Ds. J.W. Verweij - Handelingen 3 : 22 - 25

Onderwerp

Christus, de allerhoogste Profeet en Leraar ter gerechtigheid
In de komst van Christus is de belofte vervuld
De gekomen Christus is verworpen door de Joden
De erfgenamen worden gezegend

Handelingen 3 : 22 - 25

Handelingen 3
22
Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Dien zult gij horen, in alles, wat Hij tot u spreken zal.
23
En het zal geschieden, dat alle ziel, die dezen Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit den volke.
24
En ook al de profeten, van Samuel aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.
25
Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zade zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 105: 9
Lezen : Handelingen 3
Zingen : Psalm 45: 1, 2
Zingen : Lofz. v. Zacharias: 1
Zingen : Psalm 72: 9, 11

Gemeente, we mogen in deze dienst luisteren naar de zeer goede boodschap van het evangelie die u gelezen is uit Handelingen 3 en waarvan we met de hulp van de Heere hopen te overdenken vers 22 tot en met 25. Daar lezen we Gods Woord aldus:

 

Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Die zult gij horen, in alles wat Hij tot u spreken zal.

En het zal geschieden dat alle ziel die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk.

En ook al de profeten, van Samuël aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.

Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw Zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

 

Dit tekstgedeelte wijst ons op: Christus, de allerhoogste Profeet en Leraar ter gerechtigheid.

 

Onze tekst geeft ons drie gedachten aan:

1. In de komst van Christus is de belofte vervuld

2. De gekomen Christus is verworpen door de Joden

3. De erfgenamen worden gezegend

 

1. In de komst van Christus is de belofte vervuld

 

Petrus en Johannes gaan samen naar de tempel op de ure van het gebed; de negende ure. Het is de tijd door de Heere bepaald. Daar ontmoeten ze voor de tempel een man die alle mensen in Jeruzalem kennen. Hij wordt daar iedere dag neergezet om bedelend in zijn levensonderhoud te voorzien, omdat hij niet kan lopen. Hij is lam aan zijn voeten van zijns  moeders lijf aan en hij zit daar al meer dan veertig jaar.

Petrus en Johannes spreken tegen die man. De man heeft uit gewoonte zijn hand uitgestrekt om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, en zij zeggen tegen hem: ‘Zilver en goud hebben we niet, maar wat we hebben, dat geven we u, in de Naam van Jezus Christus!’

Dat is een wonderlijk getuigenis, want er wordt nog aan toegevoegd: de Nazarener. Dat was de scheldnaam van de Heere Jezus, waarmee de verachting over de Heere werd uitgesproken.

En wat gebeurt er? Petrus strekt zijn rechterhand uit en zegt tegen die kreupelgeborene: Sta op en wandel! En dat gebeurt! Er is dus bij de Heere niets onmogelijk. En waardoor is dat onmogelijke nu mogelijk? Door het zaligmakende geloof dat God op datzelfde ogenblik in het hart van die kreupelgeborene heerlijk maakt. Die man ontvangt daar als een wonder van de hemel een dubbele gezondheid: de geestelijke en de lichamelijke gezondheid.

 

De man huppelt door de tempel! Daarin is hij een voorbeeld voor dode kerkgangers. Misschien voor u of voor jou vandaag. De blijdschap in de dienst van God en de heerlijkheid van de Allerhoogste gaan alles te boven! Als dat je leven is, is dat te zien aan de vrucht van je leven.

 

De verhoogde Koning geeft Simon Petrus en Johannes hiermee de gelegenheid om te prediken tot het volk, dat samenstroomt om het wonder te zien wat hier gebeurd is. Petrus en Johannes gaan het uitleggen. Dat zuigen ze niet uit hun duim, maar dat doen ze vanuit het Woord van God. En dat Woord van God is nooit tegen te spreken. Ja, we spreken het wel tegen, want ieder mens is van nature een tegenspreker van het Woord van God. Maar als de Heere wonderen gaat werken, dan gaat Hij harten ontvankelijk maken en die gaat Hij gevangen leggen onder de eis van de nieuwe gehoorzaamheid, zodat ze acht gaan geven op de woorden die door de dienst, eertijds van de profeten en nu van de apostelen, gesproken zijn.

Waarop gaat de apostel Petrus hier wijzen? Hij gaat wijzen op de genade die God, getrouw aan Zijn Woord, heeft willen bewijzen in de komst van Zijn Zoon. Hij gaat zijn hoorders eerlijk behandelen en zeggen wat zij met de beloofde Christus gedaan hebben. Hij gaat spreken uit het Woord dat door de profeten aan hen voorgesteld is. Hij gaat hen wijzen op de uitnemende heerlijkheid die Christus heeft mogen ontvangen nu Hij ten hemel opgenomen is om alle dingen op te gaan richten, tot de tijd van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft door de mond van al Zijn heilige profeten.

 

Petrus begint bij Mozes. In vers 22 lezen we: Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, uit uw broederen, gelijk mij; Die zult gij horen in alles wat Hij tot u spreken zal.

De Heere, uw God… Hoort u het? Dat zegt hij tegen die mensen die de Heere Jezus hebben verworpen en die hebben uitgeroepen: Zijn bloed kome over ons en onze kinderen (Matth.27:25). Dat zegt hij tegen mensen die ten diepste van de Zaligmaker en van Zijn zalige dienst niets wilden weten en niets wilden horen, want zij hadden een andere weg tot de zaligheid. Zij hielden vast aan Mozes, aan de weg der werken. Dat was hun weg om ten hemel op te klimmen, en naar Paulus’ woord is dat Christus van boven afbrengen.

Daarom gaat Petrus met Mozes beginnen, want daar hielden ze zoveel van, zonder de geestelijke zin en de betekenis van de woorden van Mozes te begrijpen. De heilige wet die de Vader door de dienst van Mozes heeft gegeven, veroordeelt ons. Als die wet in het hart van een zondaar binnengaat, gaat die wet openleggen wie die mens geworden is voor het aangezicht van de Alwetende. De wet laat zien dat wij een eigen koninkrijk hebben opgericht, tégen het koninkrijk van God.

 

Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken. Petrus gaat van de koninklijke bediening die hij eerst heeft uitgesproken, over op de profetische bediening; het tweede ambt van Christus, waarmee Hij heerst in de harten van des Konings vijanden.

Hij gaat ze terugleiden naar wat de Heere door de dienst van die getrouwe Godsgezant eertijds heeft willen zeggen en wat hij daarmee tot de vaderen en rechtstreeks door de dienst van de vaderen tot hen gezegd heeft. De Heere, uw God, zal u een Profeet verwekken, gelijk mij.

Mozes zet zich dus op één lijn met Christus. Gelijk mij, zegt hij. Zoals ik mijn profetische bediening onder Isra?l, van de hemel mij toevertrouwd, mag waarnemen, om de woorden Gods tot u te spreken en in uw naam tot de Heere voor u te spreken, zo komt die allerhoogste Profeet en die Leraar ter gerechtigheid om de woorden Gods tegen ons te spreken en de verborgenheden van de raad van God tot onze zaligheid te openbaren.

 

Een Profeet verwekken, uit uw broederen. Gemeente, dan gaat hij gewagen van het wonder dat die Profeet aan de ene zijde de waarachtige en de eeuwige God is, en aan de andere zijde in Zijn aangenomen menselijke natuur de mensen in alles gelijk gaat worden, uitgenomen de zonde. En dat Hij gekomen is om ons de verborgen raad en de wil van God tot onze verlossing en tot onze zaligheid te gaan openbaren.

Deze Profeet Christus daalt af met dat Woord in Zijn hand, met dat Woord op Zijn lippen. Hij is het uitgedrukte Beeld van God. Hij is het levende Woord van de levende God. Hij is Degene Die bij God was en Die in deze wereld als het Woord gekomen is. Hij is het vleesgeworden Woord. Hij alleen kan de mens zijn rechte plicht verkondigen. Hij is gekomen om de heerlijkheid van God heerlijk te maken in de harten van wederspannige en opstandige vijanden, tot waarachtige bekering.

 

Daarom kon Petrus zeggen in vers 19: Betert u dan en bekeert  u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden; wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren.

Tijden der verkoeling in die dagen? In die ogenblikken dat de hemel opengegaan is? Nadat de Geest des Heeren zo overvloediglijk uitgestort is? Ja, tijden der verkoeling van zovelen die het Woord van God tegengestaan hebben en die geweigerd hebben om de knie des harten te buigen voor die uitnemende Koning der koningen, Die door Zijn Woord tot ons spreekt en op het Woord van Zijn waarheid tot ons uittrekt, om ons te overwinnen en in te winnen, om onze wapens van onze tegenstand tegen God en tegen Zijn Gezalfde in te leveren.

En daarom gaat hij over die Profeet zeggen: Die zult gij horen, in alles wat Hij tot u spreken zal. Hoe lang hebt u Hem al gehoord? Hoe lang hebt u Hem al laten spreken? Hoe lang hebt u die liefdedienst aan uw ziel laten bearbeiden? En hebt u tot op de dag van vandaag geweigerd om de knie des harten voor die levende Zaligmaker te buigen en uw Rechter nu om genade te leren smeken? Dan wordt het hoog tijd in uw leven om Hem te voet te vallen! Want wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren.

Is dat gebeurd in jullie hart, jongens en meisjes, kinderen in ons midden? Heb je de kostelijke genadetijd van je leven kostelijk leren achten om van die uitnemende Leraar ter gerechtigheid de hemelse lessen te mogen ontvangen, die zulke dwazen wijs maken tot zaligheid? Dan leer je de rechte wegen kennen, tot waarachtige bekering. Luister maar.

 

God, voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon (Hebr.1:1). Niemand kan ontkennen dat de Heere iedere zondag Zijn lippen weer tot ons opent, door de dienst van Zijn knechten. De Heere spreekt tot ons, hetzij door het gepredikte, hetzij door het gelezen Woord, hetzij door het Woord in uw woningen, hetzij door het Woord op uw ziekbed of op uw sterfbed. Hij spreekt tot ons in de openbaring van Zijn hemelse majesteit en macht, als het vleesgeworden Woord, Dat bij de Heere was en Dat vlees geworden is en onder ons gewoond heeft. En wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, als de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en van waarheid.

In die waarheid en in dat Woord is Hij verschenen aan de Samaritaanse vrouw in Johannes 4. Weet u wat die vrouw dan gaat zeggen? En dan moet u onderzoeken of dat ook uw of jouw getuigenis geworden is. Ik weet dat de Messias komt, Die genaamd wordt Christus; wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen (Joh.4:25).

Dus aan uw onwetendheid komt een einde als u in aanraking komt met het Woord van de levende God in het aangezicht van de Zoon van Zijn liefde, en waarin Hij u gaat verlichten tot de kennis van de heerlijkheid Gods, opdat u zich weg zult schamen over uw afkerig en wederspannig overtreden en de verzoening zult zoeken door het bloed van het Lam over al uw tegenstand waarmee u de Heere hebt tegengestaan. U zult zich schamen dat u zo lang geweigerd hebt om de knie des harten voor die uitnemende Leraar ter gerechtigheid te buigen en in dit heden te bekennen wat tot uw vrede en tot uw zaligheid in Hem dient.

Dan krijgt u de gelegenheid om te capituleren. En als u capituleert, dan begint de vrede! Want de onderwerping geeft rust. Welgelukzalig zijn zij die dat door Zijn genade mogen leren kennen en die in de ontmoeting met Hem de eeuwigheid hebben gezien, en wat er straks zal gaan gebeuren als zij Hem blijven tergen met het weerspannig tegenspreken van de levende God. Dan zal het hen kwalijk gaan, die geweigerd hebben om voor Koning Jezus te buigen.

 

Onze tekst leert ons verder: En het zal geschieden dat alle ziel die deze Profeet (dus de Heere Jezus) niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk.

Dat is de indringende boodschap van onze tweede gedachte, die ons stilzet bij:

 

2. De gekomen Christus is verworpen door de Joden

 

De beloofde Zaligmaker hebben ze niets geacht  en ze hebben zich van Hem afgekeerd. Wat een indringend getuigenis! En het zál geschieden, zo zegt de Heere door de dienst van Mozes en zo spreekt Petrus Mozes na in de openbaring van Gods barmhartigheid, grondeloos geopenbaard in de gave van Zijn Zoon van Zijn liefde tot waarachtige bekering. En het zál geschieden…

En dan gaat het over die zielen die met dat Woord bearbeid zijn geworden door de dienst van Mozes en van al de profeten. Want van al die profeten wordt straks getuigenis gegeven. Daar komen we straks op terug.

En het zal geschieden dat alle ziel die deze Profeet niet zal gehoord hebben… Ieder mens die in de wereld komt en in aanraking komt met de bediening van Gods heilig Woord, hoort deze Profeet. Dat kan niemand ontkennen. God brengt ons in aanraking met de profetische bediening en de heerlijkheid van de opgestane Levensvorst. Hij zendt Zijn knechten uit om de woorden Gods te laten horen waar Hij wil en wanneer Hij wil, en Hij zal daar ook op terugkomen. Want dat Woord zal altijd doen wat Hem behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe het van Hem is gezonden. En dan zal het tweeërlei uitwerking hebben: een reuke des levens ten leven of een reuke des doods ten dode.

Daarom wordt in deze dienst als het ware aan uw ziel deze arbeid in die allerhoogste Profeet opnieuw bevestigd of verzegeld: En het zal geschieden dat alle ziel (dus iedereen die dat gehoord heeft) die deze Profeet niet zal gehoord hebben…

 

Niet horen, dat is heel eenvoudig hè, jongens? Niet luisteren, niet wíllen luisteren. Daar ligt in feite de sleutel: het niet willen luisteren. We hebben in het paradijs onze vingers in onze oren gestoken, net zoals onze kinderen doen. Zij doen alsof ze niets horen als ze op de stem van vader of moeder geen acht willen geven. Zulke ongehoorzame kinderen zijn wij allemaal. Zo zijn wij uit het paradijs gekomen. We zitten met toegestopte oren. En ten diepste hebben we geen leven meer om de Levende te kunnen horen. De dood heeft geen verbinding met het leven. Maar… het Leven gaat tot de doden zeggen dat de allerhoogste Profeet Zijn lippen opent, niet om u de dood te doen be?rven, maar u het leven en de zaligheid aan te wijzen!

Dat begint met leren luisteren. Weet u daarvan in uw leven? Dat u in de kerk zat, misschien met vijfhonderd mensen of misschien met tien mensen en dat de Heere door Zijn Woord en Geest in uw leven kwam en uw toegesloten oren ging openen, zodat u acht ging geven op het Woord dat verkondigd werd. Er is geen dominee die iemand het geestelijke oor kan geven. Dat kan de Heilige Geest alleen, en dat dóet Hij ook, zodat ze acht zullen geven op de woorden die door de dienst van Gods knechten tot hun zaligheid gesproken worden.

 

Luisteren… En in dat luisteren hongeren en dorsten naar de herstelling van de gemeenschap met God door het bloed des kruises. Om het waar te zien worden wat de apostel Petrus beklemtoond heeft tegen die ongehoorzame Joden: Betert u dan en bekeert u, opdat uw zonden mogen uitgewist worden.

Zo gewillig is God om de ongehoorzamen te roepen en te brengen tot die nieuwe gehoorzaamheid die ons doet zeggen: ‘Spreek, Heere, want Uw knecht hoort.’ Heb je dat mogen zeggen? Heb je dat van harte Samu?l mogen nazeggen? Is het waar geworden in uw leven dat u de stem van de levende God in het aangezicht van de Zoon van Zijn liefde hebt leren beluisteren? En dat u door genade die stem bent gaan leren kennen als de stem van die enige Herder?

Hij maakt het waar dat Hij komt als wij Hem niet verwachten. Hij gaat Zijn genade heerlijk maken, in Zijn profetische bediening, in Zijn koninklijke kracht, in Zijn priesterlijke bewogenheid, om intrek te nemen in de harten - hoe is het mogelijk hè? - van des Konings vijanden! Omdat Hij de oorzaak van hun vijandschap verzoend heeft in het bloed des kruises.

 

Horen, luisteren, stil worden door God en voor God, en acht geven op de stem van die enige Herder, Die Zijn stem doet horen. Die stem is de stem als één der duizenden, die de mens alleen zijn rechte plicht kan verkondigen en hem gaat aanwijzen waar het aan ontbreekt en dat het nodig is om door Hem geleerd en geleid te worden in het spoor van Zijn gerechtigheid en verwaardigd te mogen worden om te doen wat Hij ons beveelt.

 

Wat een tekort, volk van God, in ons leven, na ontvangen genade! Waar is de eerste liefde, waarin u in afhankelijkheid als hongerende en dorstende naar dat Woord en hongerende en dorstende naar de uitlegging van de verborgenheden van de godzaligheid, u mocht zetten onder de verkondiging van de dwaasheid van de prediking, waar God komt te zoeken en zalig te maken wat verloren is?

Het zal zijn dat een ieder die die stem gehoord zal hebben, zal leven, al ware hij gestorven. Dus het staat die Levensvorst niet in de weg. Maar Hij gaat de dood verslinden tot overwinning in de harten van dode zondaren en zondaressen. Dan is er geen vijandschap te groot en er is geen tegenstand te groot en er is niets te dood om het leven uit Hem te mogen beluisteren en de heerlijkheid van Vorst Immanu?l in Zijn profetische bediening te mogen horen.

 

Het zal geschieden… Hoort u dat profetische uitzicht? Zo zal het gaan. En het zal geschieden dat alle ziel die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk.

Dus dat is een oordeelsprediking. Dat zegt Petrus tegen degenen die Christus als niets geacht hebben, en die voor het rechthuis van Pilatus aan hun keus, hun rampzalige paradijskeus hebben vastgehouden. ‘Neem weg!’ Twee woorden die onze vijandschap tegen God en tegen Zijn Gezalfde komen te ontdekken. Woorden waarin de vijandschap tegen die dierbare Uitlegger en die Gezant uit duizend ons worden voorgehouden.

En het zal geschieden dat alle ziel die deze Profeet niet zal gehoord hebben, uitgeroeid zal worden uit het volk. Hoe lang hebt u al onder dat horen mogen verkeren? Hoe lang hebt u de liefdesarbeid in de naam van Gods Zoon aan uw ziel laten vermenigvuldigen? Hoe lang bent u al bezig met het opstandig tegenstaan van die Allerhoogste? Hoe lang weigert u al om voor Christus te buigen en om genade te leren smeken?

Het wordt hoog tijd om een eind te zien komen aan uw weerspannig overtreden. Dat kunt u niet goedmaken, hoor. Maar luister eens: dat verzoent en zuivert Gíj.

 

Welzalig die Gij hebt verkoren,

die Gij uit al ’t aards gedruis,

doet naad’ren en Uw heilstem horen,

ja, wonen in Uw huis.

 

Dat is de plaats waar mijn leven verklaard ligt, waar die allerhoogste Profeet en Koning in Zijn profetische en priesterlijke bediening uittrekt in Zijn grote kracht, om te wonen en te werken in de harten van des Konings vijanden en ze gewillig te maken op de dag van Zijn heirkracht.

Kom, is het uw liefste plaats geworden? Jongens, is het jouw liefste plaats? Kijk je er naar uit of het doordeweeks misschien nog een keer kerk is, zodat je die stem van die allerhoogste Profeet zou mogen beluisteren? Is er in je leven al een honger en een dorst naar de verkondiging van dat Woord gekomen, naar de woorden van het eeuwige leven? In dat Woord openbaart de Heere Zich in Zijn heerlijkheid, tot zaligheid van zulke ongehoorzamen. Hij laat de kracht van Jezus’ bloed verkondigen, dat de schuld van ons weerspannige en opstandige tegenspreken genadig gaat uitdelgen en ons stil gaat maken door en voor God. ‘Mijn ziel is immers stil tot God en verwacht van Hem een heilrijk lot.’

 

Wat een waarschuwing, hè? Niet gehoord zal hebben…. Weet u waar de verantwoordelijkheid daarvan ligt? Die ligt niet bij de Heere, maar die ligt bij u en bij jou. Niet horen… Geestelijk met je vingers in je oren zitten en net doen alsof je het niet hoort. Als je vader en moeder er thuis over spreken, doe je misschien net alsof je het niet hoort. En toch hoor je het, en kun je er niet los van komen. Het is zo nodig dat het Woord met kracht en majesteit, door de dienst van de allerhoogste Profeet, de plaats gaat krijgen die de hemel wil dat het zal ontvangen: in de waarachtige vernedering van het hart voor Gods aangezicht. Dan is er het uitzien: ‘Heere, spreek slechts één woord en uw knecht zal genezen worden.’

Kent u de wonderlijke kracht van dat hemelse Woord, waarin de bediening der verzoening in heerlijkheid zich gaat ontdekken? Daarvan is de mond van de profeten vervuld geweest. Niet alleen van Mozes. Lees maar in vers 4: En ook al de profeten, van Samu?l aan, en die daarna gevolgd zijn, zovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen tevoren verkondigd.

Petrus zegt dus eigenlijk: ‘Er gebeurt niets, mensen, wat niet van de hemel verklaard en geopenbaard is door de dienst van de profeten. God heeft hen het laten uitleggen.’ De mensen hebben niet willen luisteren. Ze hebben zich afgekeerd van de dienst van die getrouwe profeten en ze hebben zich gekeerd tot de dienst van die leugenprofeten. Want die waren er ook in die dagen. Ze hebben willen luisteren naar de leugen en van de waarheid hebben ze zich afgekeerd. Maar de waarachtige, eeuwige en volzalige Verbondsgod is teruggekomen tot dat ongehoorzame volk.

Hij gaat, naar de trouw van dat eeuwige verbond, tot Zijn volk spreken door de dienst van getrouwe profeten zoals Samu?l, die biddend als een tolk van de hemel tot zijn volk moest spreken om het op te roepen tot waarachtige bekering en wederkeer tot God. En alle profeten die daarna gevolgd zijn hebben gesproken van deze vreselijke dagen.

 

Vreselijke dagen? De Heilige Geest is gekomen! Ja, maar er is wat aan voorafgegaan, mensen. De zonde is ten top geklommen. En waarin is ze ten top geklommen? Dat het hele Isra?l, op een uitzondering na, op een handjevol mensen na, zich afgekeerd heeft van de woorden van het eeuwige leven. Ze hebben over Christus gezegd: ‘Neem weg!’

En u? En ik? Verzet u zich ook nog in vijandschap tegen God en tegen Zijn Gezalfde? God heeft Zijn uitnemende liefde geopenbaard in Christus. Jezus heeft de zonde tenietgedaan aan het vloekhout van het kruis, en is zo de enige oorzaak tot de zaligheid geworden. Hij wilde voor de goddelozen sterven en hen als vijanden met God verzoenen. Hij wilde voor de wederhorigen bij God een plaats bereiden.

Is uw vijandschap al weggesmolten, onder de openbaring van de uitnemende liefde van onze Heere en Zaligmaker, Die Zich dood geliefd heeft aan dat vloekhout des kruises, om vervloekte en ter dood veroordeelde zondaren met God te verzoenen en ze bij de Allerhoogste een plaats te gaan bereiden?

Dan mag je je verblijden in de Heere, in Zijn heilig Woord, in Zijn zalige onderwijzing. Dan mag je wonderlijke dingen aanschouwen: Hij doet ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden, maar Hij wil ze uitdelgen tot de eer en de verheerlijking van Zijn Naam.

Zo wil Hij ons wijs maken. Hoe is het mogelijk hè, dat Hij zulke weerspannige leerlingen wijs wil gaan maken tot zaligheid. Door de kennis van Hem mag je de verborgenheden van dat koninkrijk gaan ontdekken. Dan wil je van harte de weg van Zijn geboden bewandelen.

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len.

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len.

Neig mijn hart, en voeg het saâm

tot de vrees van Uwe Naam.

 

Is dat uw gebed? Is dat jouw gebed? Zo word je verlost van je oude ongehoorzaamheid. Maar dit gebed komt Gods kerk nooit te boven.

 

Die vreze Gods doet ons wijken van alle kwaad en doet ons van harte luisteren naar de zeer goede boodschap van Jezus. Het maakt ons gewillig om achter Jezus aan te gaan, Zijn smaadheid te dragen, Zijn kruis te dragen, onszelf te verloochenen en de voetstappen van die dierbare Leidsman tot zaligheid te leren drukken, in de weg van de volkomen zelfverloochening. Door met Hem te sterven en enigszins te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden. Wat een wonder, hè?

Dat is de levensgang van al Gods kinderen in de nieuwe gehoorzaamheid, in de verzaking van hun oude ongehoorzaamheid, in het wonder dat Hij dat oude ongehoorzame bestaan zal en wil doden en dat Hij die nieuwe gehoorzaamheid in de weg van de waarachtige bekering hoe langer hoe meer komt te openbaren.

 

‘k Doe Uw  geboôn, oprecht en welgezind,

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

 

Er is geen vijand die het daartegen heeft kunnen volhouden. U wel tot op dit ogenblik? Heb je het nog steeds volgehouden om niet te luisteren naar Hem? Hij kan u leiden in het spoor van Zijn gerechtigheid. In die allerhoogste Profeet deelt God Zijn zegeningen uit aan vervloekte zondaren en zondaressen, tot de komst van Zijn koninkrijk, in de vergeving van al onze misdaden.

 

Daar gaan we van zingen uit de Lofzang van Zacharias en daarvan het eerste vers:

 

Lof zij de God van Israël,

De Heer’, Die aan Zijn erfvolk dacht,

En, door Zijn liefderijk bestel,

Verlossing heeft teweeggebracht,

Een hoorn des heils heeft opgerecht;

’t Geen Davids huis was toegezegd,

Dat wil Hij ons nu schenken.

Gelijk Gods trouw, van ’s aardrijks ochtendstond

Door der profeten wijzen mond,

Zich hiertoe aan de vaderen verbond.

 

Horen of niet horen… En dat mogen horen, gemeente, dat is pure genade. Dat is eenzijdige verbondstrouw van die allerhoogste Ontfermer, in het aangezicht van die Held bij Wie God hulp besteld heeft. Hij is van de stilte van de eeuwigheid de gehoorzame Knecht van Zijn Vader geworden. En dat is Hij geweest tot de laatste stap van Zijn bloedig lijden en sterven, voordat Hij de eervolle opstanding uit de doden heeft ontvangen.

Horen en niet horen… Je voelt het spanningsveld hè, onder iedere preek. Daar komt u niet onderuit. Je zou het nog veel breder kunnen zeggen. Onder ieder woord waarmee de hemel je bearbeidt in de Zoon van Gods liefde, word je van je oude ongehoorzaamheid afgemaand: ‘Bekeert u!’ De nieuwe gehoorzaamheid wordt je aangeprezen.

 

U moet vandaag maar eens de som opmaken, hoe het er voor staat. Misschien hebt u al een kerkbank versleten. Misschien moet u vandaag in alle eerlijkheid zeggen: ‘Ik zit er nog net als een steen, zo koud, zo onbewogen. In het licht van de aanstaande Godsontmoeting heb ik met al die woorden van de Heere Jezus, door de dienst van Zijn knechten, de dienst van de profeten en de apostelen, niets gedaan.’

Jawel, daar hebt u wél iets mee gedaan! U hebt zich er moedwillig van afgekeerd. Eerlijk, neem dat nu maar eens mee. En laat dat u redenen mogen geven om vanavond niet met elkaar te eindigen in een gezellig onderonsje, maar je knie?n eens te gaan buigen en voor Gods aangezicht je te verootmoedigen en te zeggen: ‘Heere, U hebt er alles aan gedaan, maar ik heb er niets mee gedaan.’

Jongens, dit is de beste tijd van je leven hè, om de knie voor de Heere te leren buigen. Dat zegt de Heere Zelf in Zijn Woord. Je jeugd is je beste tijd. Hoe ouder hoe kouder. Dan word je zo hard en zo onverschillig en dan heb je zo de houding van ‘het zal mijn tijd wel duren’. Ja, dat zal het zeker. Maar Gods tijd komt ook! De tijd dat Zijn gewilligheid er niet meer is en dat u zult zeggen: ‘Ik heb de dag der zaligheid laten voorbijgaan.’

 

Eén voorbeeld: Ezau. Ezau heeft gezegd, toen het over zijn eerstgeboorterecht ging: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte? (Gen.25:32) Wie Gods woorden veracht, die zal van God veracht worden. En daarom is het zo’n wonder voor degene die gehoorzaam gemaakt is, en die na ontvangen genade zich weer afgekeerd heeft van de Heere en Hem vergeten is dagen zonder getal, dat God Zich niet van hem of van haar afkeerde, maar dat het waar is geworden: ‘Maar ons weerspanning overtreden verzoent en zuivert Gij!’

We lezen in Hebreeën 2 vers 2 en 3: Want indien het woord, door de engelen gesproken, vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft, hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen?

Er is zo’n grote zaligheid, gemeente, in Christus, in die God van volkomen zaligheid, Die Zijn handen, Zijn ontfermende handen dagelijks tot ons uitstrekt en Die ons betuigt: ‘Ik zoek de dood en de ondergang van de goddelozen niet, maar Ik zoek uw behoud! Bekeert u, want waarom zoudt gij sterven? Bekeert u, dan zult gij leven!’

 

En tot wie zijn die woorden dan geschied, gemeente? Die woorden zijn geschied tot de mensen die hun weerspannig overtreden tot de climax hebben gebracht. ‘Geen Jezus, neem weg!’ En tot hén zijn deze woorden, door de dienst van die allerhoogste Profeet, door de dienst van Zijn knechten Petrus en Johannes, gekomen.

Zij hebben dit tegen hen gezegd, vers 25: Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds. Hoort u dat? Hij zegt hier niet, zoals hij in het voorgaande gezegd heeft: ‘Jullie hebben met jullie handen de Middelaar aan het kruis genageld.’ Maar hij gaat ze aanwijzen dat de verbondsrelatie die van de hemel gelegd is - niet door hen gezocht, maar van de hemel gezocht - ondanks hun zonden niet is verbroken.

‘Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds hetwelk God in Abraham met u heeft opgericht.’ Zul je dat niet vergeten? Je draagt toch het teken, het merk- en veldteken van Koning Jezus? Als u dat niet draagt  dan moet u zich haasten om het bevel van de Koning der koningen in uw leven te laten uitrichten en u te voegen bij de gemeente van de Heere, waar de woorden van het eeuwige leven u worden verkondigd en u opgeroepen wordt tot uw eeuwig behoud en zaligheid, in de verlating van uw zondig leven buiten en zonder God, in de waarachtige bekering en wederkeer tot de Heere, in de uitdelging van al uw overtredingen in het bloed van die gezegende Bloedbruidegom, Die Zijn bloed er voor heeft gegeven.

Hoe is het mogelijk hè, dat is toch niet te bevatten? Hij is gekomen om door Zijn dood vijanden met God te verzoenen, en wederhorigen een plaatsje bij God te gaan bereiden. Al ben je de minste en de geringste in het koninkrijk der hemelen, dan ga je bedelen of je alstublieft in die heilige tempel nog een plaatsje zou mogen ontvangen uit genade.

En daarom, hoor wat de apostel door de dienst van de profeten gaat getuigen: Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw Zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

Dat brengt ons bij de derde gedachte:

 

3. De erfgenamen worden gezegend

 

Hé, niet de vloek, maar de zegen! En waarom de zegen? Omdat Jezus Zich tot een vloek liet maken en door de Vader aan dat vloekhout genageld is, door de dienst van de Joden en de Romeinen. Om vervloekten te kunnen zegenen met de geestelijke en eeuwige zegeningen, naar de trouw van Zijn verbond, tot waarachtige bekering.

Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds. Dat mag ik in deze dienst tegen u zeggen en tegen jullie, jongens en meisjes: Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds. Maar nu is de vraag: ben ik nog een ongehoorzaam kind van de hemelse Vader of ben ik geroepen uit de macht van de duisternis en overgezet in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde en ben ik gehoorzaam gemaakt door Hem, de allergehoorzaamste Knecht, tot een sieraad in Gods kerk, en haat ik al mijn zondig tegenspreken? Heb ik daar verdriet over gekregen? Is het waar geworden: ‘Zie mijn berouw, hoor hoe een boeteling pleit en reinig mij van al mijn vuile en verborgen zonden’?

Dan ga je de bediening van de verzoening inroepen en inwachten van Hem Die ons weerspannig overtreden volkomen verzoent en ons kinderen van die nieuwe gehoorzaamheid maakt, die gaan bedelen: ‘Leid mij in het spoor van Uw gerechtigheid om Uws heiligen Naams wil en doe mij in het spoor van Uw geboden het leven zoeken en vinden.’

 

Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds. Dat zegt hij tegen de mensen bij wie het bloed van de Middelaar aan de handen kleefde. Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw Zaad…

Luister eens, heb je het gelezen, heb je je vinger erbij gelegd? Uw Zaad… Is dat Isma?l of Izak? Nee, dat is het Zaad met een hoofdletter. Dat is Jezus! Dat staat er. In Jezus heeft de Vader van eeuwigheid Zijn Knecht gevonden Die de ongehoorzamen tot een nieuwe gehoorzaamheid zal leiden, om onze oude ongehoorzaamheid geheel teniet te doen aan het vloekhout des kruises en dat nieuwe beginsel in te schrijven tot waarachtige bekering.

Is dat uw lust geworden? Is dat je leven geworden? Jongens en meisjes, ik zou je wel mee willen nemen! ‘Ik doe Uw geboden, oprecht en welgezind; Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.’

Kom, vraag het eens aan een kind van God, wat de dienst van de Heere is voor zulke albedervers. Dat zijn mensen die het iedere dag opnieuw voor Gods aangezicht bederven en het nooit verder kunnen brengen dan telkens weer terugvallen in die oude ongehoorzaamheid.

Maar… Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft. De Heere wist er van dat Abraham geen volmaakte gelovige was. Hij wist er van dat Izak geen volmaakte heilige was. Hij wist er van dat Jakob ook niet behoorde tot degenen die in de volmaaktheid konden roemen. Hij wist van alle feilen en vallen. Maar dit is de onveranderlijke genade van onze God en Zaligmaker: In Uw Zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

 

Hoort u het? Hoort u hoe de ruimte in dat Zaad, Christus, door de dienst van de apostel uitgestald mag worden?  En dat niet alleen voor de Joden. De Heere is ook teruggekeerd tot de Joden. Zij hebben zich bewust van Hem afgekeerd, maar Hij is teruggekomen om Zijn trouw te bevestigen. ‘Uw onbezweken trouw’, zo zingen we, ‘zal nooit hun val gedogen, maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.’

Wat een trouw, kind van de Heere. Ondanks uw afzwerven, uw ongehoorzaam zijn, uw moedwillig en weerspannig tegenspreken, uw weigeren om een sieraad te zijn. God is trouw, in het aangezicht van die grootste Held bij Wie God hulp besteld heeft.

 

Kom, is er nog werk voor Jezus? Hebt u nog werk voor die dierbare Middelaar? Ben je al aan het eind gekomen met het denken dat je het zelf wel voor elkaar kunt krijgen? Ben je een dierbaar onderwerp geworden van die volkomen Zaligmaker, Die volkomen zal zalig maken degenen die door Hem tot God gaan en die met al hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden?

O, wie is er als Jezus? Zo is er geen ander. Dit is de enige Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid!

 

Petrus heeft Hem verloochend en ook de andere apostelen hebben het er bij laten zitten. Maar nu mogen ze gewagen van de trouw van die Koning, Die met één offerande in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd mogen worden.

Wat is het een sieraad, volk van God, als je in de weg van de nieuwe gehoorzaamheid verwaardigd mag worden om een levend lidmaat van die dierbare Koning van de kerk te mogen zijn. Je hoeft jezelf geen medaille op te spelden, want we moeten onszelf altijd maar weer afkeuren. Maar wat een zegen om van de hemel, door de genade van God, een sieraad te mogen zijn. Zodat anderen van je kunnen zeggen: ‘Dat is een echte christen. Dat is iemand die met zijn houding en met zijn leven, met zijn woorden en met zijn daden, uitdraagt wat de Koning voorgezegd heeft en die zich houdt aan het Woord van de Heere.’ Dat Woord dat ons, al missen we alles, naar Zijne smaak ons hart en onze zinnen alleen kan strelen. Een kruimeltje van dat Woord is meer dan de uitgezochtste spijze.

 

Kom, kent u die honger en die dorst naar de levende woorden van die levende Koning, en die levende Zaligmaker? In uw Zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. Dat geeft een uitzicht en een vergezicht, jongens en meisjes! Ouders, dat geeft een uitzicht voor onze nakomelingen. Want die God is de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. Hij is de God van het verbond, Die het gezegd heeft en het ook doen zal.

Ben jij Hem al te voet gevallen? Heb jij Hem al leren eren? Heb jij Hem al leren zoeken? Probeer je de beste tijd van je leven te besteden in de dienst van de Heere? Van die liefdedienst heeft nog nooit een van Zijn kinderen berouw gekregen.

Daarom, zoek de Heere en leef, en betreed de weg des verstands. Daar is een vermaning aan verbonden: De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes.55:7).

Misschien zegt iemand: ‘Zou het voor mij nog kunnen?’ Ja! Houd dan maar aan. Laat de klop maar op de deur vallen en zeg het gebed na dat de boetvaardige zondaar uitsprak: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13). Dan zult u het waar zien worden: Deze ging af, gerechtvaardigd, in zijn huis (Luk.18:14). Vrijgesproken van zonden, schuld en straf. Hij heeft het beste deel mogen ontvangen, om de Heere te bedanken omdat Hij het gedaan heeft.

 

Zo zullen wij, de schapen Uwer weiden,
In eeuwigheid Uw lof, Uw eer verbreiden,
En zingen van geslachten tot geslachten
Uw trouw, Uw roem, Uw onverwinb’re krachten.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 72: 9 en 11

 

De stedelingen zullen bloeien,
Gelijk het malse kruid.
Zijn naam en roem zal eeuwig groeien;
Ook zal, eeuw in, eeuw uit,
Het nageslacht Zijn grootheid zingen,
Zolang het zonlicht schijn’,
Hun zal een schat van zegeningen,
In Hem, ten erfdeel zijn.

 

Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov’ Hem vroeg en spâ;
De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen
Met amen, amen na.