Ds. J.J. van Eckeveld - Handelingen 12 : 23a

Herodes door de hemel geslagen

Wat Herodes zegt
Wat het volk roept
Wat de Heere doet

Handelingen 12 : 23a

23a En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 2: 3
Lezen : Handelingen 12
Zingen : Psalm 49: 4, 7
Zingen : Psalm 2: 6
Zingen : Psalm 132: 12

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in Handelingen 12 vers 23, het eerste gedeelte:

 

En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf.

 

Het thema van de preek is: Herodes door de hemel geslagen.

 

Drie gedachten:

1. Wat Herodes zegt. In vers 21 houdt hij een rede.

2. Wat het volk roept. Vers 22 zegt het: Een stem Gods en niet eens mensen!

3. Wat de Heere doet. Vers 23: En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren.

 

1. Wat Herodes zegt

 

Onze tekst bepaalt ons bij het aangrijpende gebeuren van de dood van Herodes. Deze geschiedenis bevat een waarschuwing voor u en voor mij.

Er staan in de Bijbel vertroostende gedeelten, maar ook waarschuwende gedeelten. Laten we maar eerlijk zijn, we willen maar al te graag dat er over vertroostingen  gepreekt wordt. Maar als je als predikant een getrouw dienaar van het Woord wil zijn, moet je niet alleen over die vertroostende gedeelten preken, maar ook over die waarschuwende gedeelten. Die staan ook niet voor niets in de Bijbel. Een dienaar van het Woord moet de volle raad Gods verkondigen.

In de prediking komt nu een waarschuwend gedeelte tot ons. Herodes is daarin het beeld van een mens die in alles zichzelf en zijn eigen eer zoekt. Maar dan zien we in dit Schriftgedeelte ook hoe de Heere de hoogmoed van de mens aan stukken breekt.

 

Wie was Herodes? Hij staat bekend als Herodes Agrippa de Eerste. Hij was een kleinzoon van Herodes de Grote, die de kleine kindertjes in Bethlehem liet doden. Kinderen, jullie kennen die geschiedenis wel.

Herodes Agrippa was opgevoed in Rome. Daar had hij het wufte heidense leven lief gekregen. In het jaar 41 werd hij door de Romeinse keizer Claudius aangesteld tot koning over heel Palestina, uiteraard onder het Romeinse oppergezag.

Uiterlijk nam Herodes de Joodse gebruiken in acht. Over hem wordt geschreven dat hij in het eerste jaar van zijn regering op het Loofhuttenfeest in de tempel aan het volk uit het boek Deuteronomium voorlas. Toen hij in Deuteronomium 17 vers 15 las dat er geen vreemdeling koning over Israël mocht zijn, barstte hij in tranen uit. Maar de Joden, die geroerd waren door de tranen van koning Herodes, troostten hem met de woorden dat ze hem graag als hun broeder wilde beschouwen.

Hij probeerde de gunst van het volk te winnen door dagelijks te offeren en de Joodse godsdienstplichten nauwkeurig waar te nemen. In zijn hart bleef Herodes echter een werelds mens, iemand uit het geslacht van Edom. Hij hield van theatervoorstellingen, van pracht en praal. Als hij in Jeruzalem was hield hij zich in, maar in Caesarea, de grote havenstad aan de kust waar hij heel vaak verbleef, kon hij zich laten gaan. Daar leefde hij zijn wereldse en heidense neigingen uit, want daar woonden niet zo veel Joden.

Welnu, dat is Herodes ten voeten uit. Een door en door werelds mens, met een dun laagje godsdienst eromheen. En zijn godsdienst diende om bij de Joden in de gunst te komen. Hij zocht met zijn godsdienst dus ten diepste zichzelf.

 

Die mensen zijn er nog steeds. In de godsdienst zoeken zij uiteindelijk alleen zichzelf maar. Zij gaan naar de kerk om door anderen gezien te worden, en komen aan het avondmaal om door anderen voor een kind van God gehouden te worden. En gaat u zo maar door. Juist in de godsdienst zijn er vaak zo veel bijbedoelingen, ligt er zoveel zoeken van onszelf.

U zou nu de vraag kunnen stellen, ieder moet die voor zichzelf maar beantwoorden: bij hoeveel trouwe kerkmensen is hun godsdienst uiteindelijk maar een dun laagje vernis aan de buitenkant van het hart?

Gemeente, denkt u er wel om dat wij aanzien wat voor ogen is, maar dat de Heere het hart aanziet? Wij kunnen ménsen voor de gek houden, maar de Heere nooit! Hij ziet dwars door alle uiterlijke en godsdienstige franje heen, tot op de bodem van ons hart.

 

We letten nu weer op Herodes. Aan het begin van ons teksthoofdstuk lezen we dat hij de getrouwe apostel Jakobus heeft laten doden. Waarom? Wel, weer om bij de Joden in de gunst te komen. Want aan het begin van dit hoofdstuk staat geschreven dat toen hij zag dat het de Joden behaaglijk was, hij ook Petrus in de gevangenis liet werpen. We lezen dan in het vervolg van het hoofdstuk hoe Petrus door een engel uit de gevangenis werd bevrijd.

Ook in het vervolgen van de gemeente van de christenen zocht Herodes zichzelf. Hij wilde daarmee bij het volk in de gunst komen. Herodes is een man die als het moet over lijken gaat, en dat tot meerder glorie van zichzelf. Van deze man maakt satan gebruik om de gemeente van Christus te vervolgen.

 

Gemeente, als er één ding duidelijk is in deze geschiedenis, dan is het wel dat de Heere overal boven staat. Want we lezen in vers 23 over het vreselijke einde van koning Herodes. God laat Zich niet bespotten.

Toch is Herodes gewaarschuwd. Die wonderlijke verlossing van Petrus uit de gevangenis is voor Herodes een waarschuwing geweest. Daarmee heeft de Heere hem als het ware toegeroepen: ‘Herodes, Ik ben er ook nog. Ik heb alle macht in hemel en op aarde.’ Maar Herodes wilde het niet zien en leefde er over heen. Hij wilde het niet van God verliezen.

 

Gemeente, hoe vaak bent u al gewaarschuwd? Toen u op dat ziekbed lag, toen u dat ernstige verkeersongeluk kreeg, bij dat aangrijpende sterfgeval in uw naaste omgeving, heeft de Heere toen ook niet tegen u gezegd: ‘Ik ben er ook nog!’

En bovendien: de Heere komt met de vermaningen van Zijn Woord. Dat vooral.

Hoe vaak bent u al gewaarschuwd, is er al geklopt op de deur van uw leven?

Nee, de Heere begeert uw dodelijke dag niet. Hij zoekt uw ondergang niet. Hij waarschuwt u, Hij roept u, Hij nodigt u. Maar wat hebt u er mee gedaan? Hebt u alles naast u neergelegd, omdat u het ten diepste voor God niet verliezen wilt? Omdat u uzelf wilt handhaven, uw eigen leven wilt leiden, zoals het u goeddunkt? O, verschrikkelijk als we Gods waarschuwingen naast ons neerleggen en net als Herodes altijd dezelfde blijven! Het oordeel zal dan rechtvaardig zijn.

 

De Heere zocht ook de ondergang van Herodes niet. Maar Herodes heeft er over heen geleefd en is weer naar Caesarea vertrokken. Daar voelt hij zich thuis, daar wemelt het van de Romeinen, al wonen daar ook wel Joden. Daar worden in het amfitheater de wedstrijden en de feesten gehouden.

Ik weet niet of u wel eens in Israël geweest bent, maar in Caesarea, aan de oever van de Middellandse Zee, kunt u de resten nog zien van het reusachtige amfitheater, het Hippodroom, waar ook de paardenwedstrijden werden gehouden. Daar voelde Herodes zich thuis, daar kon hij zich uitleven en de waarschuwingen van God vergeten.

Jongelui, dat is jullie leven toch niet? Jullie proberen Gods waarschuwingen toch niet te vergeten, door je mee te laten slepen door vrienden en vriendinnen naar plaatsen waar je helemaal niet hoort? Het is zo gevaarlijk om je uit te leven in de zonde en over Gods roepstemmen heen te leven.

 

In Caesarea is bij Herodes een nieuw plan opgekomen. Hij wil Tyrus en Sidon – twee havensteden die noordelijk aan de kust van de Middellandse Zee lagen, in het huidige Libanon dus – ook aan zich onderwerpen. Dat kon hij gemakkelijk doen, want Tyrus en Sidon betrokken hun koren en hun voedsel uit het land van Herodes. Hij hoefde alleen maar de toevoer van levensmiddelen naar die grote havensteden te stoppen, waarmee ze tot overgave gedwongen waren. Herodes was dus niet tevreden met Palestina. Hij wilde het liefst, uiteraard allemaal onder het Romeinse oppergezag, zijn macht nog verder uitbreiden.

Hierin ligt het beeld van een mens wiens deel alleen maar in dit leven is, die niet tevreden is met de plaats die de Heere gegeven heeft, die een onverzadigbare begeerte heeft naar geld en goed, naar macht en rijkdom, naar eer en aanzien, en vult u het maar aan. Je moet dan toch zeggen: ‘Arm mens, je kunt toch niets meenemen als straks de dood komt?’

 

Het is te begrijpen dat de inwoners van Tyrus en Sidon de economische boycot van Herodes vrezen. Het gehele maatschappelijk leven in die steden zal immers worden lamgelegd wanneer Herodes zijn voorraadschuren sluit. Ongetwijfeld zal er honger komen. Van overzee zal nog wel het een en ander kunnen worden aangevoerd, maar dat zal bij lange na niet voldoende zijn om in de behoefte van de bevolking te voorzien.

Om het onheil te voorkomen zoeken de beide steden door middel van gezanten contact met Blastus, de kamerheer – een soort minister – van Herodes. Ze zullen hem wel omgekocht hebben; zo ging dat in die tijd, zo gaat het ook nog vaak in onze tijd.

Blastus heeft vervolgens koning Herodes kunnen overreden. Hij kende de gevoelige plek van de koning. Hij heeft gezegd: ‘Herodes, dit is voor u een schitterende gelegenheid om als een edelmoedige en vredelievende koning gehuldigd te worden. Denkt u zich eens in, men zal alom zeggen dat Herodes een man is die vrede en redding brengt.’

 

Op een zekere dag zal door Herodes die vrede plechtig afgekondigd worden. Hij verwacht bewierookt te worden als nooit tevoren. Herodes ziet alles in gedachten al voor zich. Maar weet u waar Herodes niet mee rekent? Hij rekent niet met God!

Gemeente, er zijn mensen – en wellicht hoort u bij hen – die met alles en iedereen rekenen, behalve met God. En als u overal mee rekent, maar niet met God, loopt het uit op een verschrikkelijke misrekening. De Heere blaast in al onze berekeningen en al onze hoogmoed die wij hebben buiten God.

 

Herodes heeft zijn plannen klaar en zal ze proberen uit te voeren. Flavius Josephus, die heel veel over de Joodse geschiedenis geschreven heeft, deelt ons mee dat er juist een groot feest zou worden gehouden voor keizer Claudius, die de Brittanniërs had overwonnen; de tegenwoordige Engelsen. Zo ver had het Romeinse Rijk zich al uitgebreid. Dat feest zou gevierd worden in Caesarea, in het ruime amfitheater, de plaats van de wedstrijden en de spelen.

Welnu, Herodes is voornemens de gezanten van Tyrus en Sidon te ontvangen in het amfitheater, om hen ten aanschouwen van al die duizenden toeschouwers om vrede te laten smeken. Tallozen zullen het zien: de gezanten van die machtige steden Tyrus en Sidon, knielend voor de troon van Herodes.

Zo denkt Herodes! Maar hij houdt geen rekening met de hoogste Koning. Christus zal tonen dat Hij de Overste van de koningen der aarde is.

 

Vervolgens lezen we in vers 21: En op een gezetten dag, Herodes een koninklijk kleed aangedaan hebbende en op de rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen. Die rede is dus allereerst gericht tot de gezanten van Tyrus en Sidon.

Dus Herodes zit daar in dat reusachtige amfitheater, omringd door al die duizenden, op zijn rechterstoel. Zo staat het hier: op de rechterstoel.

Weet u wat zo opvalt?

Paulus gebruikt in het Grieks precies hetzelfde woord voor de rechterstoel van Christus, als hij aan de Korinthiërs schrijft: Wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus (2 Kor.5:10).

Herodes, houd er toch rekening mee nu u op uw rechterstoel zit: er is een andere rechterstoel, de rechterstoel van Christus! Gemeente, houd er toch rekening mee dat wij allen op reis zijn naar díe rechterstoel!

 

Herodes zit dus op zijn eigen rechterstoel. Hij is gekleed in staatsiegewaad. Flavius Josephus meldt ons dat hij geen purperen mantel droeg zoals gebruikelijk was, maar een mantel van zilverbrocaat, schitterend in de zon. Het moet een oogverblindend gezicht zijn geweest. Herodes, op die rechterstoel, met dat schitterende kleed, hij zit daar als een god. Maar kijk eens goed, gemeente. Kijk eens goed! De dood zit als het ware al naast hem. Arme Herodes, hij beseft niet hoe dichtbij de dood is.

 

Gemeente, beseft u wel dat de dood zo nabij kan zijn?  

Misschien hebt u nog wel honderd plannen, misschien hebt u wel uw berekeningen klaar voor de komende tijd. Maar u vergeet God toch niet?

Weet u wel dat vandaag de dood als het ware ook naast u zitten kan, op de kerkbank?

Er is uiteindelijk – zegt het Woord van God ons – slechts één schrede tussen ons en de dood.

Maar Herodes beseft het niet. Ten aanhoren van het volk, van al die duizenden die in dat theater zitten, houdt hij een lange rede tot de gezanten van Tyrus en Sidon. Als een edelmoedige koning biedt hij vrede aan. Hij spreekt als een grote weldoener.

Wat hij precies gezegd heeft lezen we niet, maar we hoeven er geen ogenblik aan te twijfelen: de grondtoon van zijn rede was uiteindelijk alleen maar een verheerlijking van zichzelf. Want onze tekst zegt dat hij God de eer niet gaf.

 

Herkent u Herodes? Ik zou willen zeggen: zoek hem niet te ver weg. In Herodes ziet u het beeld van de mens zonder God. Van u en van mij van nature. Van de mens die zichzelf op het oog heeft.

Gemeente, wat zijn we toch door de zonde geworden! We gunnen God de eer niet, en we zoeken onszelf. We zijn kinderen van Adam die afscheid van God hebben genomen. We leven alsof we hier altijd zullen blijven. We zitten zo vast aan de wereld, aan de zonde en aan onze pleziertjes en genoegens. En als we al godsdienstig zijn, is het net als bij Herodes een dun laagje vernis. Uiteindelijk zoeken we alleen maar onszelf. Dat is uw en mijn adamsbestaan.

 

Herkent u Herodes? Ik zou willen zeggen: kijk maar in de spiegel, dan ziet u hem.  Herodes – dat bent u, en dat ben ik van huis uit!

God houdt ons vanuit dit Bijbelgedeelte de spiegel voor. Zegt u: ‘Ja maar, zo erg is het toch niet?’, dan is dat het beste bewijs dat u nog nooit in die spiegel gekeken hebt!

Ook al zitten wij niet op een rechterstoel in een amfitheater met duizenden mensen om ons heen, ten diepste is het toch hetzelfde! Herodes gaf God niet de eer. Hij zocht zichzelf.

Dat is nu ook ons bestaan, gemeente.

Als het ontdekkende licht van de Heilige Geest over hun leven gaat schijnen, leren Gods kinderen er van harte ‘amen’ op te zeggen.  

Bij het licht van boven ga je belijden: ‘Mijn portret staat in Romeinen 3. Niemand die God zoekt, niemand die goed doet, tezamen zijn we afgeweken, tezamen zijn we onnut geworden. Er is niemand die vraagt naar God, zijn Maker, Die de psalmen geeft in de nacht.’

 

In deze Herodes houdt God ons de spiegel voor. In wat hij zegt, maar in onze tweede gedachte ook in:

 

2. Wat het volk roept

 

Eindelijk is Herodes uitgesproken. Het blijft een ogenblik stil. Maar dan begint het volk, al die duizenden die daar samen zijn, te juichen en te jubelen. Ze roepen: Een stem Gods en niet eens mensen!

Volgens Flavius Josephus schitterde op datzelfde ogenblik het zonlicht op die mantel van zilverbrocaat van Herodes. De schare werd door dat schitterende schouwspel tot grote geestdrift gebracht. Het volk is diep onder de indruk van de koninklijke heerlijkheid van Herodes. Hij is een godenzoon, een soort middelaar tussen God en mensen. Iemand die heil en vrede brengt. En daarom hebben ze het geroepen: Een stem Gods en niet eens mensen!

 

Het is te begrijpen dat heidenen zo denken. Maar ook al woonden er in Caesarea veel meer heidenen dan in Jeruzalem, ook daar in Caesarea woonden Joden. We hoeven er geen ogenblik aan te twijfelen dat er onder al die duizenden in dit amfitheater ook Joden zijn geweest. Mensen uit het verbondsvolk; mensen uit het volk dat gestaan heeft aan de voet van de Sinaï toen de Heere sprak: Ik ben de Heere, uw God (Ex.20:2). En dát volk roept nu: Een stem Gods!

Zegt u: ‘Wat een dwaas en blind volk’?

Gemeente, wees maar voorzichtig!

Hoeveel kerkmensen, misschien u wel, misschien ik wel, die iedere zondag de wet horen, buigen ook voor hun afgoden. De afgod van het geld, van de materie. De afgod van de sport, de show en de mode, en van alles wat je van God aftrekt.

Van hoeveel mensen geldt niet dat de god dezer eeuw hun zinnen heeft verblind? En denkt u nu echt dat dit buiten de kerkmuren blijft? Het volk roept het: Een stem Gods en niet eens mensen!

O, wees toch voorzichtig, want de Heere is een jaloers God op Zijn eer. Hij geeft Zijn eer aan geen ander. Herodes zal het ondervinden, en u ook.

 

Herodes laat zich al die toejuichingen welgevallen. Als een god zit hij op zijn troon. Hét hoogtepunt van zijn leven!

Gemeente, daar ziet u de paradijszonde die in ons aller hart leeft. In het paradijs heeft het geklonken: Gij zult als God wezen (Gen.3:5). En dat willen we. God van de troon; we gunnen Hem de troon niet, ik wil er zelf op!

Dát is ons leven van nature. Wat is een mens toch peilloos diep gevallen!

Zo heeft God ons niet gemaakt. Hij heeft ons geschapen naar Zijn beeld, zodat het onze hoogste lust was om onze Schepper te verheerlijken. Maar we hebben God verlaten. We gunnen Hem Zijn eer niet, we gunnen Hem Zijn troon niet. Dat is de diepte van onze val.

Gemeente, mag ik vragen of u daar in uw leven al gebracht bent? Daar brengt de Heere al Zijn kinderen. Als we gebracht worden bij die diepe afgrond van ons adamsbestaan,  moet u zeggen: ‘O God, wat is dat peilloos diep!’

Als u gebracht wordt bij die diepe afgrond van uw verlorenheid, leert u erkennen dat God rechtvaardig is en dat de schuld aan onze zijde ligt.

 

Hoe zou het komen dat zoveel mensen zich op de been kunnen houden met wat godsdienstigheid, met wat gevoeligheid, met wat gemoedelijkheid, met een tekst of met een vers, waardoor het gemoed in beweging gekomen is? Daarmee houden we ons dan op de been. Buiten Christus om!

Hoe komt het dat zoveel mensen niet komen tot dat hartelijke erkennen van Gods rechtvaardigheid? Weet u hoe dat komt? Ze zijn nooit gebracht bij die diepte van de verlorenheid van hun adamsbestaan!

Want dan houdt al onze godsdienst, gevoeligheid en gemoedelijkheid op. Dan gaan we doorleven dat we goed uit Gods hand zijn voortgekomen, en dat het om eigen schuld is dat we zo ontzaglijk ver van huis zijn, net als die verloren zoon in dat ver gelegen land.

 

Gemeente, als we op die plaats terechtkomen, blijft er geen enkele verontschuldiging over. Dan blijft er aan onze kant niets over dan schuld, nood en dood. Dan is er de erkenning dat de Heere recht is in al Zijn weg en werk. Staande bij de diepe afgrond van ons verloren adamsbestaan leren we dan hartelijk te belijden: ‘Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.’

Was Herodes op die plaats toch gekomen! Maar we zien in hem de diepte van de val uitgebeeld; de mens die God van de troon wil stoten.

 

Wat is nu eigenlijk Herodes’ zonde? Dat hij op die troon zit in die mantel van zilverbrocaat? Dat hij Jakobus heeft laten doden? Dat hij Petrus heeft laten opsluiten in de gevangenis?

Ja, dat zijn allemaal grote zonden voor God geweest.

Maar, gemeente, wat is de diepte van zijn zonde?

Dat zegt onze tekst: Hij gaf God de eer niet!

Dát is het ergste wat van een mens gezegd kan worden: God de eer niet gegeven.

Misschien leidt u in uiterlijke zin wel een keurig leven, misschien bent u wel alleszins godsdienstig. Misschien bent u wel betrokken bij allerlei activiteiten in het kerkelijk leven. En dan nog nooit God de eer gegeven? God niet gegeven wat Hem toekomt?

Ach, gemeente, dan is je leven een mislukt leven. Eén en al zonde in Gods ogen.

Want waarom zijn we geschapen? Wat is ons levensdoel? Dat is toch niet anders dan de eer van God? Als we God dan niet verheerlijken, blijft er toch alleen maar zonde over?

 

Gemeente, mag ik u nog iets vragen? Is het uw levensvraag geworden hoe God de eer krijgt in uw leven? Op die vraag is maar één antwoord: nooit meer door onszelf. En dat wordt zo’n diepe droefheid als God je dát leert!

Als in de wedergeboorte de liefde van God in je hart is uitgestort, wordt het ons hartelijk verlangen om voor de Heere te leven. Dan zeggen we: ‘Heere, U bent het zo waard om alle eer te ontvangen.’

Maar wat we ook proberen in ons leven, al wringen we ons met Luther in duizend wettische bochten, we houden alleen maar schuld over. Als dan de vraag aan je hart wordt gelegd of je ooit volkomen de eer van God hebt bedoeld, kun je alleen maar zeggen: ‘Nooit, Heere! Het is wel mijn verlangen geworden, U weet het, maar ik heb nog nooit U volmaakt de eer gegeven.’ Dan wordt het hele leven zonde, blinkende zonde voor God.

 

Maar nu het wonder: er is er toch Eén Die God volmaakt de eer heeft gegeven, Die tot Zijn Vader zeggen kon: Ik heb U verheerlijkt op de aarde (Joh.17:4). En die Ene, dat is de Borg, dat is de Middelaar, de Heere Jezus Christus. Hij wilde gaan staan in plaats van mensen die moeten zeggen: ‘O God, ik heb U nooit gegeven wat U toekomt.’

Weet u waarom Christus zo’n waarde krijgt voor een arm en ellendig volk?

Omdat Hij gedaan heeft wat zij nooit meer kunnen doen. Hij heeft God verheerlijkt. Daarom zullen eerrovers van God tóch eeuwig Gods lof zingen.

Als we dat samen overdenken, zie ik achter de troon van Herodes, beter gezegd bóven de troon van Herodes uit, een ándere troon. Een troon van gerechtigheid en recht; de troon van Christus.

 

Ach, Herodes was maar een namaakvredevorst. Maar Christus is de ware Vredevorst. Van Hem geldt: ‘Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt.’ In Zijn naam wordt vrede verkondigd aan mensen die God de oorlog hebben verklaard, die de Heere onthouden hebben wat Hem toekomt. Herodes deed zich voor als redder en vredebrenger, maar Christus is de Sotèr; de grote Redder, de volkomen Zaligmaker.

Hij is de Koning der koningen, en Heere der heren. Gelukkig zijn zij die Hem als een diep verloren mens te voet leren vallen, om in Hem vrede te zoeken en te vinden.

Zijn we al eens van onze troon afgekomen? Hebben we ons staatsiekleed al eens leren afleggen? Is onze mond al eens verstomd tegenover een heilig God?

O, het is een gelukkig volk, dat van de troon gestoten wordt. Dat naakt en schuldig voor God komt te staan. Als de Heere dan zegt: ‘Betaal Mij alles wat je schuldig bent’, dan moet ik de hand op de mond leggen, want ik heb niets om te betalen. Dan is God rechtvaardig!

 

Gemeente, wat een wonder dat het voor zulke mensen meevalt, en dat zij zullen ondervinden dat Christus de ware Vredevorst is, Die vrede gebiedt in het onrustige zondaarshart! Omdat Hij volmaakt God de eer gegeven heeft en omdat Hij dat als Borg gedaan heeft in de plaats van schuldigen, zullen ze zingen van de wegen des Heeren.

 

We gaan hierover met elkaar zingen uit Psalm 2 vers 6:

 

Vreest ‘s Heeren macht en dient Zijn Majesteit,

Juicht, bevend op ‘t gezicht van Zijn vermogen,

En kust de Zoon, vanouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg’ voor aller ogen,

U op uw weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U onverhoeds zou door haar gloed verteren,

Tot staving van Zijn lang gehoond gezag.

 

Herodes wordt door de hemel geslagen. Wij hoorden wat Herodes sprak en wat het volk riep. Tenslotte letten we op:

 

3. Wat de Heere doet

 

Herodes zit daar op het toppunt van zijn grootheid. Maar wat een toppunt was, wordt een dieptepunt. En van stonde aan, dat wil zeggen: vanaf dat moment, sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten en gaf de geest.

 

Herodes heeft de maat vol gezondigd. O, bedenk het toch, gemeente, als een mens de maat vol gezondigd heeft, grijpt God in.

Voor allen die zonder God voortleven, komt dat moment. U kunt heel uw leven uzelf op de been houden, uzelf zoeken en God vergeten. De Heere is groot van geduld, maar ergens staat een streep.

Dit waarschuwende gedeelte staat niet voor niets in de Bijbel. Wilt u dan verder leven zonder God, wilt u uzelf handhaven, dan zal het eigen schuld zijn als u verloren gaat!

 

Voor Herodes is het nu afgelopen. Van stonde aan, vanaf datzelfde moment, sloeg hem een engel des Heeren.

Soms straft God onmiddellijk. Denk maar aan Sodom en Gomorra, Korach, Dathan en Abiram, Ananias en Saffira… Zo gaat het hier ook. Van stonde aan was daar die engel, als uitvoerder van Gods gericht.

Het was een engel die Petrus verloste, en een engel die Herodes sloeg. Engelen hebben niet alleen als taak het beschermen van de vromen, maar zij zijn ook uitvoerders van de gerichten van God. Herodes wordt op het hoogtepunt van zijn roem, plotseling overvallen door een acute ziekte. Onze tekst zegt: Hij werd van de wormen gegeten.

Doorgaans wordt een mens pas na zijn dood door de wormen gegeten, maar bij Herodes was dat al voor zijn dood. Zijn troon wordt zijn schavot, zijn staatsiekleed wordt zijn lijkwade. Hij liet zich vereren als een onsterfelijke god, maar nu laat de Heere zien dat Herodes ook maar een nietig en sterfelijk mens is. Flavius Josephus schrijft dat toen hij van pijn in elkaar kromp, hij nog gezegd heeft tot het volk: ‘Ik, die gij god noemt, ontvang nu het bevel om dit leven te verlaten.’

 

Gemeente, we kunnen zo onbezorgd in onze hoogmoedige trots voortleven, maar als de Heere onze adem wegneemt, dan zijn we er niet meer. Josephus meldt dat Herodes nog geen vijf dagen later onder vreselijke pijnen is gestorven.

Hij had meermalen zijn handen geslagen aan de discipelen van Christus, maar nu wordt hij gegrepen door de hand van Gods wrekende gerechtigheid. Vervreemd van God daalt hij in de afgrond van een stikdonkere nacht. Nog tijdens zijn leven wordt hij door de wormen gegeten, na dit leven zal het ook voor hem gelden dat die worm nooit meer sterft.

 

Wat een ernstige waarschuwing ligt hier voor ons. Zo vergaat het een mens zonder God! Een mens die het zo goed wist – hij kende de Bijbel – en desondanks de weg niet bewandelde. God laat Zich niet bespotten, en Christus laat Zich niet bespotten.

Hoe is het met u, gemeente?

Nog altijd onbekeerd en zonder God?

Wilt u doorgaan op de weg van de zonde?

Wilt u onbekeerd verder leven?

Ik lees ergens in de Bijbel dat het vreselijk is om in de handen van de levende God te vallen…

 

Maar de Heere laat u nog waarschuwen!

Gemeente, er is nog doen aan!

Leef toch niet verder zonder God. Val toch voor Hem neer!

Koning Jezus is oneindig veel meer dan koning Herodes. Hij is het, Die ons Zijne vriendschap biedt! U hoeft niet verloren te gaan, er is nog uitkomst, het is nog genadetijd. O, het zal zo erg zijn, eeuwig verloren te gaan, terwijl je het zo goed geweten hebt…

Dan is er een worm die nooit meer sterft, de worm van het zelfverwijt, de worm van eeuwige wroeging: had ik toch geluisterd. Had ik toch… had ik maar… Maar dan is het te laat, voor eeuwig te laat.

Gemeente, moet dát dan uw toekomst zijn? Dan zult u verkeren in de hel, in de eeuwige pijn, in het gezelschap van alle duivelen, goddelozen en Herodesen. En de toorn van God zal eeuwig op u rusten!

 

Nee, dat zeg ik niet om u bang te maken, maar uit bewogenheid, om u te waarschuwen, om u wakker te schudden! Nu kan het nog; het is nog de tijd van genade.

Is het u wel eens opgevallen dat er niemand zo ernstig en zo indringend over de hel en de eeuwige verlorenheid gesproken heeft dan Jezus Zelf? Uit Zijn mond hoor ik over de rijke man die zijn ogen opsloeg, zijnde in de pijn. Uit Zijn mond verneem ik over dat knersen van de tanden en dat kauwen op je tong. Hij sprak over de buitenste duisternis waar wening is en knersing der tanden. Niemand heeft zo ernstig en zo indringend over deze dingen gesproken dan Jezus!

Waarom deed Hij dat?

Opdat mensen wakker geschud zouden worden! Hij sprak er zo ernstig over, om het behoud van zondaren te zoeken. Daarom staan ook deze waarschuwende gedeelten in de Bijbel.

Bedenk het toch: Christus is op weg naar de glorie van Zijn koninkrijk. Op die weg was Herodes een lastige steen en een hindernis die Hij even liet liggen, maar nu slingert Hij hem aan de kant met de kracht van Zijn hand. Zo wordt tenslotte alles uit de weg geruimd wat zich tegen Hem verzet!

 

Gemeente, verhard u toch niet, maar láát u leiden! Omdat Christus nog uw behoud zoekt, wordt u dit waarschuwende gedeelte verkondigd.

Maar tegelijk ligt er een bijzondere bemoediging in voor Gods kinderen. Want de vijanden van Christus zijn ook de vijanden van Zijn kerk, die toch eens ten onder zullen gaan. Die vijanden kunnen tekeergaan, maar het is een kwestie van tijd.

In eigen kracht kan Gods kind die machtige doodsvijanden niet de baas. Dan moeten ze de nederlaag lijden. Probeer maar eens één zonde in eigen kracht uit te roeien. Die ene boezemzonde die je steeds weer bespringt, waar je maar niet vanaf komt. Nee, in eigen kracht kun je er niet tegenop, maar Koning Jezus leeft en regeert!

De catechismus zegt: Straks, in die grote dag, zal Hij al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen…

Al Zijn en mijn vijanden… Gemeente, dan is het zo gelukkig als de vijanden van Christus ook míjn vijanden geworden zijn!

Dan komt het goed, dan komt het eeuwig goed!

 

Tenslotte staat er na onze tekst iets dat bijzonder opmerkelijk is: En het Woord Gods wies en vermenigvuldigde. Het staat er als een overwinningsroep!

Herodes kon dat Woord niet tegenhouden, want hij ligt in het graf. De satan kan het niet verhinderen, want zijn kop is vermorzeld op Golgotha. Deze woorden staan hier ter bemoediging van de strijdende en aangevochten kerk, de eeuwen door. Het Woord Gods wies en vermenigvuldigde. Herodes moest het verliezen, maar het Woord van God zal het eeuwig winnen.

Koning Jezus gaat door met Zijn werk, en Hij bewaart en vermeerdert Zijn kerk. Hij breekt alle geweld en boze raadslagen af die tegen Zijn Woord bedacht worden. Hij gaat door; het Woord van God zal zijn loop hebben. Al komt heel de hel ertegenop, het Woord zal voorspoedig zijn om door de Geest zondaren toe te brengen.

 

Hij brengt ze ook vandaag nog toe. Ja, er komt wat tegen Gods kerk op. Nederland zinkt weg in de diepte van het postmoderne heidendom. Wie rekent nog met het Woord van God?

De kerk is zo’n kleine minderheid geworden, nog net gedoogd, maar hoe lang nog?

Maar tóch: Koning Jezus leeft! Het Woord zal zijn kracht blijven doen in mensenharten. Het zal gepredikt worden tot de jongste dag toe. De duivel zal het niet kunnen verhinderen. Hij zal nooit in staat zijn de bekering van een zondaar te verhinderen.

Het Woord Gods wies en vermenigvuldigde. Het Woord gaat voort, en zál voortgaan!

Herodes ligt al bijna tweeduizend jaar in het graf. Het Romeinse Rijk is al eeuwen geleden ten onder gegaan… Maar nog steeds wordt het Woord verkondigd!

 

Gemeente, heeft u ooit de kracht van dat Woord in uw ziel gevoeld? Want als u dat ervaren hebt, dan hebt u hetzelfde gezegd als dat volk in het amfitheater in Caesarea,  maar dan met een totaal andere betekenis: Een stem Gods en niet eens mensen!

Heeft u zo wel eens in de kerk gezeten, bent u zo wel eens thuisgekomen na de kerkdienst, met in het diepst van je hart de wetenschap: Dit was een stem van God, en niet van een mens…

Heeft u ooit zo de kracht van het Woord gevoeld, toen het u ontdekte aan uw zonde en verlorenheid, zodat u het voor God ging belijden: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd (Ps.51:6)?

Heeft u ooit zo de kracht van het Woord gevoeld, toen het u sprak van de heiligheid en rechtvaardigheid van God, zodat u uw hoofd leerde buigen, uzelf leerde veroordelen en God leerde rechtvaardigen?

Maar heeft u dan ook de kracht van het Woord gevoeld, toen het in uw nood en dood de ruimte in het werk van Koning Jezus voor u opende? Een ruimte zo oneindig groot, dat u het gezegd hebt: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16).

Nu kan ook ik zalig worden, omdat Koning Jezus leeft!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 132:12

 

Wat vijand tegen hem zich kant’,

Mijn hand, Mijn onweerstaanb’re hand,

Zal hem bekleên met schaamt’ en schand’.

Maar eeuwig bloeit de gloriekroon

Op ‘t hoofd van Davids grote Zoon!