Ds. D. Rietdijk - Zondag 23

De bate van het geloof

Een scherpe aanklacht
Een verrassende vrijspraak
Het rechtvaardigend geloof
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 130: 1, 4
Lezen : Psalm 32
Zingen : Psalm 32: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 89: 1
Zingen : Psalm 103: 5, 6

Gemeente, wij gaan luisteren naar Zondag 23 van onze Heidelbergse Catechismus. Daar lezen wij ons catechetisch onderwijs: 

           

Vraag 59: Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?

Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam des eeuwigen levens.

 

Vraag 60: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Antwoord: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

 

Vraag 61: Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?

Antwoord: Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

 

Gemeente, wij gaan luisteren naar: De bate van het geloof.

 

En dan zien wij drie dingen:

1. Een scherpe aanklacht

2. Een verrassende vrijspraak

3. Het rechtvaardigend geloof

 

1. Een scherpe aanklacht

 

Onze catechismus heeft met ons de Twaalf Artikelen van het geloof behandeld. Dat was de inhoud van hetgeen een christen nodig was om te geloven. Over die Twaalf Artikelen heeft onze catechismus wijd en diep gesproken. Twee Zondagen waren gewijd aan ‘de Vader en onze schepping’. Drie Zondagen waren gewijd aan ‘de Heilige Geest en onze heiligmaking’. Niet minder dan negen Zondagen waren gewijd aan ‘God de Zoon en onze verlossing’. In het bijzonder over ‘de Zoon en onze verlossing’ heeft de catechismus breed gesproken. Drie Zondagen over Zijn namen, drie Zondagen over de staat van Zijn vernedering en drie Zondagen over de staat van Zijn verhoging.

 

Het gaat er nu om: wat baat het u nu? Wat hebt u eraan, dat u dit alles gelooft? Dan gaat het dus over alles wat samengevat is in de Twaalf Artikelen. Wat baat u dat? De vraag is eerst of u het gelooft en als u het gelooft, wat baat het u dan? Zo komt in deze dienst aan het eind van de behandeling van de Twaalf Artikelen, van de inhoud van het christelijk geloof, de vraag van Zondag 23 van onze catechismus op ons af.

 

Het is de rechtstreekse vraag:

Wat baat het u nu, heel persoonlijk, dat gij dit alles gelooft?

En dan krijgt u het antwoord dat de kern van de hele Reformatie samenvat:

Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.

De rechtvaardiging van een zondaar bestaat in twee dingen: dat hij rechtvaardig is voor God en in de tweede plaats dat hij een erfgenaam is van het eeuwige leven. Dat betekent dus dat hij in het eeuwige testament van God staat, dat zijn naam daar geschreven is en dat die erfenis in de hemel bewaard wordt voor hem en dat hij als erfgenaam op de aarde bewaard wordt voor die erfenis.

Erfenissen en erfgenamen worden bewaakt.

 

Die bewaring kan nooit anders dan in Christus, in de gemeenschap met Christus. Door het geloof Hem ingelijfd, zo alleen kunnen wij rechtvaardig zijn voor God.

Er is in de loop der eeuwen nogal wat gezegd en gedaan over dat ‘rechtvaardig zijn voor God’. Wat heeft men goede werken naar voren willen halen om een mens rechtvaardig voor God te doen zijn. Wat heeft de mens gepoogd om in een weg van werken en in een weg van heiliging van het leven zich te rechtvaardigen voor God. Het is het werk van de Heilige Geest in de Reformatie geweest om te laten zien dat een mens nooit meer, tot in der eeuwigheid niet, door de werken der wet rechtvaardig voor God kan zijn. Het is ten enenmale uitgesloten, dat iemand zich door zelfheiliging rechtvaardig kan maken voor God. Dat kan alleen door het rechtvaardigende geloof.

 

Zondag 23 komt er telkens op terug dat het alleen is door het geloof. Het ‘sola fide’, ‘alleen door het geloof’, heeft in deze dienst de volledige aandacht. In vraag 60, en dat is de kernvraag van Zondag 23, komt de onderwijzer daarop terug: ‘Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?’ Dus het wordt nog een keer met name gevraagd: ‘Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?’ En dan antwoordt onze onderwijzer: ‘Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus.’

Dat wil zeggen: een waar geloof. Er zijn allerlei soorten geloof die niets te maken hebben met het rechtvaardigend geloof. U kunt in wonderen geloven en je kunt voor een tijd geloven. Dat gaat meestal gepaard met veel ‘halleluja’ en blijdschap, maar het is slechts voor een tijd. U kunt de Bijbel geloven van Genesis tot en met Openbaring toe en dat dat het Woord van God is, maar ook dat maakt niet zalig. De krant gelooft u tenslotte ook. Het gaat om het rechtvaardigende geloof, een oprecht geloof. Dat bestaat niet alleen in kennis, maar ook in een waarachtig vertrouwen dat de Heilige Geest door het heilig evangelie in mijn hart werkt.

 

Het gaat om kennis en vertrouwen. Vertrouwen op God en vertrouwen alleen op het bloed van de Heere Jezus Christus. ‘Alleen door een oprecht geloof.’ Alles valt weg wat de mens meent te hebben en te bezitten om voor God te kunnen verschijnen. Als u dat geloof niet hebt, bent u, bij alles wat u zou kunnen vertellen uit uw leven, verloren. En als u dat geloof mag bezitten, dan hebt u naast dat geloof niets anders meer nodig, want het geloof is genoegzaam. Alleen een oprecht geloof, een waar geloof, dat verenigt met Christus. Dat zinkt op Hem als de Rotssteen des behouds. Dan wordt u aan Hem verbonden. ‘Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus.’

 

Nu gaat onze onderwijzer uiteenzetten hoe dat geloof werkt. Het komt, wanneer het gaat om onze rechtvaardigheid voor God, nog scherper naar voren dat alles wat van de mens is ten enenmale wegvalt.

De onderwijzer vraagt: ‘Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?’

Hierbij moeten we bedenken dat er allerlei soorten rechtvaardigheid zijn in het menselijke leven, die niets te maken hebben met de rechtvaardiging voor God. Je kunt ook onder de mensen een bepaalde rechtvaardigheid hebben.

Denkt u aan Job. Hij is een man die rechtvaardig, vroom en godvrezend is en wijkend van het kwaad. Deze man verliest alles wat hij heeft: zijn bezittingen, zijn kinderen en zijn gezondheid. De vrienden komen bij Job. Ze hebben eerst drie dagen hun mond gehouden, omdat ze zagen dat de smart groot was. Hadden ze dat nu maar volgehouden, dan was het goed geweest. Maar na drie dagen gingen ze praten. Toen ging het fout, want toen gingen ze tegen Job zeggen: ‘Job, je moet eens luisteren. Iemand die dergelijke dingen overkomt, heeft wat kwaads gedaan in zijn leven. Het is gewoon het oude regeltje: wie kwaad gedaan heeft, krijgt straf.’

Dat dachten de discipelen ook. Die waren net zo ver als de vrienden van Job. Toen ze de blindgeborene zagen, zeiden ze: ‘Wie heeft er gezondigd? Heeft die man zelf gezondigd of zijn ouders?’ Toen zei de Heere: ‘Niemand! Niemand heeft gezondigd. Hij niet, noch zijn ouders, maar dit is geschied opdat God verheerlijkt worde.’

Zo is dat ook in het boek Job. De vrienden van Job zeggen: ‘Job, je hebt gezondigd. Kom er maar voor uit en zeg het nu maar eerlijk, want ‘wie kwaad gedaan heeft, krijgt straf’. Jij krijgt straf, dus je hebt kwaad gedaan. Vertel het nu maar.’

En dan zegt Job: ‘Ik heb geen kwaad gedaan, zodat de Heere mij voor Zijn rechterstoel zou dagen.’ De mensen zeggen wel eens: ‘Ja, dan spreekt Job toch kwaad van God, dat mag hij toch niet zeggen?’ Nee, u moet goed begrijpen waar het Job om gaat. Het gaat erom of hij in deze zaak rechtvaardig is. Er kunnen omstandigheden zijn waaronder u zeggen mag: ‘De Heere weet het, dat ik in deze zaak recht ben.’

 

Maar hier in Zondag 23 gaat het er niet om of u in een bepaalde zaak gelijk hebt en dus rechtvaardig bent. In Zondag 23 gaat het er om of u rechtvaardig bent voor God. Dat wil zeggen of u als mens, als persoon rechtvaardig bent voor God. Dat is niemand. Job niet en die blindgeborene niet en de ouders van die blindgeborene niet.

 

Bent u rechtvaardig voor God? Dan moet je je voorstellen Wie God is.

Als je Jesaja 6 opslaat, het roepingvisioen van Jesaja, dan ziet Jesaja de Heere in Zijn heerlijkheid zitten op Zijn troon en dan hoort hij de serafs in de hemel zingen: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol (Jes.6:3). Zo hoort hij de heiligheid van God in de hemel uitroepen. De serafs bedekken met twee vleugelen hun aangezicht en met twee vleugelen hun voeten en met twee vleugelen vliegen zij. Hij is zo heilig, dat die heilige engelen niet voor Hem kunnen bestaan. Zou u voor die God rechtvaardig zijn? Job zegt: ‘Voor Wie zelfs de hemelen nog onrein zijn en voor Wie het licht van de zon nog onrein is.’

Zou u dan voor Hem rein zijn?

 

Wie zal rein zijn voor die God?

U kent het vers uit Psalm 139 wel: ‘Doorgrond m’ en ken mijn hart, o Heer’. God doorziet alle dingen. Hij kijkt door de gevel van ons bestaan heen. U weet wel, voor de mensen weten we altijd een mooi geveltje op te trekken, maar je moet er niet achter kijken. Voor mensen kunnen we een etalage maken, maar God kijkt door onze gevels en door onze etalages heen. God kijkt in het binnenste van ons hart. Hij proeft de nieren en kent de bodem van ons hart. Wie zal er dan rechtvaardig zijn voor God?

 

Dan komt het antwoord dat op de Schrift gegrond is: ‘Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus.’ Dan zou u zeggen: gaat dat dan zomaar? Kun je dan als mens, die geen gerechtigheid heeft voor God, voor die heilige God bestaan, alleen door dat geloof in Jezus Christus? Ja, zegt onze onderwijzer.

Hij gaat dat uitleggen met een scherpe aanklacht.

‘Alzo dat, al is het dat mijn geweten mij aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen derzelve gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds…’

Eerst die aanklacht.

Mijn geweten klaagt mij aan voor God. Het geweten van de mens is de aanklager die wij in Gods naam in ons binnenste omdragen. Het geweten spreekt als we zonde doen of als we dat willen doen. Dat geweten kunt u, zoals geschreven staat in 1 Timotheüs 4 vers 2, toeschroeien als met een brandijzer. Dat geweten kunt u het zwijgen opleggen, u kunt het de mond snoeren door over de spraak van dat geweten heen te leven.

Als de Heilige Geest in je leven komt, wordt het geweten wakker. Je kunt het dan niet meer tot zwijgen brengen. Dat geweten gaat dan spreken en dat gaat alles overstemmen. Dat gaat je aanklagen bij God.

 

In de profetieën van Zacharia lees je in hoofdstuk 3 van Jozua, de hogepriester, die met het volk van Israël uit de ballingschap naar het land van Kanaän kwam. Zacharia ziet in één van de nachtgezichten deze Jozua, de hogepriester, staan voor de Engel des Heeren, voor Christus. Hij staat daar met vuile klederen. U ziet de hogepriester staan in die prachtige kledij van dat hemelsblauwe overkleed en dat witte onderkleed en de efod, dat vest dat hij aanheeft, met de borstlap met daarop de twaalf stammen van Israël. Op zijn schouder heeft hij de schouderstukken met op iedere kant zes namen van de stammen van Israël. Maar dat kleed is vuil. Dat prachtige, hemelsblauwe kleed is vuil en dat witte onderkleed is ook vuil.

Jozua is hier de vertegenwoordiger van het volk van Israël dat in ballingschap gezeten heeft en zich daar met de afgoden ingelaten heeft. Jozua staat daar als hogepriester, als de top, zou u kunnen zeggen, van het volk van Israël, voor God.

Naast Jozua staat de satan. Niet voor niets wordt hij ‘de verklager der broederen’ genoemd. Dat wil zeggen: hij klaagt altijd de kinderen van God aan bij God. De satan zegt: ‘Moet U eens kijken naar die Jozua in dat blauwe kleed! Moet U eens kijken hoe vuil het is! Daar zit een vlek en daar zit een vlek. En dat witte onderkleed, moet U eens kijken hoe vuil dat het kleed is! Die man kan toch niet dienen? Die man kan toch niet functioneren als hogepriester van Israël? Zou U deze man willen accepteren? En zou U zo in hem dat volk willen accepteren?’ 

 

Gemeente, daar staat een zondaar voor God.

Nu is het niet in de eerste plaats, zegt de catechismus, de satan die ons aanklaagt, maar dat is mijn geweten. Dat is nog veel dichterbij: mijn geweten klaagt mij aan. Wat zegt dan dat geweten? Wel, dat zegt in de allereerste plaats dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd heb.

U luistert zondagsmorgens altijd mee naar het lezen van de wet. Dan is een mens zo slim dat hij denkt: ‘Nou nee, dat valt wel mee. Ja, dáár heb ik wel tegen gezondigd, maar tegen het volgende gebod niet.’ Onze catechismus zegt niet dat ons geweten ons aanklaagt omdat we wel eens een keer een gebod hebben overtreden, maar onze catechismus zegt dat het ons aanklaagt dat we tegen ál de geboden Gods gezondigd hebben. Dus niet één uitgezonderd. Van het eerste gebod: ‘Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben’, tot het laatste gebod: ‘Gij zult niet begeren uws naasten huis, uws naasten vrouw, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets dat uws naasten is.’

Al de geboden Gods, alle tien, zwaar overtreden. Dus niet zo van: ‘Nou ja, dat ene gebod ligt de mens meer dan het andere. Ieder mens heeft zo zijn eigen boezemzonde.’ Nee, zwaarlijk gezondigd tegen al de geboden Gods. Ook het gezag verworpen, ook overspel gepleegd, ook een moord begaan, ook de Naam des Heeren gelasterd, en gaat u zo maar door.

Al de geboden Gods!

 

Is dat niet overdreven van onze catechismus? Maken ze het niet wat te erg? Zou u het niet een beetje milder kunnen zeggen? Zou het wel waar zijn dat we zo tegen God gezondigd hebben?

Gemeente, geloof nu de catechismus maar! Vraagt u maar aan de Heere of u het zien mag bij het licht van de Heilige Geest, dat u helemaal niet deugt, dat er nog nooit iets goeds uit u voortgekomen is. Luister maar wat de catechismus zegt: ‘Niet alleen dat ik al de geboden Gods zwaarlijk heb overtreden, maar ook dat ik nog nooit één van die gehouden heb.’

 

Je hebt zonden van bedrijf en je hebt zonden van nalatigheid. De zonde van bedrijf is dat je geboden overtreedt en de zonde van nalatigheid is dat je datgene wat je geboden is, niet doet.

Zou het nu zo zijn, dat ik nog nooit één van die geboden gehouden heb? Je hebt toch zo je best gedaan om op zondag niks te doen? Zo je best gedaan om eerlijk door het leven te gaan en niet te stelen? En toch het gebod ‘gij zult niet stelen’ overtreden? Nog nooit gehouden?

 

Gemeente, dat is wat! ‘En nog steeds tot alle boosheid geneigd ben.’

Daar wordt de deur eigenlijk helemaal dichtgedaan. Er wordt niet alleen gezegd wat achter ligt, maar nu gaan we naar voren kijken. Wat achter ons ligt, deugt niet. We hebben tegen al de geboden Gods zwaarlijk overtreden en nog nooit één van die gehouden. En als ze nu naar voren gaan kijken, belijden ze eerlijk: ‘En nog steeds tot alle boosheid geneigd ben.’

 

Zo is uw hart. Er klopt van uw en mijn bestaan niets. Dat bestaan is veroordeeld door God. Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10).

Is dan ons bestaan zo? Is dat niet wat zwartgallig? Is dat niet wat zwartkijkerig om er zo over te praten? Nee, gemeente, het is waar. Zullen we dat onthouden? Zullen we dat meedragen? Zullen we vragen om de ontdekking van de Heilige Geest, om te gaan leren dat het werkelijk waar is, dat het de waarachtige waarheid van God is, dat geen vlees zal roemen voor God?

Als u Romeinen 3 leest, het eerste gedeelte van dat hoofdstuk, komt u daar de mens tegen met zijn totale verlorenheid. Zo is het met u en met mij.

 

Hoe kan die mens nu rechtvaardig zijn voor God? We gaan daar op letten in onze tweede gedachte:

 

2. Een verrassende vrijspraak

 

Gemeente, dit is de kern van onze gereformeerde leer: er kan geen vlees bestaan voor God. Dat vlees kun je niet opknappen, dat kun je niet mooi maken, dat kun je niet netjes maken. Je kunt niet zeggen: ‘Nou ja, het is wel niet helemaal goed, maar ik ben toch wel een eind op weg.’ Nee, onthoud het: u bent verloren, tenzij...

Zo horen we van David hoe zijn geweten hem voor God aanklaagt in Psalm 32:

 

‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden;

‘k Verborg geen kwaad, dat in mij werd gevonden;

Maar ik beleed, na ernstig overleg,

Mijn boze daân…

 

En nu, nu komt de verrassende vrijspraak dat zo’n mens, die geen goed meer van zichzelf kan zeggen maar zichzelf bij God moet aanklagen, vrijgesproken wordt met een verrassende vrijspraak: … Gij naamt die gunstig weg!

Nu begint onze catechismus met de spil, het scharnier waarom Zondag 23 volkomen, 180 graden draait:

‘Al is het dat mijn geweten mij aanklaagt, nochtans…’

Daar hebt u het ‘nochtans’ van God. Daar hebt u het ‘nochtans’ van het geloof. Daar hebt u het ‘nochtans’ van de genade.

‘Nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent.’

Dat ‘nochtans’ van God wil dus zeggen: al is het hopeloos aan uw kant, al bent u veroordeeld, God gaat iets doen wat je niet verwacht, waar je niet op kunt rekenen en waarop je helemaal jezelf niet kunt instellen. Immers, je geweten veroordeelt je. God komt met Zijn genade ‘zonder enige verdienste mijnerzijds’. Er gaat een streep door alles wat de mens gedaan heeft, waarmee hij voor God niet kan bestaan. Het beste wat u gedaan heeft, is nog met zonde bevlekt. Er gaat een streep door.

 

‘Zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade.’

Dat is de pure genade Gods. Dat is de heldere genade Gods.

Dat legt nu de grond voor het vervolg:

‘Mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent.’

 

Gemeente, de genoegdoening van Christus, wat is dat?

Wel, die staat tegenover ‘het overtreden van al de geboden Gods’. Wie het gebod overtreedt, heeft straf verdiend, eeuwige straf, naar lichaam en ziel beide. Wat doet Christus nu? Die straf dragen. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem; en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5).

Hij gaat de straf dragen, wegdragen. Hij heeft genoeg gedaan aan het recht van Zijn Vader. God gaat nu die genoegdoening van Christus mij toerekenen en mij schenken. Dat doet God in Zijn Woord, in het eeuwige evangelie, in Christus.

 

En wat is de gerechtigheid van Christus?

Die staat tegenover het feit dat ik nog nooit één van de geboden Gods gehouden heb. Jezus heeft dat wel gedaan. Als er Eén geweest is Die God heeft liefgehad boven alles en Zijn naaste als Zichzelf, dan is dat Jezus. Elke voetstap in deze wereld was een voetstap in de geboden van Zijn Vader.

Dat is de gerechtigheid van Christus. Hij Die de geboden van God volkomen heeft onderhouden en aan de geboden van God volmaakt heeft voldaan. Hij Die nooit een keer zonde heeft gedaan, in Wiens mond geen bedrog noch onrecht geweest is. Hij heeft de geboden, de wet van God, onderhouden. Die gerechtigheid gaat God aan een zondaar schenken en toerekenen.

 

Het is net als bij Jozua, de hogepriester, die daar bij het altaar staat en van wie satan zegt: ‘Moet je eens naar zijn kleren kijken!’ De Engel des Heeren, Christus, zegt nu dat die kleding van Jozua moet worden uitgetrokken, dat hij nieuwe wisselklederen aan krijgt en dat hij een nieuwe kroon op zijn hoofd krijgt.

Gemeente, dan worden wij bekleed met de mantel des heils en de mantel der gerechtigheid wordt ons omgedaan. Die vuile klederen worden afgenomen en het kleed des heils, de mantel der gerechtigheid die Christus geweven heeft door de gehoorzaamheid waarmee Hij de wet van God volbracht heeft, wordt om onze schouders gehangen. Dit houdt in dat God een mens die bekleed is met dat kleed der gerechtigheid, voor Zich ziet alsof hij al de geboden van God zou hebben onderhouden.

 

En wat betekent Christus’ heiligheid?

Die staat tegenover het feit dat ik nog steeds tot alle boosheid geneigd ben.

Gemeente, het is Christus, ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, Die met Zijn onschuld en heiligheid de zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor het aangezicht van God bedekt.

Jezus, met Zijn heiligheid, met Zijn volmaakte heiligheid, bedekt de zondaar vanaf het uur van de ontvangenis tot aan de laatste snik toe. Hij is in de plaats van Zijn volk gaan staan. Niet alleen aan het kruis, maar ook als Hij wandelt door Jeruzalem en als Hij in de kribbe van Bethlehem ligt, is Hij al de heilige Jezus. Het is Jezus Die met Zijn onschuld de onreinheid, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor het aangezicht van God bedekt.

 

Dat doet God zo volkomen,

‘evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan. Ja, alsof ik ook al de gehoorzaamheid had volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.’

Nou, dat is wat! Dus God ziet daar een mens staan die nog nooit zonde gekend heeft, die nog nooit zonde gedaan heeft en die altijd gehoorzaam geweest is aan zijn Vader. In Christus spreekt God zulk een zondaar volkomen vrij. Op grond van recht, want er mankeert niets aan. De wet is vervuld, de straf is gedragen, er is geen overtreding te vinden.

Die mens staat daar zoals Adam eenmaal in de hof van Eden stond. Hij stond daar volmaakt voor God, rein, zonder vlek. Zo staat ook de mens in Christus, met één verschil:  Adam kon vallen, die mens niet. De mens die zo door God bekleed wordt, kan niet meer vallen. Hij is op dat fundament gelegd, op die levende Steen, die blijft tot in eeuwigheid.

Zo spreekt God een mens, uit wie nog nooit iets goeds voortgekomen is, helemaal, volmaakt vrij. Hij krijgt vrede in zijn hart met God. Ja, zo volkomen, als had hij nooit zonde gedaan. Ja, als had hij al de gehoorzaamheid volbracht die Christus voor hem volbracht heeft.

 

Gemeente, je kunt dat alleen maar door het geloof ontvangen.

Er staat in ons antwoord:

‘Voor zover ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.’

Dus het gaat om je hart. Niet met je verstand, maar met je hart aannemen. Het gaat om dat volkomen, dat volmaakte overgeven aan deze volkomen gerechtigheid van Christus.

Het ‘in zover’ bedoelt niet de maat van het geloof. Zo wordt wel eens gesproken, maar dat is niet waar. In de Latijnse tekst van onze catechismus, zoals die is opgesteld, staat een woord dat heel duidelijk aangeeft dat het hier om een voorwaarde gaat. ‘Zover ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem’ wil zeggen: dat geschonkene van Christus kan alleen maar door het geloof aanvaard worden en niet anders. Er is maar één weg tot de zaligheid; dat is het geloof.

 

Gemeente, u ziet twee mensen in de tempel komen, om te bidden. De één is een tollenaar. Nou, dat is nogal wat in Israël! De ander is een farizeeër.

De één komt in zijn volle waardigheid de tempel binnen en loopt rechtuit naar voren toe. De ander durft nauwelijks de tempel binnen te komen en blijft achteraan staan. De één gaat God danken dat hij niet is zoals andere mensen; een rover, een dief, een overspeler of zoals die tollenaar daar. Hij vast tweemaal in de week en hij geeft tienden van al wat hij bezit. Die man kan het niet op met zijn geestelijke rijkdom, hij is geweldig in eigen oog.

Die andere man staat achter in de tempel en durft zijn ogen niet op te heffen naar de hemel. Hij durft voor God en mensen zijn ogen niet op te heffen. Hij slaat zich op de borst en zegt: ‘O God, wees mij, de zondaar, de grootste, de voornaamste, genadig!’ Dat is het enige wat hij vragen kan. Het enige wat hij bedelen kan: ‘Wees mij, de zondaar, genadig!’

Jezus zegt van deze tollenaar: ‘Deze ging gerechtvaardigd af naar zijn huis, meer dan die.’ Meer dan die farizeeër. Want de farizeeër ging ook gerechtvaardigd naar huis. Ging hij ook gerechtvaardigd naar huis? Jawel, kijk hem maar lopen: rechtop, keurig, netjes, mooi kleed aan en kwastjes aan zijn kleed. Je kunt zo zien: dat is een man die het ernstig neemt. Hij ging gerechtvaardigd af naar zijn huis, maar hij had zichzelf gerechtvaardigd, hij had zichzelf vrijgesproken. De tollenaar ging ook gerechtvaardigd naar huis, maar die was door God vrijgesproken.

Daar hebt u het verschil. De één ging gerechtvaardigd naar huis, meer dan die. Want de één had een ‘vreemde’ gerechtigheid ontvangen en de ander ging met zijn eigen gerechtigheid op stap. Meer dan die…!

 

Gemeente, wat een verschil. Wat zal de tollenaar een vrede in zijn hart gehad hebben!

Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan;  alzo heb ik gezworen dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.

Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer (Jes.54:9-10).

Dat is wat! Wat zal die man een vrede gehad hebben! Hij heeft geen farizeeërs meer gezien, hij heeft geen andere tollenaars meer gezien. Hij heeft alleen maar dit geweten: de vrede met God.

 

God doet dat nog. Wie door het geloof de gerechtigheid van Christus aanvaarden mag, die heeft vrede in zijn ziel, waarin het al zingen gaat, als een voorspel op de eeuwige vreugde straks. Daar gaat het zingen in zijn hart, zoals wij nu gaan zingen uit Psalm 89, het eerste vers:

 

‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;
Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên;
Ik weet hoe ‘t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.

 

Tenslotte:

 

3. Het rechtvaardigend geloof

 

Gemeente, er kruipt hier weer een addertje onder het gras en dat zegt: ‘Ja, dat geloof rechtvaardigt.’ Dan gaat dat geloof iets verdienstelijks krijgen. Het geloof wordt dan een soort werk van de mens, waardoor God hem rechtvaardigt. Hij wordt dus om het geloof gerechtvaardigd, om de verdienstelijkheid van dat geloof, om de waardigheid van dat geloof. De gelovige heeft dan zó veel waarde voor God, dat God hem de zonde niet toerekent, maar de gerechtigheid van Christus. Ja, dat is een addertje dat van de Roomse zijde, in de dagen van de Reformatie, werd aangedragen.

 

Daartegen hebben onze onderwijzers zich gewapend en verzet.

Ze hebben gezegd:

‘Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof gerechtvaardigd zijt?’

Is dat geloof zo verdienstelijk dat u daardoor wordt vrijgesproken van schuld en straf en dat u een recht krijgt op het eeuwige leven? Dan zeggen ze:

‘Nee, niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof Gode aangenaam ben.’

Daardoor zijn we voor God niet aangenaam. Het geloof is een instrument, een hand, waarmee u alleen kunt aannemen datgene wat God schenkt.

 

U zou het zich zo voor kunnen stellen. Er rijdt een auto het water in, maar er is gelukkig iemand in de buurt die de chauffeur uit de auto probeert te halen. Maar u begrijpt dat de man die de chauffeur redt, die chauffer niet hoeft te bedanken dat hij zijn hand uitstrekte waardoor hij gered kon worden. Nee, de chauffeur van de auto die te water raakte, moet die man bedanken dat hij zo goed was om hem uit de auto te trekken.

Kijk, zo is dat nu met het geloof. Wij zijn niet door het geloof aangenaam bij God, net zo min als dat die man die hem redde dankbaar moet wezen dat de chauffeur zijn hand uitstak.

Niet door de waardigheid van ons geloof zijn we dus Gode aangenaam, maar doordat de genoegdoening, de gerechtigheid en de heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is. Alleen datgene wat Christus gedaan heeft, is mijn gerechtigheid voor God. Ik kan dat niet anders dan door een oprecht geloof aannemen en mij toe-eigenen. Het oprechte geloof eigent toe, dat mijnt. Het oprechte geloof mijnt datgene wat de Heere vanuit die volheid van Christus schenkt. Dat zegt: ‘Mijn Heere, mijn God, mijn Zaligmaker!’ Zoals Maria zong, dat haar geest zich verheugde en dat zij blij roemde in God haar Zaligmaker. ‘Ik zal Hem mijn Zaligmaker noemen!’

 

Het geloof is een werkstuk van de Heilige Geest. Daar gaat onze catechismus in de volgende Zondagen nader op in. En waar de Heilige Geest komt, gaat Hij toe-eigenen, zegt ons doopsformulier, hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen, in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden.

De Heilige Geest eigent toe hetgeen wij al in Christus hebben. Dat doet Hij door middel van het geloof dat Hij Zelf werkt.

 

Gemeente, het geloof, de hand om de verdienste van Christus aan te nemen, wordt tegelijkertijd geschonken met alles wat in Christus is. Dat gaat samen. De Heere schenkt datgene wat in Christus is en Hij schenkt het geloof, de hand die aanneemt en toe-eigent.

Dan eigent het geloof toe, zodat niemand het ooit meer uit onze gedachten weg kan krijgen. Dan is het: ‘Mijn God en mijn Zaligmaker en mijn Verlosser, mijn Goël, mijn Redder, mijn Zondevernieler!’

 

En nu gaat het erom of u dat ook kent. Die aanklacht van uzelf bij God, dat in de allereerste plaats. U vindt dat in de boetpsalmen. Daar vindt u mensen die zich aanklagen bij God, vanwege hun zonden. Waar een mens zich waarachtig aanklaagt dat hij al de geboden Gods heeft overtreden, nog nooit één van die gehouden en nog steeds tot alle boosheid geneigd is en zo aan de bodem van zijn bestaan gekomen is, daar is God onmiddellijk. Dat scheelt geen seconde. Daar geeft God de vrijspraak in Christus, in het dierbare bloed.

Gemeente, wat is het een wonder als u daar terecht mag komen. Want dan wordt u vastgezet, zoals de dichter van Psalm 40 zegt dat de Heere hem opgetrokken had uit een diepe kuil en hem gezet heeft op een rotssteen en dat hij daarop zijn gangen heeft vastgemaakt.

 

Er was eens een man aan wie gevraagd werd hoe het met hem ging. Men zei: ‘Het is zeker op en neer hè?’ Dus: dan weer eens een hoogte- en dan weer eens een dieptepunt. Hij zei: ‘Nee, want ik zit op de bodem.’ Zo is het als mijn geweten mij aanklaagt: tegen al de geboden Gods gezondigd, nooit één van die gehouden en nog steeds tot alle boosheid geneigd… Dan zit je op de bodem.

Maar daar is God, daar is de Heere ook. Maar op deze zal ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft (Jes.66:2). Naar hen zal Hij omzien in Zijn genade, in Zijn gunst in Christus.

 

Gemeente, het is van tweeën een: óf we hebben de vrijspraak in Christus, om de verdienste van Christus’ wil, óf wij leven voor eigen rekening voort.

Je kunt dat laatste op twee manieren doen. Je kunt het los doen, naar je eigen aard en zin leven, naar je eigen lusten leven, de wereld dienen. Je kunt het ook op een godsdienstige wijze doen, keurig netjes. ‘Dit doen we niet en dat doen we niet en daar doen we niet aan mee.’ Moet dat dan niet? Natuurlijk, vanzelf, maar maakt u er alstublieft geen grond van voor de eeuwigheid, want u bent desondanks verloren voor God.

Denkt u er aan dat u één ding moet weten: dat wij tot op de bodem van ons bestaan verloren zijn voor God en dat we alleen behouden kunnen worden ‘zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, alleen door de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van de Heere Jezus Christus, die God schenkt en toerekent. En zo volmaakt, als had ik nooit zonde gekend, noch gedaan. Ja, als had ik al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.’

Het is alleen door Hem, alleen uit Hem, maar het zal ook alleen tot Hem zijn.

 

Gemeente, de Kerk gaat straks eeuwig zingen. Dan zal daar geen lettergreep bij zijn over zichzelf. Geen woord!

Het zal alleen maar zijn: Gij!

Daarover zal het alleen maar gaan. Gij!

 

Zo heeft Judas zijn brief beëindigd, na alles wat hij geschreven heeft:

Hem nu (dat is Christus), Die machtig is u van struikelen te bewaren en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde, de alleen wijze God, onze Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid (Judas:24-25).

 

Dan gaat het alleen nog maar om Hem!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 103: 5 en 6

 

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,
Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;
Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt;
Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;
Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,
Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

Zo hoog Zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,
Zo groot is ook voor allen die Hem vrezen,
De gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan.
Zo ver het west verwijderd is van ‘t oosten,
Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).