Ds. D. Rietdijk - Zondag 24

Het bewijs van vrije genade

Bij ons geloof
Bij onze hoop
Bij onze liefde
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 149: 1, 3
Lezen : Mattheüs 20: 1-16
Zingen : Psalm 19: 3, 6
Zingen : Psalm 56: 4
Zingen : Psalm 130: 2

Gemeente, we willen met u overdenken Zondag 24 van onze Heidelbergse Catechismus. Daar lezen wij:

 

Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?

Antwoord: Daarom, dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

 

Vraag 63: Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?

Antwoord: Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

 

Vraag 64: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?

Antwoord: Neen zij; want het is onmogelijk dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

 

Gemeente, wij vinden in deze zondagsafdeling: Het bewijs van vrije genade.

 

En wij gaan dat bewijs zien:

1. Bij ons geloof

2. Bij onze hoop

3. Bij onze liefde

 

1. Bij ons geloof

 

Gemeente, in Lukas 7 lezen wij de geschiedenis van een zondares die in het huis van Simon de farizeeër komt. Simon de farizeeër had een maaltijd aangericht voor de Heere Jezus en voor Zijn discipelen. De tegenstelling tussen Christus en de farizeeërs was nog niet zo aangescherpt dat dat niet kon.

Terwijl Hij daar aanzit met de gasten, komt er een vrouw binnen, die een zondares is. We moeten dat ‘zondares’ niet opvatten in de algemene zin. Nee, het was een vrouw die in de gehele stad bekend was als een vrouw die een ergerlijk leven leidde, een vrouw met een slecht leven.

Ze komt daar binnen met een albasten fles met zalf. Als zij binnengekomen is, buigt ze zich over de voeten van de Heere Jezus en weent, zodat de voeten van de Heere Jezus worden natgemaakt door haar tranen. Deze vrouw droogt Zijn voeten af en zalft die voeten met zalf en kust de voeten van Christus.

Simon de farizeeër heeft dat gezien. Aan zijn gezicht is te zien dat hij zich ergert. Hij heeft bij zichzelf gezegd: ‘Als Deze nu echt een profeet was, dan had Hij wel geweten wat voor soort vrouw dit was. Hij zou dit dan beslist niet hebben toegelaten, want zij is een zondares. Zij is een vrouw met een slecht leven.’

                                                                                      

Maar de Heere kent de harten en weet wat daarin omgaat. Hij ziet ook onze gedachten. Je hoeft nooit te zeggen dat gedachten tolvrij zijn. Mensen zeggen dat: ‘Ach, gedachten zijn tolvrij.’ Dat is niet waar, want de Heere ziet ze.

 

Kijk maar naar Simon de farizeeër. Jezus weet precies wat er in zijn gedachten, in zijn hart, omgaat. Hij zegt: Simon, Ik heb u wat te zeggen. Simon zegt: Meester, zeg het! Dan gaat de Heere een gelijkenis vertellen.

Een schuldheer had twee schuldenaren. De één was hem vijftig penningen schuldig, de ander vijfhonderd penningen, dus tienmaal zoveel. Die heer laat de schuldenaren bij hem komen en scheldt deze schulden kwijt. Die ene van vijftig penningen raakt zijn schuld kwijt en die ander van vijfhonderd penningen raakt ook zijn schuld kwijt. Jezus zegt: ‘Simon, nu heb Ik een vraag aan u: wie van die twee zal hem nu het meest liefhebben?’

Ja, daar zit Simon. Want hij ziet allang waar het op aankomt. Dus Simon zegt: Ik acht… Dat wil zeggen: ‘Ik veronderstel…’ Hij houdt zich een beetje op de vlakte, dus hij zegt: ‘Ik acht, ik veronderstel, dat het die is, die het meeste vergeven is.’

 

Jezus zegt dan:

‘Ja Simon, dat is terecht; dat zie je goed. Die veel vergeven is, die heeft veel liefgehad. Zie je nu die vrouw hier, Simon? Daar moet je eens goed naar kijken. Ik ben hier bij u in huis gekomen en toen hebt u geen water genomen om Mijn voeten te wassen. Maar deze vrouw heeft Mijn voeten natgemaakt met haar tranen en heeft Mijn voeten afgedroogd met haar haar. U hebt Mij geen kus gegeven, toen Ik binnenkwam (dat was de bekende groet in het oosten, een vriendelijke groet, een welkomstgroet). U hebt Mij geen kus gegeven, maar deze vrouw heeft niet opgehouden Mijn voeten te kussen. En Simon, gij hebt Mijn hoofd niet gezalfd (dat was een gewoonte in het oosten; denk maar aan Psalm 23: Gij zalft mijn hoofd met olie). Simon, gij hebt Mijn hoofd niet gezalfd met olie, maar deze vrouw heeft wat anders gedaan. Zij heeft die albasten fles met zalf uitgegoten over Mijn voeten. En nu zeg Ik u, Simon: haar zonden zijn haar vergeven. Je zit dus wel in je hart te overwegen: als Hij nu werkelijk een Profeet was, dan zou Hij wel geweten hebben dat dat een zondares is. Maar haar zonden zijn haar vergeven, die veel waren, want zij heeft veel liefgehad.’

 

U moet dat niet verkeerd opvatten. Veel mensen vatten het zo op: ‘Wel, zij heeft veel liefgehad en daarom is haar veel vergeven.’ Maar dat bedoelt de Heere niet. Als Hij zegt: ‘Haar is veel vergeven, want ze heeft veel liefgehad’, dan bedoelt de Heere dit: dat haar liefde een vrucht, bewijs en teken was van de vergeving van haar zonden.

 

We komen bij de kern van Zondag 24: rechtvaardiging, kwijtschelding van de schuld en van de straf, om niet, alleen door de Heere Jezus Christus, alleen om Zijn werk. Daar doet niets van de mens in mee, zelfs het geloof niet, zo lazen wij in Zondag 23. Want het geloof is niet meer dan een instrument dat aanpakt wat gegeven wordt.

Goede werken doen ook niet mee. Dat zegt nu Zondag 24. Zij bloeien wel uit de vrijspraak op. Dat ziet u bij die vrouw. Zij heeft Zijn voeten gekust, Zijn voeten natgemaakt met haar tranen, zij heeft met die kostbare zalf Zijn voeten gezalfd. Die goede werken bloeien wel uit de vrijspraak op, maar zijn geen grond voor de vrijspraak. De goede werken doen totaal niet mee in het stuk van de rechtvaardiging.

 

Zondag 24 begint met de vraag:

‘Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?’

Na Zondag 23 geeft onze catechismus even de ruimte aan de tegensprekers. Het zijn roomse tegensprekers; mensen die een totaal andere visie hebben op de mens dan de Reformatie. Onze reformatoren hebben er niet tegenop gezien om de tegenstander, die fel kon zijn, ook de ruimte te geven om zijn tegenspraak te uiten. Zij hebben hier gezegd: ‘Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God zijn of een stuk daarvan?’ Telt het christelijke leven dan helemaal niet mee? Als het christelijke leven bij God niet meetelt en niet verdienstelijk is, dan toch zeker wel voor een bepaald deel, voor een bepaald stukje?

 

De Roomse kerk laat de goede werken meetellen. De Roomse kerk heeft een optimistische visie op de mens, ook in onze tijd. Prof. dr. E. Schillebeeckx zei ooit dat als wij allemaal ons best doen, we best een betere wereld kunnen krijgen. Het is duidelijk dat wij met elkaar een andere samenleving kunnen opbouwen. Die hele theologie is doortrokken van medemenselijkheid, van een ethiek waarbij het alleen om de mens gaat en om het goed zijn voor elkaar en om het liefhebben van elkaar. Ze sluiten aan op het goede dat in de mens te vinden is. En, zeggen ze, als we nu allemaal met elkaar ons best doen, dan komt het best terecht. Dat is rooms.

 

De Reformatie zegt wat anders. Zij zegt:

‘Dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en aan de wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet.’

Het gaat dus om de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan. Dat gericht van God, daar komen we allemaal voor te staan. Is het niet in dit leven, dan komt u daar toch mee in aanraking bij de dood. Je staat daar met je hele leven, met alles wat daarin gebeurd is, in je gedachten, in je woorden, in je werken, als kind en als bejaarde, het hele leven door, zonder een dag over te slaan. Je komt ermee in het gericht van God.

En welke gerechtigheid kan nu voor Gods gericht bestaan? Welke gerechtigheid kan nu bestaan voor het oog van die grote God, Die alle dingen weet en ziet, Die ook ons hart kent en peilt, Die onze gedachten weet en weet wat onze schat is? ‘Wie zal in dat gericht, daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen, rechtvaardig zijn voor Gods gezicht?’ Dat zal toch niemand?

Ook de roomsen zeggen dat God ons stelt in het gericht. In de roomse visie moet u God dan voorstellen als een God Die de weegschaal in de hand houdt en dan legt Hij in de ene schaal de zonden van de mens en in de andere schaal de kruisverdiensten van Christus. De kruisverdienste van Christus gaat wel een heel eind mee, maar niet voor alle dadelijke zonden. Die zullen we zelf moeten verzoenen. Daar zijn nu de goede werken voor nodig. Die moeten bij de kruisverdiensten van de Heere Jezus komen, om de zaak in evenwicht te krijgen.

 

De Reformatie zegt daarentegen: ‘Nee, in dat gericht van God moet een rechtvaardigheid zijn die de wet van God volkomen en in alle stukken gelijkvormig is.’ Dus wij moeten een gerechtigheid hebben die helemaal aan de wet van God voldoet, die honderd procent in overeenstemming is met de heilige wet van God, van die majesteitelijke God in de hemel. Die wet is niet maar één gebod, één gebod van de tien, of zomaar een paar geboden van de tien. Nee, die heilige wet van God komt op ons af, niet als allerlei afzonderlijke geboden, maar die komt op ons af als een eenheid. Die wet eist van ons volmaakte liefde tot God en volmaakte liefde tot onze naaste. Dat eist de wet van God van ons allen.

Paulus, die in het farizeïsme ook dat samen delen met God had meegemaakt, dus ‘wij wat en God wat’, die heeft op de weg naar Damaskus, toen God hem stilzette, gezien dat hij met zijn beste werken en alles wat hij dacht dat hij voor God gedaan had, voor God niet kon bestaan. Dat dit zelfs zonden voor God waren. Hij heeft daar gezien dat de wet hem aanklaagt, dat de wet hem beschuldigt. De wet ontdekte hem aan zijn schuld en hij leerde zien dat die hem nooit kan vrijspreken. Paulus ontdekte op de weg naar Damaskus dat de beste werken die hij voor God dacht op te brengen, enkel zonde waren.

 

Onze beste werken in dit leven zijn alle onvolkomen en met zonden bevlekt. Jesaja zegt: Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad en onze misdaden voeren ons henen weg als een wind (Jes.64:6). Als een kleed waarvan u vies bent, als een maanstondig kleed, staat er eigenlijk in het Hebreeuws; een kleed dat u wegwerpt. Dat zijn de gerechtigheden, dat zijn de beste werken van de mens.

Zo was dus dat jagen van Paulus, als farizeeër, om de gemeente van Christus te vervolgen. En ook zijn wetsonderhoudingen, zoals het bidden op de hoeken van de straten, zijn vasten, zijn geven van tienden van alles wat hij had. Onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk, als een maanstondig kleed.

 

‘Onze beste werken…’

Noemt u dan maar uw beste werken op! Dat is uw kerkgaan bijvoorbeeld, uw bijbellezen. Dat is uw bidden. Een maanstondig kleed dat u wegwerpt! Is het dan zo erg met ons gesteld? Ja, onze beste werken in dit leven zijn onvolkomen en met zonde bevlekt.

U moet eens even denken aan David. Hij was toch de koning van Israël die een heleboel goede dingen heeft gedaan? Hij heeft de ark op Sion gebracht. Hij heeft materialen vergaderd en verzameld om de tempelbouw straks door Salomo te laten verrichten. Hij was een man die begeerde God een huis te bouwen. Hij had er last van dat de Heere woonde in een tent van gordijnen en hij wilde een mooi paleis voor God bouwen; de tempel. Koning David, een godvrezend man die prachtige psalmen gedicht heeft…

Maar u weet ook dat deze man viel. Hij viel in de zonde met Bathseba. Wat heeft David toen gezegd? ‘Heere, U weet dat ik daartegenover toch een heleboel goeds gedaan heb in Uw koninkrijk?’ Dacht u dat David dat gezegd heeft? Luistert u dan naar Psalm 51. Daar zingt hij: ‘Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed. Hoor hoe een boeteling pleit.’ Daar zegt hij: ‘Mijn hart is een vuile bron van al mijn wanbedrijven.’ Daar zegt hij: ‘Heere, ik ben melaats. Ontzondig mij met hysop en mijn ziel, nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.’

Zo is het met David gesteld. Dacht u dat het met u anders was gesteld?

 

Denkt u eens aan Zacharias en Elisabet uit Lukas 1. Denkt eens aan dat echtpaar, waarvan geschreven staat dat zij rechtvaardig en vroom waren, dat ze mensen waren die in de wegen des Heeren wandelden, oud geworden en vergrijsd in de dienst des Heeren, ziet u daar in Hebron. Nu, hebben deze mensen God niet gediend? De Heilige Geest zegt het Zelf: ze waren godvrezend en rechtvaardig.

Maar als dan de engel Zacharias ontmoet en hem vertelt dat zijn vrouw een zoon zal baren, dat Johannes de Doper geboren zal worden, gelooft hij dat niet. Dat is zonde van Zacharias. U ziet hoe erg de zonde van het ongeloof is, want dan wordt hij stom en kan hij niet spreken. De Heere zegt niet: ‘O, Zacharias, maar moet je luisteren: jij en je vrouw zijn toch echt een uitzondering. Jullie zijn twee godvrezende mensen, die rechtvaardig zijn.’ Nee, dan kan hij niet spreken, totdat hij God gaat geloven op Zijn woord en dat hij de naam van Johannes gaat schrijven op dat tafeltje. ‘Geef mij een tafeltje!’ Hij schreef erop (hij kon het niet zeggen): Johannes is zijn naam (Luk.1:63). Dat was een belijdenis van Zacharias. Hij gaf God gelijk. Dan wordt zijn mond geopend.

Gemeente, dacht u dat wij anders, dat wij beter waren dan Zacharias?

 

Onze beste werken zijn in dit leven onvolkomen en met zonde bevlekt.

Dat is ons leven.

Gemeente, nu gaat het erom: hoe ziet u uw eigen leven?

Bent u zo’n volkomen zondaar voor God, dat u zegt:

‘O God, het is Uw genade alleen, de genade van de Heere Jezus, waardoor ik leven kan en bestaan kan voor Uw aangezicht. Ik heb geen rechten meer, Heere, en ik kan geen rechten doen gelden. Als ik mijn leven doorzie, moet ik eerlijk bekennen: het beste wat ik doe, kan voor u niet bestaan. Ga met Uw knecht niet in het gericht, want welk mens die leeft zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn? Dan moet ik bekennen, Heere, dat alle werken, zelfs in het ambtelijke leven, zelfs als dienaar van het Woord, voor U niet kunnen bestaan.’

Gemeente, dan moeten we zeggen: het zal alleen de genade van de Heere Jezus zijn en Zijn volbrachte werk, waardoor wij voor God zullen kunnen bestaan. Dan zal het alleen dat geloof zijn, dat rust op Zijn genade.

Dat is de ene kant: God eist honderd procent. Nu het tweede:

 

2. Bij onze hoop

 

De tegenspreker is nog niet tevreden, want hij heeft nog een argument over.

Hij zegt:

‘Ja, maar verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?’

Want we hebben wel kennis van de Bijbel, natuurlijk. In de Bijbel staat dat God de goede werken wil belonen…

 

Wil God goede werken belonen? Jazeker!

Er staat geschreven dat als Abraham terugkeert van de overwinning op de vijf koningen, hij vrezend en bevend in zijn tent zit en denkt: Wat moet ervan terechtkomen? Want ik heb nog geen zoon. En bovendien, straks komen die vijf koningen met een nog grotere macht op me af. Wat zal er dan van mij worden? Wat zal er van de belofte van God terechtkomen? Dan ontmoet God hem en dan zegt Hij: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot (Gen.15:1). Dus daar zegt de Heere niet: ‘Ik geef u loon.’ Nee: ‘Ik ben uw Loon.’ Nou, of dat niet een goed loon is, wat de Heere geeft!

In Psalm 19 staat: In het houden van die (Gods geboden) is grote loon (Ps.19:12). En denkt u maar aan Openbaring 22, waar de Heere Jezus zegt: Zie, Ik kom haastiglijk; en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden gelijk zijn werk zal zijn (Openb.22:12). Denk eens aan de bergrede, waarin de Heere Jezus toch gezegd heeft: Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen (Matth.5:12).

Wel, is de loongedachte in de Bijbel te vinden, ja of nee? Dat loon is er.

Loon in dit leven en loon in het toekomende leven.

 

Loon in dit leven dus.

Wat is dat loon in dit leven? Is het dan zo dat het degenen die God vrezen en die in de wegen des Heeren wandelen, altijd goed gaat? Welnee! O nee, denkt u maar eens even aan Asaf. Dat was een godvrezende man. Het was een man die echt God vreesde, een opperzangmeester bij de levietenkoren in de tempel. Hij was bekend vanwege zijn liederen die hij de Heere gezongen had. Wat zegt deze Asaf? ‘Heere, mijn bestraffing is er elke morgen. Elke morgen als ik wakker word, dan is er wat in mijn leven. Dan is er iets dat mij moeite geeft, wat me pijn doet, waardoor ik ellende heb. Iedere morgen als ik mijn ogen opendoe, is er zorg.’ Nou, dat is een man die de Heere vreest!

Denkt u dan eens aan de apostel Paulus. Is er een andere apostel die boven Paulus uitsteekt? U zoekt hem tevergeefs in de Bijbel. Wat heeft die man niet gewerkt en gearbeid in het koninkrijk van God! Maar wat heeft hij allemaal ervaren? Gestenigd, voor de wilde beesten geworpen, in Efeze hebben ze hem voor dood opgeraapt, hij heeft schipbreuk geleden, in gevangenis gezeten… Nou, wat zou u ervan denken? Dat is dan de apostel Paulus, de man met een leven waarvan u zegt: ‘Dat is een leven, opgeofferd in de dienst des Heeren!’ Is dat dan zijn loon? Jawel, dat is loon. Want ik roem in verdrukkingen, zegt de apostel Paulus. Ik heb een vermaak in verdrukkingen. Dan kun je zeggen: ‘Kan dat dan? Kan iemand er wel plezier in hebben als je die noden allemaal krijgt?’ Paulus zegt: ‘Ja, ik heb een vermaak in zwakheden. Want als ik zwak ben, dan ben ik machtig door Christus.’ Dan was de Heere Jezus vlakbij hem. Als de verdrukkingen overvloedig waren, dan was de vertroosting van Christus ook overvloedig.

Dus wat is dan dat loon in dit leven? Is dat dan dat het altijd voorspoedig gaat? Nee, maar het is wel dit, dat je dan de Heere dichtbij je hebt. En het is wel dit, dat je dan in het pad van de vreze Gods mag ervaren: De Heere is bij mij, ik zal niet vrezen (Ps.118:6). Dat je dan weet, en soms heel dúidelijk mag weten, dat de hemelen geopend zijn. Denk maar aan Stefanus, die gestenigd werd. Hij zag de hemelen geopend en Jezus staande ter rechterhand Gods. Dat is loon in dit leven.

 

En na dit leven?

Worden de werken dan beloond? Ja. Zalig zijn de doden die in de Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen (Openb.14:13). Dus die werken gaan dan niet voorop, ze komen niet vooraan. Die komen in dat gericht niet voorop, maar ze worden in dat gericht ook niet vergeten, want het zijn werken die met God gedaan zijn. Ze worden beloond na dit leven, ze worden geteld.

De Heere Jezus vertelt dat als Hij komt op de wolken des hemels, Hij de bokken zal stellen aan Zijn linkerhand en de schapen aan Zijn rechterhand. Dan zal Hij tot de schapen zeggen: Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven. (…) Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed. (…) Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen (Matth.25:35-36). Dan zeggen ze allemaal: ‘Waar, Heere? Waar?’ Dat zijn al de werken die in God gedaan zijn. Dat zijn geen werken die je doet om er wat mee te worden. Dat zijn werken in God. Ze zeggen: ‘Waar, Heere?’ En dan zegt de Heere: Voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan (Matth.25:40). Met een glas koud water wordt gerekend in het gericht van God; een eenvoudig iets als een glas water. Belonen na dit leven…

Daniël zegt in het laatste gedeelte van zijn boek: De leraars nu zullen blinken, als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk (Dan.12:3). Dat is wat!

Onze vaderen spraken dan ook in hun geschriften over een heerlijkheid die een verschil in mate zal hebben. Dat hebben ze gedaan op grond van de uitspraken van Daniël.

 

Gemeente, wordt er in dit en in het toekomende leven beloond?

Ja, dat doet God. Onze onderwijzer zegt: Ja, dat is allemaal waar, daar hebben jullie allemaal gelijk in, maar die beloning geschiedt niet uit verdienste. Het is niet omdat je dat hebt verdiend of omdat je goede werken waarde hebben voor God, maar dat gebeurt alleen uit genade. Want die werken werden vanuit God gedaan. Dat is het eerste.

En in de tweede plaats: Christus heeft ze nog moeten reinigen en heeft ze moeten vervolmaken. Hij heeft ze vervolmaakt aan de Vader voorgesteld. Er is geen verdienste onzerzijds. Er is alleen maar genade. Dus als er van loon sprake is, dan is die loongedachte niet een verdienend loon, maar pure, loutere genade.

 

Dan denk ik aan de gelijkenis die beschreven staat in Lukas 17. Het gaat over een slaaf die de hele dag heeft gewerkt en dan ’s avonds thuiskomt bij zijn heer. U zou verwachten dat die heer dan zou zeggen: ‘Welaan, slaaf, je hebt de hele dag voor me gewerkt; ga nu maar hier aan tafel zitten, dan zal ik je eerst eten geven.’ Welnee! De Heere Jezus zegt: ‘Die heer zal zeggen: Ik heb eten nodig, bedien mij!’ Pas als de slaaf zijn heer bediend heeft, gaat hij zelf eten.

Het komt voor ons natuurlijk niet zo aardig over, dat die heer eerst zichzelf laat bedienen en dat dan pas de slaaf kan gaan eten. Maar u moet bedenken dat de Heere Jezus een voorbeeld nam uit de wereld waarin Hij leefde. Het was daar zo dat de slaaf door die heer gekocht was om hem overdag te dienen op het land en om hem ’s avonds, als hij thuiskwam, te bedienen voor het eten.

De Heere Jezus zegt dan: ‘Wel, als die slaaf nu straks gaat eten en gaat zitten, dan kan hij niet zeggen: Wat heb ik mijn heer geweldig gediend! Dan kan hij alleen maar zeggen: Ik ben een onnutte dienstknecht, want ik heb niet meer gedaan dan ik doen moest.’ Hij heeft niks extra’s gedaan. Hij heeft alleen maar het slavenwerk gedaan waarvoor hij gekocht was. Dus hij heeft alleen maar datgene gedaan wat hij doen moest.

 

Wat is er dan voor verdienste, als je alleen maar datgene doet wat je doen moet? Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt het zo: ‘Wij zijn voor God gehouden de goede werken voort te brengen, maar God is niet gehouden aan ons.’ Zo is het ook met die slaaf, een onnutte dienstknecht. ‘Ik heb niet meer gedaan dan ik doen moest.’ Al zou je nu alles gedaan hebben, dan nog zou je een onnutte dienstknecht zijn. In de Zuid-Afrikaanse Bijbel is dat ‘onnutte dienstknecht’ zo vertaald: ‘Ek is een slaaf.’ Ik ben een slaaf. Daarmee is alles gezegd. Een onnutte dienstknecht, alleen maar gedaan wat een slaaf moest doen…

 

Denk ook aan de gelijkenis die de Heere Jezus voorstelde in Mattheüs 20, het hoofdstuk dat is voorgelezen. Die heer van de wijngaard riep mensen ’s morgens op het eerste uur en sprak met hen af dat ze voor het werk van die dag een penning zouden krijgen. Vervolgens roept hij op volgende uren andere slaven, als blijkt dat het werk niet klaar komt. Ter elfder ure haalt hij nog meer mensen van de markt af, die daar ledig staan, en roept hij ze tot zijn wijngaard en zij gaan er in werken.

Als de dag om is, komt de afrekening. De mensen van het eerste uur waren om zes uur ’s morgens begonnen. De mensen van het zesde uur waren ’s middags om twaalf uur begonnen. De mensen van het elfde uur waren dus ’s middags om vijf uur begonnen. Om zes uur is het donker. Dat wil zeggen dat die laatste mensen maar één uur hebben gewerkt. Zij worden het eerst bij de heer geroepen. Ze krijgen een penning. En die van het zesde uur krijgen ook een penning. En die van het eerste uur, die als laatsten worden behandeld, krijgen ook een penning. Dan zeggen degenen die vanaf het eerste uur gewerkt hebben, die de hitte van de dag hebben meegemaakt: ‘Ja, maar dat is niet in orde! U geeft ons een penning en u geeft diegenen die maar een uur gewerkt hebben ook een penning. Dat is niet recht.’

U kunt nu zien waarom die heer tot het laatste gewacht heeft om de mensen van het eerste uur te betalen. Hij wil eigenlijk zien wat voor vlees hij in de kuip heeft. Nu komt het eruit. Ze hebben het gedaan om geld. Ze hebben het niet gedaan om die heer. Ze hebben het niet gedaan omdat het bij die heer zo goed was. Ze hebben het alleen gedaan om geld. Dan zegt de heer: ‘Ja, maar ik heb met u afgesproken voor een penning en die heeft u gehad. Dat was onze afspraak!’ Met de mensen van de zesde en de elfde ure had die heer geen afspraak gemaakt. Dat was genadeloon. Genadeloon, geschonken uit enkele genade. Verdienen is er niet bij. De Heere geeft genadeloon aan mensen.

 

We zingen nu Psalm 56 vers 4:

 

Gij weet, o God, hoe ‘k zwerven moet op aard’;
Mijn tranen hebt G’ in Uwe fles vergaard;
Is hun getal niet in Uw boek bewaard,
Niet op Uw rol geschreven?
Gewis, dan zal mijn wreev’le vijand beven,
En, als ik roep, straks rugwaarts zijn gedreven;
Dit weet ik vast, God zal mij nooit begeven;
Niets maakt mijn ziel vervaard.

 

3. Bij onze liefde

 

Gemeente, de tegenstanders zijn niet zo gauw klaar. Als ze de gedachte van loon is verworpen en die weg is afgesneden, dan hebben ze nog een tegenwerping, een belangrijke tegenwerping, een tegenwerping die we zo dikwijls horen:

‘Maar maakt deze leer dan geen zorgeloze en goddeloze mensen?’

 

Er zijn een heleboel mensen die daar ‘ja’ op zeggen. De remonstranten in de zeventiende eeuw hebben gezegd: ‘Ja, dat maakt zorgeloze en goddeloze mensen, want je kunt de mensen beter maar laten twijfelen tot het eind toe. Als je hen laat twijfelen blijven ze tenminste ernstig. Dan zullen ze hun best doen om goed voor God te leven. Dan houd je het hele leven twijfelende mensen. Dat is heel goed, want twijfelende mensen zijn tenminste ernstige mensen. Die maken een heel ernstige zaak met hun ziel en zaligheid.’

Dat zijn de remonstrantse geluiden. Je hoort die geluiden vandaag aan de dag nog wel, maar het is puur remonstrants.

De gereformeerde leer zegt: ‘Nee hoor, dat maakt geen zorgeloze en goddeloze mensen. Onze zaligheid vast te leggen alleen in de genade van onze Heere Jezus Christus en in het heil van God, maakt geen goddeloze en zorgeloze mensen.’

Die zijn er natuurlijk wel in de kerk. Er zijn zorgeloze mensen en goddeloze mensen in de kerk. Natuurlijk. Er zijn mensen die geen cent godsdienst in hun leven hebben en die toch in de kerk zitten. Maar dat ligt niet aan die leer, dat zit in de mens. De mens is een gevallen mens en daar komt het door. Het zit ‘m niet in de leer van vrije genade, dat er zorgeloze mensen zijn, die zich nooit om hun zaligheid, om hun eeuwige toekomst bekommeren en die een goddeloos leven leiden onder een schone schijn. Dat ligt niet aan de leer. Natuurlijk niet. Dacht u dat de leer van de genade van de Heere Jezus Christus zorgeloze mensen maakt, goddeloze mensen maakt? Dat is onmogelijk, zegt onze catechismus:

‘Het is onmogelijk dat zo wie Christus ingeplant is door een waar geloof, niet zal voortbrengen vruchten der dankbaarheid.’

Dat is totaal onmogelijk.

 

U moet bedenken: dat is geen onmogelijkheid als van een natuurwet. Zoals een steen bijvoorbeeld niet omhoog kan vallen, maar naar beneden gaat. Nee, het is een totaal andere onmogelijkheid. Die door het geloof Christus is ingelijfd, die zal vruchten van dankbaarheid voortbrengen.

Ik wil u in de allereerste plaats wijzen op de liefde, de wederliefde.

Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1 Joh.4:19). Dat is het eerste. Als u dan vraagt naar de bron van die liefde, dat is de Geest des Heeren, Die als vrucht heeft: liefde. De eerste vrucht van de Heilige Geest die genoemd wordt, is liefde. Juist door die liefde van God die in het hart is uitgestort, zullen wij begeren voor de Heere te leven. Dan zullen wij begeren om naar Zijn Woord te wandelen. Dan zullen wij begeren te wandelen in de paden van de Heere. De Geest brengt vruchten voort, zoals liefde, blijdschap, vrede, goedertierenheid, zachtmoedigheid, geloof en matigheid.

Ik moet u wijzen op de Wijnstok, de Wijnstok Christus waarin de ranken zijn ingeplant. De ranken die in die Wijnstok zijn ingeplant, brengen door de sappen uit die Wijnstok vruchten voort. Die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht (Joh.15:5). Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht daagt (Joh.15:8).

 

Gemeente, het is onmogelijk dat wie Christus door een waar geloof is ingelijfd, geen vruchten van dankbaarheid zal voortbrengen.

Ik zal u een voorbeeld geven. Als er in de woestijn geboord wordt en er wordt een ader, een waterader, diep onder de grond aangeboord, dan gaat daar in die woestijn een fontein spuiten. Nou, waar nu een leven geënt wordt in Christus, daar zullen vanuit Christus vruchten, goede werken, vruchten van dankbaarheid worden voortgebracht. Het is onmogelijk dat waar dat leven geënt wordt in Christus, ingelijfd wordt in Christus, dat daar geen vruchten van dankbaarheid zouden worden voortgebracht, dat daar niet zijn de uitgangen van het hart naar de Heere Jezus, dat daar niet komt het uitgaan naar Hem, om genade en om ontferming.

 

Nee, mensen worden door de leer van vrije genade niet zorgeloos en goddeloos gemaakt. Bepaald niet! Onze vaderen zeggen zelfs dat degenen die gestruikeld zijn - zoals David en Petrus, die ze als voorbeelden noemen - en die daarna door God weer worden opgezocht en het vaderlijk, vriendelijk aangezicht Gods weer mogen aanschouwen, voortaan temeer bezorgd zullen zijn om niet andermaal te vallen en opnieuw het licht van Gods aangezicht te verliezen.

Deze mensen zullen juist met ernst ervoor zorgen dat ze niet andermaal in dat kwaad vallen en andermaal in de duisternis terechtkomen, omdat God Zijn vriendelijk aangezicht voor hen verbergt. Zij zeggen dus: Géén zorgeloze en goddeloze mensen, integendeel! Het wonder dat God een verloren schaap weer wil oprapen is zo groot in hun leven, dat ze des te ernstiger zich zullen bezighouden met de dienst des Heeren.

 

Zo belijdt onze catechismus dat het alleen vrije genade is dat een mens zalig wordt. Goede werken komen niet aan bod. De loongedachte is er wel, maar dat is alleen genade. Deze leer maakt geen zorgeloze en goddeloze mensen, maar zij zullen vruchten van dankbaarheid voortbrengen.

 

In Psalm 130 wordt gezongen: Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt (Ps.130:4). Er is dus vergeving, niet omdat wij de Heere vrezen, maar opdat de Heere gevreesd zal worden.

Zoals die overspelige vrouw die in het huis van Simon de voeten van de Heere Jezus natmaakt met haar tranen en ze zalft en kust, zo zal het nu ook met elke zondaar zijn. De zonden die vele waren, werden haar vergeven, want zij had veel liefgehad.

Bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.

 

Gemeente, een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, en een kwade boom geen goede vruchten. Zo zult u ook geen druiven lezen van distelen. Maar alleen een goede boom brengt goede vruchten voort. Genadevruchten, die zijn voorbereid door God, opdat wij in dezelve wandelen zouden. Het is genade van het begin tot het einde toe.

Maar omdat het dan alleen genade is, wat zou het ons dan bezig moeten houden om die genade te verkrijgen.

Als het dan een vrije gift is en als het dan van ons niets vraagt en niets eist, wat zouden we dan voor de Heere moeten buigen en vragen:

‘Heere, als het nu alleen genade is en loutere genade, o, zou U dan naar me willen omzien? Want dan zou het kunnen. Niet bij mij vandaan, maar bij U vandaan kan het eeuwig. Eeuwig vrij en eeuwig zeker!’

Jongens, meisjes, wat zou dat een voorrecht zijn hè, als je nu zo vandaag om die genade van God, die louter vrij is, gaat vragen. En de Heere zou je dat vandaag geven, want daar is Hij machtig toe en daar is Hij vrij in. Wat zou je dan gelukkig zijn!

 

Niet alleen vergeving ontvangen, maar ook de Heere vrezen. Vergeving ontvangen, opdat je de Heere zou vrezen.

Dat is geen naar leven hoor! Weet je wat een naar leven is? Dat is dat zorgeloze leven. Een goddeloos leven is een naar leven. Dat is een heel akelig leven. Want als het straks eindigt, zegt Asaf daarvan: ‘Dan vallen ze van de top van eer in eeuwige verwoesting neer.’ Het is dan zomaar ineens afgelopen, zomaar ineens eeuwigheid. Dan is het eeuwig nacht. Dat is een naar leven.

Dan heb je in dit leven niets gehad dan moeite en zorg. Want dit leven is moeite en zorg. Als je jong bent heb je daar nog niet zo’n erg in. Dan denk je dat het allemaal meevalt en best aardig gaat. Maar hoe ouder je wordt, hoe meer je gaat zien dat dit leven moeite en zorg is. Dat staat ook in de Bijbel en neem nu maar aan dat het waar is. Mozes zegt: Het uitnemendste van die is moeite en verdriet (Ps.90:10). Dan heb je zorg en moeite bij zo’n zorgeloos en goddeloos leven, en is er geen enkel lichtpuntje voor de toekomst.

 

De kinderen van God hebben ook zorg en moeite, maar die mogen temidden daarvan weten dat God hen gadeslaat. Zijn liefde slaat hen gade. ‘Hij wil mij heil bereiden, mij in een vesting leiden.’ Die mogen temidden van de nood en van de zorg en van de moeite van het leven, dit weten: ‘De Heere is met mij.’ Dan is het leven te dragen. Dan kom je erdoorheen. Je mag er dan bovenuit zien en weten dat de Heere bij je is. Dat is genoeg. Dat is alles.

Dan heb je een toekomst, een eeuwige toekomst. Niet omdat wij het zo goed deden, zegt onze catechismus, maar omdat God goed is, omdat God genadig is en barmhartig en goedertieren en gaarne vergevende. Daarom alleen!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 130:2

 

Zo Gij in ‘t recht wilt treden,
O Heer’, en gadeslaan
Onz’ ongerechtigheden;
Ach, wie zal dan bestaan?
Maar neen, daar is vergeving
Altijd bij U geweest;
Dies wordt Gij, Heer’, met beving,
Recht kinderlijk gevreesd.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).