Ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 1

De tranen van de biddende Hanna

Stille tranen
Uitgegoten tranen
Gedroogde tranen

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : 1 Samuël 1
Zingen : vrij in te vullen

Gemeente, we overdenken in deze dienst met elkaar het eerste hoofdstuk van het bijbelboek 1 Samuël. Er is niet een bepaalde tekst, of zo u wilt: de tekst is het hele hoofdstuk van vers 1 tot en met vers 28, zoals het u zojuist is voorgelezen.

 

Het thema voor de preek is: De tranen van de biddende Hanna.

 

Er zijn drie aandachtspunten:

1. Stille tranen

2. Uitgegoten tranen

3. Gedroogde tranen

 

1. Stille tranen

 

Daar was een man, zo begint vers 1. Probeer maar mee te lezen, jongens en meisjes, in je Bijbeltje: Daar was een man van Ramathaim-zofim, van het gebergte van Efraim, wiens naam was Elkana, een zoon van Jerocham, de zoon van Elihu, de zoon van Tochu, de zoon van Zuf, een Efrathiet.

Elkana, een Leviet, uit de stam van Levi. Wij zouden zeggen: een diaken, een ouderling, een dominee. Kortom, als we met elkaar nadenken over Elkana en zijn gezin, dan gaat het om een ambtsdragersgezin, een ouderlingen-, een diakengezin, een domineesgezin.

Deze man nu (vers 3) ging opwaarts uit zijn stad van jaar tot jaar om te aanbidden, en om te offeren de Heere der heirscharen te Silo.

Het is een godvrezend gezin. Een godvrezend gezin, dat met de plechtige feesten opgaat naar Silo, de plaats van de tabernakel. Geen inzetting is hen te veel. Ze laten alles achter om de Heere der heirscharen te aanbidden!

 

Een godvrezend gezin, in een tijd van groot verval. In een tijd van groot verval houdt Elkana eraan vast om met heel zijn gezin de Heere te dienen.

Terwijl de ambten vervallen, immers Hofni en Pinehas misdragen zich schandelijk bij de tabernakel, toch gaat Elkana op naar Silo. Er is, zo zouden wij het zeggen, heel veel mis met de kerk van Elkana, maar toch blijft hij niet thuis… En hij gaat ook niet ergens anders naar toe… Hij gaat niet weg, hij vraagt zijn attestatie niet op, omdat hij denkt dat het elders beter zal zijn… Hij zegt niet: ik blijf maar thuis, want dit jaar hebben Hofni en Pinehas weer dienst… Vandaag zal die en die wel aan de beurt zijn om te lezen, of: als die dominee komt, dan heb ik geen vrijmoedigheid om naar de kerk te gaan...

Nee, het is andersom. Hoe slecht het ook gaat met de kerk van Elkana, hij heeft niet de vrijmoedigheid om thuis te blijven. Hij gaat met heel zijn gezin op naar Silo. Hij blijft de Heere aanbidden op de plek waar de Heere hem geplaatst heeft.

 

Een godvrezend gezin, maar ook een verdeeld gezin. We lezen immers in vers 2:

En hij (Elkana) had twee vrouwen; de naam van de ene was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu had kinderen, maar Hanna had geen kinderen.

Hij had twee vrouwen. Een nadrukkelijke overtreding van Gods gebod, want zo was het van den beginne niet geweest.

Wat bracht het ooit verdeeldheid in het gezin van Abraham, in het gezin van Jakob. Zo ook hier. Wat een onmin, wat een jaloezie, wat een ruzie tussen Hanna en Peninna…

Mannen, één vrouw is genoeg. Niet meer dan genoeg, niet te weinig, maar: precies genoeg, zoals God het heeft gewild.

Het brengt u geen zegen, dat ziet u in deze geschiedenis, als u naar andere vrouwen kijkt, als u stiekem afspreekt met een ander, mailt of chat met andere vrouwen, als u de Playboy leest of pornofilmjes downloadt op uw telefoon...

Het verwoest uw gezin, uw hart, uw huwelijk, en boven alles: het is zonde tegen God.

Niet doen dus!

 

Elkana overtreedt het nadrukkelijke gebod van God, hij is bovendien erg onverstandig, en toch... ja, dat is de andere kant van Elkana: hij blijft opgaan naar Silo, met het doel om met heel zijn gezin de Heere te dienen.

Maar wat wordt dat dienen van de Heere gestoord door de zonde van Elkana!

Wat wordt het dienen van de Heere in huwelijken gestoord door het dienen van twee heren: God en de mammon!

Elkana, zo zouden wij zeggen, Elkana, één vrouw is genoeg!

Maar Elkana zegt: Nee, ik weet het wel beter, ik neem er twee...

Gemeente, wat sluipt ontrouw gemakkelijk binnen in huwelijken. Door bezoek aan verkeerde internetsites, datingsites, door het downloaden van pornofilmpjes. U omzeilt het filter of u hebt er geen, u wist de sporen, en... u bent weer een stap verder...

Want van het één komt het ander. Een verborgen verhouding op uw werk, een al te intieme vriendschap, en vroeg of laat loopt uw huwelijk stuk.

Niet doen dus, mannen!

Bekeert u toch van uw boze weg, want waarom zou u zo sterven?

En wat is je vrouw, laten we maar eerlijk zijn, daar vaak de dupe van! Met het gevoel afgedankt te zijn; zie je wel, ik voldoe niet, hij vindt die ander veel mooier, veel leuker, veel liever!

Mannen, niet doen dus! Daar rust geen zegen op!

Verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd, een zeer liefelijke hinde en een aangenaam steengeitje. Laat u haar liefde te allen tijd dronken maken, maar dool niet in de liefde van een ander! En raak de schoot van een vreemde vrouw niet aan!

 

En het geschiedde (leest u maar mee in vers 4) op die dag, als Elkana offerde, zo gaf hij aan Peninna, zijn huisvrouw, en aan al haar zonen en haar dochteren, delen. Maar aan Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij had Hanna lief; doch de Heere had haar baarmoeder toegesloten.

Hanna, een vrouw die in zekere zin alles heeft…

Een man van aanzien; de lijn van zijn familie wordt gespeld, naam voor naam...

Een man van welvaart; hij trouwde een tweede vrouw. Dat konden alleen de rijken.

En ondanks alles krijgt ze heel veel liefde van haar man. Het staat in vers 5: Elkana had Hanna lief. En in vers 8: Ben ik u niet beter tien zonen? En bij de offermaaltijd geeft Elkana een aanzienlijk deel van de dankoffers aan… Peninna? Nee, aan Hanna! Het beste op tafel is voor de meest gewaardeerde, voor degene van wie je het meeste houdt!

Elkana houdt niet minder van Hanna vanwege haar zwakheid, vanwege haar onvruchtbaarheid. Juist in beproeving moeten we de ander meer liefhebben en met nog meer zorg omringen.

 

Elkana is hier, in al zijn zwakheid en ondanks zijn zonde, een beeld van Christus. Hij bemint een onvruchtbare bruid!

Wat is het aardse huwelijk toch altijd weer een bijzonder beeld van het huwelijk van Christus met Zijn bruidskerk. Hier, op aarde, in het gewone huwelijk, hebben man en vrouw elkaar, wederzijds, hartelijk lief. Maar als het gaat om het geestelijke huwelijk, dan geldt wat de apostel zegt: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.

Zijn liefde was eerst. Ongevraagd. Ongewenst. En toch zegt Hij: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met koorden van goedertierenheid.

En onze ontrouw, kinderen van God, doet Zijn liefde nooit teniet…

Dat geestelijke huwelijk is in zekere zin een ‘probleemloos’ huwelijk. Door Hem, niet door ons, maar door Hem, Die in alles getrouw is geweest en blijft, en Zichzelf voor haar, voor Zijn bruid, heeft overgegeven, en is geworden tot haar Hoofd.

 

Hanna, een vrouw die in zekere zin alles heeft. Maar ze heeft toch een groot probleem. Ze heeft toch niet alles. Ze moet hem, Elkana, delen met een ander!

Wat een pijn, wat een verdriet. Ze moet Elkana delen met Peninna. Elkana hoeft maar naar haar te kijken, of ze is weer zwanger. Een gebekte tante, die niet anders doet dan irriteren, pesten, treiteren... Wat een doorn in haar vlees!

En, het klinkt in één adem door: De Heere, de God van het verbond, had haar baarmoeder toegesloten. Hanna krijgt geen kinderen.

Wat een zorg in het gezin, als het verlangen naar de kinderzegen iedere keer weer eindigt in een teleurstelling, in stille tranen...

Luister eens, kinderloze echtparen, dit is ook de les van Hanna: zorg ook dat je elkaar niet kwijtraakt. Je hebt elkaar, juist in dit verdriet, zo nodig!

Dit huwelijksprobleem, van kinderloosheid, is overigens geen nieuw probleem. Dat zal Hanna niet getroost hebben, en het zal u ongetwijfeld ook niet kunnen troosten. Maar het leert ons wel meer begrijpen wat hier gaande is.

 

Hanna is niet de eerste onvruchtbare vrouw die we tegenkomen in het Oude Testament.

Saraï was onvruchtbaar, Genesis 11. Ze had geen kind. Het hangt als een donkere wolk boven de volgende tien hoofdstukken van het boek Genesis.

Rebekka was twintig jaar lang kinderloos, Genesis 25.

Rachel was aanvankelijk kinderloos, Genesis 29 en 30.

De vrouw van Manoach, de moeder van de latere Simson, was aanvankelijk ook kinderloos, Richteren 13.

Elisabet is jarenlang onvruchtbaar, voordat Johannes de Doper het eerste levenslicht ziet.

Maar weet u wat het wonderlijke is? Al die onvruchtbare vrouwen staan op de kruispunten, staan op de hoogtepunten van de heilsgeschiedenis!

Het zijn de moeders geworden van Izak, Jakob, Jozef, Simson, Samuël, Johannes de Doper...

Met het eerste Samuëlboek begint als het ware, na de richterentijd, een nieuwe periode in de heilsgeschiedenis. En die nieuwe periode, de periode van de vroegere profetie, die periode begint met... niets!

Met kinderloosheid, met hulpeloosheid, met onmogelijkheid

Dat is de manier waarop God werkt!

 

Zolang er hoop is, vertrouwen we op onszelf. Juist ook als de Heere werkt in ons hart.

Er is hoop, als we kunnen bidden, als we liefdevolle tranen schreien, als ons hart vol is van verlangen... En we koesteren wat we hebben...

Maar dat is meestal niet de tijd dat de Heere Zichzelf en Zijn Christus gaat openbaren.

God werkt toe naar onze hulpeloosheid, naar onze onmogelijkheid.

Nee, niet naar onze wanhoop! Maar wel naar onze hopeloosheid. Om ons zo, in die weg, waarin we alles verliezen, waarin we alles kwijtraken, om ons zo, vroeg of laat, heen te drijven naar Christus!

Want als Zijn volk geen hoop meer heeft, en geen kracht meer voelt, dan gaat God Zijn macht uit de hemel openbaren.

U zegt: waarom moet het toch in die weg?

Opdat u later niet zou denken, of zeggen: Het was mijn liefde, mijn werk, mijn trouw… Maar opdat u zou zien, en zeggen, en geloven: Het was, Heere, Uw liefde alleen, Uw werk alleen, Uw trouw alleen!

 

In de onmogelijkheid van Hanna, in de uitzichtloosheid van haar zorg en verdriet, gaat de Heere werken.

En haar tegenpartijdige (leest u maar mee in vers 6 en 7) tergde haar ook met terging, om haar te vergrimmen, omdat de Heere haar baarmoeder toegesloten had.

En alzo deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des Heeren, zo tergde zij haar alzo.

Zo ging het keer op keer… jaar in, jaar uit... irriteren, pesten, treiteren!

 

Moeilijk is het, als je zelf geen kinderen hebt, en iemand anders is weer zwanger. Je ziet het: kijk, die! Je hoort het: zij is ook weer in verwachting, en zij...

Wat doet dat veel pijn! Zeker als anderen je ermee plagen... Maar het doet minstens zoveel pijn als mensen (en dat is het tegenovergestelde) er nooit iets over tegen je willen of durven zeggen.

Je tranen zijn stille tranen. Niemand ziet ze. Niemand wil ze zien...

Gemeente, vergeet u ze niet? U zegt: wie? De mensen van uw gemeente, van wie u best wel weet of zou kunnen weten, dat ze zo vaak in stilte huilen van verdriet.

 

Zo ging het, jaar in, jaar uit... irriteren, pesten, treiteren!

Vooral in het opgaan naar Silo. Dat staat er niet voor niets.

Wat zien we hier goed welke momenten de duivel uitkiest om onze rust te verstoren. De duivel brengt onrust in onze kerkgang!

Vlak voordat we naar de kerk gaan... vlak ervoor, is er weer ruzie. Vader en moeder snauwen chagrijnig tegen elkaar, de kinderen maken ruzie...

Dan moet u niet tegen de ander zeggen: de duivel zit in jou! Nee, maar u moet wel denken: het is de duivel die ons weer lastigvalt, die ons stoort in het gaan naar Gods huis!

Vlak voor, of in de stilte van ons gebed, valt de satan ons lastig... Onze gedachten dwalen af, we dromen weg, ineens komen al die moeilijkheden weer in onze gedachten, of… pling... er komt een mailtje binnen, of… ineens is er onverwacht een harde vloek in onze gedachten...

Weg is onze concentratie. We zeggen: amen. We doen onze ogen open. Weg is ons gebed, het is voorbij...

De mens die op weg is naar het heiligdom, die op weg is naar de kerk, kan verwachten dat hij de duivel tegenkomt.

De mens die met gesloten ogen op weg is naar het hemelse heiligdom, in het gebed, mag verwachten dat hij de duivel tegenkomt.

Wat zijn we daar vaak weinig op bedacht. Het gebed behoort tot de geestelijke wapenrusting! Maar de duivel komt, hij breekt onze kracht... en we blijven achter als een krachteloze bidder...

 

Hanna, gepest en getreiterd door Peninna. Wat zal Hanna veel stille tranen hebben gehuild!

Er worden wat stille tranen gehuild. Misschien ook wel door u...

Maar wat blijkt hier wat erachter zit, wie erachter zit: De zonde! De duivel!

Wat hebben we daar vaak weinig oog voor. Wat is het nodig dat de Geest ons de ogen opent, zodat we gaan zien: die tranen, mijn tranen, hebben een diepere oorzaak.

Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden. Dan waren er geen tranen, dan was er geen verdriet!

De bron van mijn tranen is mijn schuld voor God.

Hebt u dat wel eens gezien, voor uzelf, voor God...?

Dat droogt onze tranen niet. Het geeft onze tranen wel een heel andere smaak. Ik zal het eerlijk zeggen: dat maakt onze stille tranen bitterder dan ze ooit tevoren zijn geweest.

Ik... ik heb tegen God gezondigd! Tranen als de tranen van Hanna: tranen van kinderloosheid, tranen van hulpeloosheid, tranen van onmogelijkheid... Wat moet ik toch doen om zalig te worden? Komt het ooit nog goed tussen God en mijn hart? Zal ik ooit nog vrede vinden voor mijn ziel?

Als de Geest van God ons in het nauw brengt. En we voelen het: ik heb gezondigd! Is er nog een weg? Ik zie de weg niet meer... Ik weet niet meer hoe het verder moet...

U zegt: werkt de Heere zo? Waarom doet de Heere dat, mensen in het nauw brengen?

Opdat u doen zou wat Hanna deed: vluchten tot God!

Hanna kan niet meedoen met de feestvreugde van de offermaaltijd. De lust, de eetlust vergaat haar.

Daar ligt overigens ook nog wel een andere les in. Deze: de tranen om ons verdrietige levenslot kunnen ons ongeschikt maken voor de vreugde van het heiligdom. Als we teveel verdrietig, als we teveel ontevreden zijn. We moeten daarvoor waken.

 

Luistert u eens naar Elkana. Elkana houdt van Hanna, dat kun je merken. Hij doet zo zijn best om Hanna te troosten. Je ziet het bijna voor je. Elkana, hij slaat de arm om Hanna heen, terwijl de tranen over haar wangen lopen, en zachtjes zegt hij:

Hanna, waarom weent gij? Waarom huil je, Hanna? En waarom eet je niet?

Maar als u goed luistert, hoort u tegelijkertijd ook een liefdevolle correctie in zijn woorden, als hij zegt: Hanna, waarom is uw hart kwalijk gesteld? Lieve Hanna, je hart...! Je droefheid, je verdriet houdt je hart weg van je plicht om de Heere te dienen, houdt je hart weg van de vreugde van het offer! Hanna, geef je toch niet over aan bovenmatige droefheid, maar zie ook op wat de Heere je wel gegeven heeft!

Hanna neemt het ter harte. Mannen, dat is wat we in liefde voor onze vrouwen kunnen betekenen!

Hanna hoort het, ze neemt het ter harte. Ze staat op en ze eet en ze drinkt.

En... haar verdriet drijft haar tot God! Naar de plaats van het heiligdom, naar de plaats van de verzoening!

 

Daar moet ook u heen met uw tranen!

Met tranen van verdriet vanwege kinderloosheid, vanwege ander levensverdriet. Als u in nood bent, o vlucht dan toch naar het heiligdom!

Daar moet ook u heen met uw tranen!

Met tranen van verdriet vanwege uw schuld voor God. Waar de Heere aanwerkt op onze onmogelijkheid.

Maar wilt u één ding goed bedenken? Luister eens, u die God zoekt… De mate waarin u die onmogelijkheid, die hulpeloosheid ervaart, bepaalt niet of u nu al vluchten mag tot het heiligdom, of dat u nog wachten moet totdat u meer geschikt zou zijn om te komen…

Ja, zelfs zonder tranen in uw hart, gemeente, bent u welkom. Ik besef het, u komt niet. U wilt niet. U ziet er het nut niet van in. Maar u bent welkom.

Misschien hoort u dat liever niet, maar ik zeg u: u bent welkom! U mag vluchten met uw verloren leven tot Hem, tot Christus, Die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren is.

 

Maar, zondaren met betraande ogen, ik spreek u in het bijzonder aan. Er is geen reden om te wachten. U mag vluchten tot het heiligdom. Er is een geopende weg, er is een geopende toegang tot de troon der genade.

O, vlucht dan toch met vrijmoedigheid. Niet vanwege uw rechten, maar vanwege Zijn nodiging. Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven. O, vlucht toch tot het heilidgom! Daar waar het bloed gesprengd wordt, daar waar de offerdieren geslacht worden. Daar mag u uw tranen de vrije loop laten gaan.

O, vlucht toch tot Christus. Biddend, roepend om vergeving! Daar, waar het bloed, het bloed van het Lam op de aarde drupt, aan de voet van het kruis! Daarheen mag u vluchten, daar mag u uw tranen de vrije loop laten gaan. Tranen van berouw. Tranen van boetvaardigheid. Tranen van een hartelijke schuldbelijdenis. Tranen van verwondering.

Daar alleen is rust te vinden voor uw vermoeide hart, vrede voor uw belaste ziel, vrede met God door het bloed van Christus.

 

We gaan, gemeente, verder met ons tweede aandachtspunt:

 

2. Uitgegoten tranen

 

We lezen verder in vers 9 en 10:

Toen stond Hanna op, nadat zij gegeten en nadat zij gedronken had te Silo. En Eli, de priester, zat op een stoel bij een post van de tempel des Heeren.

Zij dan van ziel bitterlijk bedroefd zijnde, zo bad zij tot de Heere, en zij weende zeer.

 

Niemand begrijpt haar echt. Wie zal een echt verdrietig mens kunnen troosten? Wie kan een om de zonde bedroefd mens echt troosten, echt rust geven?

Elkana, hij bedoelt het goed, maar hij kan het niet...

Eli dan, die kan het al helemaal niet...

En daarom vlucht ze tot de Heere der heirscharen. Dat is de weg! Ze mengt haar gebed met haar tranen!

Dat moet u ook doen. Niet bedroefd weggaan, zoals de rijke jongeling. Maar bedroefd komen. Want de tranen van komende zondaren, die vluchten naar het altaar, zijn dierbaar in Gods oog.

 

Hanna vlucht, ze komt. Hoewel in een openbaar, toch ook in een zacht en verborgen gebed. Het is ook een ootmoedig gebed, met een diep besef van Gods heiligheid. Leest u haar gebed thuis nog maar eens na. Het is een bescheiden gebed, maar tegelijkertijd is het ook een heel nauwkeurig gebed: Heere, geef me toch een mannelijk zaad. Het is niet de roep van Rachel: geef mij kinderen!

Maar Hanna zegt eigenlijk: Heere, geef me een kind voor U… Ik beloof het weer aan U terug te geven. Hij zal door geboorte een klein Levietje zijn, maar ik beloof U: Hij zal een nazireeër worden: van kinds af aan gewijd aan U en aan Uw dienst.

Hier ziet u ook, ouders, dat u een goddelijk recht hebt om uw kinderen af te staan aan de dienst des Heeren. Hoe eerder, hoe liever!

 

Het geschiedde nu (we lezen verder in vers 12), als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht des Heeren, zo gaf Eli acht op haar mond.

Want Hanna sprak in haar hart; alleenlijk roerden zich haar lippen, maar haar stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken.

U hoort het hem zuchten: O nee hè, niet weer! Niet weer een vrouw die zich bedronken heeft bij de maaltijd na het offer! Maar wat een misslag van de ambtsdrager Eli! Hij oordeelt zonder nauwkeurig te luisteren. En hij had het zelfs kunnen weten. Wij weten het ook: een dronkaard is luidruchtig, maar deze vrouw is stil. Wat een onvoorzichtige conclusie, wat een onterechte berisping!

Paulus is later heel goed geïnformeerd over de toestand in de gemeente van Korinthe. En toch zegt hij, heel voorzichtig: ik geloof het ten dele... Wat een les voor ons, ambtsdragers, om voorzichtig zijn. Tijdens huisbezoeken, maar ook bij de nabespreking ervan op de vergadering van de kerkenraad. Want wat kunnen wij, vooral dat beginnende leven - zeker als er ook nog eens een generatieverschil is, en dat is hier ook zo: de jonge Hanna bidt, en de oude Eli schat het helemaal verkeerd in - wat kunnen wij, ambtsdragers, de zaak verkeerd inschatten.

We zijn geen hartenkenners, zeggen we, maar ondertussen denken we het, met Eli, soms (misschien wel vaak) wel te zijn. Wat is Eli een les voor ons, ambtsdragers. Niet zomaar oordelen en veroordelen. Maar eerlijk, oprecht, mild en voorzichtig zijn. Niet elkaar napraten, maar eerlijk, oprecht, voorzichtig en mild zijn in ons oordeel, gegrond op de Schrift.

En zeker als we elkaar niet lijken te begrijpen: eerst luisteren! Als jongeren het anders verwoorden: niet praten, niet antwoorden, maar luisteren, vragen: wat bedoel je nu precies? Ik probeer je te begrijpen, zeg het nog eens een keer, probeer het nog eens een keer te zeggen met andere woorden, zodat we elkaar misschien beter gaan begrijpen… En zeker oppassend zijn in het veroordelen van gebeden van anderen, zoals hier gebeurt bij Eli.

 

Wat zien we hier ook, gemeente, dat ware bidders veel beproeving ondervinden op hun pad. Eerst was er Elkana met zijn zondige keuze, en nu is er zelfs ook de ambtdrager Eli.

Maar, bidders, zoekers, laat u toch door niets en niemand weerhouden, zelfs niet door de hogepriester Eli, door de voornaamste ambtsdrager, als iemand tegen u zegt:

‘Uw plaats mag hier niet zijn, u bent niet geschikt! Dat gaat zomaar niet! U bent hier niet welkom, want ik zie dat daar in uw hart geen plaats voor gemaakt is! U bent niet geschikt.’

Ja, dat laatste is nog waar ook. Geen mens is ooit geschikt voor Jezus, maar Jezus is zo geschikt voor zondaren.

 

En daarom, wie u ook bent, laat u toch door niets en niemand weerhouden om te vluchten tot het heiligdom, tot de plaats van het bloed.

Ik zeg u, op grond van de Schrift: Kom! U die treurt om uw zonden, die tranen schreit in uw hart vanwege uw schuld voor God: Kom! Draal niet langer, aarzel niet langer, stel niet langer uit: vlucht, net als Hanna, naar de plaats van het bloed, naar de plaats van het offer: naar Golgotha...

Zie, het Lam Gods! Hij kwam voor verlorenen, voor vijanden, voor mensen die alles verzondigd hebben! En Hij is bereid, met al de liefde van Zijn middelaarshart, om u te verlossen van uw hemelhoge schuld. En Hij roept u toe: O, kom toch tot Mij, u die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.

Hij roept zelfs u, onbekeerden, onbetrokkenen! Kom! Keert u toch tot Mijn bestraffing!

Waarom weegt u geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij. Neigt uw oor, en komt tot Mij! Hoort (en dan hoort u het adres van deze dringende oproep), hoort en uw ziel, uw dode ziel zal leven!

Zie toch met uw dodelijke kwaal op de verhoogde koperen slang, op het gekruisigde Godslam, voordat het voor eeuwig te laat is!

 

We lezen verder in vers 14:

En Eli zeide tot haar: Hoe lang zult gij u dronken aanstellen? Doe uw wijn van u.

Doch Hanna antwoordde en zeide: Nee, mijn heer, ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterke drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren. Acht toch uw dienstmaagd niet voor een dochter Belials; want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid van mijn gedachten en van mijn verdriet.

Hier ziet u iets van het werk van God in het leven van Hanna. Ze werpt de beschuldiging van Eli niet terug, Ze zegt niet: Kijk naar jezelf, Eli, kijk naar je twee zoons! Steek je hand maar in eigen boezem, in plaats mij met je woorden te mishandelen!

Nee, ze heeft geduld, ook met het slechte oordeel van deze ambtsdrager. En bovendien, ze kan het wel begrijpen, want ze weet wat leeft in haar hart.

 

Het is, gemeente, hoe u het ook wendt of keert, toch geen goed teken, als u bij het huisbezoek bij u thuis, op ondoordachte, en misschien wel onterechte, kritische vragen, al uw stekels overeind zet! Dat is geen goed teken.

Hanna begrijpt het wel, wat Eli zegt, ook al heeft hij helemaal geen gelijk, en ze zegt vol eerbied en respect: Nee, mijn heer!

Ze toont respect en eerbied voor zijn ambt! En tegelijkertijd toont ze openhartigheid. Het is alsof ze zegt: ‘U begrijpt me verkeerd, maar u mag best dieper in mijn hart kijken: ik ben een vrouw, bezwaard van geest; ik heb noch wijn, noch sterke drank gedronken; maar ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.’

Mild probeert ze Eli te overtuigen van wat er leeft in haar hart.

Dat, jongeren, moet je ook proberen te doen, als ouderen je niet begrijpen.

Je hoort de eerbied in Hanna’s stem: Nee, mijn heer! Niet: Man, waar haalt u de bevoegheid vandaan om mij te oordelen? Nee. ‘Nee, mijn heer.’

 

Trouwens, wat zouden wij, broeders ambtsdragers, hier ook tranen moeten huilen. Want… wat een gebrek, bij ons. U zegt: wat een misverstand…! Ja, dat ook. Maar vooral: wat een gebrek. Een gebrek aan... die tranen: ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren.

En terwijl ik dat lees, als ambtsdrager, zeg ik tegen mezelf: Hoe lang is dat geleden, dat ik dat deed? Mijn tranen uitgieten voor het aangezicht van de Heere? Is dat soms (of misschien wel vaker) ook niet de reden ons onbegrip? Dat wij zelf zo ver van de Heere vandaan leven? Dat we zelfs deze tranen niet meer begrijpen?

Laten, broeders, onze ambtelijke ontmoetingen ontdekkend zijn. Niet alleen voor degenen met wie wij praten, maar ook voor onszelf.

 

Ik ben een vrouw, bezwaard van geest, en ik heb mijn ziel uitgegoten voor het aangezicht des Heeren. In de bitterheid van mijn ziel, in de droefheid van mijn hart, heb ik mijn hartetranen voor de Heere uitgegoten.

Tranen van tijdelijk verdriet, van kinderloosheid, van andersoortig verdriet.

Tranen van droefheid over mijn zonde en schuld.

Uitgegoten voor het aangezicht des Heeren. Voor het aangezicht van de Heilige Israëls…

 

U zegt: ja, dat is nu juist mijn vraag.

Kan dat wel? Mag dat wel? Mag ik dat wel? U moest eens weten wie ik ben... voor God!

Hoe kan dat? Hoe moet dat? Hoe kan een zondig, een schuldig mens naderen tot het heiligdom? Tot de allerheiligste God? Is die weg niet voorgoed versperd? Voor altijd geblokkeerd? Door die man, die zonder één traan te laten opstond tegen God? Is er nog wel een weg? Is er nog wel een weg voor mij...?

Ja, het kan, het mag! Zondaren mogen vluchten tot het heiligdom. Het is waar, die weg was versperd, die weg was geblokkeerd. Maar er is er Eén geweest, Die die weg opnieuw gebaand heeft. Door een weg van tranen. Met tranen heeft Hij de weg gebaand tot het heiligdom! En omdat Hij die weg geopend heeft, mag u ook met tranen vluchten tot het heiligdom.

De weg naar God toe, de weg naar God terug, is gebaand door de tranen van Jezus.

‘Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe!’

Door de kostbare tranen van de Onschuldige, is deze weg geopend voor u, doodschuldigen!

Want wij hebben geen hogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde.

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Kom, treurenden, ga toch deze weg! Deze weg, die gebaand is door de tranen van de Borg. De weg tot de troon van Gods genade.

Daar zult u, komend met tranen, in de weg van het gebed, genade vinden. Vrede met God!

 

Het gaat in deze dienst over de tranen van de biddende Hanna. Het waren stille tranen, het werden uitgegoten tranen, maar het worden ook:

 

3. Gedroogde tranen

 

We lezen samen verder in vers 17:

Toen antwoordde Eli en zeide: Ga heen in vrede, en de God Israëls zal uw bede geven, die gij van Hem gebeden hebt.

Daar is nog een les van Eli voor ambtsdragers. We lijken het soms nogal verleerd te hebben, maar ambtsdragers en zeker ook dominees mogen zich terecht laten wijzen!

Eli neemt het niet op als een belediging, hij raakt niet uit zijn humeur, hij voelt zich niet op lange tenen getrapt, nee: zijn berisping wordt veranderd in een zegenbede!

 

En dat is tegelijkertijd de troost van de ambtelijke dienst. De dienaren van Christus mogen vrede uitspreken over de tranen van roependen!

Wij roepen u vrede toe, treurenden, huilenden vanwege uw zonde! Wij roepen u vrede toe, u die gevlucht bent tot het heiligdom! De Heere Zelf zal uw bede horen op Zijn tijd. Ik zal het sterker zeggen, op grond van dit Schriftgedeelte: Uw gebed is verhoord!

Zo is Hanna ook naar huis gegaan: gesterkt en bemoedigd. Haar zaak is in de handen van de Heere gegeven! Haar gebed heeft haar gezicht verhelderd en haar hart vervrolijkt!

 

En (staat er in vers 19) Elkana bekende zijn huisvrouw Hanna, en de Heere gedacht aan haar. En het geschiedde, na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Samuël. Want, zeide zij, ik heb hem van de Heere gebeden.

Zijn naam zal haar levenslang herinneren aan Gods genadige verhoring.

Samuël wordt geboren; de Heere gedacht aan haar.

Dat is de verhoring van hen, die hun tranen laten vloeien aan de troon van Gods genade.

God zal aan u gedenken! Uw bede zal Hij in Zijn wijsheid verhoren, op een wijze die voor u het beste is. Misschien nog wel veel beter dan u voorheen zelf had kunnen bedenken.

Daarom, schep toch moed, u die God zoekt! Uw tranen worden in Gods fles bewaard, hun getal geschreven in Zijn boek.

 

En zij noemde het jongetje Samuël. Want, zeide zij, ik heb hem van de Heere gebeden.

Leest u nog even mee in vers 27 en 28. Hanna zegt daar:

Ik bad om dit kind, en de Heere heeft mij mijn bede gegeven, die ik van Hem gebeden heb. Daarom heb ik hem ook de Heere overgegeven al de dagen die hij wezen zal; hij is van de Heere gebeden.

Hoort u de echo in haar vreugderoep? Ik bad, mijn bede is gehoord, ik heb gebeden, hij is van de Heere gebeden! Bidden, mijn gebed, gebeden, van de Heere gebeden. Tot viermaal toe gaat het over ‘bidden’.

De gebeden van zulke zoekende zondaars, die vluchten tot het heiligdom, worden altijd verhoord!

Zulke gebeden, van zulke biddende moeders (en vaders) worden verhoord! Die gebeden, gericht op God! Niet zoals het gebed van Rachel: Geef mij kinderen!

Maar zo’n gebed als van Hanna: Heere, mijn kind... voor U...!

Zo mag u, moeders, vaders, worstelen. Ook om uw grotere kinderen. Worstelen voor het aangezicht van de Heere!

Geef uw kinderen maar aan de Heere! In dat overgeven van uw kinderen en kleinkinderen aan de Heere ligt zoveel rust. Dan kunt u met Hanna en Elkana opstaan, en getroost naar huis gaan! Omdat de zaak, de zaak van uw kinderen, van uw kleinkinderen, in Gods hand ligt.

Ik leg de namen van mijn kinderen, Heere, in Uw handen.

 

Wat is de vrucht van zulke gebeden van zulke moeders? We lezen nog één keer vers 28.

Lees nog even mee, jongens en meisjes, de preek is bijna klaar, je mag zo naar huis, maar nog even heel goed luisteren. Vers 28. Het zijn maar een paar woorden. Je zou er bijna overheen lezen. Daar staat:

En hij bad aldaar de Heere aan.

Teruggegeven aan de Heere, gaat die kleine Samuël, peutertje van drie, de Heere aanbidden! De God van het verbond, de God van zijn opa’s: Abraham, Izak en Jakob. De belovende God van zijn besnijdenis, de belovende God van de latere doop.

En hij bad aldaar de Heere aan.

Kinderen, je bent nooit te jong, echt nooit te jong, om je knietjes te buigen, om de Heere te aanbidden, om de Heere Jezus lief te hebben, om te zingen tot Gods lof!

Dat kan, dat mag, als je drie bent, of vier, of vijf.

En dat maakt je zo gelukkig!

Als je leeft zoals we vaak zingen: Opent uwe mond, eis van Mij vrijmoedig, op Mijn trouwverbond!

Dat trouwverbond, dat is wat hier schittert, in deze donkere tijd van Eli, Hofni en Pinehas.

Gods trouwverbond.

Daar loopt plotseling, in die stikdonkere nacht van Godverlating en Godsverduistering, opeens een jonge en biddende Samuël. Een knulletje van drie, die de Heere vreest en liefheeft!

Daarom is er hoop! Niet zomaar een hoopje, maar vaste, christelijke hoop, dat God, vanwege Zijn trouw, midden in deze donkere tijd, op het gebed van biddende Hanna’s, opnieuw, steeds weer opnieuw van die kleine Samuëls zal geven.

 

Zeg, knulletje van drie… vier… vijf… Meisje van drie… vier… vijf…

Ben jij net zo’n kind als Samuël? Een kind dat de Heere aanbidt? Dat de Heere liefheeft? Dat een nieuw hart heeft gekregen van de Heere?

Praat straks nog maar even na met papa en mama over de preek.

Fijn dat je zo goed geluisterd hebt!

 

Dit was de hoop van de kerk, in de donkere tijd van Eli.

Dit is ook onze hoop, in deze tijd, die ook wel donker heten mag.

De trouwe God van het verbond wil ook nu nog, op het gebed van biddende Hanna’s, van die kleine Samuëls geven. Steeds weer opnieuw...

Zo is het gegaan, eeuw in, eeuw uit... Zo zal het blijven, vanwege Gods trouw.

 

Totdat... totdat ook die Samuëls niet meer nodig zijn.

Totdat… de dag komt, die ten volle zal schitteren van Gods trouw. De dag waarop al die miljoenen jonge Samuëls, die ontelbare vroeg gestorven kinderen van gelovige ouders, al die moeders als Hanna, zondige Elkana’s en oude en dwaze Eli’s, als wij de Heere, de trouwe God van Zijn onwankelbare verbond, tot in alle eeuwigheid, zonder tranen zullen aanbidden, in het hemelse heiligdom.

Dan zullen daar de blijde zangers staan: peutertjes, zingend uit volle borst, de ouden met de jongen, zingend met heel hun hart. Zonder tranen.

Dan zullen daar de blijde zangers staan, de speelliên op de hart en cimbel slaan. En binnen U al mijn fonteinen wezen.

 

Amen.