Ds. R. Kattenberg - Zondag 18

Hemelvaart

Wat bedoelen we daarmee?
Welke vragen roept ze op?
Welk nut werpt ze af?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 47: 1, 3
Lezen : Handelingen 1: 4-14
Zingen : Psalm 7: 1, 4
Zingen : Psalm 24: 5
Zingen : Psalm 148: 5
Zingen : Psalm 110: 7

Het is Zondag 18 van de Heidelbergse Catechismus die in deze dienst onze aandacht vraagt. We lezen die Zondag:

 

Vraag 46: Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?

Antwoord: Dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

 

Vraag 47: Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?

Antwoord: Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

 

Vraag 48: Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?

Antwoord: Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overaltegenwoordig is, zo moet volgen dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

 

Vraag 49: Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Antwoord: Ten eerste, dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.

 

Het onderwerp van deze Zondag is: Hemelvaart.

 

1. Wat bedoelen we daarmee?

2. Welke vragen roept ze op?

3. Welk nut werpt ze af?

 

1. Wat bedoelen we daarmee?

 

In het Nieuwe Testament neemt de hemelvaart van de Heere Jezus Christus een grote plaats in. Niet alleen het feit op zichzelf - het heilsfeit wordt ons daar verteld - maar ook de betekenis daarvan. Als u leest in de brieven van de apostel Paulus kom je dat steeds weer tegen. Daarom is het goed dat wij ons daarop bezinnen.

Misschien zegt u: ‘We vieren toch al Hemelvaartsdag? Moeten we daar nu vandaag ook nog over nadenken?’ Ik hoop dat u straks na afloop van de dienst zegt: ‘Wat een onvermoede rijkdommen komen er toch altijd weer tevoorschijn uit het Woord van God!’

 

Misschien mag ik u een opstapje geven. Ik noemde zo-even al het woord ‘heilsfeit’. Als we dat woord nu splitsen en we draaien het om dan krijg je ‘een feit van heil’.

Waar gaat het in deze dienst om, meisjes en jongens? Allereerst gaat het om de eer van God. En vervolgens gaat het om jouw heil. Om jouw zaligheid! Al zou er dan elke zondag, bij wijze van spreken, over de hemelvaart gepreekt worden, als je dat beseft, dan zou je echt niet op het appèl gemist worden. Dan zou je er zijn. Dan zeg je: ‘Heere, geef mij onderwijs, met goddelijk licht bestraald.’ Het feit van heil…

 

We kijken naar boven en dan zien we dat hemelvaart de kroning betekent van de Heere Jezus Christus.

Ik stel het heel menselijk voor, zodat de kinderen het ook kunnen volgen.

Als de Heere Jezus thuiskomt bij Zijn Vader, ligt de kroon klaar. ‘Zoon, alles wat Ik U heb opgedragen is volbracht. Het is alles achter de rug. Nu krijgt U de kroon der heerlijkheid, tot in eeuwigheid.’ Als dit vanuit de hemel hier op de aarde gepredikt wordt, is het dan wonder dat het geloof zingt: ‘Opgevaren ten hemel’? Dat is toch een blijde jubel van het geloof?

Of is het theorie, gemeente? Is het een beetje beschouwing? Blijft het hangen in een dogmatisch gebeuren? Want laten we eerlijk zijn, de hemelvaart van de Heere Jezus Christus leeft in het algemeen niet zo erg. En zeker in een tijd waarin alles gericht is op het horizontale, is er moed, geloofsmoed voor nodig om daarover te spreken.

Kijk, meisjes en jongens, je hebt de wereld niet mee, je hebt de mensen niet mee en je hebt jezelf ook niet mee, als het gaat om de hemelvaart. Want we zijn allemaal vanuit de aarde aards. We zijn allemaal gericht op datgene wat we zien en tasten kunnen. Het komt niet uit jezelf als je door alles wat de wereld je aanreikt heen breekt.

Het gaat niet in de zin van: ‘Dat doe ik wel even.’ Maar het wordt een verlangen van het hart. Dan ga je bij deze dingen niet uitsluitend met je verstand te rade.

 

Hemelvaart, hoe kan dat? Hoe kan iemand zomaar van de aarde opvaren, dat zomaar de voeten losraken? Dat kan toch niet? Wetenschappelijk is dat een onmogelijkheid. Dat mag zo zijn, maar het geloof is niet een wetenschappelijke aangelegenheid. Geloof is geloof. Geloof is waarachtig. We begrijpen het niet, maar vragen: ‘Geef mij verstand, met goddelijk licht bestraald.’

Gemeente, in Zondag 18 komt terug wat we in Zondag 1 gehoord hebben: ‘Wat is uw enige troost in leven en in sterven?’ Wat hoort er nu ook bij? Het geloof zegt dan: ‘Dit hoort erbij: dat mijn Heere Jezus Christus ten hemel is gevaren en mij ten goede daar is. Dat is ook de enige troost.’

 

Het heilsfeit van hemelvaart wordt in de Bijbel sober beschreven. We hebben het gehoord uit Handelingen 1. Na Zijn opstanding uit de doden is de Heere Jezus nog veertig dagen bij Zijn jongeren gebleven. Hij heeft hen onderwijs gegeven en dan komt het moment van afscheid nemen. Voorgoed afscheid nemen. Dan gaat Hij heen naar de Vader. Dat doet Hij met zegenende handen. Als Zijn voeten zich losmaken van de aarde, dan zijn Zijn handen zegenend uitgestrekt over Zijn jongeren. Daar raak je nooit over uitgedacht. Dat waren doorboorde handen… Zo hebben ze afscheid genomen van Hem, ziende op Zijn doorboorde handen.

Maar als u blijft kijken, ziet u ook nog andere handen. Daar zijn ook de handen van God de Vader, want er staat in het antwoord van de catechismus dat de Heere Jezus is ‘opgeheven’. Dus er is een Ander geweest Die Hem de hemel heeft binnengehaald. De handen van de Vader. Naar de mens gesproken, wat een bijzonder gebeuren voor de Heere Jezus!

Wat heeft Hij gesmacht naar de handen van Zijn Vader op Golgotha. Toen ontbraken die handen en riep Hij het uit: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46).
Maar op Hemelvaartsdag is het: ‘God neemt Hem op in Zijn heerlijkheid.’ God neemt Hem op, dat is een daad van God.

 

Hemelvaart is een zaak van recht. Vanwege onze zonde heeft God de hemel een keer moeten sluiten. Hoe leeft u daar onder? Een gesloten hemel. Verboden toegang! Uw schuld, jouw schuld, mijn schuld. Toen God dat gedaan heeft, was dat een zaak van recht. Maar kijk nu eens terug, gemeente. Wat is er veel gebeurd!

De kinderen weten het: Bethlehem, de Heere Jezus is geboren.

De kinderen weten het: Golgotha, de Heere Jezus is gekruisigd.

Ja, de kinderen weten het: de hof van Jozef van Arimathea, het open graf. Christus Jezus is opgestaan van de doden.

Heel die weg terug predikt God ons de weg van leven en van zaligheid. Zo is er een weg gebaand naar de troon van Gods genade. Hebt u daar oog voor? Is dat een levende werkelijkheid? Is dat het wonder van uw leven? Ook voor jullie, meisjes en jongens? Je gaat híer naar toe, je gaat dáár naar toe, maar ga je ook naar Gód?

Vanuit onszelf kunnen we het echt niet, dood als we zijn door de zonden en de misdaden. Maar dat het mag klinken in ons leven: ‘Heere, wat moet ik zonder U?’

We gaan overal heen, maar is er ook de weg naar God toe? Kijken we zo naar boven? Niet om te zeggen: ‘Wat is het een schitterende, zonnige dag!’ Maar dat we God daar weten. ‘Ik hef mijn ogen op tot U Die in de hemel zit, en bid.’

 

Waar je ook bent op deze wereld, dat maakt geen verschil. Het is altijd onder dezelfde hemel. Er zijn plaatsen op aarde die veel gevaarlijker zijn dan waar wij wonen, denk maar aan plaatsen waar erge natuurrampen plaatsvinden, zoals aardbevingen. Maar we moeten altijd bedenken dat er maar een schrede rust tussen ons en de dood.

Waar je ook bent op deze aarde, wie kan er voor God bestaan? U niet, wij niet, geen van allen. De Heere in de hemel is onbereikbaar. Merkt u welke scheiding de zonde aangebracht heeft in ons menselijk bestaan? De deur van het Vaderhuis met zijn vele woningen zit dicht en dat door eigen schuld. Al roep je dan achter de deur van je eigen hart: ‘Heere, doe mij open!’ Al roep je dan: Mijn ziel dorst naar God (Ps.42:3), weet dat de hemeldeur dáárom niet opengaat. Het gaat niet van: ‘O, ik heb zo geroepen en zo gebedeld en toen....’ Nee, niet om uwentwil, maar om Zijnentwil. Christus Jezus, Hij is gekomen en voor Hém is de deur opengegaan.

 

‘Verhoogt, o poorten, nu de boog; opdat de Koning in moog’ rijden!’

Voor Hem gaat de deur open. Hij gaat als Borg. Dat wil zeggen dat Hij al Zijn kinderen meeneemt. Wat een genade als uw harten mogen opvaren tot voor de troon van God, om daar iets te ontwaren van Zijn vriendelijk aangezicht, dat vrolijkheid en licht verspreidt voor alle oprechte harten.

Dan is er via de Olijfberg het uitzien zoals Zijn discipelen dat ook betracht hebben. Daar stonden ze, ze keken naar boven. En dan komen de engelen. ‘Ja, deze Jezus komt terug. Zoals Hij van u is heengevaren, zo komt Hij ook terug.’ Het staat hier ook in de catechismus: ‘Totdat Hij terugkomt, om te oordelen de levenden en de doden.’ Zoals Jezus ten hemel gevaren is, zo zal Hij komen. Dat woord van de engelen is niet maar een stille wenk, dat is niet maar een hint naar de discipelen toe, maar het is een duidelijk signaal. Denk erom, zo zal het zijn!

Plotseling, overdag, met de wolken zal Hij komen. Zichtbaar ging Hij heen voor de ogen van Zijn jongeren. Zichtbaar zal Hij ook terugkomen. Wie zal Hem dan zien? Wat zegt uw hart? Ik...? Dat is het, gemeente. We zullen Hem allemaal zien, als Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. Dan komt met klem de vraag: ‘Zult u Hem dan voor het eerst zien?’ Zo ja, dan is er geen herstel meer mogelijk. Dan zal het zijn: ‘Bergen, valt op ons, en heuvelen, bedekt ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit.’

 

Meisjes en jongens, je zult Hem zien. Hij Die als Rechter komt, laat Zich vandaag nog prediken als Redder van zondaren. De nodiging van het evangelie is er ook vandaag.

 

Gemeente, er is er Eén bij Wie u terecht kunt met al uw nood en dood, met heel de schuld van uw leven. Bij Hem! Rechten hebt u niet, verplichtingen zijn er bij God niet. Maar de Heere zegt het ook vandaag: Bekeert u en gelooft het evangelie (Mark.1:15). Daar is een weg die openligt in het bloed van het Lam van God. Dat is de weg achter Christus aan.

 

Daar mag u van zingen, uit Psalm 24 vers 5:

 

Verhoogt, o poorten, nu de boog;
Rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog;
Opdat g’ uw Koning moogt ontvangen.
Wie is die Vorst, zo groot in kracht?
‘t Is ‘t Hoofd van ‘s hemels legermacht;
Hem eren wij met lofgezangen.

 

De Hemelvaart van de Heere Jezus Christus. We stonden stil bij: Wat bedoelen we daarmee? We letten vervolgens op de vragen die daarbij gesteld worden.

 

2. Welke vragen roept dat op?

 

Opgevaren ten hemel, heengegaan van de ene plek naar de andere plek… Vindt u het vreemd dat er in vraag 47 staat: ‘Is dan Christus niet meer bij ons? Is Hij niet meer bij ons tot aan het einde van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft?’

Dat is toch een gedachte om bij te bezwijken? Christus niet meer bij ons? Kun je dan niet op Zijn belofte aan? Is het dan helemaal niet waar? Of is het niet helemaal waar wat Hij gezegd heeft: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth.28:20)? Gaat die belofte nu teloor met Zijn hemelvaart? Met andere woorden: komt Hij Zijn woord niet na?

 

We lezen in de catechismus: ‘Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.’

Je kunt Hem echt niet beschuldigen van woordbreuk, zegt de catechismus. Zou je dat van Christus kunnen zeggen, dan zou Hij de Christus der Schriften niet zijn. Maar hoe zit het dan wel? Want Hij is toch maar weggegaan van de aarde naar de hemel. Hij is werkelijk vertrokken, maar tegelijkertijd is Hij werkelijk gebleven bij Zijn gemeente op aarde.

Gemeente, de sleutel voor het antwoord op deze vraag geeft de catechismus ons aan door te wijzen op het feit dat de Heere Jezus waarachtig mens is en dat Hij waarachtig God is. De Heere Jezus heeft het gezegd: ‘Ik ben met u en Ik blijf met u.’ Dat heeft Hij ook waargemaakt en dat maakt Hij waar tot op de dag van vandaag! Als mens is Hij gegaan van de ene plaats naar de andere.

 

Sommige mensen hebben daar best moeite mee. Ik kan me herinneren dat het eens ter sprake kwam met de belijdeniscatechisanten. Ik vroeg: ‘Waar is de Heere Jezus nu naar Zijn mensheid?’ Toen moesten ze er toch echt wel even over nadenken dat je dan naar boven moet wijzen, naar de hemel. Er is maar één plek waar de Heere Jezus naar Zijn mensheid is, dat is in de hemel. Naar Zijn Godheid, genade, majesteit en Geest is Hij op deze aarde, tot aan de einden van de aarde. Dat lezen we hier als een geloofsbelijdenis.

Kijk, gemeente, daar hebt u misschien wat aan als u klem zit, als de vorst der duisternis op u af komt. Als hij roept: ‘Waar is nu uw God?’ Als je de stroom tegen hebt. Als je heel de wereld tegen hebt. Als je als een eenling vertrouwt op de hoge God.

Je moet er maar mee aangevallen worden! Ook in je jonge leven. Heel de wereld gaat een andere kant op en jij, jij zou tóch het gelijk aan je kant hebben? De duivel komt er op af: ‘Vergeet het maar en laat het maar!’ Het zijn bange tijden. Reken er op dat, als je echt een kind van God bent, satan zijn troepen mobiliseert. Hij heeft ze al in het gelid gezet. Het zijn bange tijden van Godsverlating. Voetius heeft er een heel boekje over geschreven: ‘Werkelijkheden in het leven des geloofs’. Je wordt ermee aangevochten: ‘Heere, is Uw belofte dan niet waar?’ Wat een genade als de Heere doorbreekt, door die zorg, en Hij zegt: ‘Zie, hier ben Ik!’

 

‘Ik dacht, Heere’, in alle eerbied gezegd, ‘dat U in de hemel was?’

'Ja, maar naar Mijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijk Ik nimmermeer van Mijn kerk. Hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen.’ Hij hoort het geroep van Zijn ellendigen en Hij helpt ze heerlijk.

David wist ervan. Zeker, dat was onder het Oude Testament, maar de manier waarop hij ons dat meegeeft geldt ook voor het Nieuwe Testament. Denk aan de bekende Psalm 23: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij (Ps.23:4).

Heere, U wijkt nimmermeer van Uw gemeente. U bent met mij. In de grootste smarten, blijven onze harten gerust in de Heere. Want Hij laat niet varen de werken van Zijn handen.

 

De catechismus zegt: ‘Maar als de mensheid dan niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden?’

Gaat daar dan niet iets scheef?

Helemaal niet. ‘Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overaltegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.’

De catechismus zegt: ‘Zeker, naar Zijn mensheid is de Heere Jezus in de hemel en naar Zijn Godheid op aarde. Maar kun je die Godheid nu ergens insluiten? Kun je nu zeggen: Die Godheid van de Heere beperken we hier tot de kerk. Of tot een of ander doosje dat je thuis hebt, kinderen.’ Ik probeer het eenvoudig voor te stellen. Kun je God daarin opsluiten? Dat kan niet, want waar is God nu niet? Ja, God is overal! God is nergens in te sluiten.

Je kunt Hem nergens in opsluiten, maar God is ook nergens buiten te sluiten. Dat zegt de catechismus, en dat mag toch tot troost zijn. Dat mag tot sterkte zijn. Zo maakt de Heere het waar naar alle kanten.

 

Mag u het zeggen en zingen: ‘Dit weet ik vast’? Wat dan? ‘God zal mij nooit begeven. De Heere houdt Zijn werk in stand.’ Wat een rijkdom van heil! Hoort u wel, het gaat over het heil, over de zaligheid.

U had dit er misschien niet achter gezocht. De Heere wil het van hieruit openbaren.

 

Zo gaan we toe naar het laatste wat de Catechismus ons aanreikt.

 

3. Welk nut werpt ze af?

 

Wat heb je daar nu aan?

Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

‘Ten eerste, dat Hij in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is.’

Een voorspreker, wat is dat? Waar denk je dan aan, kinderen? Een voorspreker, is dat misschien iemand die een goed woordje voor je doet? Dat is het precies. Iemand die een goed woordje voor je doet.

Je voelt wel, hoe belangrijker iemand is, hoe beter zo’n woordje overkomt! Als de buurman tegen je zegt: ‘Ik zal je helpen’, dan zeg je: ‘Fijn, buurman.’ Maar als de burgemeester dan komt en zegt: ‘Ik zal je helpen’, dan moet je kiezen tussen de buurman en de burgemeester. Dan zeg je: ‘Ja, buurman, het is wel heel aardig van u, maar ik kies toch maar voor de burgemeester.’ Ja, hoe belangrijker iemand is, hoe meer gewicht zijn woorden hebben.

Wat denkt u, als hier staat dat de Heere Jezus onze Voorspreker is voor het aangezicht van Zijn Vader…?

Luister naar wat Johannes schrijft: Mijn kinderkens, ik schrijf u deze dingen, opdat gij niet zondigt; en indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige (1 Joh. 2:1).

Gemeente, kinderen, bidden zoals de Heere Jezus het doet kunnen wij niet. Als de Heere Jezus aan het einde van Zijn gebed komt, zegt Hij niet: ‘Om Jezus’ wil.’ Dat doe jij wel. Maar Hij niet. Zijn bidden is dan ook niet vrágen, maar Zijn bidden is éisen. Hij zegt: ‘Vader, U moet dat doen.’ Hij toont Zijn handen, Zijn doorboorde handen. Alles is volbracht. Hij bidt als grote Overwinnaar van dood, hel en zonde. Hij bidt voortdurend. Hij wordt het nooit moe om voor Zijn kerk te bidden.

 

Nooit moe.... Wie werd er wel moe? De kinderen weten dat wel. Zie je die man zitten? Die man die ondersteund moest worden? Dat is Mozes. Door Aäron en Hur, weet je wel? Mozes werd moe en Aäron en Hur kwamen hem helpen.

Een andere man zien we in gedachten liggen in de woestijn, onder een jeneverstruik. Dat is Elia. Hij werd ook moe.  

Maar van de Heere Jezus lezen we dat Hij altijd de Voorbidder voor heel Zijn gemeente blijft. Hij bidt in uw aanvechting, in uw bestrijding, in uw tegengestaan van de vorst der duisternis. Als u met David zegt: ‘Ik zucht daar kolk en afgrond loeit, daar het gedruis der wateren groeit.’

Hoor eens wat er gebeurt… Kijk eens wat die Ene doet! Paulus zegt: Die ook voor ons bidt (Rom. 8:34)! Uw naam is op Zijn lippen. Als u dreigt om te komen, is Hij het Die zegt: ‘Zie, hier ben Ik.’ Hij is de Voorspraak voor het aangezicht van de Vader.

Gemeente, wat moet ons alles eraan gelegen zijn om in deze Voorspreker begrepen te zijn. Om zo voor het aangezicht van God te mogen komen in Zijn naam. Dan drupt de zegen van boven naar beneden.

Zo mogen we het meezingen uit Psalm 148 vers 5, wat we nu samen zingen:

 

Looft, looft, met waar’ erkentenis,
Zijn naam, die hoogverheven is;
Dewijl Zijn wond’re majesteit
Door aard’ en hemel is verspreid.
Hij wou de hoorn, zo vol vermogen,
De roem van Israël verhogen;
Dat woont bij Hem, ‘t heeft zingensstof.
Looft God; zingt eeuwig ‘s Heeren lof!

 

Het nut van de hemelvaart van Christus heeft, zoals u weet, ook nog een tweede en een derde punt. Want zo staat er: ‘Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen.’

Christus is heengegaan met een pand. Een pand is iets dat strekt tot een zekerheid van een verbintenis. Je hebt met iemand iets afgesproken en je zegt: ‘Nu, ik geef je dit zolang.’ Bijvoorbeeld: u hebt getankt en u hebt uw pinpas niet bij u en ook geen geld. Maar u hebt wel iets anders. U zegt: ‘Als u dit nu zo lang bewaren kunt, dan ga ik mijn pas halen en ik kom direct weer terug.’ Dan hebt u een pand afgegeven.

De Heere Jezus is lichamelijk, zo belijdt het geloof, heengegaan naar de hemel. Hij heeft ons vlees meegenomen tot een pand. Dat wil niet zeggen ons zondig vlees, maar het duidt op ons lichaam, ons mens-zijn. Hij heeft dat meegenomen tot voor het aangezicht van God. Daarom zal Hij ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich nemen. Zo in de trant van: ‘Ik ben als mens ingegaan in de troonzaal van Mijn Vader. Daar komen nu ook al Mijn kinderen. Dat vlees dat Ik ingedragen heb, dat is tot zekerheid. Dat is tot vastheid, Mijn kind!’

Als bij het Heilig Avondmaal het brood gebroken wordt, zien we daarin het beeld van het lichaam van Christus. Hij is in de hemel. Hij zal ons, Zijn lidmaten, tot Zich nemen, zo lezen we hier. Vast en zeker. ‘Ik maak Mijn woorden waar. Ik ga heen om u plaats te bereiden.’

 

Wat doet Jezus in de hemel? Dat was ooit de vraag van een predikant aan de catechisanten met wat minder verstandelijke vermogens. Ja, daar zaten die kinderen. Dat was een moeilijke vraag. Dat voelde die predikant ook wel. Totdat er een vinger omhoog ging. Eén van de gehandicapten zei: ‘Jezus zet stoelen klaar.’ Kunt u beter zeggen wat hemelvaart is, dan met deze woorden? Jezus zet stoelen klaar. Dat kind was zich er van bewust. Het is net als thuis, als er visite komt. Dan worden er stoelen klaargezet. Zo zet de Heere Jezus in de hemel de stoelen klaar…

 

Dan nog het derde. We lezen in het slot van deze Zondag: ‘Dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand van God, en niet wat op de aarde is.’

Een tegenpand. Er is niet alleen iets meegegaan de hemel in, maar er komt ook iets uit de hemel. Een tegenpand. De Heilige Geest komt wonen in midden van de verzoende gemeente.
 

Nu krijg je twee bewegingen. Enerzijds: de hemel trekt. En anderzijds: de aarde dringt.

Daar heb je nu precies het leven van het geloof. De hemel trekt en de aarde dringt. Christus trekt uit de hemel en de Geest van Christus hier op aarde dringt naar de hemel. Dat brengt vreemdelingschap met zich mee.

Paulus zegt: En heeft ons mede gezet in de hemel in Christus Jezus (Ef.2:6). Met andere woorden: ‘We zijn er al.’ Anderzijds: ‘We zijn in het strijdperk van dit leven.’ Dat is het spanningsveld tussen het ‘reeds’ en het ‘nog niet’. Dat is onlosmakelijk verbonden met het koninkrijk van God.

 

Ik ben, o Heer’, een vreemd'ling hier beneên;
Laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken.

 

Dat is het werk van het tegenpand, van de Heilige Geest, in het strijdperk van dit leven. De Bruidegom moge dan vertoeven, Hij komt er wel aan. De Heilige Geest houdt de band levend. Ook als u ingezonken bent. Want dat kan. Wie van Gods kinderen heeft daar geen last van? Maar dan zegt God: ‘Kijk, Ik ben er’ en ‘Ik ben er weer.’

En Hij blíjft er. De Heilige Geest blijft er tot aan het einde van de aarde. Zo wordt het een wonder, elke keer als het Woord bediend wordt: Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh.16:14).

Ziet u de Heilige Geest doende? ‘En Hij zal het aan u verkondigen!’

 

Gemeente, hebt u lege handen om het te ontvangen?

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 110:7

 

Hij zal op weg eens drinken uit de beken,

Daar Hij gevaar, noch strijd, noch moeit’ ontziet;

Daarom zal Hij het hoofd naar boven steken,

Met eer bekroond in ’t godd’lijk rijksgebied.