Ds. J.M. Kleppe - Openbaring 3 : 20

De roepende stem van de kloppende Heiland

Zijn indringende liefde betoond aan de deur van het hart
Zijn heilrijke belofte

Openbaring 3 : 20

Openbaring 3
20
Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 108: 1
Lezen : Openbaring 3: 7-22
Zingen : Psalm 25: 1, 3
Zingen : Psalm 119: 45, 47
Zingen : Psalm 89: 7

De tekst die wij met u willen overdenken, kunt u vinden in het hoofdstuk dat u voorgelezen werd, Openbaring 3, en daarvan het twintigste vers:

 

Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.

 

Wij luisteren in deze woorden naar: De roepende stem van de kloppende Heiland.

 

We hebben twee gedachten:

1. Zijn indringende liefde betoond aan de deur van het hart

2. Zijn heilrijke belofte

 

1. Zijn indringende liefde betoond aan de deur van het hart

 

Geliefde toehoorders, onze tekst begint met de woorden: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop.

De eerste vraag die we stellen is: tot wie zegt de verheerlijkte en verhoogde Middelaar deze aangrijpende woorden? Richt Hij ze tot een verstokte zondaar, die zijn ziel voor de Heere en Zijn gemeenschap heeft toegesloten? Een mens die zich geheel heeft verhard?

Oppervlakkig beschouwd zou dit vermoeden kunnen rijzen.

Of spreekt de Heere hier misschien tot mensen die voor het eerst van Hem horen? Tot zondaren die Hij in Zijn goddelijk ontfermen roept en liefelijk nodigt om tot Zijn zalige rust te komen?

Gemeente, geen van beide is hier het geval. Deze boodschap, die zo vol van ontfermen is, lezen wij in de brief die de apostel Johannes op Patmos moet schrijven aan de gemeente van Laodicea. De Heere klopt hier dus aan de deur van Zijn eigen gemeente.

 

‘Hoe is dat nu toch mogelijk?’, vragen we ons af. Moet Christus aan de deur van Zijn eigen huis staan om Zijn gemeente te vragen om binnengelaten te worden? Het antwoord op deze vraag is te vinden in de beschrijving van de gemeente aan wie deze brief geschreven is.

 

Wanneer we de gemeente van Laodicea wat nader beschouwen, valt ons op het eerste gezicht niets op wat ons zou moeten verontrusten. Het tegendeel is zelfs het geval. We zien juist veel wat tot dankbaarheid moet strekken. De uitwendige omstandigheden zijn voor deze gemeente uitermate gunstig. Ze leeft in een stad die zich baadt in ongekende weelde en die nagenoeg geen armoede kent. Laodicea ligt aan de rivier de Lycus in de nabijheid van het bekende Kolosse en geniet alle voordelen die de welvarende en bloeiende landstreek biedt.

Van alle kanten stromen de schatten toe. De vruchtbare bodem schenkt jaar op jaar weelderige oogsten, en de talrijke kudden die er grazen leveren de inwoners een rijk gewin. De drukke handel vermeerdert de welvaart.

De burgers zijn zo rijk dat als in het jaar 61 na Christus een aardbeving de stad verwoest, ze uit eigen middelen, zonder enige hulp van buiten, uit de puinhopen weer een nieuwe stad kunnen opbouwen.

In deze aardse voorspoed delen ook de leden van de gemeente van Laodicea. De gelovigen  behoeven niet, zoals in de andere christelijke kerken van die dagen, de last van allerlei aardse zorgen te dragen. Armoede is hen ten enenmale vreemd. Het gaat hen dus wat het tijdelijke betreft voorspoedig. De Heere bespaart hun bovendien de bange noden van vervolging; de smeltkroes der verdrukking kennen zij niet.

 

Gemeente, jongens en meisjes, wat mag de Heere nu van zo’n gemeente verwachten? Wat moet het antwoord zijn van de gemeente van Laodicea op zoveel zegen en op zoveel weldaden?

Toch wel minstens dat zij zou uitblinken in ootmoed en godzaligheid en zou zeggen: ‘O God, waarmee zullen we U tegenkomen en hoe zullen we ons buigen voor U, de hoge en eeuwige God?’

Maar zo is het nu juist niet…  Want de Heere moet zeggen wat we nu overdenken: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop.

De Heere moet kloppen aan deuren die voor Hem hermetisch toegesloten zijn. Want ondanks alle uitwendige schijn en schoonheid, deugt het innerlijke van deze gemeente niet. De aardse welvaart heeft het eeuwige en het hemelse helemaal naar de achtergrond gedrongen.

Er is niets waarvoor Hij haar prijzen kan. Integendeel, er is zoveel waarom Hij Zijn gemeente moet bestraffen. We lezen het zomaar in die paar woorden in de verzen 15 en 16: Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet! Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen.

 

Maar het kwaad is nóg groter! Niet alleen is de gemeente van Laodicea lauw en lusteloos, maar die lauwheid gaat gepaard met een verschrikkelijke zelfvoldaanheid. Zij ziet haar eigen geestelijke nood niet eens; haar ogen zijn gesloten voor haar werkelijke inwendige armoede. Terwijl ze innerlijk zo aangrijpend jammerlijk, leeg en diep ellendig is, roemt ze nog in haar geestelijke rijkdom, zodat het verwijt van Christus moet klinken: Gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geen ding gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt (Openb.3:17).

 

Gemeente, jongens en meisjes, wat gebeurt er nu met deze lauwe gemeente? Laat de Heere haar aan haar lot over? Gaat Hij de deuren die voor Hem toegeworpen zijn voorbij? Eindigt deze aangrijpende brief met de terechte bedreiging: Ik zal u uit Mijn mond spuwen? We moeten toch toegeven dat de gelovigen van Laodicea dat toch zeker verdienen?

Maar de Heere doet juist het tegendeel. Hij buigt Zich in goddelijke liefde en vol ontfermen tot Zijn ingezonken gemeente neer en richt Zich tot hen met het beeld van een koopman. Een hemelse Koopman…

We lezen dat Hij in vers 18 in liefde aandringt: ‘Koop van Mij goud dat beproefd is, en u die arm bent, laat u door Mij werkelijk rijk maken. Bent u naakt? Laat u door Mij kleden met witte, reine gewaden. Bent u blind? Zalf uw ogen met ogenzalf.’

 

In het twintigste vers dringt Hij met een hemelse raad verder aan: ‘Zie, Ik, de grote en eeuwige, majesteitelijke God, Ik sta aan de deur en Ik klop.’ De verheerlijkte Christus, Die met eer en heerlijkheid gekroond aan de rechterhand van de Vader zit, zegt dit. Hij vergelijkt Zichzelf met iemand die een zware klopper laat vallen op de massieve deur van een oosters huis. Hij wacht om binnengelaten te worden.

 

Gemeente, Hij vraagt ook uw bijzondere aandacht. Hij doet dat in onze tekst met het kleine en ogenschijnlijk onbetekenende woordje: Zie. Dat woordje wordt in de Bijbel altijd gebruikt om bepaalde hoogtepunten en aangrijpende zaken aan te kondigen.

Johannes de Doper deed dat bijvoorbeeld toen Hij de Christus aanwees. Hij zei toen: Zie, het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegneemt (Joh.1:29). Christus sprak eens over Judas: Zie, hij is nabij die Mij verraadt (Matth.26:46). En in het derde hoofdstuk van het boek Openbaring spreekt de Heere: Zie, Ik kom haastelijk (Openb.3:11).

Met dat kleine woordje ‘zie’ vraagt de Heere dus de aandacht van de Laodicenzen: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop.

 

In deze woorden ligt ook een ernstige waarschuwing! Een waarschuwing dat het eindgericht voor de deur staat, zodat er haast geboden is. Want we beluisteren door de gehele wereldgeschiedenis heen het ruisen van de naderende voetstappen van Christus. We horen ze in de oordelen en de gerichten die in de loop der eeuwen over de mensheid gegaan zijn. De voetstappen van de grote Koning komen al nader en nader.

Bij de oude profeten klonken ze nog van verre. Daar was het: Zie, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren (Jes.7:14). Maar bij de komst van Christus in deze wereld zijn ze naderbij gekomen en gaat het op het grote eindgericht aan. En thans, gemeente, is het naar het woord van Johannes de laatste ure. Kinderkens, Zijn komst is nabij! Ziet, Hij komt op de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben (Openb.1:7).

 

Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop. Wat een gadeloze liefde, wat een ontferming spreekt er uit Zijn staan en uit Zijn kloppen!

Het is een bewijs van Zijn innige genegenheid om vuile zondaren te behouden, mensen zoals wij zijn, verloren adamszonen en –dochters, en ze te redden van het eeuwige verderf! Het is een prediking dat Hij geen lust heeft in de dood van de goddelozen, maar daarin dat zondaren zich bekeren en leven! Het is een bewijs van Zijn peilloze barmhartigheid, om uit eenzijdig ontfermen dode zondaren levend te maken, reddelozen te redden en verlorenen eeuwig te behouden. Een bewijs van Zijn eindeloze lankmoedigheid en van Zijn taai geduld.

Maar hoor,  gemeente, luister, jongens en meisjes, let er toch op hoe Hij bitter klaagt en hoe Hij veroordelen moet. Want dat Christus aan de deur staat, en dat Hij aan de poort moet kloppen, zegt dat die toegang voor Hem gesloten is. Die deur is dicht!

Daarin ligt nu ons aller beeld; want ook wij geven van nature tot onze diepe schande de Heere geen plaats in ons hart, noch in ons leven. In ons hart is overal plaats voor, maar voor Hem Die ons gemaakt heeft, is niet de minste ruimte. Of hoogstens de allerlaatste plaats.

De mens, wiens ziel door God geschapen is tot Zijn tempel en woonstede, heeft zijn hart voor de Heere toegesloten. Want in het paradijs hebben wij reeds uitgeroepen: Wij willen niet dat deze Koning over ons zijn zou (Luk.19:14).

 

Onze jongeren en kinderen begrijpen wel dat alles in ons tekstwoord beeldspraak is. Als hier gesproken wordt over een deur, dan moeten we denken aan de deur van ons hart.

Want zoals ons huis een deur heeft om te openen voor onze vrienden en gesloten te houden voor onze vijanden, zo is het ook met de deur van ons hart.

Door onze rampzalige afval van God in het paradijs, zijn we zo verblind en is ons verstand zo verduisterd, dat wij alle ware Godskennis zijn kwijtgeraakt. Wie en wat wij zijn zegt de apostel Paulus in de brief aan de Efeziërs:  Verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods (Ef.4:18). Dit is ons natuurlijke bestaan voor God.

 

Maar dan staat hier het woord: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop.

Gemeente, jongens, meisjes, als een goede vriend, een lieve vriendin of bijvoorbeeld een voornaam iemand aan onze voordeur staat en aanbelt, haasten we ons om zo snel mogelijk open te doen. Want het zou toch in strijd zijn met alle beleefdheidsnormen en de liefde, om zo iemand te laten wachten?

Maar nu staat hier niet een mens, maar Gods eigen Zoon, de Koning der koningen, de Heere der heren, de Amen, de getrouwe Getuige van God, en Hij vraagt, jongens en meisjes, om binnengelaten te worden. Hij vraagt een plaatsje in ons vuile hart.

O, ons hart zou hieronder moeten breken! Want het behoort toch geheel anders te zijn: wíj moeten kloppen, wíj moeten als een arme smekeling zuchten en bidden aan de poort van Zijn paleis, aan de deur van vrije genade. Wij behoren te zuchten: ‘Zo Gij, Heere, in het recht wilt treden en gadeslaan onze ongerechtigheden, ach, wie zal dan bestaan?’

In onze tekst is het nu juist andersom. Híj klopt!

 

Hij klopt niet alleen, maar Hij spreekt ook. Hij zegt: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop.

De Griekse werkwoordsvorm betekent eigenlijk: Ik heb hier al geruime tijd gestaan, Ik sta hier al zo lang.      

De Heere is dus niet na Zijn eerste klop en Zijn eerste roepstem zomaar voorbijgegaan. Nee, als we het heel letterlijk uit het Grieks vertalen, dan staat er: ‘Staande sta Ik.’

Daar moet u eens over nadenken. Staande sta Ik aan de deur...

Hij staat er al zo lang. Hij staat er al weken. Hij staat er al maanden. Misschien staat Hij bij u al jaren te kloppen en te roepen.

De lauwheid, de onbewogenheid en de onbekeerlijkheid van de gemeente van Laodicea duurt voort en is een schandelijke zonde. Diezelfde Heiland, diezelfde roepende en kloppende Zaligmaker, zal daarom straks na lang en taai geduld, hun goddelijke Rechter worden. Dan zal Hij hen uit Zijn mond spuwen. Dan zal het klinken: Ziet, de Rechter staat voor de deur! (Jak.5:9)

 

Gemeente, jongens en meisjes, dat scherpe verwijt van de Heere is niet alleen van toepassing op de gemeente van Laodicea, maar ook op ons.

Laat ieder het eens in zijn eigen leven nagaan. Wanneer klopt Hij aan de deur van ons hart, en blijven die deuren van onze ziel voor Hem gesloten?

Ik zal u enkele voorbeelden noemen. Weet u wanneer? Wanneer wij neerzitten in onze lauwheid, in dodelijke gerustheid, of in valse lijdelijkheid. In onze aardsgezindheid; de wereld wat en God wat.

Wanneer wij onze armoede versieren en bedekken onder een schijn van geestelijke rijkdom. Wanneer we onze karakterzonden, onze boezemzonden koesteren en goedpraten. Wanneer we vasthouden aan de genoegens van deze wereld en de afgoden van deze tijd. Wanneer we de stem van ons geweten steeds maar weer tot zwijgen brengen.

Hoe lang heeft de Heere reeds vergeefs aan uw deur, aan jullie deur geklopt?

Ga dat eens na. Hoe lang al hebt u uzelf kunnen handhaven in moedwillige verharding, in verwerping van Hem Die aan de deur van uw hart klopt en Die ook op dit moment zegt: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop?

 

Wat doet deze kloppende Zaligmaker nu met die gesloten deuren? O, rechtvaardig kan Hij Laodicea, en rechtvaardig kan Hij ook ons voorbijgaan; ons als Sodom en Gomorra het eeuwige oordeel aanzeggen. Maar dat doet deze goedertieren Koning niet.

Hij blijft staan. Hij blijft kloppen. Hij doet zelfs nog meer; want Hij maakt Zich eeuwig vrij. Al krijgt Hij geen gehoor, Hij laat Zijn stem horen. Zolang het het heden der genade is, roept Hij en blijft Hij staan aan de deur van ons hart. Och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk.19:42)

 

Dat brengt ons bij onze tweede gedachte:

 

2. Zijn heilrijke belofte

 

Jongens en meisjes, op allerlei wijzen en momenten klopt en roept de Heere in jullie leven. Hij klopt als we een lange tijd op een ziekbed liggen, als ons een ernstig of minder ernstig ongeval overkomt. Hij klopt als we snikkend van verdriet op het kerkhof bij een open graf van vader of van moeder staan. Als we aan het ziekbed of zelfs sterfbed staan van onze beminde man of vrouw. Hij klopt als we bij het graf van een dierbaar kind staan.  

Hij klopt bij het dragen van een smartelijk kruis in ons leven en bij allerhande bittere tegenspoed en wegen van beproeving.

Maar heel in het bijzonder klopt Hij in de weg van Zijn goedertierenheden. De apostel zegt: Veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid, en verdraagzaamheid, en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekering leidt? (Rom.2:4)

Denk er toch ernstig over na. Hij klopt met iedere prediking die we reeds van jongs af hoorden. Het is daarom een teder kloppen. Het is een liefdevol kloppen. Het is kloppen, jonge mensen, wanneer Hij zegt: ‘Mijn zoon, Mijn dochter, jongen, meisje, Ik wil je hart hebben! Geef Mij uw hart! (Spr.23:26)’

Ja, Zijn kloppen is als een geweldig bonzen geworden waarmee Hij tot in hoge ouderdom, tot in de avond van ons leven Zijn stem laat horen.

 

Hij klopt. Maar eens zal Hij voorbijgaan!

Voor de één, kinderen, is dat op jonge leeftijd. Ik heb vaak gestaan aan de graven van jonge mensen en ook aan het kindergraf. Voor de één is op jonge leeftijd de tijd voorbij, voor de ander wellicht in goede ouderdom. Maar onze genadetijd is dan voorbij. Voor eeuwig voorbij! Onherroepelijk voorbij!

Dan zal Hij voor eeuwig Zijn deur voor ons sluiten en zeggen: Ik ken u niet, van waar gij zijt (Luk.13:27).

Drie jaar lang heeft de Heere Jezus geklopt aan de poort van Jeruzalem en heeft Hij geroepen: Hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder haar vleugels; en gijlieden hebt niet gewild (Matth.23:37).

En daarom zegt Hij:

 

Zo Gij Mijn stem dan heden hoort,

gelooft Mijn heil- en troostrijk Woord,

verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Maar in onze tekst zegt de Heere nog meer: Indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen.  

Indien iemand… Er staat hier geen woord teveel, er staat hier geen woord vergeefs.

Indien iemand… Dat wil in de eerste plaats zeggen dat zalig worden zo’n persoonlijke zaak is, zo’n persoonlijke worsteling. Het is geen erfgoed! Vader en moeder kunnen zijn opgenomen tot de Heere in de hemel, maar wij kunnen er geen staat op maken dat wij daar ook eens zullen zijn.

Indien iemand Mijn stem zal horen… Dit klinkt als een voorwaarde. Misschien rijst nu de vraag: ‘Ligt de zaligheid dan in onze hand? Ligt de zaligheid verankerd in de vrije wil van de mens?’

Natuurlijk bent u het met mij eens dat dit onmogelijk is. Dit leert het remonstrantisme. De Heere is immers niet afhankelijk van de bereidwilligheid van de mens. Gods kinderen leren het op de school van vrije genade: ‘Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen!’

Hij leert bovendien Zijn kinderen bij de voortduur bidden: Trek mij, wij zullen U nalopen! (Hoogl.1:4) Voor Gods kinderen is en blijft dat eenzijdig ontfermen een onbevattelijk wonder.

 

Gemeente, jonge mensen, lees het thuis, als je een Statenbijbel met kanttekeningen hebt, nog eens na. Onze door God geleerde kanttekenaren hebben terecht bij deze tekstwoorden het volgende gezegd: ‘Dit wordt niet gesteld in de vrije wil van de mens, maar deze vermaning is een middel waardoor Christus de deur van onze harten opent, dewijl Hij hier spreekt tot leden van Zijn gemeente, waarvan velen reeds de Geest van Christus deelachtig waren. Want niemand komt tot Christus dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die de Vader trekt en die het van de Vader gegeven is. Zodat niemand voor Christus’ vermaningen zijn hart opendoet, dan die God Zelf het hart eerst opent om op Zijn Woord acht te nemen.’

Over dit openen van het hart lezen we in Handelingen 16, waar over Lydia staat: Welker hart de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd (Hand.16:14).

 

Het werk van de bekering wordt dus in de tekst die we overdenken niet bezien van Gods zijde, maar van de zijde van de mens. Van onze zijde hebben wij, door onze diepe afval van God, ons hart afgegrendeld. En denk er vooral aan dat die grendels van onze vijandschap tegen God, van onze zorgeloosheid, onze zondelust en wereldzin, aan de binnenkant van ons hart zitten!

De Heere spreekt en klopt nu in onze tekst, opdat we daardoor in de knel zouden komen, opdat we daardoor zouden leren zuchten en smeken: ‘O God, door eigen schuld ben ik zo onwillig, zo onmachtig geworden! Heere, opent U toch Zélf de deur van mijn harde hart en neem dan Zélf bezit van mijn leven!’

Daar brengt de Heere tenslotte al Zijn kinderen. Onze onmacht wordt dan een schúldige onmacht, en onze onwil een schuldige onwil. Maar dan vervult de Heere Zelf de voorwaarde die Hij stelt: Indien iemand Mijn stem zal horen… Hij schuift Zelf door Zijn Heilige Geest alle grendels weg. Hij doet ons zó laag buigen voor Hem, dat we tenslotte aan Zijn voeten schreien en zuchten: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal? (Hand.9:6).

 

Wij zingen nu eerst uit Psalm 119 de verzen 45 en 47:

 

O Heer’, Uw woord bestaat in eeuwigheid,
Daar ‘t hemelheir zich schikt naar Uw bevelen;
In Uwe trouw, zo gunstig toegezeid,
Zal elk geslacht, ja ‘t eind der eeuwen delen;
Deez’ aard’ is hecht door Uwe hand bereid;
Haar stand blijft vast, al wiss’len haar tonelen.

 

‘k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,
Want ik ontving door Uw bevelen ‘t leven.
‘k Ben d’ Uwe, Heer’; geleid mij ongestoord;
Behoud mij toch, naar ‘t woord aan mij gegeven;
Ik heb met lust Uw wetten nagespoord,
En die gezocht, door Uwe Geest gedreven.

 

In onze tekst staat: Indien iemand Mijn stem zal horen… Dit horen is iets heel anders dan het horen met ons lichamelijk oor. Het is ook veel meer dan met enige aandacht en  belangstelling luisteren naar de stem van de Heere, want Hij zegt: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve (Joh.10:27).

Het woordje ‘horen’ heeft dus de betekenis van: gehoorzamen. We mogen het ook lezen als het neigen van ons hart, zoals de Heere bij monde van Jesaja zegt: Hoort en uw ziel zal leven (Jes. 55:3). Zo ligt het in onze tekst met het horen; het is een zich volkomen, geheel en onvoorwaardelijk, met lichaam en ziel onderwerpen aan Hem.

Gemeente, jongens en meisjes, denk eraan dat dit wel strijd kost! Laten we daar niet te oppervlakkig en te gering over denken. Het is een strijd op leven en dood. Het is een dagelijkse strijd tussen vlees en Geest; want op al de terreinen van wereld en zonde klinken stemmen die onze aandacht vragen.

In de eerste plaats is daar de satan. We ontmoeten hem iedere dag. Hij roept en trekt. Daarbij lokt de wereld en staat ons hart aan allerhande verleiding bloot.

Ik denk dat ons hart de grootste boosdoener is. Ons eigen hart heeft een stem. O, er klinken, ook zelfs in onze woning, wat stemmen. Denk bijvoorbeeld aan allerlei media. We luisteren en kijken ernaar, en weest u eens eerlijk, voor de Heere is er dan geen plaats. Daarom zegt Hij:

 

Zo Gij Mijn stem dan heden hoort,

gelooft Mijn heil- en troostrijk Woord,

verhardt u niet, maar laat u leiden.

 

Maar wanneer Hij met een goddelijk volmacht gebiedt: Ik moet heden in uw huis blijven (Luk.19:5), wordt alles anders. Dan zien we onze schuld voor God. Door zaligmakende overtuiging houden we niets anders over dan schuld; één grote onbetaalde schuld.

Een schuld aan Gods wet, die we niet anders dan met voeten getreden hebben. Schuld aan het evangelie, waaraan we ons hele leven niet anders dan ongehoorzaam zijn geweest.

Er blijft dan een arm, nameloos ellendig zondaar over. Een goddeloze in zichzelf, iemand  die moet belijden de tijdelijke en eeuwige straf rechtvaardig te hebben verdiend.

Dan wordt ook tot schuld dat we nooit acht gegeven hebben op de vele roepstemmen en die talloze liefdevolle waarschuwingen die gedurende ons leven tot ons kwamen. Het wordt ons tot schuld dat we de Heere zo vaak hebben laten roepen, en dat we over onze indrukken heen hebben geleefd. We hebben Hem altijd buiten laten staan. Dagen, weken, maanden… zelfs jarenlang!

 

Maar wat mag dat schuldige hart dan ook vol verwondering en blijdschap opspringen, omdat de Heere gemeenschap zoekt met mensen als wij. Omdat Hij gemeenschap wil hebben met iemand die zichzelf leerde kennen als een zwarte zondaar. Hij is de Schoonste van de mensenkinderen; op Zijn lippen is genade uitgestort. Hij wil inkomen in de woning van zo’n vuile zondaar.

Voor dat vernieuwde hart komt de Heere met een dierbare belofte: Ik zal tot hem inkomen. In dat door God vernieuwde hart komt nu léven openbaar; een nieuw leven in ootmoed en in stille verwondering. Door de opening van de deur van ons hart voor de Heere en voor Zijn Woord, voor Zijn dienst en voor Zijn kinderen, wordt er een betrekking, een liefdesband in het hart gelegd.  

 

O, wat een onbegrijpelijke ontferming dat de Zoon van God wil inkomen in het hart van zo’n vuil adamskind! Zo iemand roept uit: ‘Hij is tot een zondig mens ingegaan om te herbergen!’ Hij heeft Zich willen vernederen om geboren te worden in een beestenstal. God uit God en Licht uit Licht. Hij koos het verachte Nazareth tot Zijn woonplaats.

Maar nog dieper wil Hij buigen als Hij woning maakt in uw hart. Hij maakt woning in een zondig mensenhart; in een moordspelonk, in een moordenaarskuil. Hij wil wonen in een zondegraf, maar Hij vult dat met liefde en troost, met Zijn vrede en wonderlijke rust.

Dan zingen we met de dichter van Psalm 147:

 

Hij heelt gebrokenen van harte

en Hij verbindt z’ in hunne smarte,

die in hun zonde en ellenden

tot Hem zich ter genezing wenden.

 

Hij kiest het hart van de geringe, het huis van een onwaardige tot Zijn woonplaats, om Zich door genade te verheerlijken.

Gemeente, jonge mensen, dit is zo’n groot wonder dat we met Mefiboseth uitroepen: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond, als ik ben? (2 Sam.9:8)

 

Tenslotte voegt de Heere er in onze tekst nog een tweede belofte bij: Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.

U begrijpt wel dat deze woorden niet in de eerste plaats betrekking hebben op het Heilig Avondmaal. Het Griekse woord voor ‘avondmaal’ heeft een andere betekenis. Het duidt op de gewone avondmaaltijd in het gezin. Dit was in het oosten, wanneer de hitte van de dag was afgenomen en het werk was verricht, een moment van rust en van onderlinge gemeenschap. Dan ontmoetten de gezinsleden elkaar rondom de maaltijd.

Het hoofd van het gezin, meestal de vader, nam dan het brood in de hand en terwijl hij het hoog ophief naar de hemel – hij liet het zo als het ware aan de Heere zien – sprak hij: ‘Geloofd zij de Heere, onze God, Koning der wereld, Die ons brood uit de aarde voortbrengt.’

 

De betekenis van deze beeldspraak is dat de Heere zo wil inkomen in het hart van Zijn kinderen. Er is voor hen een avondmaal. Na de hitte van de dagelijks doorworstelde geestelijke strijd. Na alle bange zielenworstelingen tegen de driehoofdige vijand; de duivel, de wereld en ons eigen boze bestaan. Na alle zware strijd waarin zij met hun gebeden, verbrokenheid, beweegoffers en beloften hebben geprobeerd hun hemelhoge schuld te voldoen, maar waarbij alles tekortschoot. Daarom is het zo opmerkelijk dat in onze tekst staat: Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.

We zien weer dat alles van Hem uitgaat. ‘Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen!’ De Heere zegt het door de mond van de apostel: Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh.15:16). En: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh.4:19).

Want o, als wij de gastheer waren, zeg het nu zelf, jongens en meisjes, wat zouden we Hem kunnen voorzetten? Tot onze diepe schaamte kunnen we Hem niets anders  aanbieden dan  onze schande, onze schuld, ons bederf, ons onreine hart, onze afmakingen en de vuilheid van ons zondig bestaan. Dan moeten we met Petrus zeggen: Heere, ga uit van mij; want ik ben een zondig mens (Luk.5:8).

 

Maar nu spreekt de Heere Jezus zo troostvol: Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij. Hij is de grote Uitdeler van de menigerlei genade Gods. Zijn vlees is waarlijk spijs en Zijn bloed is waarlijk drank.

Als onze liefde voorop moest gaan, zou Christus nimmer kunnen binnentreden, maar nu komt Hij eerst. Daarom zal Hij de aanbidding en de dankzegging ontvangen. Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed (Openb.5:9). En als Hij komt, dan brengt Hij ook alles mee. Gemeente, kennen we door genade iets van die innige gemeenschap met Hem?

 

Kinderen van God, Hij klopt ook bijzonder aan de deur van uw hart in dagen van geesteloosheid, in dagen van lauwheid, wanneer de hemel niet verkwikt en de hel niet verschrikt, wanneer u neerligt op het bed van zorgeloosheid en liefdeloosheid. Wanneer u met de bruid zegt: Ik heb mijn rok uitgetogen, zou ik hem weder aantrekken? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen? (Hoogl.5:3)

Dan klopt en roept Hij u, om u te herinneren aan de tijd van uw eerste liefde, aan dat tedere nauwe leven en de verborgen omgang met Hem. Dan klopt Hij zo teder en liefdevol aan de deur van uw hart. O, Hij staat daar misschien al geruime tijd en Hij dringt aan: Doe Mij open, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte, want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen (Hoogl.5:2).

Die dauw en die nachtdruppen spreken van de nacht van Zijn bitter lijden en sterven, toen Hij voor Zijn kinderen kroop in de hof van Gethsémané en zuchtte: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker van Mij voorbijgaan (Matth.26:39). Hij brengt de tekenen van Zijn middelaarsliefde mee en Hij roept ook op dit ogenblik: ‘Keer weder! Keer weder in de armen van Mijn liefde, want Ik heb u verlost. Al had gij met vele boeleerders geboeleerd, keer nochtans weder tot Mij!’

 

Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop.

Gemeente, jongens en meisjes, denk eraan, eenmaal zal Hij niet meer aan de deur van je hart staan. Dan zal Hij ook niet meer kloppen. Alle deuren zijn dan voor Hem eeuwig geopend of eeuwig gesloten. Want behalve die avondmaaltijd in onze tekst, is er ook de eeuwige verdoemenis…

Eens zal het geroep gehoord worden: De bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet! (Matth.25:6)

Dan zullen degenen die geen olie in de lampen hebben, beginnen buiten te staan. Beginnen te kloppen en te roepen: Heere, Heere, doe ons open! (Matth.25:11)

Maar dan is het te laat. Dan is het voor eeuwig te laat!

Maar Gods kinderen zullen doorgaan en ingaan door de geopende deur, tot het avondmaal des Lams. Daar zullen zij vreugde op vreugde bedrijven en huppelen van zielenvreugd.

 

Gemeente, nu is het de welaangename tijd, nu is het de dag der zaligheid!

 

Ik besluit nu met een lied uit ongeveer 1700:

 

Armzalige aard’, verblijf van leed en rampen,

waarmee wij hier zolang wij leven kampen,

wij zijn u moe, och wierden w’ eens ontslagen,

van ‘t zware juk, dat Gij ons hier doet dragen.

Verlos ons van dit kruis,

Heer’, haal ons spoedig thuis,

die hijgend naar U smachten;

Maar, neen, leer Gij ons stil,

Gelaten in Uw wil,

Met lijdzaamheid U wachten.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:7

 

Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort!
Zij wand’len, Heer’, in ‘t licht van ’t godd’lijk aanschijn voort;
Zij zullen in Uw naam zich al de dag verblijden;
Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ‘t lijden;
Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen,
Maar Uw gerechtigheid hen naar Uw woord verhogen.