Ds. S. Maljaars - Zondag 30

Het Avondmaal des Heeren

De leugen rond het Avondmaal
De gang naar het Avondmaal
De wacht bij het Avondmaal

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 26: 2
Lezen : Hebreeën 10: 1-18
Zingen : Psalm 63: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 139: 14
Zingen : Psalm 132: 10

Gemeente, vandaag is Zondag 30 van onze Heidelbergse Catechismus aan de beurt, de vragen 80 tot en met 82. We zullen deze Zondag eerst samen lezen:

 

Vraag 80: Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de paapse mis?

Antwoord: Het Avondmaal des Heeren betuigt ons dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door de enige offerande van Jezus Christus, die Hij Zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft, en dat wij door de Heilige Geest Christus worden ingelijfd, Die nu naar Zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in de hemel is, ter rechterhand Gods Zijns Vaders, en daar van ons wil aangebeden zijn. Maar de mis leert dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christus vergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van de mispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte des broods en wijns is, en daarin ook moet aangebeden worden. En alzo is de mis in de grond anders niet dan een verloochening der enige offerande en des lijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij.

 

Vraag 81: Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?

Antwoord: Voor degenen die zichzelf vanwege hun zonden mishagen, en nochtans vertrouwen dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Maar de hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeren, die eten en drinken zichzelf een oordeel.

 

Vraag 82: Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen?

Antwoord: Neen; want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd en Zijn toorn over de ganse gemeente verwekt. Daarom is de christelijke kerk schuldig, naar ordening van Christus en van Zijn apostelen, zulken, totdat zij betering huns levens bewijzen, door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.

 

Het thema van de preek is: Het Avondmaal des Heeren.

We staan met elkaar stil bij drie gedachten:

1. De leugen rond het Avondmaal (vraag en antwoord 80)

2. De gang naar het Avondmaal (vraag en antwoord 81)

3. De wacht bij het Avondmaal (vraag en antwoord 82)

 

Gemeente, Zondag 30 van ons troostboek staat in het stuk der verlossing. De Catechismus behandelt in de Zondagen 25 t/m 31 de  genademiddelen. God werkt Zijn genade middellijk uit. Jongeren, catechisanten, weten jullie welke genademiddelen er zijn? In Zondag 25 worden ze genoemd: het Woord en de sacramenten. Het Woord gebruikt de Heere om het geloof te werken en te versterken. De bediening van de  sacramenten is er om het geloof te versterken.

In Zondag 25 werd aangewezen welke sacramenten er zijn, namelijk de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal. De Zondagen 26 en 27 gaan over het sacrament van de Heilige Doop. De Zondagen 28 t/m 30 handelen over het Heilig Avondmaal. Zondag 31 is een afsluitende Zondag over de genademiddelen. We behandelen nu dus de derde Zondag over het Heilig Avondmaal des Heeren.

 

1. De leugen rond het Avondmaal

 

Letten we eerst op de leugen die wordt bestreden in vraag en antwoord 80: ‘Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de paapse (dat is de Roomse) mis?’ Er wordt hier dus een dwaling aan de orde gesteld.

U begrijpt dat vraag 80 een achtergrond heeft. In de eerste uitgave van de catechismus in 1563 stond deze vraag er nog niet in. In de tweede uitgave, een paar weken later, werd vraag 80 wél vermeld, zonder de laatste vier woorden ‘en een vervloekte afgoderij’. Vanaf de derde uitgave -die ook nog in 1563 verscheen- werd het antwoord afgedrukt zoals het er nu staat.

Die laatste woorden zijn op aandringen van Caspar Olevianus en met instemming van Frederik de Vrome in de catechismus opgenomen. Daarmee heeft men duidelijk stelling willen nemen tegen de leugen van de Roomse kerk.

Het jaar 1563 was immers ook het jaar waarin het Concilie van Trente afgesloten werd. Dit Roomse concilie -dat bij elkaar achttien jaar duurde- heeft allen die de leer van Rome niet onderschreven, vervloekt. In reactie op de veroordeling van Trente zijn deze scherpe bewoordingen ‘en een vervloekte afgoderij’ in ons troostboek terechtgekomen. De opstellers van de catechismus zagen het gevaar haarscherp. Daarom ook deze scherpe woorden.

 

Gemeente, dit is niet zomaar een geschilpunt uit 1563, waar we vandaag niets meer mee te maken hebben. Hier raken de opstellers het hart van het Evangelie. Als je dit lange antwoord goed leest, zie je dat het gaat om de verzoening door Christus, de gemeenschap met Christus en de aanbidding van Christus. Met andere woorden: Welke plaats heeft de Heere Jezus Christus? Weten wíj al hoe belangrijk deze vraag is?

Eerst zegt de catechismus wat het Avondmaal des Heeren is en vervolgens wat de paapse mis leert. Dus op een pedagogische manier wordt eerst het positieve benoemd en daarna voor de dwaling duidelijk gewaarschuwd.

Lees maar mee in antwoord 80. Allereerst spreekt men over de verzoening door Christus. Wat betuigt het Avondmaal des Heeren daarover? ‘Dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben, door de enige offerande van Jezus Christus, die Hij Zelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft.’

Wat een rijke zin is dit! Hier wijst de Catechismus op de volkomen vergeving van alle zonden. Hier mag het volle licht vallen op Gods genade in de Heere Jezus Christus. Je zou deze zin een loflied kunnen noemen. Hier klinkt een blij gezang, dat mijn verlossing meldt.

Het Avondmaal des Heeren predikt dat er voor deze volkomen verlossing maar één grond is: de enige offerande van Jezus Christus. Keer op keer gebruikt de catechismus het woord ‘enige’ als het gaat om het offer en het werk van Christus. Wat wijzen de opstellers daarbuiten alles krachtig af. Dat willen we hen vandaag nazeggen. Er is maar één grond waarop een zondaar rusten mag voor de eeuwigheid. Er is maar één grond waarop we voor God kunnen bestaan. En dat is het fundament dat God Zelf van eeuwigheid gelegd heeft in Christus, Zijn Zoon.

Ouderen en jongeren, als deze week ons stervensuur eens zou aanbreken? Hebben we dan een grond voor de eeuwigheid? Hier horen we het vanuit de catechismus: Er is maar één fundament waarop een mens welgetroost kan leven en eenmaal zalig kan sterven. Dat is het werk van Christus. Daarbuiten is geen rust en mogen we u ook geen rust prediken. Alleen daar waar God de Vader heeft gerust -in de enige offerande van Zijn Zoon- kan en mag een zondaar rust vinden. Alleen in het werk van de grote Rustaanbrenger ligt de rust voor een rusteloze zondaar.

 

Wat leert de mis over de verzoening? Zie maar bij de woorden: ‘Maar de mis leert…’ Als het gaat om de verzoening, meent de Roomse kerk dat Christus nog dagelijks door de mispriesters geofferd moet worden. Het woord ‘mis’ komt van de Latijnse uitdrukking: ‘Ite missa est.’ Dat betekent: ‘Gaat heen, de vergadering is geëindigd.’ Deze uitdrukking werd gebruikt in de Vroege Kerk. Wanneer het Avondmaal bediend werd, stuurde men de catechumenen die nog geen belijdenis hadden gedaan weg. Zij mochten niet bij de bediening van het Avondmaal aanwezig zijn.

In de opvatting van de Roomse kerk wordt Christus bij de mis steeds opnieuw geofferd. Dus nooit is er rust voor een rusteloze ziel. Zelfs de doden gunt Rome geen rust. Denk maar aan de leer van het vagevuur en aan de aflaathandel.

Het is echter een verloochening van het enige offer van Christus! We hebben zojuist Hebreeën 10 gelezen. In dat hoofdstuk worden de talloze offers van het Oude Testament en het enige offer van Christus in het Nieuwe Testament tegenover elkaar geplaatst. Duidelijk zegt de apostel dat Christus met dát offer in eeuwigheid heeft volmaakt degenen die geheiligd worden.

Dus één offer kan slechts voor onze zonden gelden. Hebben wij dat al geleerd, gemeente? Want wij willen zo graag onze eigen offers meebrengen. Dan hoeven we niet naar de Roomse kerk te kijken, maar dan komt dat antwoord zo dichtbij: Wat willen wíj aan offers meenemen? Er zijn wat offers waar een mens mee aan komt dragen: ‘Ik ben toch rechtzinnig? Ik leef toch stipt? Ik meen het toch ernstig? Ik bid toch veel? Ik ben toch serieus met die dingen bezig? Ik ben toch ijverig in Gods Koninkrijk? Ik heb toch zoveel over voor God?’ Op zichzelf genomen zijn het allemaal waardevolle zaken. Maar ze zijn geen grond waarop we kunnen rusten voor de eeuwigheid. God moet ons daar aan ontdekken. En gelukkig de mens die er van af wordt gebracht!

Gemeente, zijn we op reis naar de eeuwigheid al van onze rustgronden afgehaald? En is die ene grond al noodzakelijk geworden? Zo werkt de Heere immers altijd: eerst ontgronden, en dan funderen, op die enige grond plaatsen. De Heere maakt in het leven van de Zijnen plaats voor het werk van de geheel enige Middelaar. En op Zijn offer wijst deze catechismuszondag zo helder en rijk!

 

Naast de verzoening door Christus gaat het ook over de gemeenschap met Hem. Hierin  ligt het tweede verschil met de mis. Het Avondmaal des Heeren leert en betuigt: ‘Dat wij door de Heilige Geest Christus worden ingelijfd, Die nu naar Zijn menselijke natuur niet op de aarde, maar in de hemel is ter rechterhand Gods Zijns Vaders.’

Het Heilig Avondmaal zegt dus dat er een band nodig is. Die band tussen God en de zondaar wordt in het uur van de wedergeboorte in het hart gelegd. Kent die zondaar Christus dan al gelijk? Dat is iets anders, gemeente. Zo’n zondaar wordt een missend mens, een buitenstaander, die dat stille heimwee naar God gaat inleven: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! (Ps.42:2) Die mensen kennen iets van Psalm 63:

 

            O God, Gij zijt mijn toeverlaat;

            Mijn God, U zoek ik met verlangen,

            Zo ras wij ’t morgenlicht ontvangen,

            Bij ’t krieken van de dageraad.

            O Heer’, mijn ziel en lichaam hijgen,

            En dorsten naar U in een land,

            Dat, dor en mat, van droogte brandt,

            Waar niemand lafenis kan krijgen

 

In dat heimwee ligt hun leven getekend. Ze zijn God kwijt en missen de verzoening met God. Maar er ligt wél een verborgen band met de Zaligmaker! Want de eerste traan die geschreid wordt in de ware droefheid naar God, is een traan die vloeit uit Christus’ Middelaarsverdienste. Want anders is het slechts algemeen werk, dat een mens ver kan brengen, maar nooit als een verloren en een verbroken zondaar aan de voeten des Heeren. In het uur van de wedergeboorte legt de Heilige Geest een verborgen band tussen Christus en de zondaar. En de gemeenschap met die verborgen Zaligmaker wordt door Gods Geest in het hart geoefend en versterkt.

 

Wat leert de mis over die band? Men zegt ‘dat Christus lichamelijk onder de gestalte van brood en wijn (aanwezig) is’. Dus volgens Rome zou dat stukje brood veranderen in het lichaam van de Heere Jezus en de wijn in Zijn bloed. Op die wijze is er dus geen geestelijke band, maar een lichamelijke band. Men heeft verbinding met een gewoon stukje brood en met gewone wijn.

Gemeente, kunt u de toepassing maken? Zoek Rome niet te ver weg! Als de gemeenschap met Christus -zoals bij de mis- alleen maar uitwendig blijft, is dat tekort! Bidden en Bijbellezen voor de vorm is tekort. Naar de kerk gaan en ons collectegeld geven voor de vorm is tekort. Aan het Avondmaal gaan voor de vorm is tekort.

Als u nog nooit iets van die geestelijke gemeenschap met God in Christus hebt ervaren, moet u niet aan het Heilig Avondmaal komen. Wanneer in een afbrekende weg -waarin u steeds meer de dood in uzelf moet gaan inleven- het zielsverlangen nooit naar de Zaligmaker is uitgegaan, moet u niet toetreden tot de tafel des Heeren. Dan ontvangt u niet meer dan een stukje brood en een slokje wijn.

 

Het derde verschilpunt over de mis gaat over de aanbidding van Christus. Het Avondmaal betuigt dat Christus ‘naar Zijn menselijke natuur niet meer op de aarde, maar in de hemel is, aan de rechterhand Gods Zijns Vaders, en daar van ons wil aangebeden zijn.’ Ons Avondmaalsformulier zegt het zo innig en teer, vóór de tafel in gereedheid wordt gebracht: ‘Opdat wij dan met het waarachtige hemelse Brood Christus gespijzigd mogen worden, zo laat ons met onze harten niet aan het uiterlijke brood en wijn blijven hangen, maar onze harten opwaarts in de hemel verheffen, waar Jezus Christus is, onze Voorspraak, ter rechterhand Zijns hemelsen Vaders, niet twijfelende, of wij zullen zo waarachtiglijk door de werking des Heiligen Geestes met Zijn lichaam en bloed aan onze zielen gespijzigd en gelaafd worden, als wij het heilige brood en de heilige drank tot Zijn gedachtenis ontvangen.’ Merkt u dat onze vaderen bedoelen dat het in het Avondmaal gaat om de levende gemeenschap met Christus?

De mis leert dat Christus lichamelijk in dat stukje brood en in de wijn aanwezig is. Men zegt: ‘Kniel voor de ouwel; aanbid de heilige hostie.’ Voelt u de schrijnende armoede, vergeleken met de woorden van ons Avondmaalsformulier? Begrijpt u nu dat de laatste woorden ‘en een vervloekte afgoderij’ niet te scherp zijn?

Gemeente, kent u die aanbidding van Christus in uw leven? Gods kinderen weten van Avondmaalsbedieningen, waarin er iets beoefend mocht worden van de gemeenschap met Christus en er ook iets van die aanbidding mocht zijn. Denk aan Mefiboseth, die werd gedragen aan des konings tafel. Wat mocht hij diep buigen! Hij beleed het: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond als ik ben? (2 Sam.9:8).

Dat zijn niet de slechtste Avondmaalstijden. Dan ben ik niets en mag Christus alles worden! Als het gaat om de kern van de zaak, verbleekt niet alleen de leer van de Roomse kerk, maar ook al mijn eigen werk.

 

We overdenken nu onze tweede gedachte:

 

2. De gang naar het Avondmaal

 

Gemeente, in vraag 81 wordt er Schriftuurlijk onderwijs gegeven over de kenmerken van de ware Avondmaalganger. Hier krijgt de catechismus een heel persoonlijke spits: ‘Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?’ Voor wie…? Niemand blijft vandaag dus buiten schot. Hier is een toetssteen. Bij deze vraag past het gebed:

 

Beproef vrij, van omhoog,
Mijn hart, dat voor Uw oog,
Alwetende, steeds open lag.
Doorzoek mij; toets mijn gangen;
Doorgrond al mijn verlangen;
En stel mijn oogmerk in de dag. 

 

Voor wie is het Avondmaal des Heeren  ingesteld? ‘Voor degenen, die…’, zegt de onderwijzer. Die woorden sluiten binnen en buiten. ‘Voor degenen’ betekent: niet voor alle mensen. De heilige tafel is er niet voor de goddelozen. Het Avondmaal des Heeren is er ook niet voor alle belijdende leden. Er zijn kerken waar dat gezegd wordt: ‘Jullie hebben nu belijdenis gedaan; binnenkort wordt het Heilig Avondmaal gehouden; nu verwachten we jullie allemaal aan de tafel…’ Nee, gemeente, er wordt een duidelijke scheidslijn getrokken. Er wordt gesepareerd.

 

Wie zijn ‘degenen’ die in vraag 81 bedoeld worden? Wel, ‘degenen’ zijn de wedergeborenen van Zondag 3, die door de Geest Gods van nieuws geboren zijn. ‘Degenen’ zijn de ware gelovigen van Zondag 7, die door een waar geloof Christus zijn ingelijfd. ‘Degenen’ zijn de ware christenen van Zondag 12, die aan Christus zijn verbonden. ‘Degenen’ zijn de lidmaten van Christus van Zondag 19, in wie Hij Zijn hemelse gaven uitgiet. Alleen Gods volk wordt genodigd aan de tafel.

De catechismus is zeer pastoraal. De vraag ‘Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?’ wordt niet zondermeer beantwoord met: ‘Voor Gods kinderen.’ Dat was natuurlijk een goed antwoord geweest. Maar hier worden enkele kenmerken genoemd, waaraan we ons mogen toetsen. De onderwijzer uit onze Heidelberger weet dat de oprechten zo’n zware strijd te voeren hebben als het gaat over deze tere zaken. Het is alsof de catechismus zulke arme tobbers bij de hand neemt en zegt: ’Nu zal ik eens zeggen wie die wedergeborenen, die ware gelovigen, die christenen en die lidmaten van Christus zijn.’ Het zijn mensen die je aan drie kenmerken kunt herkennen: mishagen, vertrouwen en begeren. Jongeren, zien jullie die drie woorden in vraag 81 ook staan?

Gods kinderen kennen dus iets van deze drie zaken:

Zij mishagen zichzelf; dat hoort bij het stuk van de ellende.

Zij vertrouwen; dat gaat over het stuk van de verlossing.

Zij begeren; dat is iets van het stuk van de dankbaarheid.

 

Eerst iets over dat mishagen. Wat is dat nu eigenlijk? Er staat: ‘Die zichzelf vanwege hun zonden mishagen.’ Mishagen is het tegenovergestelde van behagen. Mishagen betekent: jezelf voor God verfoeien, jezelf verootmoedigen, klein worden voor God, berouw hebben over de zonde, walgen van de zonde.

Van nature behagen we onszelf en hebben we het heel goed met onszelf getroffen. Wat staan we hoog met onszelf! Maar als de Heilige Geest in het hart gaat werken, ga je jezelf vanwege je zonden voor God mishagen. Dan ontstaat er een hartelijk leedwezen, een hartelijke berouw, dat je God door je zonden hebt vertoornd. Dan ga je walgen van jezelf vanwege je zonden die je tegen een goedertieren God hebt bedreven. De Heere zegt: En gij zult een walging van uzelven hebben over uw ongerechtigheden en over uw gruwelen (Ez.36:31). Deze verbondsbelofte wordt uitgewerkt in het leven van Gods volk! Een walging van onszelf, vanwege onze ongerechtigheden.

Ons Avondmaalsformulier heeft het bij het eerste stuk van de zelfbeproeving over een mishagen en een zich voor God verootmoedigen. Begrijpen jullie dat woord, jongens en meisjes? Ootmoed betekent dat je klein en laag wordt voor de Heere. Dus iemand die de Heere mag leren kennen, wordt klein voor God gemaakt. En waarom wordt zo iemand dan klein? Omdat de Heere iets laat zien van de zonden, van de hemelhoge schuld voor God. Dan ga je buigen! Weet je wat de ware Avondmaalganger leert met het hart?

 

Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog,

Dies ben ik, Heer’, Uw gramschap dubbel waardig.

 

Weet u wat dat voor mensen zijn, gemeente? Het zijn mensen die evenals de tollenaar achter in de tempel staan, van verre. Die tollenaar stond helemaal achteraan in het voorhof, onder de zuilengalerij. Hij durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te heffen, maar sloeg op zijn borst en zei: O God, wees mij zondaar genadig (Luk.18:13). Die man had een mishagen aan zichzelf vanwege zijn zonden. Die man werd klein voor God en verfoeide zichzelf vanwege zijn zonde. Hij wist het: God is de God bij Wie ik in de schuld sta en ik ben een zondaar.

Gemeente, we stellen u een vraag. Die vraag leggen we ook aan jullie hart, jonge vrienden. Het gaat immers ook om jullie! Kennen we iets van dat walgen, dat mishagen van onszelf vanwege onze zonden? Kennen we iets van het hart van die tollenaar? Dat is het tegenovergestelde van de gestalte van die farizeeër. Die stond vooraan in de tempel met zichzelf te pronken: ‘Ik dank U, ik dank U, ik dank U…’ Maar -met eerbied gesproken- God walgde van hem.

Het Avondmaalsformulier zegt over dat eerste stuk van de zelfbeproeving: ‘Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelf zijn zonden en vervloeking.’ Kennen we iets van onze zonden en onze vervloeking voor God? Het zijn zaken die in het leven van de ware Avondmaalganger niet onbekend blijven! Daar mag naar gevraagd worden tijdens het huisbezoek of in een pastoraal bezoek na de bediening van het Heilig Avondmaal: ‘Hoe is dat nu in uw leven? Vertel er eens iets van. Hoe bent u zondaar voor God geworden?’ Zouden we er een antwoord op kunnen geven?

 

Gemeente, er volgt in ons antwoord op dat zelfmishagen en die doorleefde ellendekennis: ‘En nochtans vertrouwen, dat hun deze om Christus’ wil vergeven zijn.’ Vertrouwen is dus het tweede kenmerk. Het gaat hierbij over het stuk van de verlossing: ‘Nochtans vertrouwen’. Hier vinden we het ‘nochtans’ van het waar zaligmakend geloof: Hoewel mijn zonden tegen mij getuigen, hoewel mijn ongerechtigheden zovele zijn, hoewel er van mij niets goeds te zeggen valt, hoewel ik de vloek verdiend heb vanwege al mijn zonden, nochtans…! Dat ‘nochtans’ is hier het sleutelwoord, waarmee het kabinet van Gods genadeverbond zich ontsluit voor een arme en ellendige zondaar.

Weet u wie er iets van dat ‘nochtans’ geleerd had? David. Op zijn sterfbed zegt hij het: Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is (2 Sam.23:5). Weet u wie er ook iets van kende? Jona. Toen hij in de buik van de walvis was en zich in de diepten van de afgronden bevond, mocht hij getuigen: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen (Jona 2:4). Dat ‘nochtans’ van het geloof wordt in de diepte beoefend.

 

Wat zijn het diepe woorden die de Heilige Geest in het hart van die overtuigde zondaren gaat leren: ‘Hoewel’, maar ook ‘nochtans’. Dat predikt ons aan de ene kant de onpeilbare diepte van onze schuld en verlorenheid, maar aan de andere zijde ook de onpeilbare diepte van de genade en barmhartigheid in Jezus Christus, Gods geliefde Zoon. Want onze onderwijzer wijst hier op het vertrouwen op de vergeving der zonden om Christus’ wil. Het Avondmaalsformulier zegt bij het tweede stuk van de zelfbeproeving: ‘Ten andere onderzoeke een iegelijk zijn hart of hij ook deze gewisse belofte Gods gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en sterven van Jezus Christus vergeven zijn.’

Gemeente, dat zijn rijke woorden, maar ook zulke grote zaken: ‘Uw zonden om Christus’ wil vergeven…’ Dat is nu zo vaak de strijd in het leven van Gods oprecht gemaakte volk. Ze mogen wel spreken van een heimwee naar God, ze mogen niet ontkennen dat er enige uitgangen van hun hart naar de Middelaar zijn gekomen. Maar ze kunnen en durven niet te zeggen: ‘Mijn zonden zijn mij vergeven.’ Dan is het hun gebed: ‘O Heere, zou ik dat eens uit Uw mond mogen horen? Spreek Gij tot mijn ziel: Ik ben uw heil alleen.’

Mogen zulke mensen dan niet aan het Heilig Avondmaal? Is het Heilig Avondmaal alleen voor de bevestigde kinderen van God, die zeker mogen weten dat hun staat bij God vast ligt? Voor mensen die op goede gronden kunnen zeggen: ‘Mijn zonden zijn mij vergeven’? Ach, gemeente, het zo te stellen zou verkeerd zijn. We zouden Gods volk bedroeven en hun opwas in de weg staan. Het gaat niet om de mate van verzekerdheid van het geloof, maar het gaat om de oprechtheid van het geloof. Het gaat erom: Is mijn geloof een waar zaligmakend geloof? Waar zijn de uitgangen van mijn hart op gericht?

Wat doet het ware geloof? Het neemt vanuit de ellende de toevlucht tot de Zaligmaker. Denk eens aan de bloedvloeiende vrouw. Als haar was gevraagd: ‘Weet u dat uw zonden zijn vergeven?’, dan zou ze daar geen bevestigend antwoord op hebben kunnen geven. Maar die vrouw kwam wel met de nood van haar leven tot Jezus, omdat ze haar diepe ellende buiten Hem inleefde. Ze wist het: buiten Jezus is het voor mij omkomen, zonder Jezus is het voor mij sterven. En zo drong ze van achteren door de schare en raakte ze de zoom van Zijn kleed aan. Deze vrouw overlegde in haar hart: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden (Matth.9:21). En zo kwam ze in haar zielennood tot Hem gevloden. En het is ook nu nog waar:

 

’t Behoeftig volk in hunne noden,

In hun ellend’ en pijn,

Gans hulpeloos tot Hem gevloden,

Zal Hij ten Redder zijn.

 

De onderwijzer zegt ook dat er in het leven van de Avondmaalganger het vertrouwen is ‘dat de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is’. Er is nog zoveel tekort in het leven van Gods kinderen. Het Avondmaalsformulier spreekt over een onvolkomen geloof, een zwakke ijver en de dagelijkse strijd tegen het ongeloof en de boze lusten van ons vlees. Maar toch zal dat God niet verhinderen om die zwakgelovigen in genade aan te nemen. O, dan wil de Heere dat vrezende en bevende volk wel eens naderbij brengen, ook tijdens de bediening van het Heilig Avondmaal.

Dan worden degenen die het om Christus te doen geworden is en bij Hem schuiling zoeken, genodigd aan des Heeren heilige tafel. Hoewel ze moeten bekennen dat ze midden in de dood liggen, nochtans zijn er uitgangen in hun leven gekomen naar Christus. Hij is hun dierbaar geworden onder de verkondiging van Zijn Woord. Hun hart gaat uit naar die Zaligmaker. En dan gebeurt het wel dat de Heere als een verrassend God hun banden breekt en zij de dood des Heeren mogen verkondigen in het midden van de gemeente.

Daarom moet er om met vrucht Avondmaal te houden enige kennis van Christus zijn. Smytegelt, de bekende Zeeuwse oudvader, zegt in zijn catechismusverklaring bij deze Zondag: ‘Al schreit gij u tot water, en gij kwaamt tot de Heere Jezus niet, zo is het alles niets.’ Zondaren die zichzelf leren mishagen voor God, moeten tot de Heere Jezus uitgedreven worden. In het leven van Gods kinderen komen er toch levende uitgangen van het hart om Christus te mogen gewinnen. Het kan zeer bestreden worden, maar op de bodem van het hart mogen ze in al hun onmogelijkheid, in hun zelfmishagen en zelfverfoeiing, wel eens met Petrus zeggen: Heere, tot wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68). Het wordt hun hartentaal: ‘Geef mij Jezus, of ik sterf; want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’

 

Het derde waar we onszelf aan moeten toetsen is het begeren. Dat hoort bij het stuk van de dankbaarheid. ‘Die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren.’ Die mensen voor wie het Heilig Avondmaal des Heeren is ingesteld wensen dus hun geloof te sterken. Ze zien uit naar opwas.

Let eens op de vader van de maanzieke knaap. Had die man een sterk geloof? Dat kun je niet zeggen. Had die man een écht geloof? Jazeker! Als de Heere Jezus tegen hem zegt: Alle dingen zijn mogelijk degene die gelooft (Mark.9:23), staat die man daar als het ware te wankelen. Aan de ene kant is er de twijfel en aan de andere kant weet hij ook niet waar hij anders heen moet. En wat zegt die vader dan in zijn zielennood? Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark.9:24). Dat is nu begeren het geloof te sterken. Herkennen we er iets van?

Die mensen begeren ook hun leven te beteren. Dat is weer zo’n kenmerk van genade. Ze zouden de zonde wel met wortel en tak willen uitroeien. Weet u waar zo iemand achter komt? Dat er vanbinnen niets goeds woont! Onlangs las ik iets treffends uit het leven van een ouderling. Hij zat in de trein tegenover een pastoor. Op een gegeven moment vroeg die pastoor aan hem: ‘U bent zeker een geestelijke?’ Die ouderling antwoordde: ‘Nee, ik ben vleselijk.‘ Waarschijnlijk heeft die pastoor dat niet begrepen, maar Gods kinderen doorleven wat Paulus eens aan de gemeente van Rome schreef: Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom.7:14). Ze leren: ‘Ik ben één en al zonde.’ Paulus kende dat verlangen om de zonde te doden. Al Gods kinderen begeren het. Smytegelt zegt in dit verband, dat er bij hen vaak meer lust is dan kracht. Is die lust, die begeerte, er in uw hart ook om tegen alle zonden te strijden? Hoe is dat in jullie leven, jongeren? Laten we ons allen bij dit derde woord maar weer onderzoeken: Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven (2 Kor.13:5). Dat nauwkeurig zelfonderzoek is voor ons allen zo nodig.

‘Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?’ Eigenlijk zouden we ook kunnen vragen: ‘Wie kan er getroost leven en zalig sterven?’ Wel, gemeente, dat zijn alleen degenen die iets van deze drie dingen kennen: mishagen, vertrouwen en begeren.

Een geveinsde wil niet graag onderzocht worden. Onze catechismus noemt hem een hypocriet. Dat is iemand die doet alsof hij een kind van God is en hij is het niet. Hij eet en drinkt zichzelf een oordeel. Dat betekent dat hij steeds vaster op zijn bedrieglijke grond voor de eeuwigheid komt te zitten. Ook voor degenen die zich niet met een waar hart tot God bekeren, is de toegang tot het Heilig Avondmaal gesloten. Daarom moeten we allen vragen om ontdekkende en eerlijk makende genade. Want een huichelaar kan nu nog een oprechte worden!

Een kenmerk van de oprechten is dat ze graag onderzocht worden. Ze schuwen het zelfonderzoek niet. Dezelfde oudvader, Smytegelt, zegt: ‘Een goed Avondmaalganger is iemand die veel van onderzoek houdt, van graven en verdiepen, van toetsen en overleggen.’ Gods kinderen bidden vanuit de grond van hun hart: ‘Heere, zie of er bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg. Want ik kan me maar één keer bedriegen voor de eeuwigheid.’

We gaan er samen van zingen uit Psalm 139 vers 14:

 

Doorgrond m’, en ken mijn hart, o Heer’!

Is ‘t geen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m’ en zie of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt;

En doe mij toch met vaste schreden

De weg ter zaligheid betreden.

 

Het Avondmaal des Heeren. Wij zagen allereerst de leugen rond het Avondmaal, als het gaat over de verzoening door Christus, de gemeenschap met Christus en de aanbidding van Christus. In de tweede plaats hebben we gelet op de gang naar het Avondmaal. Het is voor degenen die iets kennen van het mishagen, vertrouwen en begeren.

Nu komt onze derde gedachte:

 

3. De wacht bij het Avondmaal

 

Vraag 82 is een kerkelijke vraag. Deze vraag vormt de overgang naar Zondag 31 over de sleutelen des hemelrijks. De vraag luidt: ‘Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen?’

Voor de duidelijkheid: het gaat dus bij het weren van het Avondmaal niet over de huichelaars en de hypocrieten van vraag 81. Dat zijn geveinsden die doen alsof ze een kind van God zijn en die niet van hun bedrieglijke gronden af te krijgen zijn. Dergelijke mensen kunnen niet van de tafel des Heeren geweerd worden. Over hen oordeelt God. Als ze zich verder in hun leven niet als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen, geldt voor hen alleen de tucht van het Woord. Daarom moeten we als dienaren des Woords altijd -en zeker ook in de voorbereidingspreek- het kostelijke van het snode onderscheiden. Getrouw zijn in de Woordbediening. Eerlijk met de zielen omgaan op de preekstoel en bij de huizen. Verder moeten we het aan de Heere overlaten.

Hier gaat het echter over mensen die in hun belijdenis of leven als ongelovigen en goddelozen openbaar komen. Voor hen moet de wacht bij de tafel betrokken worden. Jullie zien altijd twee ouderlingen bij de Avondmaalstafel staan, jongens en meisjes. Misschien heb je wel eens gedacht: ‘Waarom staan zij daar eigenlijk?’ Die twee mannen staan daar als tafelwacht. Als er in de gemeente mensen zijn die onder de kerkelijke tucht staan, dan moeten zij hen van de tafel weren. De Heere wil dat er orde is in Zijn gemeente. Hij waakt over de heiligheid van Zijn huis.

 

Gemeente, in deze vraag komt wel heel duidelijk uit dat het Avondmaal des Heeren een heilige tafel is. Het gaat om het Heilig Avondmaal. Ongelovige en goddeloze mensen mogen niet aan het Avondmaal komen. ‘Want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd’, zegt de onderwijzer. De Avondmaalstafel is een heilige tafel; het is een verbondstafel. Daar wil de Heere het verbond met Zijn volk vernieuwen. Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande (Ps.50:5). Openbare zondaren mogen die tafel niet ontheiligen. ‘Want alzo wordt Zijn toorn over de ganse gemeente verwekt.’

Het Avondmaal heeft dus met de hele gemeente te maken. Als openbare zondaren en goddelozen toegelaten zouden worden, komt er een ban in de gemeente. Wanneer er in de praktijk rondom de sacramenten niet zuiver gehandeld wordt, heeft dat een weerslag op de gehele gemeente. Paulus zegt in dit verband tegen de gemeente van Korinthe: Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen (1 Kor.11:30). Omdat er rondom het Avondmaal in Korinthe verkeerde praktijken plaatsvonden, legde dit een floers over de gemeente. Hoe nodig dat we als ambtsdragers getrouw en eerlijk handelen, ook rondom de Avondmaalspraktijk in de gemeente.

 

De christelijke kerk is schuldig om deze openbare zondaren door de sleutelen des hemelrijks uit te sluiten. Die twee sleutels van het hemelrijk -de verkondiging van het Woord en de handhaving van de tucht- worden in de volgende zondagsafdeling behandeld.

Christus Zelf heeft deze sleutels in de hand van de ambtsdragers gelegd. Hij heeft gezegd tegen Zijn discipel Petrus: En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn (Matth.16:19). Later heeft Christus dat nog eens herhaald in de kring van de discipelen. En de apostelen zelf hebben er ook over geschreven. Denk aan Paulus in de eerste Korinthebrief. Lees de hoofdstukken 10 en 11 er maar op na.

Zo moeten de openbare ongelovigen en goddelozen van de tafel afgehouden worden ‘totdat zij betering huns levens bewijzen’. Ziet u dat de catechismus weer pastoraal is? De meest ongelovige en goddeloze zondaar kan nog tot God bekeerd worden. ‘Totdat zij betering hun levens bewijzen…’ Dit antwoord wijst er op dat God nog wacht om genadig te zijn.

 

Gemeente, die God mogen we u vandaag prediken. Hij wil om Christus’ wil zondaren nog genadig zijn. Dan is er geen zondaar te slecht, geen goddeloze te diep weggezonken, of hij of zij kan nog tot God bekeerd worden. Hoor wat God zegt: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ez.33:11) Jong en oud, zoek de Heere en leef! Want als er in ons leven niets wordt gevonden van de drie genoemde kenmerken van een ware Avondmaalganger, is er straks ook geen toegang tot Gods eeuwig Koninkrijk!

 

Kinderen des Heeren, was er in de preek wat herkenning toen het in vraag 81 ging over dat mishagen, vertrouwen en begeren? Misschien moet u wel zeggen: ‘De meeste herkenning vond ik in vraag 82: ongelovig en goddeloos.’ Het is waar: deze zaken moet u steeds dieper inleven. Dat zijn de verootmoedigende lessen op de leerschool van Gods genade. Dat doet de Heere om u arm te houden, om u bedelaar te laten blijven. Denk maar aan de laatste woorden van Luther: ‘Wij zijn bedelaars, dat is waar.’

Zo blijft Gods volk een bedelaarsvolk. Maar juist voor bedelaars is het Avondmaal des Heeren ingesteld. Wanneer de Heere de tafel in de gemeente laat aanrichten, worden daar bedelaars genodigd. Aan hen belooft de Heere:

 

‘k Zal Sions, ‘k zal der armen spijs

Hier zeeg’nen op de ruimste wijs…

 

En deze armen van Sion worden op Gods tijd met goederen vervuld!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 132:10

 

‘k Zal Sions, ‘k zal der armen spijs,

Hier zeeg’nen op de ruimste wijs.

Hier zal Ik, Mijnen naam ten prijs,

De priesters met Mijn heil bekleên,

En ’t volk doen juichen, weltevreên.