Ds. J. Schipper - Johannes 4 : 4

Onderwerp

Een drievoudige openbaring van Jezus' gang door Samaria
Een heilige dwang
Een ontdekkende ontmoeting
Een verblijdende vrucht

Johannes 4 : 4

Johannes 4
4
En Hij moest door Samaria gaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 108: 2
Lezen : Johannes 4: 1-30
Zingen : Psalm 38: 1, 6, 18
Zingen : Psalm 32: 3, 6
Zingen : Psalm 119: 86

Er zijn zeven boetepsalmen. De zojuist gezongen Psalm 38 is er één van. Toen Augustinus op zijn sterfbed lag, had hij die zeven boetepsalmen aan de wand geprikt. Wat bleef er eigenlijk over van hem, de kerkvader van het westen, zo’n groot geleerde die zoveel geschreven had? Hij lag daar als een arme, boetvaardige zondaar. Weet u wat hem zo tot troost was? Hij had het zicht op die zeven boetepsalmen aan de wand. Aan het einde van die zevende boetpsalm, namelijk Psalm 143, staat: Ik ben Uw knecht (Ps.143:12). En dat mocht een poosje naar binnen gaan bij Augustinus. Wat een troost!

 

In Psalm 38 bemerk je de klacht van David als een bekommerde zondaar. Er zijn onderscheiden bekommernissen in het natuurlijke en in het tijdelijke leven. Er kunnen bekommernissen zijn over je kinderen, als zij een andere weg gaan dan je zou wensen. Er kunnen bekommernissen zijn als een ernstige ziekte je huis binnenkomt. Zo zouden we er vele kunnen opnoemen. Vult u het voor uzelf maar in. Er zijn zoveel kruisen, druk, zorgen, noden en moeiten. Dit zijn de bekommernissen over de gevolgen van de zonden.

Deze droefheid der wereld kom je overal tegen. Dit wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze. Paulus heeft het over een drievoudig zuchten. Hij zegt: Het ganse schepsel tezamen zucht (Rom.8:22). Dat heeft te maken met de gevolgen van de zonden, die groot en vele zijn. We hoeven maar om ons heen te kijken en de krant te lezen en we kunnen een heel rijtje opsommen. We lezen van oorlogen, aardbevingen, rampen, ongelukken, terrorisme, aanslagen en zoveel meer. Dat zijn de gevolgen. Maar ook dichterbij, in ons vaderland, in onze gezinnen en in ons eigen hart, komen we de gevolgen van de zonde tegen. Want ieder huis heeft zijn kruis en ieder hart zijn smart.

Paulus gaat echter verder. Er is een zuchten van een volk op aarde dat niet alleen zucht over de gevolgen van de zonde, maar dat ook bevindelijk bepaald mag worden bij de oorzaak van de zonde zelf. Ze gaan gebukt, bekommerd over de zonde. Men zucht er onder.

 

Gelukkig is er nóg een ander zuchten. Dat is het zuchten van de Heilige Geest. Dat zijn die onuitsprekelijke zuchtingen van de Heilige Geest, Die ze gaat neerleggen aan de voeten van die gezegende Voorbidder. En Christus zal verhoren, niet óm het gebed, maar óp het gebed.

David is ook bekommerd. We lezen in Psalm 38 dat hij dat is vanwege zijn zonde. Dat leren nu al Gods kinderen. Ze gaan onder die zonde gebukt. Als de Heere hun ogen opent, gaan ze zien dat ze hun leven lang gezondigd hebben tegen een goedertieren en getrouw houdend God, Die van jongs af aan altijd voor hen gezorgd heeft. Zou er dan geen smartelijke droefheid zijn over de zonden voor God, omdat je jezelf maar niet kan verbeteren? Dat is nu bekommernis.

                                                     

Weet u wat de zonde zo bitter gaat maken in de verdere weg? Als u gaat zien wat het die Borg gekost heeft. Dan worden uw zonden zo bitter. Dan is er niet alleen een zondigen tegen de wet en de geboden Gods, maar ook een zondigen tegen het Evangelie. Dan is er droefheid, net als bij David, als hij zegt: Ik ben bekommerd vanwege mijn zonde (Ps.38:19).

De Heere geve het maar in te leven, opdat het mag uitdrijven tot Hem. Het is een leerschool om die borgtochtelijke voetstappen te mogen leren drukken. Dan moet ik armer en minder worden in mezelf, maar dan wordt God op het hoogst verhoogd. Dat is de weg van de heiligmaking.

Johannes zegt het treffend, hetgeen hij ook heeft samengevat in zijn evangelie: Hij moet wassen, maar ik minder worden (Joh.3:30). En dan zien we overeenkomsten met de woorden van David: Ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.

 

Gemeente, de tekst voor deze dienst kunt u vinden in Johannes 4 vers 4, waar we lezen:

 

               En Hij moest door Samaria gaan.

 

We worden bepaald bij: Een drievoudige openbaring van Jezus’ gang door Samaria.

 

We staan in een drietal gedachten stil bij:

1. En heilige dwang. Hij móest door Samaria gaan. Dat was een Goddelijk moeten.

2. Een ontdekkende ontmoeting. Daar bij de Jakobsbron gaat Jezus een Samaritaanse vrouw ontmoeten.

3. Een verblijdende vrucht. De vrucht blijft niet uit na die ontmoeting, als zij uitroept tot degenen tot wie ze terugkeert: Is Deze niet de Christus?

 

1. Een heilige dwang

 

De Heere Jezus en de discipelen zijn op pad. Ze gaan van Judea naar Galilea. Judea ligt in het zuiden en Galilea in het noorden. Waarom vertrekken ze naar Galilea? Als dan de Heere verstond dat de farizeeën gehoord hadden dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes (hoewel Jezus Zelf niet doopte, maar Zijn discipelen), zo verliet Hij Judea en ging wederom heen naar Galilea (Joh.4:1-3). Johannes de Doper had in Judea gedoopt, te Bethábara aan de Jordaan.

Iedere dag was daar een schare van mensen te vinden die naar Jezus keken en luisterden. Er gaan er velen tot Jezus, en dat roept vragen op bij de discipelen van Johannes de Doper. Waarom gaan ze nu allemaal tot Hem? Waarom komen ze niet tot Johannes? Hij brengt toch ook de waarheid? Hoor maar: En de bijl ligt ook alrede aan de wortel der bomen; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen (Luk.3:9). Johannes de Doper roept ook op tot bekering. Hij heeft heen gewezen: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). De mensen gaan nu tot Jezus. Het is tot ergernis van de farizeeën en een doorn in hun oog. Jezus zagen ze als een grotere bedreiging voor hun gezag dan Johannes de Doper. En nu gaan ze tot Hem. Hoewel er staat dat Hij Zelf niet doopte, maar Zijn discipelen. Wat een invloed gaat er kennelijk van Hem uit!

 

Jezus besluit daarom met Zijn discipelen naar het noorden te gaan, naar Galilea. In Judea zullen ze ongetwijfeld met vervolgingen te maken krijgen. Omdat Zijn ure nog niet is gekomen, vertrekt Hij uit deze landstreek. Ook wil Hij Zijn discipelen niet aan die gevaren in Judea blootstellen. Zo wordt besloten om naar het noorden te gaan, waar de mensen kennelijk niet zo geprikkeld zullen zijn. Daar zijn nog wat vrienden en wonen familieleden van de discipelen.

 

Jezus gaat met Zijn discipelen naar Galilea. Hóe gaat Jezus naar Galilea? We lezen: En Hij moest door Samaria gaan. Er staat: Hij móest. Nu zijn er verschillende soorten van moeten. In het Nieuwe Testament lezen we vanuit de grondtaal, het Grieks, het kleine woordje ‘dei’. Dat woordje ‘dei’ betekent: een heel sterk moeten. Het is eigenlijk een Goddelijk moeten. Daar kom je niet onderuit. Dat is een heilig moeten, ofwel een heilige dwang. En Hij moest door Samaria gaan.

Het lag niet voor de hand om door Samaria te gaan. Daar wonen Samaritanen, die door de Joden veracht worden. Samaritanen waren in hun ogen gelijk aan honden. Maar die verachting geldt niet alleen de Joden. De Samaritanen mochten de Joden evenmin. Er was geen gemeenschap tussen deze twee volkeren. Vroeger hadden de Samaritanen de herbouw van de tempel der Joden belemmerd. Dat was men nog niet vergeten. U begrijpt: dat ging niet met elkaar. Het waren ook geen echte Israëlieten. Ze waren van heidense afkomst en ze hadden hun eigen tempel.

Als de Joden van het zuiden naar het noorden reisden en andersom, ging men met een boog om Samaria heen. Je ging er niet doorheen.

 

Nu staat er: En Hij moest door Samaria gaan. De ménsen dwongen Hem niet om door Samaria te gaan, maar het was een Goddelijk moeten. Hij móest. Het was een moeten, gemeente, krachtens dat Goddelijk welbehagen van eeuwigheid. In Samaria moesten er nog worden toegebracht. In deze stad moesten er nog worden toegevoegd tot de gemeente die eenmaal zalig zal zijn. Daar moesten er tot behoudenis komen. Verloren zondaren die gered moesten worden uit de duisternis, om geleid te worden tot het wonderbaar licht.

Daarom moest op Gods tijd Jezus door Samaria gaan, maar dan wíl de Heere ook door Samaria gaan. Hij wil te doen hebben met de grootste der zondaren en met de slechtsten der slechten.

 

Hij gaat, want Hij moest van eeuwigheid. Door de Vader was Hij verordineerd, van eeuwigheid aangewezen om Middelaar, Borg en Verlosser te zijn. Hij was bekwaam gemaakt in de tijd, naar Zijn menselijke natuur, om dat middelaarswerk te gaan volvoeren. Het moet óók omdat Hij het Zelf toegezegd heeft: Zie, Ik kom, om Uw wil te doen, o God (Hebr. 10:9). ‘Ik zal Mij met Mijn hart Borg stellen voor dat doemwaardige volk.’ Zo heeft Hij de menselijke natuur aangenomen. Achter dat voorhangsel van de menselijke natuur was de majesteit van zijn Goddelijke natuur verborgen.

 

Op twaalfjarige leeftijd moest Hij in de tempel zijn en zitten in het midden van die geleerde heren, de farizeeën en schriftgeleerden. Lukas tekent op: Hen horende en hen ondervragende. En allen die Hem hoorden, ontzetten zich over Zijn verstand en antwoorden (Luk.2:46-47). Jezus heeft eerst gehoord, eerst geluisterd. Als Maria en Jozef Hem op de terugweg naar huis vanuit Jeruzalem kwijt zijn en Hem gaan zoeken, vinden ze Hem uiteindelijk in de tempel. Een plaats waar ze natuurlijk het eerst hadden moeten zoeken. Terwijl ze zelf schuldig zijn, verwijten ze het Jezus enigszins. Maria zegt tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons zo gedaan? Zie, Uw vader en ik hebben U met angst gezocht. En Hij zeide tot hen: Wat is het dat gij Mij gezocht hebt? Wist gij niet dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? (Luk.2:48-49)

Deze dingen moesten geschieden. Al die dingen die in de tempel waarneembaar zijn, zoals de offers, de zaken van de ceremoniële eredienst, deze wezen allemaal heen naar Christus en hetgeen zou gaan gebeuren. Het móest ook gebeuren, omdat dit van eeuwigheid bepaald was. Dat is het lieflijk onderwijs dat Hij daar gaat geven. Christus is het Die moest zijn in de dingen van Zijn Vader.

Jozef en Maria hadden dat kunnen weten. De engel heeft er destijds over gesproken. De herders hebben het verkondigd, maar ook al die zaken die geopenbaard zijn. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Dat is nu het welbehagen dat van Godswege volvoerd moet worden.

Hij is daar niet alleen om te onderwijzen. Christus is ook Priester, want Hij heeft Zijn middelaarsarbeid aangekondigd. Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes.53:7). Doch Jezus zweeg stil (Matth.26:63).

 

Als Hij na de opstanding met de Emmaüsgangers wandelt naar dat vlek Emmaüs, zegt Hij: Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? (Luk.24:26) Hij wil hierin aantonen dat al deze dingen toch gebeuren moesten.

Zo geeft Christus ook onderwijs aan die discipelen op weg naar Emmaüs. Het is een heilig moeten. Hij spreekt over Gods raad, hetgeen moet worden volvoerd, maar ook over dat soeverein welbehagen en over die eeuwige ontferming. Hij spreekt tegen die Emmaüsgangers vanuit het paradijs, maar ook over Zichzelf. Dit zijn de uitgangen vanouds, van de dagen der eeuwigheid. Het gaat ook over de volheid van de tijd waarin Hij geboren moest worden. Die grote Profeet, enige Hogepriester en eeuwige Koning van de Kerk moest over de aarde gaan, als een Lam geleid.

 

Christus spreekt over de opstanding, maar ook spreekt Hij al over de hemelvaart en de wederkomst. Zijn gang is door lijden tot heerlijkheid. Zo spreekt de Heere Jezus over datgene wat in Gods Woord staat en wat het ons leren moet.

Wij zijn nogal eens geneigd om veel te spreken over wat we zelf ervaren hebben. Dan gaat het over bevindingen en dingen die wij meegemaakt hebben. Gemeente, belangrijker is wat Gods Woord bevinding noemt. Uit het Woord komt de ware bevinding voort en dat geeft vaste grond. Bevinding moet opkomen uit de Schrift.

Wat is het groot als een gemeente Schriftuurlijk gegronde christenen in zich mag hebben, die mogen leven bij dat Woord. Als je leeft bij dat Woord, gemeente, dan is dat een gids, maar ook een leidraad in je leven. Dan zingt het wel eens: ‘Uw woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijnen smaak, en hart en zinnen strelen.’ (Ps.119:84 berijmd) Dan geeft Hij onderwijs.

 

In onze tekst staat: En Hij moest door Samaria gaan. We spraken over een Goddelijk moeten, een heilige dwang. In dat Goddelijk moeten ligt ook verklaard dat eeuwige welbehagen dat volvoerd zal moeten worden. Dat zal door Zijn hand ook gelukkiglijk voortgaan. Dit alles zal strekken tot de eer van Zijn Naam, tot verheerlijking van die grote, driemaal heilige Naam, maar ook tot heil van zondaren.

De kerk zal de zaligheid niet verkrijgen buiten die Middelaar en Zijn verdienste. Dat is voor ons allen het noodzakelijkste. Hij moest de straf wegdragen en de schuld eigenen, de wet gehoorzamen en aan het recht voldoen. Maar dan zal Hij ook dat leven aanbrengen waar het allemaal dood is, vanwege dat Goddelijk moeten. De poorten der hel zullen Zijn gemeente nimmer overweldigen. Hij zal die verloren schapen bijeenvergaderen. Hij kwam om zondaren, verloren mensenkinderen, te zoeken en zalig te maken. Dat moeten houdt dus verband met het Goddelijk welbehagen, dat naar de raad van Gods wil zal worden uitgevoerd.

 

We letten in onze tweede gedachte op:

 

2. Een ontdekkende ontmoeting

 

En Hij moest door Samaria gaan. Waartoe moest Hij door Samaria gaan?

Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf. En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan vermoeid zijnde van de reis, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure (Joh.4:5-6).

Het was volgens onze tijdsaanduiding twaalf uur in de middag. De zon stond op het hoogste punt van de dag. Dan staat er in vers 7: Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Water putten was het werk van vrouwen die daar ‘s ochtends of ‘s avonds kwamen, maar niet in de brandende hitte, als de zon hoog aan de hemel stond. Dat gebeurt hier wel, dus dat was bijzonder.

Alles geschiedt in Gods voorzienig bestel, want juist nu moet zij bij die put terechtkomen om die ontdekkende gezegende ontmoeting met Jezus te hebben. Gemeente, zo leidt de Heere Zijn volk. We moeten maar opmerkzaam zijn. Als u er aan terugdenkt waarom u toen en toen op een bepaalde plaats moest zijn… Achteraf gaat men dat wel eens inzien, waarom die leidingen zo waren. De Heere wil op Zijn tijd deze Samaritaanse vrouw tot de zaligheid brengen.

 

Jezus stelt haar een vraag in vers 7: Geef Mij te drinken. Dus wie begint er te spreken? De Heere Jezus is het Die begint te spreken en het is maar goed ook dat Hij begint. Hij is het begin, Hij zal ook het einde zijn. Hij zal bewaren en achtervolgen, zeggen de Dordtse Leerregels, maar Hij zal het ook voleinden.

Christus begint hier te spreken. Eigenlijk vraagt de Heere Jezus hier om een gunst: Geef Mij te drinken. Hij daalt laag af om die gunst aan een mensenkind te vragen. Hij kan dat water Zelf niet putten, omdat Hij geen materiaal bij Zich heeft. De discipelen zijn er niet en het is opmerkelijk dat Hij het dan aan een vrouw vraagt. Gewoonlijk vroeg een man dat in die dagen niet aan een vrouw. Nu wordt de vraag zelfs aan een Samaritaanse gesteld en nog wel door een Jood. Dat is hier dus heel bijzonder. Het wordt gevraagd door Eén Die het niet nodig had om van mensenhanden gediend te worden.

Christus vraagt echter, en zo is het nog. Hij dorst naar water. Hij wil hierdoor zeggen dat Hij vraagt naar de behoudenis van zondaren. Opdat ze daar zullen komen waar Hij ze hebben wil. Gemeente, dan komt Hij door middel van het Woord: Laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20).

 

In ons teksthoofdstuk spreekt Hij die Samaritaanse aan. Je zou kunnen zeggen: Hij trekt haar aandacht. Als de Heere door Zijn Geest begint in het hart van een zondaar, dan trekt Hij zijn of haar aandacht op zo’n wijze dat die zondaar Gods Woord gaat onderzoeken. Als ze er op gewezen worden, gaan ze lezen en onderzoeken. Ze kunnen er niet meer buiten en gaan luisteren zoals ze nog nooit geluisterd hebben.

Christus trekt haar aandacht. Die Samaritaanse is aanvankelijk verbaasd. Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de Gave Gods kendet, en wie Hij is Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zou u levend water gegeven hebben (Joh.4:9-10).

Is het u opgevallen dat het woordje ‘Gave’ met een hoofdletter geschreven is? Het is namelijk een Geschenk dat door God Zelf gegeven is. De schenking van God de Vader. Christus is die Goddelijke Gave en daarvan gaat de Heere Jezus aan die Samaritaanse vrouw onderwijs geven. Hij bepaalt haar bij die Goddelijke Gave.

 

Wat werkt dit onderwijs nu uit bij die vrouw? Dat werkt een gemis uit. Het is groot als dat gemis een levend gemis mag zijn. Dan ontstaat in het hart van die vrouw een begeerte naar dat levende water, omdat Christus daarover spreekt. Dat is het plaatsmakende werk. Voor dat levende water moet voor het eerst en bij vernieuwing nog altijd plaats gemaakt worden. Dat werkt echter Christus, die gezegende Middelaar, uit. Er moet ook altijd maar weer plaats gemaakt worden voor een plaats aan de dis des verbonds. Dat is altijd maar weer noodzakelijk.

Er staat dat Hij daar plaats voor gaat maken. Haar ogen moeten geopend en haar verstand verlicht worden. Het verlangen moet aangewakkerd worden. Alzo is het geschied; het is  een wonderlijke ure.

 

De vrouw zeide tot Hem: Heere, Gij hebt niets om mede te putten, en de put is diep; vanwaar hebt Gij dan het levende water? Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons de put gegeven heeft? En hij zelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee (Joh.4:11-12). Het zijn allemaal vragen die ze stelt. Het lijkt Nicodémus wel in het vorige hoofdstuk, die ook zoveel vragen aan Jezus stelde.

Gemeente, zo is het met allen, ook al kennen ze heel de Bijbel uit hun hoofd, van kaft tot kaft. Op zich is dat zeer prijzenswaardig. Hadden we maar meer kennis! Maar dan zien we hier toch dat ze als dwazen gaan vragen om een uitlegger. Net als die kamerling uit Morenland, die op zijn wagen de rol van Jesaja leest. De Heere had Filippus zich reeds bij die wagen laten voegen, zodat die kamerling zijn vragen kon stellen aan een uitlegger. Ik bid u, van wie zegt de profeet dit, van zichzelven of van iemand anders? (Hand.8:34)

We hebben onderwijs van die Leraar ter gerechtigheid nodig. Dat heeft ook die Samaritaanse vrouw nodig. Jezus gaat haar vraag beantwoorden en zegt: Een ieder die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh.4:13-14).

 

Het is een rijke historie hier aan die Jakobsbron. Die put heet naar Jakob, omdat hij die zelf gegraven heeft, voor zichzelf, zijn kinderen en zijn vee. Dat is een rijke historie, maar die rijke historie van de Jakobsbron op zich is tekort voor de eeuwigheid. Met alleen de historische uitwerking van die gegraven put door Jakob, kun je niet zalig worden. Dat is groot om te weten, maar met een historisch geloof alleen komt een mens er niet.

Het is wel noodzakelijk hoor, dat we ook een historisch geloof hebben. Dat moeten we niet onderschatten en wegdoen. Het is wel tekort, want het gaat buiten Christus om. Leven bij en vanuit de historie op weg en reis naar de eeuwigheid, loopt op een grote teleurstelling uit. Want dan is er niets veranderd in uw leven.

Gemeente, het is dus voor u en mij noodzakelijk dat onze ogen geopend worden voor dat levenswater. Dat levende water wordt geschonken door Christus Zelf, omdat dit voortvloeit uit de bron van Zijn verdienste. Dit levende water is noodzakelijk voor uw behoud.

 

In Adam hebben we allemaal de Bron des levens verlaten, ja, die zelfs achter ons gelaten. En als u er nu achter gekomen bent dat u die Bron des levens niet nodig hebt in uw leven en Deze verlaten hebt, dan gaat u naar het levende water snakken.

Als je dat levende water nu niet mist, dan heb je het best naar je zin op deze aarde en leef je maar gewoon door. Als u gaat smachten van dorst – en ik wenste dat u dat allen zou mogen ondervinden – dan gaat u zoeken. U gaat dan overal zoeken naar dat levende water en u zult er achter komen dat u dit maar niet kunt vinden.

 

Gemeente, hier beneden is het niet. Lodenstein dichtte ervan: ‘Het ware leven, lieven, loven, is daar waar men Jezus ziet.’ Zo is het! Hier beneden is het niet. De wereld stelt teleur, met mensen val je om. David had dit ook geleerd: ‘Vest op prinsen geen betrouwen, waar men nimmer heil bij vindt; zoudt g’ uw hoop op mensen bouwen?’ (Ps.146:2, berijmd). Het moet een zuchten worden: ‘Verhef Gij over ons Uw aangezicht, o Heere!’

Als God het niet verhoedt, dan blijven wij maar putten graven. We blijven met die aarde bezig om het daarvan te verwachten, ofwel het water van deze aarde. En als ons straks de dood overvalt en we kennen dat levende water niet, dan blijven we dorst houden, maar dan zal het een eeuwige dorst zijn. Wat zal dat vreselijk zijn!

De ware verzadiging kan alleen gevonden worden in de gemeenschap met die Gezegende  des Vaders. Het gaat derhalve nooit buiten Christus om. Paulus zegt in zijn brief aan Efeze: Maar God, Die rijk is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde waarmede Hij ons liefgehad heeft… (Ef.2:4). Voor wie dat is? Degenen die dood zijn in de zonden en in de misdaden. Hij heeft die levendgemaakt en ze worden met Christus opgewekt en in de hemel gezet. Gemeente, het gaat dus nooit buiten die Middelaar Jezus Christus om.

 

Zal die Samaritaanse vrouw dat onderwijs begrijpen? Nee, ze is een beetje hardleers. U ook? Ach, we zijn allemaal van nature zo onverbeterlijk en hardleers.

Bij die Samaritaanse wordt wel iets vanbinnen losgemaakt. Er wordt een begeerte in haar hart opgewekt. Dat water waar Christus over spreekt wil ze wel hebben, omdat ze dan niet telkens hoeft te gaan putten. Die begeerte van haar is een natuurlijke begeerte, maar dat moet nu een geestelijke begeerte gaan worden. Wat is het dan nodig in het leven van die Samaritaanse vrouw om daaraan ontdekt te worden.

Maar deze ontdekking is in ons aller leven nodig. Dat deksel moet er van af, zodat u ontdekt wordt aan wie u eigenlijk bent voor God.

 

De Heere gaat dit Zelf doen in het leven van die Samaritaanse, want ik lees in vers 16: Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man en kom hier (Joh.4:16). O, op zo’n vraag en op zo’n verzoek had ze niet gerekend. Ze moet nu met haar zondige leven voor de dag komen, hetgeen ze netjes bedekt had willen houden. Wie wil er nu, zolang er niet om gevraagd wordt, met zijn zonden voor de dag komen? Dat houd je bedekt, nietwaar? Niemand wil toch met zijn zondige leven en met zijn armoede openbaar komen?

Gemeente, zolang we de schuld niet beleven en de schuld niet erkennen, zal die ware schuldvergeving moeten uitblijven. Dan is er geen plaats voor genade en is er geen plaats voor Christus.

 

We lezen verder: De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man (Joh.4:17). U hoort in dit antwoord dat ze geen zondares wil zijn. Ze probeert het nog steeds bedekt te houden. Ik heb geen man, zo zegt ze.

Weet u wat zo’n voorrecht is, gemeente? De Heere gaat door met vragen. Hij pakt door, want door de volgende vraag te stellen gaat Jezus nog een slag dieper. U bemerkt hieruit dat Hij niet laat varen de werken Zijner handen. Christus gaat door en houdt vast, omdat Hij haar leven wil blootleggen. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man (Joh. 4.17). Wat een voorrecht als Hij vervolgt: Want gij hebt vijf mannen gehad, en die gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd (Joh.4:18).

Ze had inderdaad met waarheid gezegd dat ze geen man had, want de man die ze nu heeft, is haar man niet. Deze man was misschien wel van een andere vrouw. Christus spreekt duidelijk uit dat samenwonen een grove zonde is.

Hier wordt de zonde van deze vrouw geheel blootgelegd, gemeente. Ze wil geen zondares zijn, maar de Heere vraagt door en nu moet ze wel openbaar komen.

 

Volgens de Joodse zeden mocht een vrouw niet meer dan drie mannen hebben gehad in haar leven. Dit was echter niet alleen een Joodse zede, maar ook die van een Samaritaan. Het leven dat deze vrouw geleid had met meer dan drie mannen was oneervol en dat doorzag de Heere Jezus. Zijn wetenschap doorziet haar weg van stap tot stap. Hij legt haar hart open, maar Hij legt ook haar leven bloot.

Nadat hij haar zondige leven blootgelegd heeft, komt er een begin van erkenning. Wat is dat toch mooi als in vers 19 die vrouw tot Christus zegt: Heere, ik zie dat Gij een profeet zijt (Joh.4:19). Uit deze woorden verneemt u dat haar ogen worden geopend voor de Alwetende. Hij doorziet en doorgrondt alles.

Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten (Ps.139:23). Is dat uw vraag al? Ach, u weet dat het niet veel zaaks is vanbinnen en dat het allemaal verzondigd is. Dan komt daar het begin van de erkenning: ‘Gij kent mijn hart, o Heere, en doorgrondt me.’

 

De profetische bediening heeft de zonden van deze Samaritaanse geopenbaard. Die heeft haar schuld aangetoond. We zien dat deze heilsweg langs wegen gaat van zelfkennis, maar ook van boetvaardigheid. Deze vrouw loopt vast met haar leven, met haar zonden en ongerechtigheden, maar wellicht ook met haar godsdienst, als ze die bedreef. Met je godsdienst kun je het nooit volhouden. Je moet sterven aan je eigen godsdienst.

 

Deze vrouw weet het niet meer. Ze ziet haar tekort. En wat gaat ze nu doen? Ze gaat bidden. Dat bidden, gemeente, is nu een eigenschap van het ware leven; dat hoort bij het leven. Als uw gebedsleven op een laag pitje staat, dan moet u het maar eens nakijken. Bidden hoort echt bij dat ware leven. Als het levendig mag zijn, is er ook een levendig gebed tot de Heere. 

Deze vrouw gaat bidden. In dit bidden komen Gods kinderen met de nood van hun ziel voor God terecht. Dan komen ze als die tollenaar aan Zijn gezegende voeten terecht, en dan bidden zij: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13). Dan is het als die moordenaar aan het kruis, die het uitroept: Heere, gedenk mijner! (Luk.23:42)

Kent u het roepen naar de hemel, dat smeken om genade, dat aanlopen als een waterstroom?

 

De Heere Jezus gaat voor de Samaritaanse vrouw de Schriften openen. Hij gaat wijzen op de belofte die gedaan is aan de Joden. We lezen: Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt wanneer gijlieden noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden. Gijlieden aanbidt wat gij niet weet; wij aanbidden wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden. Maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken die Hem alzo aanbidden. God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid (Joh.4:21-24).

 

U begrijpt vanuit de woorden van Christus dat ze nu helemaal een buitenstaander wordt. Ze staat er echt helemaal buiten, want de zaligheid is uit de Joden, en zij is geen Jood. Zij hoort niet bij dat volk van Israël. Ze hoort niet bij dat verbondsvolk.

Voelt u dat zij er even helemaal buiten gezet wordt? Christus wijst op haar afkomst, maar dat geldt niet alleen haar, maar ook de Joden en ons kerkmensen. Alles moet wegvallen. Als het gaat over het uitwendige; ja, ook dat moet er aan. Zelfs het geboren zijn op de erve van het verbond en dat teken en zegel dat de meesten onder ons zullen hebben ontvangen, moet wegvallen als grond voor de zaligheid. Want als er na het ontvangen van dit teken en zegel verder niets gebeurt in mijn leven, dan kom ik er niet. Er is meer nodig. Christus zegt in vers 24: God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.

 

Hier staat dat alles buiten Christus geen waarde heeft voor de zaligheid. Die Samaritaanse kan met haar gebed de Heere ook niet behagen. Het moet in geest en waarheid. Ze moet door die Geest geleid worden in alle waarheid. ‘Ach, Heere, zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden (Ps.43:3).’

Het gaat dus niet over de plaats, de Gerizim of Jeruzalem, maar het gaat over je hart. Gemeente, zo moet u uzelf leren kennen, dat onze vleselijke dienstbaarheid weggenomen wordt, opdat er plaats en ruimte komt voor die onmisbare genade en openbaringen. In Christus alleen vinden we het leven, in Hem Die het Leven is. Is dat ook uw leven?

 

We letten in onze derde gedachte op een verblijdende vrucht. Maar we zingen eerst uit Psalm 32, de verzen 3 en 6:

 

               ‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

               ‘k Verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden;

               Maar ik beleed, na ernstig overleg,

               Mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg;

               Dies zal tot U een ieder van de vromen,

               In vindenstijd, met ootmoed smekend, komen;

               Een zee van ramp moog’ met haar golven slaan,

               Hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

 

               Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,

               Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

               Zingt vrolijk; roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

               Gij die oprecht van hart en wandel zijt.

 

In onze eerste gedachte spraken we van een heilige dwang, want het was een Goddelijk moeten om door Samaria te gaan. In onze tweede gedachte moest daar in Samaria een ontdekkende ontmoeting plaatsvinden. En die ontmoeting heeft geleid tot een verblijdende vrucht, waar we nu van spreken.

 

3. Een verblijdende vrucht

 

Die Samaritaanse is ontdekt aan wie ze is geworden door de zonde. Maar hoe gaat het nu verder? Hoe zal ze nu aanbidden in geest en in waarheid? Ze denkt dat de Messias dat wel zal weten. Want over Hem heeft ze horen vertellen. Ze gelooft dat Hij dat wel zal weten, ofschoon ze Hem nog nooit nodig gehad heeft.

Gemeente, ze heeft Hem nu wel nodig. Vroeger niet. De uitgangen van haar hart gaan naar Hem uit. Er is een begeerte gekomen in haar leven, naar dat levende water. Hem te leren kennen en vervolgen te kennen is het eeuwige leven. De vrouw zeide tot Hem: Ik weet dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen (Joh.4:25).

 

Gemeente, is dit niet de verzuchting van al Gods kinderen, de verzuchting die naar Hem uitgaat? Er is een volk dat met een hartelijke heilsbegeerte naar Hem uitziet. Ze gaan met David zingen: Eén ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel (Ps.27:4). Dit is de begeerte van David geworden.

Dit was ook de begeerte van de bruid uit het Hooglied: Trek mij, wij zullen u nalopen (Hoogl.1:4). Dit is een geheel andere begeerte dan die van Eva in het paradijs. Zij wilde zijn als God, kennende het goed en het kwaad. Die begeerte werd in haar opgewekt. Dat was een kwade begeerte. Maar de Heilige Geest zal de nieuwe begeerte werken in de harten van een heilbegerig volk. Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden (Matth.5:6).

 

Nu wordt het voor die Samaritaanse een zalige ure, omdat Christus Zich aan haar gaat ontdekken. Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek (Joh.4:26). Dit was voor haar een grote weldaad, omdat Hij Zich in de dadelijkheid gaat openbaren aan deze vrouw, als Middelaar.

Hij zegt: Ik ben het. Ik ben het Die van eeuwigheid Borg is en Ik ben het Die nu gekomen is in de volheid des tijds. Ik ben het; ontvangen uit de Geest, geboren uit de vrouw, geworden onder de wet. Zo spreekt Christus erover dat Hij verzoening door voldoening zal aanbrengen. Ik ben het, die Profeet waar u over sprak: Heere, ik zie dat Gij een profeet zijt. Ik ben nu die Profeet, maar ook die Priester, Die gekomen is om dat levende water te schenken. Ik ben de eeuwige Koning van de Kerk, om te regeren, te vergaderen en te beschermen. Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh.14:6).

 

Nu ze op het hoogtepunt van hun gesprek gekomen zijn, keren de discipelen terug. Ze kijken vol verwondering naar hun Meester, Die in gesprek is met een Samaritaanse vrouw. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij? of: Wat spreekt Gij met haar? (Joh.4:27). Ze voelen wel aan dat ze in dit gesprek niet tussenbeide moeten komen, want als Gods werk openbaar wordt in het leven van je naaste moet je een stapje terug doen. Dat bemerken de discipelen; je moet daar niet tussentreden.

In dit bijbelgedeelte heeft de Heere die Samaritaanse vrouw apartgenomen. Dat is toch de ervaring van al Gods kinderen, dat ze apartgenomen worden en ze met Hem alleen de gemeenschap mogen beoefenen?

 

Gemeente, wat is deze ontmoeting een verwondering geweest voor die Samaritaanse vrouw! Wat een verblijdende vrucht dat Christus Zich in haar leven geopenbaard heeft. Ze denkt nu niet meer aan dat natuurlijke water, dat ze vanuit die Jakobsbron geput had. Nee, ze heeft alles achtergelaten en is teruggekeerd naar de stad. Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad (Joh.4:28). Ze heeft als doel om tot een ieder te gaan spreken.

Het verlangen van voorheen is voorbij. Dat is er niet meer. Vroeger heeft ze vaten vol zonde en ongerechtigheden leeggedronken, maar nu laat ze dat watervat achter. Er is een groot wonder gebeurd bij de Jakobsbron. Het woord van Christus zal niet ledig wederkeren. Ze gaat naar de stad, niet om haar zondige leven voort te zetten en verder te gaan waar ze mee bezig was. Iedere stap terug naar de stad herinnerde haar aan haar vorige leven. Ze ging zo anders heen naar die Jakobsbron. Hierin wordt ze nu teruggeleid. Gemeente, dat is ook een smartelijke terugleiding, als de Heere alles ordentelijk voor ogen gaat stellen van uw jongste jaren af.

 

Nu gaat ze echter getuigen van die ontdekkende ontmoeting; van wie ze geworden is door de zonde en Wie Christus voor haar geworden is. Hij, Die de Fontein des heils is, Wiens water reinigt van alle zonden. Ze zegt tot de lieden van de stad: Komt, ziet een Mens Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? (Joh.4:29)

Gemeente, hier mag u jaloers op worden. Deze Samaritaanse heeft het vreugdewater mogen scheppen uit de fontein des heils. Dit was omtrent de zesde ure. O, dat is ze niet vergeten. Kent u zo’n ure? Geen leed zal het ooit uit haar geheugen wissen, toen Hij Zich kwam te openbaren.

Haar vat laat ze achter bij de Jakobsbron. Ze vergeet waarvoor ze kwam. Bent u uw vat wel eens vergeten, vergeten waarvoor u kwam, omdat er wat anders voor in de plaats is gekomen? U kunt maar met één ding bezet zijn. Eén ding is nodig (Luk.10:42), sprak Jezus tegen Martha, die bekommerd en verontrust was over vele dingen. Die Samaritaanse heeft gesproken en gezongen over dat heil haar aangebracht. De hele stad hoorde haar in verwondering spreken: ‘Waarom was het op mij gemunt?’ Wel, gemeente, omdat Christus Zelf door Samaria moest gaan.

 

Misschien is er in ons midden een bekommerd volk dat niet zover komt als die Samaritaanse, waar in de inleiding vanuit Psalm 38 gesproken werd over onderscheiden bekommernissen. De bekommernis over Christus, omdat u Hem nog niet kent. Hij, Die zo verborgen is en Die zo verborgen kan blijven. U ziet de schuld voor ogen, maar uw ogen zijn nog zo gesloten voor de Middelaar.

Kent u in uw hart de levende begeerte naar dat levende water? Kent u de droefheid over de zonden, maar ook die droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot de zaligheid? Als de Heere gaat onderwijzen, dan is er maar één bede die overblijft: ‘Heere, geef mij ook van dat water!’

De Samaritaanse vrouw mocht het op Gods tijd ook ontvangen. Het was op Zijn tijd. Houd u daarom maar moed en houd aan in het gebed, want de Heere zoekt het weggedrevene.

 

Jongens en meisjes, ik hoop dat dit ook jullie ervaring mag zijn of worden in jullie jonge leven, dat Hij door Samaria moest gaan. Het zondige Samaria lijkt zo op mijn boze, zondige hart. Dat Hij daar ook doorheen moest gaan! Als dit nu waar mag worden, dan zal het zo geheel anders worden in je leven. Het wordt niet alleen ánders, maar het wordt níeuw.

 

Door de inleving van zonden en schuld leert u telkens opnieuw inzien dat zalig worden van uw kant een onmogelijke zaak is. U kunt niet aan die hemelhoge schuld voldoen. U heeft niets om te betalen, zelfs geen kwadrantpenning. U moet als die Samaritaanse vrouw dat levende water leren proeven en smaken. Het is groot als we daar wat van mogen leren in onze jonge jaren. Jonge mensen, dat bewaart je voor zoveel kwaad en ellende.

Wulfert Floor schrijft over verborgen plaatsen, die hij innam in zijn jonge jaren. Hij beweende zijn zonden en er bleef maar één bede over: Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere, mijn God (Jer.31:18). De Heilige Geest was al vroeg in zijn hart bezig. Aan het einde van zijn leven mocht hij op eenvoudige wijze getuigen van de hoop die in hem was. Ik geloof, gemeente, dat die eenvoudige Wulfert Floor iets kende van die ontdekkende ontmoeting, maar ook van de verblijdende vrucht. Dat is de vrucht van die gezegende ontmoeting met Christus.

 

Volk des Heeren, dat u maar meer en meer uit die Fontein mocht leren putten, om bediend te mogen worden uit die Fontein des heils. Als het goed is kun je niet buiten die bediening om, en ga je Hem steeds meer nodig krijgen. Als u er wel buiten kunt, dan moet u uzelf toch wel beklagen. Als u echter weer uit Christus bediend mag worden, dan gaat u het met die Samaritaanse vrouw zeggen: Is Deze niet de Christus? De vrucht zal dan openbaar komen:

 

Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer,

gelijk een bron zich uitstort op de velden.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 119:86

 

Dan vloeit mijn mond steeds over van Uw eer,

Gelijk een bron zich uitstort op de velden.

Wanneer ik door Uw Geest Uw wetten leer,

Dan zal mijn tong Uw redenen vermelden;

Want Uw geboôn zijn waarlijk recht, o Heer’;

Gij zult de vlijt van die U zoekt, vergelden.