Ds. C. Harinck - Amos 9 : 1

De Heere op het altaar

Amos 9
Het onderzoek van het altaar
Het oordeel vanwege het altaar

Amos 9 : 1

Amos 9
1
Ik zag den Heere staan op het altaar, en Hij zeide: Sla dien knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; en vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 68: 17
Lezen : Amos 9
Zingen : Psalm 89: 14, 15, 16
Zingen : Psalm 119: 60
Zingen : Psalm 73: 14

Gemeente, wat was het een bijzonder moment in de gelijkenis van de koninklijke bruiloft toen de koning binnenkwam. Zijn binnenkomst luidde het hoogtepunt van de maaltijd in.

De koning kwam binnen en hij overzag de genodigden. Hij deed dit met een zeker welgevallen, want de gasten maakten de bruiloftsmaaltijd van zijn zoon tot een feestelijk gebeuren.

De koning keek allereerst of iedere gast wel het bruiloftskleed aan had, dat door zijn dienaren bij de ingang van het paleis aangeboden was. Het bruiloftskleed was zijn geschenk aan de gasten. Het maakte het feest voor ieder tot een blijde gebeurtenis. Allen droegen zo’n prachtig gewaad.

Maar wat zag de koning?

Eén van de gasten had geen bruiloftskleed aan!

Hij had het uitgereikte kleed niet aangetrokken. Waarschijnlijk omdat hij zijn eigen kleding mooier en kostbaarder vond. Dat vervulde de koning met toorn. Het was immers een miskenning van zijn goedheid.

 

Nu, zo komt er een dag waarop God ieder van ons zal onderzoeken of wij Zijn aangeboden genade in Christus verworpen of aanvaard hebben. Het zal er om gaan of wij de gerechtigheid van Jezus als een bruiloftskleed bezitten. Want het is de boodschap van de Schrift, dat alleen Jezus’ gerechtigheid redden kan van het verdiende oordeel.

Dit leert ons ook de boodschap die wij vinden in Amos 9 vers 1, waar we het Woord van de Heere als volgt lezen:

 

Ik zag de Heere staan op het altaar, en Hij zeide: Sla die knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; de vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.

 

Onze tekst wijst ons op: De Heere op het altaar.

 

Wij letten op twee gedachten:

1. Het onderzoek van het altaar

2. Het oordeel vanwege het altaar

 

1. Het onderzoek van het altaar

 

De profeet Amos was afkomstig uit Tekóa. Dat plaatsje lag in Juda, ongeveer vijfentwintig kilometer ten zuiden van Jeruzalem. 

Amos ontving gezichten met boodschappen van God zowel voor het rijk van Juda, alsook voor het rijk van de tien stammen. Het werkterrein van Amos was echter voornamelijk het tienstammenrijk.

Over deze tien stammen, die zich van Juda en Benjamin hadden afgescheiden, regeerde Jerobeam de Tweede. Deze koning heeft zijn land tot grote welvaart gebracht. We kunnen dat ook lezen in de profetie van Hosea. De inwoners hadden winterhuizen en zomerhuizen. Ze sliepen op elpenbenen bedsteden.   

 

De inwoners van het tienstammenrijk dienden naast de Heere allerlei andere goden. De afgodendienst met zijn zedeloze feesten en tempelprostitutie trok hen aan. Zij dienden  de Baäl en de Astoreth en offerden op allerlei hoogten.

Maar tegelijk trachtten zij ook de Heere tevreden te stellen. Ze deden zelfs meer dan Hij van hen eiste. In Amos 4 kunt u lezen over het brengen van de tienden. Dat behoefde maar één keer in het jaar, maar zij brachten de tienden iedere drie maanden. Ze stelden bovendien nieuwe verbodsdagen in, waarop ze zich voor God vernederden en niet werkten.

Ze brachten trouw de offers en zorgden er voor dat het altaar bleef roken. Zij onderhielden de sabbat en de andere hoogtijdagen. Daarom meenden zij dat de Heere niets over hen te klagen had.

Maar God oordeelde anders. Hij zei van hun verbodsdagen: Ik mag uw verbodsdagen niet rieken (Amos 5:21). Omdat ze tegelijkertijd ook de Baäl, de Astoreth en allerlei  andere goden dienden, verklaarde Hij dat hun sabbatten Hem tot een gruwel waren.  

Het ergste was wel dat het volk Israël daar helemaal niet het verkeerde van inzag. Het dacht de afgodendienst te kunnen combineren met de dienst des Heeren.

 

Jongelui, denken wij er dikwijls ook niet zo over? Wij denken dat het allemaal wel te combineren valt: tot zaterdagnacht laat in de kroeg zitten en ‘s zondags weer netjes in de kerk psalmen zingen en je gebeden doen.

De profeet Amos hekelt die dubbelhartigheid en kondigt Gods oordeel aan over dergelijke zonden!

 

In een vijftal visioenen toont de  Heere Amos wat er in de toekomst met het zondige volk van Juda en het rijk van de tien stammen zal gebeuren. God zal hun dienen van de afgoden en het verlaten van Zijn wegen bezoeken met het oordeel van de wegvoering naar Assyrië en Babel. 

Onze tekst staat in het vijfde en laatste visioen. Dat visioen begint met: Ik zag…

Uit Amos’ mond horen we: Ik zag de Heere staan op het altaar.

Hij zag de Heere staan!

We moeten ons bij het visioen bedenken dat het dienstwerk werd verricht in de tempel. De schaduwendienst is in volle gang en plotseling staat daar de Heere boven op het altaar.

Dat is iets heel bijzonders!

In de vorige visioenen zag de profeet sprinkhanen die als een oordeel over Israël kwamen. Hij zag een brandend en verterend vuur, dat een deel van het land verwoestte.  Maar nu zendt de Heere geen sprinkhanen of vuur, maar komt Hij Zelf. En Hij staat op het altaar.  

 

Het rijk van Juda, maar vooral dat van de tien stammen was in die dagen als het ware bezaaid met altaren. De profeten zeggen dat er op iedere hoge heuvel altaren te vinden waren. Bij ieder dorp en bij iedere stad was wel een heuvel waarop men een altaar had gebouwd. Een altaar tot eer van Baäl of tot eer van de goden van Assyrië en Sidon.

Door het oprichten van deze afgodische altaren zondigden de Israëlieten tegen het enige altaar dat er onder Israël mocht zijn: het altaar in de tempel te Jeruzalem. Daarom staat de Heere nu op hét altaar.

De Heere verschijnt niet bij een afgodsaltaar. Hij verschijnt niet in een afgodstempel. Maar Hij verschijnt in Zijn eigen tempel; bij hét altaar, het brandofferaltaar.

Bij Zijn eigen altaar verschijnt de Heere. Het altaar dat Hij Zijn volk bevolen had te bouwen, waarop de dienst der verzoening plaatsvond. Het altaar waarvan Hij had gezegd: ‘Uw slachtoffers en uw brandoffers zullen alleen op Mijn altaar Mij welbehaaglijk zijn.’ Het was het enige altaar waarop geofferd mocht worden.

 

Het altaar in de tempel te Jeruzalem was een indrukwekkend werkstuk. Het was gemaakt van sittimhout en met koper overtrokken. Het was drie meter breed en één meter tachtig hoog. Rondom was een soort balustrade gebouwd. Zo konden de priesters rondom het altaar lopen, het bloed aan de hoornen strijken en de offerdieren in het vuur op het altaar leggen.

Het altaar was het middelpunt van de offerdienst. Op het altaar werden de offers gebracht en vond de dienst der verzoening plaats. Een onschuldig dier werd geofferd in de plaats van de schuldige Israëliet. Bij het altaar hoorde Israël de boodschap: Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor.5:21).

 

Het altaar was het centrum van de tempeldienst. Wanneer je door de wijde poort van de voorhof binnentrad stond je direct tegenover het immense brandofferaltaar, waar het bloed vanaf droop en de rook van de verbrande dieren opsteeg.

Gemeente, zo is het nog. De dienst der verzoening, de prediking van de tot zonde en vloek gemaakte Heere Jezus, is het hart van de dienst des Heeren. Het is de kern van het evangelie en het fundament van de zaligheid.

 

Altaren zijn belangrijk onder het Oude Testament. Altaren zijn plaatsen waar God gezocht en gediend wordt.

Kaïn en Abel hebben bij een altaar God aangeroepen. Noach, Abraham, Izak en Jakob hebben altaren gebouwd. Ze hebben bij het altaar de Heere gezocht en troost gevonden in de beloofde Messias, Die Zichzelf zou geven tot een verzoening voor hun zonden.  

De patriarchen mochten van de Heere altaren bouwen. Toen echter de tempel was voltooid en daar Gods altaar werd opgericht, sprak de Heere: ‘Nu is dit Mijn altaar. Alleen hierop mag geofferd worden en alleen hier moet u Mij zoeken en dienen.’

Vanaf dat moment mochten er geen altaren meer op de hoogten worden gebouwd.

 

Dagelijks werden op het altaar de offers gebracht. Het bloed van de dieren werd uitgegoten aan de voet van het altaar en gestreken aan de hoornen van het altaar. De Messias werd daarmee afgebeeld als het Lam Gods, Dat de zonde van de wereld wegneemt.

De dienst rond het altaar was het evangelie van het Oude Testament. Het was een spiegel waarin Christus werd getoond. Het volk hoorde daar de boodschap van de verzoening. Het altaar was het zichtbaar teken van Gods genadige aanwezigheid. Het was het bewijs dat Israël Zijn volk was en Hij hun God was.

 

In onze tekst zegt Amos nu: Ik zag de Heere staan op het altaar.

Wat betekent dit?

Het zegt allereerst dat God de plaats waar Hij woonde verlaten heeft. De plaats van God was niet bovenop het brandofferaltaar, maar op de ark des verbonds in het heilige der heiligen. De Heere zat daar tussen de cherubs als een Koning op Zijn troon. Zo woonde Hij in het midden van Israël. 

Maar de Heere heeft die plaats nu verlaten. Hij zit niet meer op Zijn genadetroon. Hij staat op het altaar in de voorhof.

Wat is daarvan de reden?  

Hij komt om een onderzoek in te stellen naar de godsdienst die de kinderen van Israël bedrijven bij het altaar. Hij komt om te zien hoe ze zich bij Zijn altaar gedragen.

 

Israël ontheiligde en onteerde Gods altaar. Het heeft God als het ware een slag in het gelaat gegeven door altaren te bouwen voor de dienst van allerlei afgoden, en heil en verzoening bij andere goden te zoeken. 

Israël heeft Gods altaar ontheiligd door nog wel offers te brengen, maar zonder berouw en zonder geloof in de Messias. Zij brachten offers om God daardoor gunstig te stemmen, maar tegelijk gingen zij verder in de weg van zonde en ongerechtigheid.

Zij hadden ook geheel verkeerde gedachten van Jehova. Zij dachten dat God, net als de afgoden, van hun offers afhankelijk was. Maar de Heere roept hun door Amos toe: Zou Ik stierenvlees eten en bokkenbloed drinken? (Ps.50:13).

God heeft de offerdienst van Israël afgekeurd omdat hun hart er niet in lag. Het was allemaal schijnvroomheid. Ze spraken leugens bij het altaar, schreiden valse tranen en legden valse beloften af. Daarmee werd Gods altaar ontheiligd. Daarom vloekte het altaar tegen Israël. Het klaagde Israël aan.

Tenslotte verliet de Heere Zijn plaats in het heilige der heiligen en staat Hij nu op het altaar. Hij is gekomen om te zien hoe Israël zich bij Zijn altaar gedraagt.

De Rechter verschijnt bij het altaar!

Hij komt om het ontheiligen van Zijn altaar en het misbruik van de offerdienst te straffen.

 

De vraag kan bij ons opkomen: waarom verschijnt de Heere bij het ware altaar, het brandofferaltaar in de tempel? Waarom keert God Zich niet tegen de altaren van de afgoden?

Waarom verschijnt God niet als Rechter in de tempel waar de afgoden worden gediend? Daar was toch veel meer recht te zetten, te veroordelen en te bestraffen dan in Zijn eigen tempel? Het was immers ten hemel schreiend wat daar zoal gebeurde. Op de hoogten waar Baäl werd gediend en in de cirkel van opgerichte palen waar de Astoreth, het beeld van het bos werd gediend, hielden zich schandjongens op, daar werd de tempelprostitutie bedreven en orgieën gehouden.

 

Waarom staat de Heere op het brandofferaltaar in de tempel?

Om het oordeel aan te kondigen: Want het is de tijd dat het oordeel begint van het huis Gods (1 Petr.4:17).

Een oordeel, omdat geen zonden erger zijn dan die bedreven worden bij het altaar. Omdat geen zonden God meer vertoornen dan de zonden bij Zijn altaar. Omdat er niets erger is dan de dienst der verzoening te ontheiligen. Omdat er niets zo verschrikkelijk is dan het evangelie ongehoorzaam te zijn en het bloed van Christus onrein te achten!

Jezus oordeelde daarom dat het voor Tyrus en Sidon verdraaglijker zal zijn in de dag des oordeels, dan voor mensen die bij het altaar geleefd hebben en tegelijk de afgoden dienden.

 

De Heere stond op het altaar. Hij stond niet op één van de altaren in een heidense tempel, maar op het altaar in de tempel te Jeruzalem.

Hij komt tot Zijn kerk!

Hij komt tot het volk waaraan Hij Zijn Naam heeft verbonden en aan wie Hij Zijn Woord heeft toevertrouwd.

Hij komt tot de kerk, tot de gemeente des Heeren.

Hij komt tot het volk dat in de voorhof rondom het brandofferaltaar is verzameld. God komt een onderzoek instellen naar Zijn kerk, waarin Hij Zijn altaar heeft neergezet.

Hij komt tot Zijn kerk die Hij de dienst der verzoening heeft toevertrouwd. Hij komt tot de gemeente waar de prediking van het evangelie plaatsvindt en zondaren gebeden wordt: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20).

Hij komt onderzoeken hoe het in die kerk gesteld is. Hij komt vooral onderzoeken hoe het gesteld is met het altaar, met de dienst der verzoening, met de prediking van Christus.

 

De rechte prediking van het evangelie is het grote merkteken van de kerk. Een kerk waarin dat altaar niet meer staat, is geen kerk.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis spreekt over allerlei sekten, die zich met de naam kerk sieren. Maar wanneer de rechte prediking gemist wordt, wordt het belangrijkste merkteken van de kerk gemist. Het gaat in Gods onderzoek over de kerk waar het altaar nog staat, waar Christus nog gepredikt wordt en het kruis nog niet uit de prediking is verdwenen.

De vraag is hoe het in die kerken gesteld is!

Wij kijken wel naar andere kerken, maar hoe is het in de kerk waar Gods altaar nog staat? Wat lijkt die kerk helaas in veel opzichten op het volk van Israël in de dagen van Amos. De vorm wordt nog in acht genomen. Aan de buitenkant moet alles volgens de wet en de tradities. Maar het hart is er niet in.

 

Men houdt de geboden, maar niet uit liefde en eerbied voor God. Zo spreekt Amos over de korenverkopers die de sabbat hielden en op die dag geen zaken deden. Maar in hun hart zeiden zij: ‘Wanneer zal de sabbat voorbij zijn?’

De godsdienst van velen is niet meer dan sleur en gewoonte. Vooral het leven bij het altaar, bij de dienst van de verzoening, ontbreekt. Hoe weinigen van de velen die onze kerkbanken bezetten, leven bij de boodschap van de verzoening met God door het bloed van Christus. Hoe weinigen zeggen het McCheyne na: ‘Nu ken ik die waarheid zo diep als gewis, dat Jezus alleen mijn gerechtigheid is.’

 

De Heere stelt een onderzoek in hoe men zich gedraagt bij Zijn altaar. En wat ziet Hij dan?

Wel, dat uiterlijk alles in orde is. De ware leer wordt hoog geroemd. De doodstaat van de mens wordt dikwijls breed uitgemeten. Hoewel het gezegd en herhaald moet dat de mens zich niet bekeren kan en niet in Christus kan geloven.

Nee, we nemen het niet zomaar aan. En we geloven het zomaar niet. Het zal er op aan komen of het van God is.

Maar de vraag is: wat doen we met Gods altaar? Wat doen we met de dienst der verzoening? Wat doen we met het evangelie van Christus? Wat doen we met de boodschap die zegt: Laat u met God verzoenen? (2 Kor.5:20).

Wat doen we met het kloppen van God op onze deur, en met het evangelie dat ons predikt dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaren zalig te maken?

 

Het altaar was Israëls bevoorrechting. Wat was het een voorrecht dat zij de tempeldienst in hun midden hadden! Het altaar wees de Israëliet die gevoelde tegen God gezondigd te hebben, op de weg der verzoening. Men kon met een plaatsvervangend offer tot het altaar komen en bij het altaar vrede met God maken.

Maar een leven met Gods altaar in hun midden, was ook een gevaarlijk leven. Het altaar kon het oordeel ook verzwaren. Het evangelie van Christus kan ook ‘een reuk des doods ten dode’ worden. Wie onvernederd en onboetvaardig tot Gods altaar komt, wordt door het altaar vervloekt.  

 

Amos zag dat God kwam om te onderzoeken hoe Israël zich bij Zijn altaar gedroeg. Daarop is Zijn onderzoek toegespitst. De Heere komt tot ons met de vraag wat wij met het evangelie van Christus doen en met de boodschap van Zijn bloed dat betere dingen spreekt dan Abel.

Wat ziet de Heere?

Hij zag en ziet slechts lege vroomheid en vormendienst bij Zijn altaar. Hij ziet geen verslagen harten die gelovig kijken naar het slachten van het offerdier. Het offer dat wijst op de Messias, Die Zich offeren zou tot een verzoening voor de zonde.

Hij zag de tempelbezoekers niet als arme zondaren bij Zijn altaar schuilen, maar zag ze daar staan als hoogmoedige, eigengerechtige mensen die dachten: God kan over ons tevreden zijn; wij zorgen dat het altaar niets tekort komt.

 

Toen God dit zag, gaf Hij bevel: Sla die knoop, dat de posten beven, en doorkloof ze allen in het hoofd; en Ik zal hun achterste met het zwaard doden; de vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.

 

We letten daar op in de tweede gedachte:

 

2. Het oordeel over het altaar

 

God beveelt: Sla die knoop.

Tot wie de Heere dit woord richt weten we niet. Het ligt voor de hand dat God dit bevel geeft aan Zijn engelen. De hoofdzaak is evenwel dat Hij beveelt om de tempel te verwoesten. We lezen: Sla die knoop, dat de posten beven.

Die knoop is de verbinding aan de bovenkant van de zuilen, die het dak van de tempel droegen. Waarschijnlijk moeten we denken aan de verbinding tussen de twee grote pilaren die de voorhof en eigenlijk de hele tempel overeind hielden. De machtige pilaren Jachin en Boaz. Het gehele dak van de tempel was daaraan opgehangen.

De Heere gebood: Sla die knoop, verbreek de verbinding, de constructie, waar alles op rust.

Sla die knoop, dat de posten beven. De posten zijn de liggende balken die op de pilaren rusten. Zij moeten zodanig geslagen worden dat de posten beven, zodat de verbinding loslaat. Als gevolg daarvan zal de tempel instorten.

 

God geeft dus bevel om Zijn tempel te verwoesten. Hij keert Zich tegen Zijn eigen woning en heiligdom!

Wat een raadsel!  

De Heere had toch van de tempel gezegd: Dit is Mijn rust tot in eeuwigheid, hier zal Ik wonen, want Ik heb ze begeerd (Ps.132:14)?

In deze tempel hadden de vromen gezongen:

 

‘k Waar liever in mijns Bondsgods woning

Een dorpelwachter, dan gewend

Aan d’ ijd’le vreugd’ in ‘s bozen tent. 

 

Maar hoe kan God dan het bevel geven: Sla die knoop, zodat de posten beven en het gehele tempelgebouw instort?

Het zal uiteindelijk onder Nebukadnezar gebeuren. De valse profeten roepen wel: ‘Des Heeren tempel, des Heeren tempel, zijn wij! Dat zal nooit gebeuren. God zal nooit Zijn eigen huis verwoesten’, maar de Heere beveelt: Sla die knoop, dat de posten beven.

God is vertoornd op Zijn eigen huis. De zonden van Israël hebben deze toorn laten ontbranden.

 

Het oordeel begint in de tempel, omdat daar de ergste zonden werden bedreven; namelijk zonden tegen Gods altaar. De dienst van de verzoening werd veracht, omdat Israël naast Gods altaar op andere altaren offerde en de afgoden diende.

In Ezechiël 8 lezen we over de gruwelen die in de voorhof van de tempel te vinden waren, zoals: afbeeldingen van kruipende dieren en verfoeilijke beesten; dieren die een Israëliet niet eten mocht.

Verder waren er allerlei drekgoden te vinden; afgoden die vanwege de zedelijke onreinheid rond hun verering zo genoemd werden. Priesters en oudsten dienden deze afgoden, terwijl in de kamers aan de buitenkant van de tempel vrouwen de Thammuz beweenden, omdat deze afgod in winterslaap ging en zij daarmee niet meer konden hoereren.

Om deze zonden is God vertoornd op Zijn eigen huis en keert Hij Zich tegen Zijn eigen tempel en beveelt: Sla die knoop, dat de posten beven.

 

Gemeente, het oordeel begint, naar het woord van Petrus, bij het huis Gods. De zonden van de wereld wekken Gods toorn op. De apostel leert ons: Want de toorn Gods wordt van de hemel geopenbaard over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der mensen (Rom.1:18).

Maar de zonden van de kerk vertoornen God meer dan de zonden van de wereld.

Wat heersen er een zonden in de kerk! Wat is er een verdeeldheid, een zoeken van eigen eer, een streven naar macht en invloed, een geveinsdheid, vormendienst en koud wetticisme.

Wat is er een dienen van God en tegelijkertijd een dienen van de Mammon. De leer moet zuiver en degelijk zijn. De één put zich uit om het nog rechtzinniger te zeggen dan de ander. Geweldige woorden worden er gebruikt. Het gaat om het éénzijdige en soevereine werk van God. Het gaat om de deugden van God. Dat daar een levenswandel van verwondering en nederigheid bij hoort, wordt vergeten.

De doodstaat en het onvermogen van de mens om iets goeds voort te brengen, staan hoog in het vaandel. Daarom mag men van de hoorders geen bekering of geloof eisen. Het gevolg is dat men ‘eerlijk onbekeerd’ en ongelovig is. Wat kan hij of zij er aan doen  onbekeerd te zijn? Het moet immers allemaal bij God vandaan komen?

Kerkgangers voelen zich daarom geen schuldige, maar slachtoffer!

 

Men leeft ook gemakkelijk in twee werelden en dient twee heren. In de kerk vroom; in de wereld is men niet anders dan zijn omgeving.

Het ergste is echter dat Gods áltaar niets wordt geacht; het gepredikte evangelie wordt veracht en het bloed van Jezus met voeten getreden!

In de kerk wonen dan ook de grootste zondaren. Daar verkeren mensen die Gods genadeaanbod weigeren aan te nemen. Daar vind je mensen die dicht bij het altaar staan, over de dienst der verzoening horen, maar toch het bloed van Jezus verachten.

Is het een wonder dat Gods toorn zich juist tegen de tempel keert en het oordeel alle eeuwen door begint bij het huis Gods?

 

Gods onderzoek richt zich dus op het altaar. Hij komt om te zien hoe men zich bij Zijn altaar gedraagt. 

Toen God de verachting van Zijn altaar zag, sprak Hij: Sla die knoop, dat de posten beven.

De machtige pilaren en de balken die de tempel droegen begaven het; de gehele constructie bezweek, en de prachtige tempel stortte in elkaar. Het gevolg is wat we lezen: En doorkloof ze allen in het hoofd. De tempel stort in. De balken en brokstukken vallen op de hoofden en doorklieven de hoofden.

 

De eersten die getroffen worden zijn degenen die dicht bij het altaar staan. De priesters, de Levieten en de offeraars. Zij zijn de eerste slachtoffers.

Wat is de dienst bij het altaar een gevaarlijke plaats! Het ambt maakt het oordeel des te zwaarder. In de grote dag zullen de ambtsdragers die het volk misleid hebben, het oordeel Gods dragen. Ontrouwe en valse dienaren zullen het zwaarste oordeel ontvangen. Zij hebben het volk misleid en geroepen: ‘Vrede, vrede en geen gevaar!’

Zij hebben de mensen in slaap gewiegd met de boodschap dat God enkel liefde is en Jezus voor iedereen is gestorven.

Maar het geldt ook voor de ambtsdragers die de weg tot het altaar voor een arm en verslagen zondaar hebben geblokkeerd met allerlei voorwaarden en eisen, zodat een zondaar niet meer weet hoe ooit tot Christus te komen.

Zij hebben wel gesproken van zonde, gerechtigheid en oordeel. Zij hebben wel gewezen op de noodzaak van de nieuwe geboorte. Maar zij hebben de weg tot het altaar versperd en de vrije nodiging van het evangelie veranderd in een stelsel van voorwaarden en geschiktheden.

 

Maar ook het zondige volk op het tempelplein ontkomt niet aan het oordeel. De Heere spreekt in onze tekst: Ik zal hun achterste met het zwaard doden; de vliedende zal onder hen niet ontvlieden, noch de ontkomende onder hen behouden worden.

Hij zegt tegen Amos dat ook zij die achter in de voorhof staan, ver van het altaar, niet zullen ontkomen. Zelfs de bezoekers van de tempel, die trachten weg te vluchten, ontkomen niet. De Heere zegt: De vliedende onder hen zal niet ontkomen.

Hun vlucht zal niet baten. De tempel stort in en doodt allen die rondom het altaar bijeen zijn. Het oordeel is onafwendbaar. We lezen in de verzen volgend op onze tekst: Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in de hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen. En al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zo zal Ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen in de grond van de zee, zo zal Ik van daar een slang gebieden, die zal ze bijten. En al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zo zal Ik van daar het zwaard gebieden, dat het hen dode; en Ik zal Mijn oog tegen hen zetten ten kwade, en niet ten goede (Amos 9:2-4).

 

Er is geen ontkomen aan. Al zou men trachten te vluchten in de holen der aarde. Al zou  men zich verbergen in de Sjeool, dat is het rijk van de doden. Al zou men vluchten naar de Karmel. Al zou men zich verbergen in de diepte van de zee. Al zou men opvaren tot in de sterrenhemel. God spreekt: Ik zal ze vinden.

Het volk van Israël heeft reeds te lang Gods lankmoedigheid getart.

Nu komt de dag des oordeels!

Het zwaard van Nebukadnezar zal hen treffen. De tempel en de stad Jeruzalem zullen verwoest worden. Haar inwoners zullen weggevoerd worden naar Babel, naar een ver en vreemd land.

 

De tekening van het oordeel vertoont overeenkomst met die van het eindoordeel in het boek Openbaring. Johannes toont ons dat de mensen een verberging zullen zoeken en niet zullen vinden.

Niemand kan zich voor God verbergen: Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons (Luk.23:30). En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op den troon zit, en van de toorn des Lams. (Openb.6:16).

En er zal geen ontkoming zijn! De boodschap is duidelijk. Noch in de hoogte, noch in de diepte.

 

Geen ontkoming!

Is er dan nérgens veiligheid?

Is er dan nergens een plaats om zich te verbergen?

Ja, die is er!

Er is een plaats waar men veilig is voor Gods toorn.

Het is de heuvel Golgotha, waar de Zoon van God in onze natuur de toorn Gods tegen de zonde gedragen en weggedragen heeft. 

 

Er is in Gods schepping, in het ganse universum, maar één veilige schuilplaats en dat is Golgotha, waar Christus Zich geofferd heeft tot een verzoening voor de zonde.

Op Golgotha is het bevel gegeven: Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder, en tegen de Man Die Mijn Metgezel is (Zach.13:7). Op Golgotha heeft het geklonken: Sla die Herder! Gods geschonden recht eiste daar van Christus voldoening voor de zonden.

Daar heeft de toorn van God tegen de zonde gewoed, en is die toorn uitgewoed in de dood van Christus. Daar is de Zoon van God verbrijzeld op het nieuwtestamentische altaar, het kruis van Golgotha. Daar heeft Gods toorn gewoed en is Gods toorn uitgewoed; daar is Zijn gramschap geblust; daar is aan Zijn rechtvaardigheid voldaan; daar is de zonde gestraft en daar is de vloek van de overtreden wet gedragen.

 

Vreselijk Golgotha! Heerlijk Golgotha! Veilig Golgotha!

Daar zien we wat Paulus schrijft: Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende (2 Kor.5:19).

Wie gered wil worden zal daarheen moeten vluchten. Wie het oordeel wil ontgaan zal bij de Gekruisigde zijn veiligheid moeten zoeken.

 

Gemeente, dat vluchten tot Golgotha vangt aan wanneer we zien dat het visioen van Amos werkelijkheid wordt. Als we beginnen te vrezen, heilig te vrezen voor Gods gramschap. Als we beseffen het verdiend te hebben: Sla die knoop, dat de posten beven.

O, als wij eraan ontdekt worden God door onze zonde te hebben vertoornd en ons de eeuwige dood hebben waardig gemaakt, wanneer de dreiging van de wet op ons aanvalt en Gods recht voldoening eist, dan beleven we dat er nergens veiligheid is, noch in de diepte van de zee, noch op de hoogte van de Karmel.  

Ons berouw, de ernst waarmee wij God zoeken te dienen, en zelfs de troost die we in Zijn Woord en onder de prediking vonden, kan ons dan geen veiligheid meer bieden. Het leert ons in onze nood en dood te zien op de gekruisigde Jezus.

Het doet ons roepen: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.’

  

Op Golgotha vindt de zondaar veiligheid. Daar horen we: ‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’ Het geloof verbergt zich in de wonden van Jezus en ervaart: Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld, de straf die ons de vrede brengt was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5).

Op Golgotha is er veiligheid! Hoe kan dat?

Omdat het vuur niet meer komt waar het al geweest is.

 

In Amerika leerden emigranten van de Indianen hoe je een prairiebrand kon bedwingen. Als de prairie in brand stond en het vuur de dorpen in de as dreigde te leggen, verbrandden de Indianen rondom het dorp, in een cirkel van ongeveer honderd meter breed, alles wat brandbaar was. Wanneer het vuur naderbij kwam vond het rondom het dorp geen voedsel. De Indianen zeiden dan: ‘Het vuur komt niet waar het al geweest is.’

Op Golgotha is het vuur van Gods gramschap over de zonde geweest. Het heeft daar gewoed in de dood van Christus. Het geslachte Lam heeft de vlam geblust. Nu komt het vuur niet meer waar het al geweest is.

Daarom is er veiligheid op Golgotha!

 

God straft de zonde niet tweemaal. Hij straft de zonde niet én aan Zijn Zoon én aan de schuldige, vrezende en bevende zondaar die bij het kruis zijn toevlucht heeft genomen. We horen het ook uit de mond van de profeet Joël: Op de berg Sions zal ontkoming zijn (Joël 2:32).

Op Golgotha’s heuvel is redding en ontkoming.

Haast u dan en spoed u om uws leven wil!

 

Laten we nu eerst samen zingen Psalm 119 vers 60:

 

Al ’t godd’loos volk verdoet G’ als schuim van d’ aard’,
Dies zal ik Uw getuigenissen vrezen.
Het heeft mijn ziel verschrikkingen gebaard,
Ja, zelfs is mij het haar te berg’ gerezen,
Als ik op Uw gerichten heb gestaard;
Uw oordeel, Heer’, kan niet dan vrees’lijk wezen.

 

Ik zag de Heere staan op het altaar. Je zou kunnen zeggen dat het altaar het middelpunt van iedere religie is. Er is geen godsdienst zonder altaar. Maar vooral de Joodse eredienst was een dienst rondom het altaar. Het altaar was een afschaduwing van Christus en Zijn verzoening.

Ook nu hebben we een altaar: dat van Christus’ zoen- en kruisverdiensten. De apostel zegt in de Hebreeënbrief: Wij hebben een altaar (Hebr.13:10).

Vooral de prediking staat in verband met het altaar. Zij wordt genoemd: een dienst van verzoening. Vanuit de door Christus’ aangebrachte verzoening komt de prediking tot zondaren: Laat u met God verzoenen. Daarom is het zo belangrijk hoe wij bij het altaar, onder de dienst der verzoening, verkeren. Daar komt God een onderzoek naar instellen. Hij wil onderzoeken hoe de priesters hun werk bij het altaar doen.

Het was hun roeping om Gods altaar heilig te houden. Zij moesten toezien dat geen onreine, zieke of gebrekkige dieren aan de Heere geofferd werden. Ook moesten zij de overtreder, die heil zocht bij het altaar, met barmhartigheid tegemoet treden.

 

God ziet toe hoe predikanten hun werk doen. Hij stelt daar een onderzoek naar in. De nood van de kerk is immers gelegen in de nood van de prediking. Hoe is het gesteld met de dienst der verzoening?

Een prediking waarin de zonde afwezig is, is noodzakelijk ook een prediking waarin het kruis van Golgotha ontbreekt. De boodschap kan ontaarden in een politiek en humanistisch praatje waarin de ernst van de zonde en Christus ontbreken. De waarheid van het kruis van Golgotha is uit veel kerken verdwenen. Men spreekt daar niet meer over zonde en verzoening, Gods toorn en het bloed van Christus. 

 

De priester moest echter niet alleen over de ernst van de zonde en de vreselijkheid van de toorn van God over de zonde spreken. Hij moest de boetvaardige ook naar het altaar leiden. Paulus zegt dat de priester behoorlijk medelijden moest hebben met de onwetenden en dwalenden (Hebr.5:2).

Hoe ontvangen de predikers de zondaars bij het altaar? Zoeken wij hen naar Christus te leiden? Trachten wij de aanstoot weg te nemen of werpen wij allerlei barrières op, die de weg tot Christus blokkeren?

Soms lijkt het wel alsof alleen een geheel geschikt gemaakte zondaar bij Jezus welkom is, terwijl niemand zo welkom is dan die geheel ongeschikt en afgekeurd is. In plaats van een rijke Jezus voor een arme zondaar, gaat het zo dikwijls over een rijke zondaar die er helemaal klaar voor is, en een arme Christus.

Reeds Comrie moest in zijn dagen zeggen: ‘Hoe weinigen zijn er die de banier oprichten en roepen: Wie dorst heeft kome en die wil neme het water des levens om niet.’

Gemeente, wat een voorrecht is het om bij dat altaar te mogen leven. Wat een voorrecht het evangelie te horen verkondigen.

Maar het is ook een gevaarlijke plaats!

Het lieflijk evangelie, dat de goede boodschap van Gods vergeving brengt, kan ook een reuk des doods ten dode worden. Het kan in een zwaard van wraak veranderen. De apostel zegt dat Christus zal wederkomen om met vlammend vuur wraak te doen, over allen die het evangelie ongehoorzaam zijn (2 Thess.1:8).

Van alle zonden is de zonde van verachting en verwerping van het evangelie het zwaarst.  Niets vertoornt God méér dan de verwerping van Christus en Zijn evangelie. Het is een scharlakenrode zonde. We staan schuldig aan dit kwaad, wanneer we de boodschap van de verzoening horen en toch niet als een boeteling bij het altaar schuilen. Het altaar, de dienst der verzoening, de verwerping van Christus en de aangeboden genade klaagt ons dan aan.

 

Gemeente, klaagt het u werkelijk aan?

Hoor dan wat de Heere zegt over deze scharlakenrode zonde van de verwerping van Christus. Hij roept degenen die over deze zonden treuren toe: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes.1:18).

Dit is de genadeboodschap, die van het altaar tot zondaren komt. Bij het altaar kun je alleen maar als zondaar verschijnen. Wat wordt dat veel vergeten en overgeslagen! Hoe verkeer ik bij Gods altaar? Wat doe ik met de dienst der verzoening? Buig ik daar schuldig en verslagen onder of ga ik daar achteloos aan voorbij?

Wij verdienen dat God ook over ons het oordeel zal uitspreken: Sla die knoop, dat de posten beven! Doorkloof ze allen in het hoofd!

Maar er is een altaar! Een altaar waar veiligheid en verzoening is.

Het is het offer en bloed van Jezus Christus.

Bij het altaar horen we het evangelie van het kruis dat zegt: Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:14-15).

 

Ik zag de Heere staan op het altaar.

God komt tot Zijn kerk. Het oordeel begint van Gods huis.

Dat is de heilige orde!

Het oordeel begint bij het altaar, bij de priesters en de vrome kerkgangers.

Zo zal het ook zijn als Christus wederkomen zal. En waarheen zullen we dan vluchten?

U zult zeggen: ‘Tot het altaar.’ Maar er zal geen altaar meer zijn!

De genadetijd is dan voorbij. God, de Rechter, de vertoornde God, zal ons ter verantwoording roepen en vragen hoe wij verkeerd hebben bij Zijn altaar.

Vlucht dan toch met de doodslager naar het altaar en grijp u vast aan de bebloede hoornen.

Daar is veiligheid, eeuwige veiligheid!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:14

 

Wie, ver van U, de weelde zoekt,
Vergaat eerlang en wordt vervloekt;
Gij roeit hen uit, die afhoereren
En U de trotse nek toekeren;
Maar ‘t is mij goed, mijn zaligst lot,
Nabij te wezen bij mijn God;
‘k Vertrouw op Hem geheel en al,
De Heer’, Wiens werk ik roemen zal.