicht (Ps. 80:2).

 

Wat wordt het op Gods tijd, op de door God vastgestelde tijd van verkoeling, een wonder voor zo’n verslagen hart, als de Heilige Geest dat aangezicht van God weer laat oplichten in de Heere Jezus Christus.

Immers, er staat: wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren, en Hij zal gezonden hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is.

 

Wat een wonder! Die Zaligmaker, Die wij niet gewild hebben, Die wij veracht hebben, wordt toch weer opnieuw gezonden, opnieuw gezonden in de prediking van het Evangelie.

Wat blijkt toch uit alles dat het vrije gunst, dat het vrije genade is.

Die door ons geweigerde, die door ons afgewezen, die door ons gekruisigde Zaligmaker, komt opnieuw. 

Hij komt opnieuw aan de deur van uw hart, o roepende, naar God verlangende zondaar, belast met zonden en schuld, en Hij roept u toe: ‘U hebt Mij wel afgewezen, u hebt Mijn bloed wel vertrapt, maar hier ben Ik opnieuw, met Mijn kostbare bloed, voor vijanden en moordenaars!’ 

‘O, wat dunkt u van Mijn werk? Wat dunkt u van Mijn bloed? Is het niet geschikt voor u, verloren zondaar? Is het niet gepast, als een enig redmiddel voor uw dodelijke kwaal?  

O, terwijl Ik tot u kom, zeg Ik tot u:

Kom toch tot Mij, u die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.

Waarom weegt u geld uit voor hetgeen geen brood is, uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan. Hoor aandachtig naar Mij, kom tot Mij en uw ziel zal leven.

(Matth. 11:28, Jes. 55:2) 

Hier is Mijn bloed voor uw verloren hart.

 

De Heere Zelf, de Heilige Geest Zelf geve u, u die overal buiten staat, ogen om te zien, een hart om te geloven en handen om deze Zaligmaker te omhelzen. 

Deze Zaligmaker, Wiens liefste werk het is om de grootste vijanden met God te verzoenen.

 

Tot slot, gemeente, deze Jezus, Die ten hemel gevaren is, zo staat in vers 21, moet de hemel ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen.

Gemeente, nog een ogenblik. De tijd vliegt voorbij, en dan staat u voor God. Dan zult u Hem zien, de Gekruisigde (Wiens bloed aan onze handen kleeft), de Gekroonde... Hoe moet het dan toch met u, onbekeerde vrienden, als dan zal blijken dat u voor de tweede keer en volkomen, vastbesloten en definitief deze Jezus, zo vol van zondaarsliefde, hebt veracht, versmaad en verworpen?

Dan zijn de tijden van verkoeling voorbij… 

Dan blijft er geen druppel over tot verkoeling van uw tong… (Luk. 16:24)

 

Daarom, ouderen, als uw leven u lief is, daarom, jongeren, als je toekomst je lief is, laat deze Naam je dan lief zijn of worden, en hoor dit Godswoord, voordat de tijden der verkoeling plaatsgemaakt zullen hebben voor de ondragelijke hitte van Gods toorn. 

Betert u dan, en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,

En Hij gezonden zal hebben Jezus Christus, Die u tevoren gepredikt is.

 

Amen.