Ds. A. Elshout - Openbaring 3 : 1 - 6

De brief aan Sardis

Het dode in de gemeente van Sardis
Het stervende in de gemeente van Sardis
Het goede in de gemeente van Sardis
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie 'Een zaaier ging uit...' (deel 15)

Openbaring 3 : 1 - 6

Openbaring 3
1
En schrijf aan den engel der Gemeente, die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij den naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood.
2
Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.
3
Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal.
4
Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.
5
Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.
6
Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de Gemeenten zegt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 37: 19
Lezen : Openbaring 3: 1-13
Zingen : Psalm 139: 1, 14
Zingen : Psalm 68: 7
Zingen : Psalm 119: 88

Het tekstwoord, gemeente, dat we met u willen overdenken, kunt u vinden in het voorgelezen schriftgedeelte, Openbaring 3 vers 1 tot en met 6:

 

En schrijf aan de engel der gemeente die te Sardis is: Dit zegt, Die de zeven Geesten Gods heeft en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood.

Zijt wakende en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God.

Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure Ik over u komen zal.

Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.

Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

 

Het gaat in deze dienst dus over: De brief aan Sardis.

 

Naar aanleiding van dit schriftwoord willen we met u spreken over:

1. Het dode in de gemeente van Sardis. We lezen daarvan in vers 1: Dat gij de naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood.

2. Het stervende in de gemeente van Sardis. Daarover lezen we in de verzen 2 en 3: Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure Ik over u komen zal.

3. Het goede in de gemeente van Sardis. Daarvan spreekt ons vers 4: Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.

 

1. Het dode in de gemeente van Sardis

 

Gemeente, boven dit schriftgedeelte zouden we wel het woord mogen schrijven dat de Heere eens tot Samuël sprak, toen hij op het punt stond om een grote vergissing te begaan: De mens ziet aan wat voor ogen is, maar de Heere ziet het hart aan (1 Sam.16:7).

Dat woord is hier ook van toepassing op de gemeente van Sardis. Sardis was één van de zeven gemeenten van Klein-Azië. Het was gelegen in het gebied dat wij tegenwoordig Turkije noemen. In deze flinke stad was door de prediking van het Woord van God ook een gemeente des Heeren ontstaan.

Wie daar gepredikt heeft weten we niet, maar dat is ook niet zo belangrijk. Eén ding is zeker, de prediking heeft vrucht gedragen! De Heere Zelf zegt in deze brief: Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt. Gedenk hoe u die boeteprediking ontvangen hebt!

Het had vruchten voortgebracht van geloof en bekering. Het ontdekkende Woord had als een mes, als een tweesnijdend scherp zwaard, gesneden in menig hart. Dat Woord, dat een oordeler is der gedachten en der verborgen overleggingen des harten, heeft een buigen voor God in het stof teweeggebracht. Het heeft daar geklonken:

 

Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed;

Verschoon mij toch naar Uw barmhartigheden.

 

En:

 

Zie mijn berouw, hoor hoe een boet’ling pleit

En reinig mij van al mijn vuile zonden.

 

Dat boetegeluid is opgeklommen uit menig verslagen hart in Sardis, tot voor de oren van de Heere Zebaoth.

 

Gedenk hoe gij het ontvangen hebt! Is dat in ons leven ook al gebeurd, gemeente? Hebben wij de boeteprediking ook al zo ontvangen, zodat we in plaats van onszelf te verschonen, in plaats van onze zonden te bagatelliseren, te verkleinen, voor God in mochten vallen en zeggen: ‘Amen, het is waar. Heere, Gij zijt rein in Uw spreken. Ik heb Uw wet geschonden. Ik heb gedaan wat kwaad was in Uw oog’? Gedenk hoe gij het ontvangen hebt!

In Sardis was niet alleen de wet gepredikt. Nee, ook het evangelie was er verkondigd! De blijde boodschap, die spreekt van het Lam Gods Dat de zonden der wereld wegneemt, is ook daar in Sardis gebracht. Hij is hun gepredikt, Die zo vriendelijk nodigt: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

De vrucht van die prediking was dat er ook in Sardis mensen waren gekomen, die hun reinigmaking en zaligheid buiten zichzelf gingen zoeken. Mensen voor wie de Heere Jezus dierbaar was geworden; die hebben leren verstaan wat de bruidskerk van Hem getuigt in het Hooglied: Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl.5:10). Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend (Hoogl.5:16). Dat hartelijk aanroepen van de Naam des Heeren: ‘Gij Zone Davids, ontferm U toch over mij!’ Dat smeken: ‘U bent toch gegeven, o Heere Jezus, tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking, ja tot een volkomen verlossing?’ Gedenk hoe gij het ontvangen hebt!

Is dat ook in ons leven al gebeurd? Heeft bij ons die koersverandering al plaatsgevonden, om - zij het in beginsel - alle hulp en kracht van Hem, van die Profeet, Priester en Koning te leren verwachten? Gedenk hoe gij het ontvangen hebt!

 

Er is nog méér gepreekt daar in Sardis. Ook dit woord van de Heere Jezus is hun voorgehouden: Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied (Joh.15:14). Die mensen daar in Sardis zijn niet alleen hoorders des Woords geworden, maar ook daders. De wet des Heeren werd hun een ‘regel des levens’. Het was hun gebed geworden: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’

Ik twijfel er niet aan dat het niet alleen hun verzoek, hun gebed geweest is, maar dat het ook de hartelijke keus van hun hart geweest is, zoals de psalmdichter dat onder woorden brengt in Psalm 119:

 

Ik zwoer en zal dit met een blij gemoed,

Bevestigen in al mijn levensjaren,

Dat ik Uw wet die heilig is en goed,

Door Uw genâ bestendig zal bewaren.

 

We zouden samenvattend kunnen zeggen: de prediking heeft daar vruchten voortgebracht, vruchten der bekering waardig! Geloof, hoop en liefde, deze drie; ze zijn gaan bloeien in deze gemeente.

 

Er was echter iets bijzonders aan de hand met die gemeente van Sardis. Als u de brieven leest die geschreven zijn aan de andere gemeenten in Klein Azië, dan zien wij dat daar telkens sprake is van vervolging, van verdrukking. In die andere gemeenten ondervonden de christenen steeds verdrukkingen, door de verandering van hun levenskoers. Steeds weer lezen we dat smaad, laster, hoon en verdachtmakingen Gods kinderen daar ten deel vielen. In Sardis was dat echter niet het geval. Integendeel! Er staat in ons tekstgedeelte: Dat gij de naam hebt dat gij leeft.

Hoe kwamen ze aan die naam dat ze leefden? Ongetwijfeld hebben ze elkaar onderling die naam gegeven; ze namen van elkaar aan dat ze geestelijk leefden. Het is echter ook heel goed mogelijk dat die naam hun gegeven is door de plaatselijke bevolking. Dat het zo geweest is, dat de onbekeerde mensen in Sardis tegen elkaar zeiden: ‘Die mensen, die leven pas echt! Zo’n leven als die christenen, dat is toch een heel ander leven dan dat wij kennen.’ Ze hadden zo’n krediet voor de christenen, dat ze hun die naam gaven. Dat is heel goed mogelijk.

Onder ons komt dat ook voor, dat men krediet heeft voor Gods kinderen. Onder ons zullen ze er ongetwijfeld ook wel zijn, die een bekeerde vader of moeder hebben, die een bekeerde opa of oma hebben, of die een godvrezend mens in hun omgeving kennen van wie ze zeggen: ‘Ja, dat zijn eigenlijk pas gelukkige mensen, die mensen leven pas echt.’ Krediet voor Gods kinderen. Misschien doet u er zelf wel aan mee, om Gods kinderen met grote eerbied te behandelen. Het is best mogelijk dat de mensen in uw buurt, in uw woonplaats, met respect naar u kijken als u zondags met uw kinderen naar de kerk gaat. Mensen die zeggen: ‘Ik ga zelf wel niet naar die kerk, maar ik heb er toch respect voor.’ Misschien denken ze wel dat alle leden en doopleden van onze kerk bekeerd zijn. Het is wel mogelijk dat ze denken: Als je daar naar de kerk gaat, waar zo ernstig gepreekt wordt, dan moet je toch wel iets anders bezitten... Het zou me niet verbazen, gemeente, als ze dat zouden denken.

Misschien zijn er ook wel mensen die zeggen: ‘Ik zou niet zo willen léven als Gods volk, maar ik zou er best mee willen sterven.’ Er spreekt in ieder geval dan een zekere eerbied uit hun houding tegenover u.

 

Het is natuurlijk bijzonder aangenaam, als we merken dat men respect voor ons heeft. Het is veel prettiger om geprezen, gerespecteerd te worden, dan om vervolgd en nagewezen te worden. Het is veel aangenamer om in de watten gelegd te worden, dan in de pekel... Maar hoe aangenaam het ook moge zijn, het is bijzonder gevaarlijk als we zo’n goede naam hebben! Het gevaar is beslist niet denkbeeldig (dat heeft de praktijk wel geleerd), dat men op die goede naam gaat teren, dat het leidt tot zelfgenoegzaamheid. Hoe gevaarlijk dat kan zijn, is wel gebleken in de gemeente van Sardis.

Strijd is niet aangenaam voor vlees en bloed, maar de praktijk heeft wel geleerd dat de tijden van uiterlijke rust meestal funest zijn voor de ontwikkeling van het geestelijk leven; funest ook voor het goed functioneren van de gemeenten. Het spreekwoord zegt: ‘Er moet gewicht aan de klok zijn.’ Heel vaak gebruikt de Heere juist de strijd in het leven van Zijn kinderen, om ze te leren de wortels naar de diepte te slaan.

Gaat u het maar na in het leven van Gods kinderen van alle eeuwen. U zult dan zien dat niet de tijden toen ze het zo makkelijk hadden, het meest vruchtbaar waren voor hun zielenleven. Er is geen twijfel aan dat de tijden van strijd de beste tijden zijn geweest voor hun geestelijk leven.

 

Dat gij de naam hebt dat gij leeft…

Het was niet moeilijk voor de mensen in Sardis om lid te worden van de gemeente. In die andere gemeenten van Klein-Azië lag dat heel anders. Daar had het lid worden van de gemeente ingrijpende consequenties. Als je in Smyrna bijvoorbeeld lid werd van de gemeente, dan wist je dat het kon betekenen dat je je betrekking kwijtraakte, dat je dus brodeloos zou worden. Je wist dat je uitgestoten zou worden. In Thyatire had het christen-zijn weer andere consequenties. Daar werden allerlei sancties toegepast op de leden van de gemeente. Ze werden uitgescholden en gelasterd.

In Sardis was dat allemaal niet het geval. Daar was het niet zo moeilijk om lid te worden. In Sardis hoefde je er niet zo veel voor over te hebben. Het gevolg daarvan was dat mensen van wie het hart helemaal niet vernieuwd was, zich bij de gemeente voegden. Deze mensen waren van die zogenaamde ‘dode leden’, mensen met enkel een historieel geloof; het levende geloof werd gemist. Ze waren wel christenen in naam, ze hadden zelfs een hele goede naam, maar daar bleef het dan ook bij. Het was alleen maar een naamchristendom, waar het hart niet bij betrokken was.

In die gemeente van Sardis was waarschijnlijk een grote groep mensen die hele orthodoxe opvattingen hadden over leer en leven, maar verder kwam het niet, daar bleef het bij. In Sardis was sprake van een dode orthodoxie. Er was wel een goede vorm, maar het was net als met een dood lichaam; uitwendig wel helemaal gaaf, maar er zat geen leven in. Er ging geen warmte van uit, het was zo koud.

 

Dode orthodoxie… Het is ijskoud als je er mee in aanraking komt! Heel vaak zijn zulke naamchristenen mensen die precies weten hoe het allemaal hoort. Ze kunnen je vaak heel nauwkeurig vertellen hoe God een mens bekeert. Ze weten precies hoe het zit! Maar dat is dan ook alles, het is en blijft ijskoud! In hun gezin en in hun omgeving stralen ze in godsdienstig opzicht geen enkele warmte uit. Het tegenovergestelde is het geval; je krijgt het er koud van, je krijgt er een afkeer van. Het wekt weerzin!

Gemeente, er is niets zo weerzinwekkend als dode orthodoxie. Het is niet alleen zo dat er níets van uit gaat, er gaat zelfs een averechtse werking van uit!

Als er ergens een dode is, en het wordt tijd dat die dode begraven moet worden, dan verspreidt zo’n dood lichaam een onaangename geur. Zo is het nu ook met dode orthodoxie. Het verspreidt een onaangename lucht, het stinkt!

Weet u wat het allerergste is, gemeente? Als we denken dat het zo goed gaat en we ruiken zelf die doodslucht niet.

Er was er Eén, Die het wel rook, en Hij zei: ‘Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood.’ In die gemeente roken ze het zelf niet eens. Ze konden met die situatie wel leven. Wat een ontzettend woord! Zouden we niet sidderen als we dit horen? Zouden we de hand niet eens in onze eigen boezem steken en zeggen: ‘Ben ik het, Heere?’

 

Van nature zijn we allemaal dood. Als het wonder van Gods herscheppende genade in ons niet heeft plaatsgevonden, dan zijn we dood, ook al zijn we dan lid van de Gereformeerde Gemeenten.

En weet u wat nu zo schrijnend is? Dat er onder ons zo velen zijn die het zo goed weten dat ze dood zijn. Mensen die heel onbewogen zeggen: ‘Ik ben onbekeerd hoor! Nee, dat geestelijke leven ken ik niet.’ Deze belijdenis bezorgt hun weinig of geen onrust. Soms ja, als hun geweten spreekt, dan worden ze nog wel eens onrustig, maar verder kunnen ze best leven met de wetenschap dat ze onbekeerd zijn. Ze ruiken het niet, ze merken niet wat het betekent om dood te zijn in Gods oog. Voor de mensen hebben ze wel een naam, maar voor God zijn ze dood.

 

Wat geeft de Heere hier een vreselijk getuigenis van een deel van de gemeente van Sardis! Toch zijn bijna alle verklaarders het er over eens dat dit woord ‘Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood’ ook beeldspraak kan zijn geweest. Dat dit woord betrekking zou hebben op echt bekeerde mensen. Bekeerde mensen die een betere naam hebben dan dat het in werkelijkheid is. Mensen die in geestelijk opzicht dus boven hun stand leven. Mensen die de indruk wekken een nauw en teer leven te hebben voor Gods aangezicht, maar waar dat in werkelijkheid niet het geval is.

Wat komt dat veel voor bij Gods kinderen, dat de schijn niet in overeenstemming is met het ‘zijn’. De mensen weten niet hoe het er werkelijk bij staat tussen God en onze ziel. De Heere weet het echter precies, of onze naam in overeenstemming is met de feiten. Nee, dat hoeft niet te betekenen dat het huichelaars zijn. Een huichelaar doet net alsof hij het leven der genade kent, maar het is niet waar. Nee, bij deze mensen is het zo dat ze zo graag aangezien willen worden voor een echt bekeerd mens, voor een doorgeleid mens. Ze vinden het zo belangrijk wat de mensen van hen denken, dat ze boven hun stand gaan leven, op hun bekering en op hun naam gaan teren.

Gemeente, dit zijn feiten die zich voordoen in de praktijk van het geestelijke leven.

 

Wat een messcherpe brief schrijft de Heere aan de gemeente van Sardis, één van de scherpste van de zeven! Toch was dat mes, voordat die brief geschreven werd, eerst gedoopt in de liefde. Want in de aanhef van deze brief staat: Dit zegt, Die de zeven Geesten Gods heeft en de zeven sterren. Het is alsof de Heere daarmee zeggen wil: ‘Ik ben de Levensbron, bij Mij is de Levensbron!’

Als de Heere messcherp aanwijst waar het aan schort, dan is de bedoeling daarvan dat men als een ootmoedige smekeling terechtkomt bij de Levensbron.

Misschien is er wel iemand in de kerk hier, of iemand die thuis meeluistert, die het bekennen moet: Het is waar, dat is nou precies waar het aan schort in mijn leven: ik heb de naam dat ik leef, maar ik ben dood. Het is waar, maar wat moet ik er toch aan doen? Moet ik het dan maar opgeven en niet meer naar de kerk gaan? Moet ik dan maar bedanken?

Nee, beslist niet! U moet niet bij de Levensbron vandaan, u moet er juist naar toe! U moet, om te beginnen, biddend tot de Heere vluchten, smekend wat we samen gezongen hebben: ‘Doorgrond me en ken mijn hart, o Heere.’ Om oprecht te belijden voor God: ‘Het is waar, Heere, maar wilt U mij wassen en reinigen van mijn verborgen zonden? De mensen weten het wel niet, maar U weet het wel, hoe treurig het er bij mij vanbinnen uitziet. U weet van mijn zondig hart en van al mijn onreinheid, maar bij U is toch de Levensbron!’

Daar is het de Heere, met eerbied gesproken, nu precies om te doen; om zulke dode mensen te brengen bij Hem, bij de Levensbron. De Heere wil dat we Hem nodig zullen hebben, om uit Zijn volheid te ontvangen leven, om te leven.

Daarom sprak de Heere zo vlijmscherp tot de gemeente van Sardis over het dode in hun midden. Maar we willen nu in de tweede plaats stilstaan bij:

 

2. Het stervende in de gemeente van Sardis

 

Er waren in die gemeente ook nog mensen, kinderen van God, die er nog niet zo erg aan toe waren als degenen die dood waren. Het zag er echter slecht uit, want ze waren zo ziek - in geestelijk opzicht - dat het sterven zou worden als er niet snel wat gebeurde. Het scheelde niet veel, of ze zouden net zo worden als die mensen van wie de Heere gezegd had dat ze de naam hadden dat ze leefden, terwijl ze dood waren. Mag ik het zo eens zeggen: Ze waren op sterven na dood!

Aan deze mensen heeft de Heere de volgende boodschap: Zijt wakende, en versterk het overige dat sterven zou, want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. Er waren bij deze mensen wel werken ‘der bekering waardig’ aanwezig, maar ze werden niet vol gevonden voor God, ze werden afgekeurd!

 

De Heere heeft echter nog meer te zeggen tot deze mensen. Luistert u maar: Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt. Het is alsof de Heere zegt: ‘Ga eens terug naar het begin. Denk eens terug aan hoe het vroeger geweest is, toen er van die levende uitgangen waren. Toen waren er van die levende zuchten en van die levende klachten.’ De Heere zegt tot die gemeente: ‘Denk eens terug aan de tijd toen het allemaal zo levendig gesteld was. En schaamt u erover, dat het nu zo anders is geworden, dat het allemaal zo achteruitgegaan is.’

Het was in Sardis nog erger dan in Efeze. Van de gemeente van Efeze zei de Heere: Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten (Openb.2:4). In Sardis was het nog lager afgelopen.

 

Misschien is er iemand die nu bij zichzelf denkt: Ja, maar zo gáát het toch in het leven van Gods kinderen? Het gaat met Gods kinderen toch altijd achteruit?

Dat is wel waar, maar dan moet ik u toch wijzen op een groot onderscheid. Er is namelijk een heel groot verschil tussen ontdekking en verachtering in de genade! Tot op zekere hoogte lopen ze parallel. In beide gevallen komt men erachter wat een ellendig schepsel men is. In beide gevallen wordt men geconfronteerd met achteruitgang en tegenvallers. Toch is er een groot verschil tussen ontdekking en verachtering. Bij ontdekking nemen de werken niet af! Men neemt zichzelf wel steeds meer waar als ellendig, onwaardig en verdorven, maar de werken verminderen niet. Wanneer er sprake is van verachtering, dan verminderen de werken wel!

U voelt nu waarschijnlijk zelf wel aan, dat heel vaak het etiket van de ontdekking ergens opgeplakt wordt, terwijl er in feite sprake is van verachtering. Op die manier houdt menigeen zich op de been. Men geeft er een mooie naam aan en men verachtert steeds meer. O ja, er worden wel klachten geuit, maar het zijn dode klachten. Die klachten klinken vaak heel goed, maar meestal dienen ze alleen maar om de werkelijkheid te camoufleren.

 

Zo waren er in Sardis ook mensen die op sterven na dood waren. De Heere zegt tegen deze mensen: ‘U moet zich schamen! Gedenk hoe gij het ontvangen hebt, en bewaar het.’ Met dat ‘bewaren’ wordt niet bedoeld: goed wegstoppen, conserveren. Nee, zulk bewaren bedoelt de Heere niet. ‘Bewaar het’ wil zeggen: wees er mee bezig! Haal het tevoorschijn en let erop dat er geen bederf in komt. Zie erop toe dat er niet nog méér bederf in komt. Bewaar het! Pas er toch voor op dat het ontbindingsproces het kleine beetje dat er nog is, ook nog zal bederven!

 

En bekeer u! Misschien is er iemand die nu bij zichzelf denkt: bekeren, dat is toch geen mensenwerk, dat kun je zelf toch niet maken, daar heb je Gods Geest toch voor nodig? Dat is helemaal waar. Maar dat is nu juist de reden dat de Heere begon met te zeggen: Dit zegt Hij, Die de zeven Geesten Gods heeft. De Heere weet ook wel dat we Zijn Geest nodig hebben om ons te kunnen bekeren. De Heere weet dat zelfs veel beter dan wij. De vraag waar het om draait is echter deze: hebben wij de Heilige Geest nodig om ons te bekeren?

Als u dan zo goed weet dat God het geven moet, bindt dat u dan aan de troon der genade, met het gebed of God het geven wil? Gebruikt u wel zo ijverig de middelen, waardoor de Heere de bekering werken wil? Of hoort u bij degenen die zich er makkelijk vanaf maken door te zeggen: ‘De Heere moet het doen’?

Het is te vrezen dat velen deze belijdenis alleen maar gebruiken als een dooddoener, om des te rustiger door te kunnen gaan in hun eigenwillige levenskoers en in hun verharding tegen het Woord van God.

 

Gemeente, de Heere heeft de zeven Geesten Gods! Er is dus bij Hem een overvloed aan ‘Geest’, daar kunt u zeker van zijn! Die voorraad is onuitputtelijk voor geestelozen. Wee ons, als wij alleen maar zeggen: ‘De Heere moet het doen’, terwijl uit ons leven blijkt dat wij Hem niet oprecht nodig hebben, om uit Zijn volheid te ontvangen die Geest Die nodig is tot waarachtige bekering. De Heere Jezus heeft Zelf gezegd: ‘Zou God de Heilige Geest niet geven aan degenen die Hem daar om bidden?’ Daarom: bekeert u!

 

De Heere voegt er nog de waarschuwing aan toe dat, als ze niét waken en zich niét bekeren, Hij over hen zal komen als een dief, om dat kleine beetje wat ze nog hebben, ook nog af te nemen. Als een dief, dat betekent: wanneer je het niet verwacht. Als een dief, dat kan bijvoorbeeld betekenen: een plotseling sterfbed.

 

Wat een ernstig woord, gemeente, aan het adres van het stervende in Sardis. Maar we staan nu in de derde plaats nog stil bij:

 

3. Het goede in de gemeente van Sardis

 

Doch gij hebt enige weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben.

Wat zijn dat toch voor mensen geweest, van wie hier gezegd wordt dat ze hun klederen niet bevlekt hadden? Zijn dat volmaakte mensen geweest, mensen zonder zonden?

Nee, gemeente, dat kan niet, want zulke mensen bestaan niet. Nee, volmaakt zijn ze beslist niet geweest. Het zijn ook mensen geweest die bevlekt waren door hun zonden. Mensen die heel goed wisten dat ze hun klederen bevlekten en bevlekt hadden door hun wanbedrijven. Nee, ze waren van nature geen haar beter dan de andere mensen in Sardis.

Het grote verschil zat daarin, dat deze mensen met hun vlekken niet konden leven! Ze hadden de reiniging van hun vlekken zo hartelijk nodig. Ze konden het met dat bevlekte kleed niet uithouden. Ze konden met hun openstaande schuld niet gewoon verder leven. Ze hebben hun bevlekte kleed niet gewassen in hun tranen of in hun goede werken, maar ze hebben hun lange klederen wit gewassen in het bloed van het Lam!

 

Het moet bevindelijk geleerd worden, gemeente, dat de vlekken van ons leven niet weggewassen kunnen worden door onze boetetranen. Hoe meer we proberen om vlekkeloos voor God te leven, hoe meer we er achter zullen komen dat we er steeds meer vlekken bij krijgen. In die weg wordt het geleerd dat er maar één reinigingsmiddel is tegen de vlekken van de zonde, en dat is het dierbare bloed van Christus. Dat bloed alleen reinigt van alle zonden.

 

Deze mensen in Sardis hebben dicht bij de Fontein geleefd, Die geopend is tegen de zonde en tegen de onreinheid. Ze konden niet leven uit hun bekering van - zeg maar - twintig jaar geleden. Er zijn mensen die dat blijkbaar wel kunnen. Deze mensen in Sardis hadden niet genoeg aan een zogenaamde eerste bekering, maar ze hadden een dagelijkse bekering nodig. Ze hadden de reiniging van de smetten, die ze iedere dag opnieuw opliepen, dagelijks nodig.

 

Toch staat er heel nadrukkelijk dat ze hun klederen niet bevlekt hadden. Het zegt ons iets over het levenspatroon van deze mensen. We zouden het zo kunnen zeggen: deze mensen bewaarden een heilig isolement. Ze onderscheidden zich daarin van andere mensen, ook van sommige van Gods kinderen. Ze hielden zich ver van bepaalde risicogebieden.

Want het is een groot verschil, gemeente, of we bijvoorbeeld per ongeluk bespat worden door een voorbijgaande auto die door een plas rijdt, of dat we bij een modderpoel gaan spelen. Is dit voorbeeld u duidelijk? Het verschil is hemelsbreed, of we zo ver mogelijk bij de gelegenheden van de zonde vandaan blijven, of dat we het zo nauw niet nemen.

Weet u wat altijd weer één van de gevolgen is van verachtering in de genade? Dan nemen we het niet meer zo nauw. Dan leven we niet meer zo voorzichtig; dan kan er zoveel bij door, wat er niet bij door zou mogen. Maar als het geestelijk leven teer is, dan ligt dat héél anders! Dan zijn we o zo voorzichtig. Dan blijven we zo ver mogelijk uit de buurt van de besmettingshaarden van de zonde.

 

Zo was het nu ook met die ‘enige weinige namen’ in de gemeente van Sardis. Die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn.

In de grondtekst staat er voor het woord ‘wit’ eigenlijk: glanzend wit. Er is nogal wat verschil in wit, nietwaar? Er is gebroken wit, het wit kan dof zijn, maar het kan ook helder glanzend wit zijn. Welnu, hier in onze tekst is sprake van glanzend wit. Het is hetzelfde wit dat gezien werd toen de Heere Jezus op de berg der verheerlijking was. Het wit van de overwinning! Wit is het symbool van de overwinning. De triomferende Kerk zal bekleed zijn met glanzend witte klederen.’

Zolang Gods kinderen nog aan deze zijde van het graf zijn, is het nog niet glanzend wit. Al is ons kleed dan gereinigd, het blijft hier toch altijd ‘werkplunje’. Maar na dit leven krijgen ze het feestkleed. Het wit is niet alleen het symbool van de reinheid en de overwinning, maar ook van het feest.

 

Zij zullen met Mij wandelen in witte klederen, overmits zij het waardig zijn. Nu moeten u niet denken, gemeente, dat deze mensen van zichzelf dachten of zeiden dat ze het waardig waren, zoals dat het geval is bij een farizeeër. Nee, zo was het hier niet. Deze mensen zullen elke avond wel gesmeekt hebben: ‘O God, wees mij zondaar genadig. Ik ben het niet waardig dat U onder mijn dak zoudt inkomen.’ Denk maar niet dat deze mensen van zichzelf dachten dat ze op zo’n hoog niveau stonden. Maar de Heere zei dat ze het waardig waren.

Al degenen die hun klederen wassen in het bloed van het Lam, zullen met Hem wandelen in witte klederen. Dat zijn zij die zich gedurig oefenen om zichzelf onbesmet te bewaren van de wereld. De Heere zal die hemelse glans op hen leggen.

Zij zullen met Mij wandelen. Dat betekent dat ze dicht in de buurt van de Heere zullen zijn. Ze zullen altijd met de Heere wezen!

Van dat heil heeft ook de dichter gezongen in Psalm 68 vers 7 en laten we met hem instemmen:

 

Gelijk een duif, door ‘t zilverwit,
En ’t goud dat op haar veed’ren zit,
Bij ‘t licht der zonnestralen
Ver boven and’re voog’len pronkt,
Zult gij, door ‘t Godd'lijk oog belonkt,
Weer met uw schoonheid pralen.
Wanneer Gods onweerstaanb’re hand
De vorsten uit het ganse land
Verstrooid had en verdreven,
Ontving zijn erfdeel eed’ler schoon,
Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon’,
Aan Salmon ooit kon geven.

 

Gemeente, wat denkt u, zou het stil geweest zijn in de gemeente van Sardis toen die brief werd voorgelezen? Zou het stil geweest zijn toen er een brief uit de hemel kwam met zo’n inhoud?

Het grootste deel van de gemeente was dood. Een kleiner deel was stervende, en een nog kleiner deel (enige weinige namen) was echt levend. Dus: in deze brief werd een scheidslijn getrokken. Geen scheidslijn tussen de kerk en de wereld, maar dwars door de kerk heen. Deze brief trok zelfs een scheidslijn tussen Gods kinderen! Er waren er maar weinig die hun klederen niet bevlekt hadden. Velen hadden hun klederen wel bevlekt.

 

Wat is de brief aan de gemeente van Sardis ontzettend scherp! Als de Heere eens een brief aan onze gemeente zou schrijven, zou die brief dan beter uitvallen als de brief aan de gemeente van Sardis? Staat het er bij ons beter voor? Ik weet het niet, maar de Heere weet het wel. Het kan er aan de buitenkant zo mooi uitzien; een mooi kerkgebouw, een volle kerk, het verenigingsleven bloeit, de gemeente groeit en vult u het zelf verder maar in. Uitwendig staat het er zo slecht nog niet bij. Maar hoe staat het er inwendig bij? Aan de vorm mankeert het niet, maar hoe staat het met het wezen? Dekt de vlag de lading wel? Hoe het in werkelijkheid is, dat weet de Hartenkenner en de Nierenproever.

Hebt u ook gebeefd bij het horen van dat woord: ‘Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood’? Hebt u gebeefd en gezegd: ‘Heere, dat is nu mijn beeld. Ik heb de naam dat ik leef, maar ik ben dood. De buren denken: wat een keurig godsdienstig mens. De mensen denken: wat een vroom mens. Maar Heere, U weet hoe het er werkelijk bij staat. Ik heb de naam dat ik leef, omdat ik bij die ‘zware’ kerk hoor, maar Heere, U weet hoe ‘licht’ ik eigenlijk ben.’ Gewogen in de weegschaal van het heiligdom des Heeren, en te licht bevonden…

Gemeente, heeft uw dode toestand ooit uw nood voor God uitgemaakt? Heeft de wetenschap dat u midden in de dood ligt, u ooit doen kermen tot God? Als dat bij u niet zo is, dan bent u... morsdood! Dan is er nog nooit één greintje waarachtig geestelijk leven in uw ziel geweest.

Het komt regelmatig voor dat mensen tegen ons zeggen: ‘Ik ben onbekeerd.’ Weet de Heere het ook, dat u onbekeerd bent? Daar bedoel ik dit mee: loopt u de Heere als een waterstroom aan? Legt u Hem de nood van uw onbekeerde leven steeds voor? Is het uw gedurig gebed: ‘Heere, ik kan mezelf niet levend maken, ik ben zo’n ellendig mens, zo’n schuldig mens, vol van allerlei zonden en gebreken, maar bij U, Heere, is de Levensbron’?

Voor zulke kenners om leven aan hun ziel, heb ik een blijde boodschap! Een blijde boodschap uit het evangelie des Heeren, waarin Hij zulke mensen toeroept:

 

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,

Mild en overvloedig!

 

Blijf dan maar smeken en bedelen: ‘Gun leven aan mijn ziel.’ Niet ophouden, maar aanhouden, tijdig en ontijdig. Zeg het maar eerlijk tegen de Heere: ‘Ik lig midden in de dood, maar U hebt gezegd dat U de zeven Geesten Gods hebt. Heere, Uw Woord zegt het toch?’

Gemeente, u kunt er zeker van zijn dat die Levensbron nog net zo vol is, als hij ooit geweest is. Al kwam de hele wereld om te putten uit die Levensbron, dan is er nog genoeg! U hoeft dus niet bang te zijn dat er voor u niet genoeg zou zijn.

Ook het feit dat u niets heeft om te betalen, moet u niet ontmoedigen. De Heere biedt het leven aan, zonder prijs en zonder geld. ‘Doe uw mond maar wijd open, en Ik zal hem vervullen’, spreekt de Heere. Wie zijn mond het wijdst open doet - als een smekeling - die krijgt het meest!

 

Er waren weinige namen in Sardis die hun klederen niet bevlekt hadden. Wie van ons zou zich bij die weinigen durven rekenen? Zou u dat aandurven? Ik denk dat zelfs de allerheiligsten van Gods kinderen zich daar niet zomaar bij durven te rekenen. De allerheiligsten moeten tot hun verdriet vaststellen dat zij zich iedere dag en elk uur bevlekken. Ze worden iedere keer weer bevlekt door de zonde, die hen altijd aankleeft. Ze leven in een zondige wereld en ze dragen hun zondige karakter met zich mee.

Toch is er een volk dat niet van zichzelf zegt dat ze hun klederen niet bevlekken, maar van wie de Heere het zegt! De Heere weet dat ze met die vlekken niet kunnen leven, dat ze zo hartelijk begeren de reinigmaking van hun ongerechtigheden te mogen ervaren. Ze oefenen zich ook gedurig om een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen.

Ze zijn ook nog aan het oefenen; volleerd zijn ze nog niet. Ze staan nog maar aan het begin van de oefenschool, maar ze oefenen! In afhankelijkheid van de Heere oefenen ze, om in alle oprechtheid te mogen wandelen voor God en voor de mensen; om zichzelf onbevlekt te bewaren in deze wereld.

Ze komen uit de grote verdrukking, zo lezen we in Openbaring 7. Dat wijst op de hevige strijd die ze in dit leven moeten voeren tegen satan, wereld en eigen vlees. Ze leven wel niet in volmaaktheid voor God, maar wel in oprechtheid!

Weet u waar u ze aan kunt herkennen, die in oprechtheid voor Hem leven? Ze wensen niets te verbergen voor God. Het is dan ook hun gedurige belijdenis: ‘Ik verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden, maar ik beleed, na ernstig overleg, mijn boze daân.’ Het is de hartelijke bede van allen die in oprechtheid voor Hem leven:

 

Laat U mijn tong en mond,

En ‘s harten diepsten grond,

Toch welbehaag’lijk wezen.

 

En gemeente, de Heere zal hun in nood het goede niet onthouden, zelfs niet in de dood, die in oprechtheid voor Hem leven. Ze zullen met de Heere wandelen in witte klederen, omdat ze het waardig zijn. Dat wil zeggen: God keurt hun dat waardig!

O, zegt misschien zo’n ziel: ‘Kon ik dat maar eens bekijken, kon ik dat eens geloven.’ Ach, als je het bekijken kunt, dan hoef je het niet meer te geloven, want het geloof is het bewijs van de zaken die men niet ziet. God heeft het beloofd: Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien (Ps.126:5).

 

Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen. Glanzend wit! En Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.

 

Die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 119:88

 

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond
Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;
Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ‘t rond,
Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren;
Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;
Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Een zaaier ging uit…’ (deel 15)