Ds. R. Kattenberg - Zondag 21

Het werk van de Heilige Geest en Gods kerk

Christus vergadert door Hem Zijn kerk
Christus sticht in haar de gemeenschap der heiligen
Christus schenkt haar de vergeving der zonden

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 122: 1, 3
Lezen : Efeze 2: 11-22
Zingen : Psalm 80: 9, 11
Zingen : Psalm 12: 1
Zingen : Psalm 104: 17
Zingen : Psalm 34: 11

Wij vragen uw aandacht voor Zondag 21 van de Heidelbergse Catechismus, de vragen 54 tot en met 56 met de daarbij behorende antwoorden. Wij lezen daar als volgt:

 

               Vraag 54: Wat gelooft gij van de heilige algemene christelijke kerk?

Antwoord: Dat de Zoon van God uit het ganse menselijke geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid van het ware geloof, van het begin van de wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig blijven zal.

 

Vraag 55: Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?

Antwoord: Ten eerste dat de gelovigen, allen en een ieder, als lidmaten aan de Heere Christus en aan al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.


Vraag 56: Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

Antwoord: Dat God, om het genoegdoen van Christus’ wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmee ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gericht van God kome.

 

Het thema van de preek is: Het werk van de Heilige Geest en Gods kerk.

 

Wij vragen uw aandacht voor drie punten:

1. Christus vergadert door Hem Zijn kerk

2. Christus sticht in haar de gemeenschap der heiligen

3. Christus schenkt haar de vergeving der zonden

 

1. Christus vergadert door Hem Zijn kerk

 

‘Wat vindt u van de kerk?’ Als het alleen over deze vraag zou gaan, kwamen we er niet uit. De één vindt er dit van, en de ander dat. Wat vinden we van de kerk? Meisjes, jongens, wanneer we deze vraag eens voor onszelf beantwoorden, zou dan niet blijken dat we vooral op mensen letten? Dat we de kerk beoordelen naar hoe kerkmensen zijn? Dat is nog begrijpelijk ook; want kerk en kerkmensen hebben best met elkaar te maken.

Toch spreekt de catechismus totaal anders. De Heidelberger gaat in het spoor van de Heilige Schrift en vraagt niet naar de mening van mensen. Want dan komen we er nooit uit. De catechismus kijkt naar Christus en dat is doorslaggevend.

Maar de catechismus noemt Christus niet even terloops, om het vervolgens weer over mensen te hebben. Nee, het zicht blijft voortdurend gericht op Christus. Daarom is de vraag niet: ‘Wat vindt u van de kerk?’, maar de vraag die voor ons ligt luidt: ‘Wat gelóóft u van de kerk?’

 

Het maakt nogal verschil: wat vínd je ervan of wat gelóóf je ervan. Om het laatste gaat het. Dat ligt ook geheel in het verlengde van wat we in de voorafgaande Zondagen van de catechismus overdacht hebben: Ik geloof in God de Vader, ik geloof in God de Zoon, ik geloof in God de Heilige Geest, ik geloof in de drie-enige God.

Vervolgens wordt in Zondag 21 de vraag gesteld: wat gelooft u eigenlijk met betrekking tot de kerk? Het is immers vanouds beleden, en het wordt tot op de dag van vandaag beleden: ‘Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk.’

Het gaat dus om een geloofsbelijdenis en dat mag ons wel de mond stoppen. Het gaat er niet om wat u vindt en wat u ervan zou willen zeggen, of om de vraag: ‘Wat zie ik ervan?’ Maar: ‘Wat gelóven we van de kerk?’  

 

Buiten Christus kunnen we eigenlijk niet over de kerk spreken. We kunnen wel allerhande dingen te berde brengen, maar er ontbreekt dan iets. Wat dan? Wel, als u geen kennis hebt van de genade van God in de Heere Jezus Christus, als u geen weet hebt van het feit dat u de voornaamste van de zondaren bent, dan ontbreekt de verwondering!

Ik weet het, de Heere kan er een heel leven voor nodig hebben om een mens tot die belijdenis te brengen. Maar het gaat om de intentie van deze wetenschap. Wanneer deze kennis niet leeft in uw hart, is er ook geen verwondering. Verwondering over het feit dat God kinderen heeft, en dat al die kinderen samen die ene christelijke kerk vormen.

Dat leven in het teken van de verwondering zal bij de heiligen Gods een zaak van op en neer zijn. Het ene moment meer, het andere minder. Maar het behoort wel tot het wezen van het nieuwe leven.

Wanneer dat ontbreekt gaat er veel aan u voorbij. Daarom dringt het Woord van God zo aan en klinkt het uit de hemel: ‘Bekeert u, bekeert u!’

 

We letten nu op het eenvoudige woordje ‘kerk’. Wat betekent dat?

Kerk wil ten diepste zeggen: dat wat van de Heere is.

Kinderen, het kerkgeld, of de collectebonnen die jullie van thuis hebben meegekregen, is geld van de Heere.

Wij geven aan God wat van Hem is. Daarom is het heel erg wanneer je niets geeft. Dan onthoud je God wat van Hem is. Ook in de kerkbode kunnen we bij wijze van spreken lezen over wat van de Heere is. Zelfs de bank waarop je zit is van Hem.

Moet je dan bij alles de Heere betrekken?

Gemeente, ‘kerk’ wil zeggen: alles wat van de Heere is. Als we dat wat meer tot ons laten doordringen, zouden we zuiniger op dat woord zijn. Temeer als we bedenken dat de Twaalf Artikelen die we behandelen, verwoord werden door de vroegchristelijke kerk.

De eerste christenen waren diep onder de indruk van de kerk. Zij geloofden met hart en ziel dat de kerk een werk is van God: God staat in voor Zijn kerk, God staat achter datgene wat van Hem is. De kerk is het werk van God!

Hoe hebben ze het anders vol kunnen houden in die zware tijd van vervolging en verdrukking? Als het nodig was, offerden de eerste christenen zelfs hun leven voor ‘wat van de Heere is’ - namelijk de kerk!   

Je leven geven doe je niet als je uitgaat van de vraag: ‘Wat vind je van de kerk?’ Wel als beleden wordt: ‘Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk.’  Daar gaat het in onze catechismusvraag om!  

Hoort u in die woorden de geestdrift klinken? Dat is wat anders dan zomaar wat discussiëren over de kerk.

 

Wat gelooft u van de kerk? Vraag dat eens te midden van deze afgodische wereld van het sportverdwazing, oorlog, terrorisme, vervolging en allerhande moeitevolle omstandigheden? Wat gelooft u, wat geloof jij nu van de kerk?

 

Er is natuurlijk veel meer over te zeggen. ‘Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk.’ Katholiek wil zeggen: algemeen. Het betekent dat de Heere in deze wereld Zijn kerk bouwt. Ook als gemeente staan wij in de wereld die ik u zo-even schetste.

Maar Gode zij dank! Christus houdt Zijn kerk in stand! Ik denk dat de eerste christenen van harte zouden hebben ingestemd met wat Luther in later tijd heeft gedicht:  

 

Houd Christus Zijn kerk in stand,

dan mag de hel vrij woeden.

Gezeten aan Gods rechterhand

zal Hij haar wel behoeden.

 

Christenen uit de kerk in oude tijden gebruikten een prachtig woord als ze over de kerk spraken. Ze noemden haar wel ‘de ark van God’.

Onze kinderen weten wel van de ark van Noach. Noach ging in de ark, en werd behouden. Mozes lag eigenlijk ook in een klein arkje. Het woord dat ervoor wordt gebruikt betekent ook wel ‘doodskistje’. Maar het léven, God Zelf, Christus was erin.

 

Begrijpt u nu hoe de reformatoren met hart en ziel dit artikel over de kerk konden naspreken? Vooral zij stonden in het strijdperk van dit leven. Voor de zaak van Christus gingen zij het schavot op!

Wat geloof je van de kerk? Je hoofd eraf! Letterlijk. Of verdronken worden in de gracht.  

Jongens, meisjes, het ging om ‘wat van de Heere is’. Voelt u iets aan van de diepgang van dat woord? Om de kerk werd een strijd op leven en dood geleverd!

En wat blijkt steeds weer? De kerk is een werk van God. Een onverwoestbaar werk.

 

De kerk fundeert haar geloof in de verkiezing. Christus vergadert Zich, zo zegt onze catechismus, uit het ganse menselijke geslacht een kerk; een gemeente die tot het eeuwige leven uitverkoren is.

De catechismus spreekt niet zo vaak over de verkiezing. In Zondag 21 nadrukkelijk wel. De verkiezing klinkt wel op de achtergrond steeds door. Als basis, als fundament. De opstellers hebben daarmee de Heilige Schrift nagesproken.

 

Wanneer u in de Bijbel leest over de verkiezing, is dat altijd gekaderd in een lofzang; een loflied op het handelen van God. Ik noem u twee voorbeelden:

Het eerste komt uit Romeinen 8. Die tekst kent u ongetwijfeld: Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen. En die Hij tevoren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom.8:29-30).  

Een tweede voorbeeld vindt u in de brief aan de Efeziërs. In het eerste hoofdstuk schrijft Paulus: Gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde (Ef.1:3-4).

 

Hoort u het goed? Als u nu zoekt naar de diepste grond van Gods heilshandelen, dan komen we uit op Golgotha!

De catechismus legt het fundament in het kruis van Christus!

Hij heeft ons uitverkoren in Christus, schrijft Paulus.

In Hem is het eeuwig welbehagen van de Vader werkelijkheid geworden.

 

Ouderen, kinderen, jullie kennen wellicht die lofzang uit de profetieën van Jesaja: het welbehagen van de Heere zal door de hand van Jezus Christus gelukkig voortgaan – dat wil zeggen: het zal zeker lukken.

Jesaja staat daar en profeteert: ‘Het zál gebeuren!’

Het is door niets en niemand tegen te houden.

Want het komt op uit het hart van God.

Het vindt zijn weg in een verloren wereld.

 

Toen Christus de kruisweg ging, was Hij door deze lofzang verzekerd dat Zijn werk niet mislukken zou, maar door Zijn bediening gestalte zou krijgen. Door het kruis!

Zo staat het nu hier ook. De Zoon van God vergadert Zich een gemeente.

Let op dat woordje ‘Zich’. Hij vergadert niet slechts, maar Hij vergadert naar Zich toe. Het is op Hem betrokken. Hij brengt niet zomaar in zijn algemeenheid iets bijeen. Nee, Hij trekt naar Zich toe.

Gemeente, hoor dan ook vandaag de prediking van de doorboorde handen van de Heere Jezus Christus!

Meisjes, jongens, Hij trekt naar Zich toe, naar de gemeenschap met Hem.

De roep van het evangelie komt ook in dit uur tot ons. U zegt: ‘Hoe weet ik dat die handen ook naar mij zijn uitgestrekt?’ Wel, u mag dat weten uit het Woord!

Diezelfde Jesaja spreekt,  als de mond van God: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde (Jes.45:22).

Zovelen er door het evangelie geroepen worden, worden ernstig geroepen.

God meent het, ook op dit moment.

 

We zeggen wel eens als iemand iets zegt dat nauwelijks te geloven is: ‘Dat meen je niet!’ of: ‘Dat kun je niet menen!’ Gemeente, dat kunt u van God niet zeggen. God meent het ernstig. Tot u, o mannen, roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen (Spr.8:4).

God doet het om Zijns Zelfs wil.

Opdat de lofzang op Hem zal worden afgestemd: ‘Door U, alleen door U, om Uw eeuwig welbehagen!’

 

In het antwoord op vraag 54 lezen we dat de Heere door Zijn Geest en door Zijn Woord werkt. Door de prediking van het evangelie wil de Heilige Geest binnenkomen in gesloten harten.

Daarin zien we nu het werk van God. Het gaat van Hem uit. Laten we daar een streep onder zetten. Het begint niet met mijn willen,  mijn kennen of kunnen, of onze keuze. Ik heb dit… Ik heb dat…

Gemeente, God is de eerste!

In Hem ligt de oorsprong.

Hij wekt op uit de doden.

Hij maakt levend en maakt week wat hard is.

Geest en Woord gaan samen.

 

Toen de Heilige Geest op Pinksteren werd uitgestort, gingen de apostelen over de grote daden van God spreken. Werken, die Hij in Christus Jezus gedaan heeft, om mensen zalig te maken.

De lijn loopt dus vanaf het paradijs, waar God Zelf de eerste Evangelieprediker was, via Pinksteren, waar we de apostelen zien staan, naar de dag van heden.

 

God zorgt voor Zijn kerk. Ondanks al ons menselijk bezig zijn. Ondanks alle verdeeldheid.

In die verdeeldheid ligt ook aan onze zijde een stuk schuld. Nederland heeft in dat opzicht helaas zoveel hoofden en zoveel zinnen. En het wordt er nog steeds niet beter op. Moeten we daarom niet werken aan een eenheid die kerkmuren overstijgt?

Hoe dat moet? Laat er toch ondanks onze onderlinge verdeeldheid gebed zijn, en een zoeken naar verbondenheid. Het gaat toch immers om dat ene koninkrijk? Wanneer we enig zicht hebben op dat koninkrijk, kunnen van onszelf afzien en de ander in het oog krijgen.

 

Onze catechismus zegt in het slot van antwoord 54 ‘dat ik van die kerk een lidmaat ben en eeuwig blijven zal’.

Een levend lidmaat van de kerk! Als dat onze persoonlijke belijdenis is, dan is er een overgave aan de Heere en aan de Koning van de kerk.

Wanneer u dan mensen ontmoet voor wie dat eveneens geldt, dan moeten we hen als broeder of zuster in Christus erkennen.

Laat daar dan de klemtoon op vallen. We kunnen elkaar zo gemakkelijk verketteren en afschrijven. We behoeven de verschillen niet te verdoezelen, maar laten we desondanks aan elkaar verbonden zijn door wat we gemeenschappelijk hebben.

Zo is er eerst het zicht op Christus. Uit Hem trekken wij de sappen van het leven en wij begeren met de bede ‘O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk’, te gaan in het spoor zoals Hij het gewezen heeft.

 

We trekken nu de lijn door naar wat de Twaalf Artikelen over de kerk zeggen. Er staat: ‘Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen.’

In principe is ‘kerk’ en ‘gemeenschap der heiligen’ hetzelfde. Het vloeit in elkaar over. Het is niet: ‘Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk en ik geloof ook de gemeenschap der heiligen.’ Nee, ik geloof een heilige algemene christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen. Wat dat betekent zien we zo meteen in ons tweede aandachtspunt.

 

We zingen nu eerst Psalm 12 vers 1:

 

Behoud, o Heer’, wil ons te hulpe komen,

Daar ‘t volk ontbreekt, dat liefd’ en vreê betracht,

De trouw bezwijkt, en ‘t klein getal der vromen

Nog kleiner wordt in ’t menselijk geslacht.

 

2. Christus sticht in haar de gemeenschap der heiligen

 

Ik zei u zo-even al dat wat beleden wordt over de kerk en de gemeenschap der heiligen in elkaar overvloeit. Je kunt er eigenlijk het beste een dubbele punt achter zetten: ‘Ik geloof een heilige algemene christelijk kerk - dubbele punt - de gemeenschap der heiligen.’

Die ene heilige algemene christelijke kerk is de gemeenschap der heiligen. Het zinsdeel ‘gemeenschap der heiligen’ vormt dus een belangrijke toevoeging aan het artikel over de kerk.

 

De kerk van de Reformatie heeft dit in geloof uitgediept. Onze catechismus concentreert het artikel op Christus. Als we het hebben over de kerk, dan moet Christus in het middelpunt staan. Het antwoord op vraag 55 zegt daarom: ‘Dat de gelovigen, allen en een ieder, als lidmaten aan de Heere Christus en aan al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben.’ Alle gelovigen, zowel hier als in de hemel, hebben gemeenschap aan Christus. Dat is de diepste kern!

 

Vervolgens staat er dat zij deel hebben aan al Zijn schatten en gaven. Let u op de volgorde? Het gaat eerst om Christus, en pas dan om de schatten en gaven die uit Hem vloeien. Als de Heere Zijn liefde en genade in uw hart verheerlijkt, dan is de eerste vraag niet: ‘Wat levert het op?’ Nee, als het over de gemeenschap der heiligen gaat, is de vraag allereerst: ‘Heere, Wie bent U?’

Kent u die vraag in uw eigen leven? Hoe dicht komt de Heere u nabij in Zijn Woord. Opdat u Hem kennen zult. Wie is Hij toch?

Vanuit de bediening van het evangelie komt Hij ook op dit ogenblik naar u toe. ‘Hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen.’ De vraag is dan niet allereerst: ‘Wat krijg ik van Hem?’, maar: ‘Wie is Hij?’

 

Wat is ons leven arm als we Hem niet kennen. Gaat u eens in uw eigen leven na wie u zoal kent. Dat geldt ook voor onze kinderen. Wie kennen we allemaal wel niet? Maar, gemeente, kent u Hém? Kinderen, kennen jullie Hem, de Heere Jezus Christus?

Wat hebt u zoal niet gezien van de wereld? De één kan vertellen over Amerika, de ander over andere verre landen. Er zijn talloze bezienswaardigheden in de wereld. Hoeveel Godshuizen zijn er van oude tijden niet gebouwd in ons lieve vaderland? Wat valt er veel te zien en te zeggen. We zijn misschien wel aan het einde van de aarde geweest…

Gemeente, jongeren, als we Hém niet gezien hebben, dan hebben we eigenlijk nog niets gezien wat de moeite waard is!

Dat is misschien kort door de bocht gezegd. Maar u begrijpt het toch wel?

Alles wat we met onze natuurlijke ogen zien, vervluchtigt en kan ons uiteindelijk niets bieden.  

Maar Hem te zien en Hem te kennen…

God te kennen en Jezus Christus Die Hij gezonden heeft…

Dat is het eeuwige leven.

 

Kunnen we God ook ontmoeten in de natuur? Neem er de tijd eens voor. Een nietig  grassprietje, een bloemetje… Zegt u: ‘Waar ziet u mij nu voor aan?’ Wel, voor een mens. Een mensenkind dat genade nodig heeft. Iemand die God nodig heeft. Begin maar eens laag bij de grond.

Kinderen, dat geldt voor jullie ook! Misschien lopen er rond het huis wel mieren. Ga daar eens een poosje naar kijken. Ga tot de mier, gij luiaard! Zie haar wegen, en word wijs (Spr.6:6), zegt de Spreukendichter. Opdat we leren op te zien naar de eeuwige God. Opdat we God nodig zullen hebben in ons leven, en vanuit ons zondige bestaan gaan vragen:

‘Heere wie bent U? Wie bent U, en wie ben ik?’

Jesaja zegt: Komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes.55:1).

Het wordt u heden om niet aangeboden.

Genade! Genadegaven vanuit Christus.

Genade vanuit Zijn volheid. Eerst Hij en dan wat eruit Hem vloeit.

 

Deel hebben aan Christus blijft niet verborgen; het openbaart zich ook naar buiten.

Dat staat hier ook. Luister maar: ‘Ten andere dat elk zich moet schuldig weten zijn gave ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.’

Hier ziet u weer de vrucht van dat eerste. Eerst naar boven kijken: op Christus en al Zijn weldaden zien. Vervolgens valt het licht op de naaste, de andere lidmaten, en krijgt de gemeenschap der heiligen gestalte.  

Begrijpt u het antwoord? Waar begint dus de gemeenschap der heiligen? Er is maar één antwoord goed. Het begint bij uzelf!

Het verkeerde antwoord is eerst naar andere mensen kijken: ‘Deze of gene, daar hoor ik ook niet veel van, en die doet ook maar weinig…’

Maar hoe is het met u?

Kijk toch niet eerst naar de ander, als God u voor de spiegel van Zijn Woord stelt. Timotheüs schrijft in zijn eerste brief: Verzuim de gave niet die in u is (1 Tim.4:14). De liefde van Christus geeft oog voor de ander en uiteindelijk gaat het om de eer van God.

 

De velerlei gaven die de Heere geeft, brengen onderscheid aan. De één kan immers dit en de ander dat. De één heeft de gave van het gebed. Een ander kan een woord spreken ter rechter tijd.

Weer een ander kan luisteren. Dat is heel belangrijk. Luisteren in de wereld van vandaag. Meisjes, jongens, hebben jullie iemand met wie je praten kunt over de dingen van God en Zijn dienst? Iemand die echt luistert? Ik bedoel niet een vriend of vriendin, maar iemand vanuit de generatie boven je. Een luisterend oor is zo belangrijk!

Gemeente, niemand kan alles. Er zijn verschillende gaven. Maar het gaat erom hoe ze in gewilligheid aangewend worden. Dus niet zozeer vanuit plichtsbesef of met de gedachte: is het wel echt nodig? Nee, het mág en het mag met vreugde.

 

Psalm 104 vers 17 zingt ons dat voor, en wij zingen het na:  

 

Ik zal, zolang ik ’t levenslicht geniet,

Gods mogendheid verheffen in mijn lied.

Ik zal mijn God met lofgezangen eren,

Terwijl ik nog op aarde mag verkeren

 

3. Christus schenkt haar de vergeving der zonden

 

Ons derde aandachtspunt zegt dat Christus aan Zijn gemeente de vergeving der zonden schenkt: ‘Wat gelooft gij - alweer dus het geloof - van de vergeving der zonden?’ Het antwoord luidt: ‘Dat God omwille van het genoegdoen van Christus al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmee ik mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenke, opdat ik nimmermeer in het gericht van God kome.’

Gemeente, let ook hier op het verband. In onze belijdenis gaat het over God de Heilige Geest, en wat volgt dan? Onze heiligmaking. God de Heilige Geest en onze heiligmaking. De belijdenis zegt: ‘Ik geloof de vergeving der zonden.’

Is dat geen machtige uitspraak? Dat is nu wat onze kinderen wel bidden: ’Schoon mijn zonden vele zijn, maak om Jezus’ wil mij rein.’ En wat we zingen: ‘Vergeef mij al mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden.’

Gemeente, de vergeving der zonden, dat is wat!

Nee, sterker nog: dat is alles!

Want de belijdenis van de vergeving der zonden predikt ons de volstrektheid, de volkomenheid en de exclusiviteit van de genade. Vergeving der zonden… Wij mensen worden er radicaal buitengezet; aan de kant gezet. Weg met uw goede werken en uw heiligheidskrukken, en wat dies meer zij. Ik dit en ik dat… Niets van dit alles!

 

Ik geloof de vergeving der zonden. God gebruikt daarvoor de prediking. Door de prediking wordt de vergeving der zonden meegedeeld, zo zegt onze belijdenis. Dat is het middel om ons door het geloof de vergeving toe te eigenen.

God vergeeft radicaal, volkomen, en voor honderd procent.

Wanneer we onze kinderen iets vergeven, vragen ze soms een paar uur later: ‘Vader, moeder, heeft u mij vergeven?’ U zegt dan: ‘Jazeker, dat heb ik.’ En de kinderen weten nog wel waar het om ging.  

Maar, gemeente, als God vergeeft, dan wist Hij de zonden uit. Als we ze uit zouden schrijven op een schoolbord, dan veegt God alles weg.

Als je later vraagt: ‘Wat was daarop geschreven?’, dan weet niemand meer wat er gestaan heeft.  

Dat is nu vergeving van zonde. Het is het uitwissen van het handschrift der zonden dat tegen ons is. ‘Ook mijn zondige aard’, zo wordt hier gezegd, ‘waarmee ik mijn leven lang te strijden heb.’

 

Bij de tekstverwijzingen in onze catechismuszondag wordt onder andere Psalm 103 genoemd. Een psalm waarvan een gedeelte gelezen wordt na elke bediening van het Heilig Avondmaal. Een lofprijzing: ‘Hij doet ons niet naar onze zonden. Hij vergeldt ons niet naar onze overtredingen. Zo ver het westen verwijderd is van het oosten, zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten, onze schuld en zonde weggedaan!’

 

In het antwoord op vraag 56 ligt de kracht van de Reformatie, of liever gezegd, de kracht en de kern van de Heilige Schrift. Geheel in de geest van de Reformatie. We hoeven het antwoord echt niet anders te formuleren.

Als de Heere vergeeft, dan zegt Hij niet: ‘Nu moet u dit doen of dat nalaten.’ Nee, tegenover deze genade verlangt Hij geen tegenprestatie. Hierin ligt een rijke inhoud.

Denk er wel om - we zeggen het soms zo gemakkelijk - dat de praktische toepassing niet zo eenvoudig is. Geheel uit genade. Jezelf afschrijven. Tot op de bodem van uw bestaan.

Geen syllabe van ons komt in aanmerking. Dat is nu de volstrektheid van de genade van God. Ik red het niet. Daarom is het ook zo’n worstelend werkzaam zijn. Laat onze bede maar zijn: ‘Kom mij te hulp. Mijn ziel die U verbeidt, heeft Uw gebod met lust en liefde ontvangen. Heere, bedien mij uit het volbrachte werk van het Lam van God.’

 

Gemeente, nimmermeer wil God de zonde gedenken;

maar Hij schenkt de gerechtigheid van Christus.

Opdat ik nimmermeer in het gericht van God zal komen.

Dat is de absolutie zoals de kerk die verkondigen mag.

Vanuit het Woord, vanuit het werk van Christus.

Dat is het één, en dat is het al.

Wat een rijkdom ligt er opgesloten in onze belijdenis als het gaat om het geloof. Het gaat er niet om wat ik voel of vind van de vergeving der zonden. Nee, ik gelóóf de vergeving der zonden. Daarom is het artikel nu zo moeilijk te verstaan.

Waarom valt ons dat zo moeilijk?

Omdat we ons niet willen laten onderwijzen door het Woord van God. Wij willen voor God iets aanbrengen door onze goede werken. Vanuit onze gestalten. Op grond daarvan verwachten we vergeving van zonden te ontvangen. Nu zal de Heere toch wel alles willen kwijtschelden?

Het is zo’n aangelegen punt dat we sterven aan onze zelfwerkzaamheid. De dood ingaan met alles wat van ons is. Aan het eind komen met al het onze.

Luther heeft dat ook ervaren en treffend verwoord.

Wat heeft hij er niet aan gedaan om vergeving van zonden te ontvangen. Gebiecht, naar Rome gereisd, en zelfs de Pilatustrap opgekropen. Tevergeefs!

Niet door de werken. Tegenover het rooms katholicisme van zijn dagen heeft hij beleden: ‘Door het geloof alleen, en door genade alleen!’

 

Zo wijst de catechismus heen naar de eer van God.

Alles wat van ons is wordt ten enenmale uitgesloten.

Het gaat alleen om het werk van God.

Alleen om de genáde van God!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 34:11

 

De Heer’ verlost en spaart
Zijn volk, dat op Zijn hulp vertrouwt.
Het zal, door Hem in gunst beschouwd,
Niet schuldig zijn verklaard.