Ds. J. IJsselstein - Micha 1

Micha, Gods boodschapper

Micha 1
Hij spreekt de woorden van God
Hij ziet het dreigende oordeel
Hij zoekt de bekering van Juda

Micha 1 :

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 113: 4
Lezen : Micha 1
Zingen : Psalm 97: 1, 2, 3
Zingen : Psalm 2: 3
Zingen : Psalm 2: 5, 6

Gemeente, het is vandaag een bijzondere dag. Een boetedag, midden in het jaar 2014.

Zo’n dag is niet zonder gevaar. Eén van die gevaren is dat we gaan wijzen. Naar iemand anders, naar anderen buiten onze kerk, naar andere kerken. Naar de zonden van de wereld, naar de verwording van de maatschappij.

Er zijn zaken genoeg om op te noemen. Het huwelijk tussen man en vrouw staat onder druk. Het homohuwelijk is een feit. Abortus is een gepasseerd station. Euthanasie volgens de geldende criteria is legaal. Zondagsheiliging is in grote delen van het land verleden tijd. En ga zo maar door.

 

Wijzen naar anderen… Dat wordt een gemakkelijke boetedag. Want zolang je wijst, voel je zelf geen pijn. De slagen treffen immers anderen.

Het Woord heeft dan wel een boodschap, voor die, en die, maar… wijzelf? Nee, wijzelf voelen ons best nog wel een beetje tevreden met wie wij zijn.

Zeker, we hebben ook kritiek op sommigen binnen onze kerk. We ontwaren evangelische invloeden, wereldgelijkvormigheid, oppervlakkigheid. Maar gelukkig… het is wel vlakbij, maar het raakt ons niet rechtstreeks. Natuurlijk, boete is nodig. Maar het geldt ons persoonlijk niet.

Zo verwordt deze dag van boete tot een dag van tevredenheid.

Tevredenheidsdag 2014. Een dag waarop je heimelijk een beetje trots kunt zijn. Wij houden tenminste nog een boetedag… Anderen niet. En, zeggen we, de Heere is gelukkig ook nog met ons.

 

Gemeente, zoiets zeiden de inwoners van Juda in de tijd van Micha ook.

Letterlijk horen we ze in Micha 3 vers 11 zeggen: Is de Heere niet in het midden van ons?

Wat een zelfgenoegzaamheid en griezelig automatisme! Wat wij andere kerken verwijten, is dat niet de bodem van onze eigen gerustheid? Is de Heere niet in het midden van ons? Bij ons, in de Gereformeerde Gemeenten?

Maar het is de zonde van de kerk, van onze kerk, dat we een boetedag houden, maar zélf niet buigen. Zo tevreden zijn! Wij hebben de waarheid toch nog?

We weten zelfs messcherp anderen binnen onze gemeenten te veroordelen wanneer wij ze zien vervlakken.

En kijk eens hoe vol onze kerken nog zitten! Zie eens hoeveel geld wij geven aan de kerk, aan zending en evangelisatie. Kijk eens hoeveel jongeren we nog in onze kerk hebben! Is de Heere niet in het midden van ons?

 

Maar God zegt ondertussen door de mond van Jesaja - het staat in Jesaja 29 vers 13: Dit volk nadert tot Mij met zijn mond, en zij eren Mij met hun lippen, maar zij doen hun hart ver van Mij; en hun vreze, waarmee zij Mij vrezen, zijn mensengeboden…

Micha, de tijdgenoot van Jesaja, spreekt dezelfde taal.

Ter gelegenheid van deze dag van boete gaan wij luisteren naar Gods boodschap die vanuit de profetie van Micha tot ons komt.

We overdenken daartoe vers voor vers het eerste hoofdstuk van het boek Micha.

 

Het thema is van de preek is eenvoudigweg: Micha, Gods boodschapper.  

 

Wij doen dat aan de hand van drie gedachten:

1. Hij spreekt de woorden van God

2. Hij ziet het dreigende oordeel

3. Hij zoekt de bekering van Juda

 

1. Hij spreekt de woorden van God

 

Leest u maar mee in vers 1. Het woord des Heeren dat geschied is tot Micha, de Morastiet, in de dagen van Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda; dat hij gezien heeft over Samaria en Jeruzalem.

Het woord des Heeren is geschied!

Wij zouden zeggen: het woord van God kwam tot Micha. Woorden met gezag. Want de Heere spreekt!  

Heere, met vijf hoofdletters. De eeuwige God van het verbond spreekt. Hij Die altijd doet wat Hij zegt, Die trouw Zijn woord houdt. En daarom begint vers 2 met: Hoor! Luister!

 

Het woord van God kwam tot Micha. Zijn naam betekent eigenlijk: ‘Wie is als God?’

Wie is als God? Dat klinkt strijdbaar!

Het is alsof hij zegt: durft u, durf jij, zijn woorden tegen te spreken? Want: wie is als God?

Micha’s naam doet ook denken aan Michaël; generaal van de hemelse strijdkrachten. Michaël, de grote engel. Een van de vele miljoenen engelen in de hemel, die als het ware in één groot spreekkoor voortdurend uitroepen: ‘Wie is gelijk aan onze God?’

 

Micha’s naam klinkt tegelijk ook troostvol, zoals we gezongen hebben uit Psalm 113: ‘Wie is aan onze God gelijk?’ Die armen opricht uit het slijk, uit de modder.

In hoofdstuk 7 vers 18 zie je dat terug. Als je daar Micha zou vragen waarom hij zo heet, horen we hem als het ware zeggen: Mijn naam betekent: ‘Wie is gelijk aan God?’ En dan komt het: Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van Zijn erfenis voorbijgaat. Zo is mijn God! Strijdbaar en tegelijkertijd troostvol.

Micha de Morastiet, staat er. In één van de volgende verzen komt u het boerendorpje tegen waar hij vandaan komt: Moréseth-Gath. Het lag misschien zo’n vijfenveertig tot vijftig kilometer ten zuidwesten van Jeruzalem.

 

Micha, afkomstig uit Moréseth-Gath. Dat is alles wat we van hem weten. Zijn naam en zijn postcode, meer niet. Wat staat dat in schril contrast met wat wij graag horen over dominees. Wij lezen met graagte hun levensverhalen. Die zijn er te over. En wij dominees vertellen met graagte over onszelf. Maar eigenlijk moet je zeggen: dat is allemaal van de mens.

Nee, zegt God, zijn naam en zijn postcode, dat is genoeg.

Want het gaat om het ‘zo zegt de Heere’!

Wij als profeten, boodschappers van het Woord, ambtsdragers, voor wie deze dag ook boetedag is, moeten ons ernstig afvragen of wij nog staan in dat spoor. In het spoor van het eerbiedig nazeggen van het Woord des Heeren: ‘Zo zegt de Heere!’

 

Ja, ook de tijd waarin hij leefde wordt nog vermeld.

Hij leefde in de dagen van Jotham. Een godvrezende koning, maar hij stond zijn volk wel toe om de afgoden te blijven dienen. In de dagen van Achaz, één van de meest goddeloze koningen van Juda. En in de dagen van Hizkia, de bekende godvrezende koning.

In de dagen van Jotham, Achaz en Hizkia. Waarschijnlijk niet van de eerste dag van Jotham tot de laatste dag van Hizkia.

Het zou kunnen dat zijn bediening begon in de laatste dagen van Jotham. Hij heeft dan zestien jaar lang - want zo lang regeerde Achaz - geprofeteerd tijdens de regeerperiode van één van de meest goddeloze koningen van Juda.

 

Micha’s profetieën worden uitgesproken in een donkere en dreigende tijd. Want er is grote dreiging vanuit het noorden, vooral vanuit Assyrië.

En Micha? Hij preekt en hij preekt en hij preekt…!

Maar er gebeurt helemaal niets. Geen opwekking, geen reformatie. Zestien jaar lang gebeurt er niets. Maar… hij gaat door. Hoe? Met eerlijk en oprecht uit te spreken wat God tegen hem zegt: ‘Zo zegt de Heere!’

Maar Micha laat het niet alleen bij preken. Tegelijkertijd is hij een verborgen bidder, een worstelaar bij God om genade voor het volk. We lezen dat in vers 8.

Hij bidt en smeekt de Heere met de vasthoudendheid van Abraham, die pleitte voor het behoud van Sodom en Gomorra. Wij horen hem als het ware met de woorden van Paulus aandringen: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof. Wij bidden van Christuswege  - wij leggen dat ook vandaag aan uw hart - laat u met God verzoenen (2 Kor.5:11,20).

 

Twintig, vijfentwintig jaar lang, kondigt Micha, als profeet van het komende gericht, het oordeel van God aan.  

De goddeloze koning Achaz gaat door. De godvrezende koning Hizkia komt tot inkeer. Honderd jaar later is in Jeremia 26 opgetekend dat hij buigt voor de Heere. Uiteindelijk vindt er ten tijd van Hizkia een ontwaken, een opwekking, een reformatie plaats.

Mogelijk bidt u al zo lang al om de bekering van uw man, uw vrouw, uw kinderen, uw kleinkinderen, uw vader of moeder… Nooit opgeven! Doorgaan met bidden en smeken. Want hier staat het: de Heere wil Zich laten verbidden.

 

Micha spreekt de woorden van God. Ons tweede punt:

 

2. Hij ziet het dreigende oordeel

 

Leest u maar mee vanaf vers 2: Hoort, gij volken altemaal, merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid: de Heere Heere nu zal tot een Getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit de tempel Zijner heiligheid. Want ziet, de Heere gaat uit van Zijn plaats, en Hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde. En de bergen zullen onder Hem versmelten en de dalen gekloofd worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren die uitgestort worden in de laagte.

Hoort! Iedereen! Heel de aarde. God heeft een zaak tegen de mensen.  

Hij is tegelijkertijd Aanklager, Getuige en Rechter. Hij is - hier staat het - in de tempel van Zijn heiligheid. In de hemel der hemelen.

Maar… wees niet gerust!

Denk niet: dat is ver weg. Denk niet: Hij ziet het niet, en Hij weet er niet van. Want, zegt de Heere, Ik heb een zaak tegen u. Ik kom. Ik kom uit de hemel naar de aarde om een zaak te vereffenen.

 

Zie, Hij komt. Daar is Hij! Een vuurgloed gaat voor Hem heen.

Met beeldende taal duidt Micha de grote verwoesting aan die komen zal over Juda en Israël. Met dezelfde woorden die in Psalm 18  gebruikt worden: Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was. Rook ging op van Zijn neus en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken. En Hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten (Ps.18:8-10).

We horen Micha zeggen: ‘Als Zijn voeten de hoogten van de bergen raken, de toppen van de bergen, dan smelten ze weg. Zoals was voor het vuur, zoals kaarsvet smelt, zo smelten de heuvels. Niets is bestand tegen de rechtvaardige en hoogste Rechter.’

Ik hoor u zeggen: ‘Ja, maar dat is maar beeldspraak. Dat is beeldende taal. Eigenlijk  angstaanjagende metaforen.’

Dat is waar. Het is inderdaad beeldspraak. Maar u moet beseffen dat Micha beeldende taal gebruikt omdat de werkelijkheid met geen pen te beschrijven is.

Deze beeldspraak is niet bedoeld om ons gerust te stellen, maar opdat we des te meer zouden beven voor de werkelijkheid.

Als de Almachtige verschijnt uit de hemel, zullen de mensen roepen tot de bergen: ‘Valt op ons!’ en tot de heuvelen: ‘Bedekt ons!’ De bergen smelten als was voor het aanschijn des Heeren, voor het aanschijn des Heeren der ganse aarde (Ps.97:5).

 

Waarom komt de almachtige God naar de aarde?

Nee, Hij komt hier niet zoals Hij kwam in Bethlehem, als Zaligmaker in diepe vernedering. Hier verschijnt de Almachtige in majesteit en heerlijkheid, als Rechter. Als een Rechter, Die een zaak heeft tegen de mensen.

Hij verschijnt. Waarom?

Lees vers 5: Om de overtreding van Jakob - letterlijk staat er: rebellie - en om de zonden van het huis van Israël. Straks wordt het uitgebreid naar Juda en Jeruzalem.

 

Wij zien Micha in gedachten staan. Hij preekt voor de zoveelste keer.

De inwoners van Juda staan voor hem. Met stuurse gezichten.

Micha is niet geliefd.

Je hoort hem als het ware prediken: ‘God komt om te oordelen! Hij daalt neer vanuit de hemel, om Zijn zaak te vereffenen.’

Zijn hoorders houden hun adem in...

En op het moment dat ze ‘amen’ willen zeggen op de woorden: ‘God zal de wereld oordelen en wij - kerkmensen - gaan vrijuit…’, op dat moment priemt Micha met zijn vinger vooruit, en zegt: ‘Het is om de rebellie van Jakob.

Het is om u! U behoort tot die opstandelingen!

 

Wat een misrekening!

Wij zeggen: ‘De toekomst is donker. We zullen in de toekomst wel vervolgd worden. Gods oordelen gaan over de aarde, over Nederland, over - vul uw woonplaats maar in.’

Sommige mensen zien het al heel snel op zich af komen.

Maar, wat een arrogantie, wat een trots, wat een blindheid…

Vervolging? Ja, zegt u, want wij zijn toch echte christenen? Een komend oordeel? Ja, de wereld zal toch geoordeeld worden? Al die goddeloze mensen? Ja toch?

 

Wat een misrekening!

Hier staat het echt andersom. God komt van de hemel naar de aarde om de rebellie van Jakob, om de opstand van Juda, om de zonden van Israël. Om de zonden van het volk van God. Om de zonden van mensen die het teken van het verbond dragen. Om de zonden van kerkmensen. Het oordeel dreigt voor ons.

De wereld, de inwoners van [uw woonplaats] en de inwoners van Nederland worden opgeroepen om getuigen te zijn van het oordeel dat God afroept over onze zonden! Dit alles zal volgens vers 5 gebeuren om de overtreding van Jakob, en om de zonden van het huis Israëls!

 

Micha vraagt vervolgens in het vijfde vers: ‘Wie is het begin van de overtreding en de rebellie van Jakob? Is het niet Samaria, de hoofdstad van het noordelijke rijk? Wie is het begin van de hoogten - de afgodscentra - van Juda? Is dat niet Jeruzalem, het centrum van het godsdienstige leven?’

Met andere woorden: waar begon het allemaal? Het antwoord luidt: in het centrum van het tienstammenrijk, in Samaria.

Waar begon het in Juda? Het antwoord: in het centrum van het kerkelijke en godsdienstige leven in Jeruzalem!

Zegt Petrus eeuwen later dat het oordeel begint in de wereld? Nee!

Het oordeel begint bij het huis Gods!

 

Daarom zegt Micha, daarom zegt de Heere in vers 6: Samaria zal tot een steenhoop worden. Tot plantingen van een wijngaard. Samaria, een prachtige stad, gebouwd op een heuvel van zo’n honderd meter hoog. Die stad zal tot een steenhoop worden, een ruïne.

De aarde rondom haar zal omgeploegd worden. Zoals een boer de aarde omploegt om een wijngaard te planten.

En, zegt God, Ik zal de stenen van de muur van Samaria van die heuvel afwerpen, de vallei in. Ik zal net zo lang ploegen en graven totdat de fundamenten van de stad blootgelegd zullen zijn.

In vers 7 volgt dan dat al haar gesneden beelden van hout en steen vermorzeld zullen worden.

 

Goddeloze mensen in Samaria, nietwaar?

Ja, níet waar!

Want die inwoners van Samaria zijn niet goddeloos. Zij zijn, dat blijkt uit heel de context, door en door religieus. Ze dienen de God van Israël. Alleen, ze doen het op hun eigen manier.

Ze hebben beelden van Hem gemaakt om die te dienen. Vroeger heette dat eigenwillige godsdienst. Tegenwoordig zou je zeggen: eigenwijze godsdienst; je doet het op je eigen manier.   

Ja precies, zegt u wellicht. Dat is de zonde van de moderne kerkmens van tegenwoordig.

Wacht even!

God zegt hier: Dit is de rebellie van Jakob en de opstand van Juda. Dat wil zeggen: het is mijn zonde, het is uw zonde.

 

Gemeente, jaren later buigt de godvrezende en vrome koning Hizkia onder deze woorden. Lees het maar na in Jeremia 26. Hij valt voor dit dreigende woord, en zegt: ‘Het is waar, Heere, dat is mijn zonde.’

Als deze godvrezende Hizkia gebogen heeft, blijven wij dan overeind staan?

Het ergste wat u op deze boetedag kunt doen, is naar andere mensen wijzen, en zeggen: ‘Zie je nu wel, zoveel mensen die de Heere dienen op hun eigen, verkeerde manier.’

Het ergste wat u vandaag kunt doen, is denken dat je te goed bent om vervolgd te worden, en dat andere mensen geoordeeld zullen worden.

Maar het beste wat u kunt doen, wat jullie, jongelui, kunnen doen, is buigen. Zeggen: ‘Ja, Heere, ik wil dat wel niet erkennen, maar het is waar. Zo is mijn leven. U dienen? Ja, maar dan wel op mijn eigen manier. Het oordeel dat U uitspreekt heb ik verdiend. Uw doen is rein, Heere, Uw vonnis is rechtvaardig. Is er nog een weg om te ontkomen?’

 

We lezen verder in vers 7: Uw hoerenloon zal Ik - God - met vuur verbranden.

Uw hoerenbeloningen… Het heilige is vermengd met plat vermaak. We gaan fijn naar de tempel, en daarna brengen we om onszelf te plezieren nog een bezoekje aan de heilige zuster, de tempelprostituee.  

Wat werelds, zegt u, en wat goddeloos!

Ja, maar God zegt: ‘Dat is úw rebellie, o Jakob. Dat is úw opstand, o kinderen van het verbond.’

Ja, dat is mijn opstand. Dat is uw opstand. Het heilige van Gods huis vermengen met de zonde van je hart. En vervolgens doen alsof er niets aan de hand is, alsof dat de gewoonste zaak van de wereld is.

U komt naar de tempel, Mijn huis - zegt God - u komt naar de kerk. U kijkt naar rechts en u minacht uw broeder. Dat is moord.

U kijkt naar links en laat het oog van uw begeerte vallen op uw zuster. Dat is overspel.

U praat over hen, roddelen, kletsen, oordelen en veroordelen. Dat is een vals getuigenis spreken.

U onthoudt Mij - zegt God - uw offer in de collecte, u onthoudt Mij waar Ik recht op heb. Dat is diefstal.

U dient in uw hart en uw leven een godsbeeld dat u zelf gemaakt hebt. Misschien wel alleen voor de zondag. Het doordeweekse staat er los van. En dat alles onder het mom van rechtzinnigheid en vroomheid.

Gemeente, dat is tempelprostitutie van de eenentwintigste eeuw!

Toen, in de tempel. Nu, in de kerk!

 

Maar al deze goden - zegt God in vers 7 - zal Ik stellen tot woestheid. Ik zal ze vermorzelen. Want het is door hoererij verkregen. Uit de opbrengsten van die prostitutie zijn weer nieuwe beelden gekocht, maar - staat er - ze zullen tot hoerenloon weerkeren.

Wanneer het oordeel voltrokken wordt komen de vijanden uit Assyrië en Babel. Zij zullen die beelden als buit meenemen. Vervolgens komen ze terug en gebruiken ze die als betaalmiddel om een nacht te kopen in het bed van die tempelprostituee. Kortom, uw kwaad zal als een boemerang op uzelf terugkomen.

Wat heeft dan uw eigenwillige, eigenwijze godsdienst opgeleverd? Dat vermengen van Gods heiligheid, de heiligheid van Zijn dienst, met uw eigen plezier? Wat levert uw eigen denken, uw eigen vermaak, uw schijnvroomheid straks op? Helemaal niets!

Het oordeel komt, zegt Micha. De vijand komt. Straks bent u alles kwijt. Inclusief uw eigen godsdienst.

Gij roeit uit al wie van U af hoereert. In de wereld? Nee. In de kerk.

De rebellie van Jakob en de opstand van Juda zal bezocht worden! Het is immers opstand tegen God; in de kerk als het centrum van het godsdienstige leven, in de Gereformeerde Gemeenten van de eenentwintigste eeuw.

 

Wij zijn rebellen! De woorden van Micha zouden ons werkelijk tot zegen zijn en onze verharde harten verbreken, als we ons vernederen tot dat niveau. Niet dat van nette, boetvaardige kerkmensen, maar rebellen, afgodendienaars, opstandige kinderen van het verbond. Als het geroep in onze kring, in onze kerk: ‘Des Heeren tempel, dat zijn wij’, zou verstommen.

Wij zijn vroom? Nee, wij zijn goddeloos!

Calvijn zegt: ‘God wil ons laten zien hoezeer wij kerkmensen en ambtsdragers, Gods toorn, Gods wraak, hebben geprovoceerd, geprikkeld. Maar Hij doet dat om onze harten voor te bereiden op genade.’

Hoort u dat? God spreekt die scherpe woorden om onze harten voor te bereiden op… genade!

 

Hier is geen toorn die wegvaagt. Dit is toorn en dreiging die ons toeroept: ‘Keer terug! Keer weer, afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen.’

Het is een dreiging, zegt Calvijn, die ons hart diep wil verwonden, opdat we oog zouden krijgen voor de liefde en de oneindige gave van God. Want werkelijk, sinds de val in het paradijs, sinds Adam, heeft God nog nooit één vloek en dreiging uitgesproken, dan met dit doel: om zondaars tot Christus te brengen.

 

Voordat we verder gaan ons derde punt zingen we Psalm 2 vers 3.

 

Durft gij bestaan te twisten met Mijn kracht?

Zal nietig stof Mij ‘t hoog gezag ontwringen,

Of weerstand biên aan Mijn geduchte macht?

Ontziet Mijn toorn, verdoolde stervelingen!

Gij zult vergeefs Mijn rijksbestel weerstreven;

Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid;

Hij, door Mijn hand op Sions troon verheven,

Heerst op de berg van Mijne heiligheid.

 

Micha, de boodschapper van God spreekt in de eerste plaats de woorden van God, Hij kondigt daarmee het oordeel aan, en in de derde plaats:

 

3. Hij zoekt de bekering van Juda

 

Leest u maar mee in vers 8 en 9: Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen. Micha wil daarmee zeggen: ‘Ik zal klagen en jammeren.’ Ik zal beroofd en naakt gaan, ik zal misbaar maken als de draken - dat zijn jakhalzen - en treuring als de jonge struisen. Als de jonge struisvogeltjes in de woestijn.

Micha zegt dus: ik zal klagen en huilen als een jakhals. Hoog van toon, met lange uithalen. Hoger en hoger. Met uiteindelijk een paar van die korte afgeknepen blaffen als van een jakhals. Ik zal klagen, als het typische rouwachtige klagen van jonge struisvogeltjes in de woestijn. Ik zal beroofd en naakt gaan. Ik zal uiteindelijk zelf ook delen in het oordeel. Ik zal als een krijgsgevangene weggevoerd worden, beroofd en naakt, want mijn kleding is me ontnomen.

 

Een oprechte profeet, zoals Micha, zegt het oordeel aan: ‘Zo zegt de Heere! De Almachtige zal neerkomen van de hemel en recht doen op de aarde. Als Ik, de Heere, kom, o Jakob, o Juda, en met u afhandel, zal er niets van u overblijven.’ En de preek is klaar…

Twintig, vijfentwintig jaar lang ongelovige en vijandige blikken in zijn richting, maar hij gaat onverschrokken door. Na de preek thuisgekomen sluit hij zich in zijn kamer op, en… huilt bittere tranen. Dan klaagt en jammert hij het uit.  

 

Eigenlijk begrijpen we pas nu waarom we, behalve zijn naam en postcode, niet zo veel van deze Micha weten.

Zijn naam is: ‘Wie is als God?’

Micha is maar een schaduw, meer niet, van Degene Die nog komen zal: de grote Profeet Jezus Christus. Zijn preken waren scherp, messcherp. Veel scherper dan wij zouden willen. Niet voor niets werd Hij uit de synagoge geworpen.

Luister maar: Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hebt dat tot een moordenaarskuil gemaakt (Matth.21:13). Het zal je als net kerkmens maar gezegd worden.

Messcherp waren Zijn woorden: En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven zou hebben (Joh.5:40). Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild (Matth.23:37).

Toen Hij - u kunt het lezen in Lukas 19, houdt u de wenende en klagende Micha maar in gedachten - toen Hij, Jezus Christus, dat rebelse Jeruzalem naderde, weende Hij over haar. Er staat letterlijk: Hij snikte het uit.

Tranen brandden in Zijn ogen en stroomden over Zijn wangen. Jeruzalem, vijandig Jeruzalem, och, of gij ook bekendet, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk.19:42).     

Hij ziet de zonden van haar inwoners, Hij ziet hun rebellie en hun vijandschap. Hij weet dat het nog maar even zal duren of ze zullen Hem kruisigen. Tranen stromen Hem over de wangen en druppen op de grond. Och, of u bekende wat tot uw vrede dient, o Jeruzalem!

 

Op dit moment zitten er wellicht mensen in de kerk tegen wie Christus hetzelfde zegt.

U dacht misschien vandaag boete te moeten doen vanwege de zonden van anderen, maar Christus weent tranen over ú. Want… u verzet zich! Wees maar eerlijk, kijk maar in uw hart. U slaat Zijn waarschuwing in de wind. U veracht Zijn lokstem. U gaat door op uw eigen weg.

Voor sommigen geldt zelfs dat Zijn licht in het hart scheen. Maar u hebt het gedoofd. Misschien heeft u wel eens iets geproefd van het goede van het Woord van God. Maar u hebt het uitgespuugd. U hebt Zijn boodschappers veracht, hun woorden verworpen.

En nu? Is het nu te laat? Nee!

Terwijl in de verte de donder van het oordeel grimmig rommelt en snel dichterbij komt, staat heden een wenende Christus voor u. Hij zegt: ‘Kom! Kom toch tot Mij. Ik wilde wel dat u buigen zou en behouden zou worden.’

 

U zegt wellicht: ‘Als Hij het echt zou willen, dan zou Hij het ook wel uitwerken in mijn leven.’

Maar ik zeg u: ‘Sla Hem niet in Zijn gezicht. Verwijt Hem geen onrecht en geen hardheid. Hij staat aan uw deur en Hij klopt.’

Ik predik u vandaag de dreiging van het komende Godsgericht, maar ook een van harte gewillige Zaligmaker. En ik vraag u: ‘Kan de gedachte aan dat komende gevaar, kan dat gezicht op die brandende tranen in de ogen van Christus uw hart niet breken, zodat gaat buigen voor Hem?’

 

Als u doorgaat is dat uw eigen verantwoordelijkheid. Uw bloed - zegt de Bijbel - is dan op uw hoofd. Maar weet dat ook van deze dag van boete geldt, dat Christus tranen over u gehuild heeft. Hoe is het toch mogelijk dat u dit met droge ogen kunt aanzien en onbewogen doorgaat?

Ik zal huilen, zegt Micha in vers 9, want haar plagen zijn dodelijk, haar wonden ongeneeslijk. Het is een besmettelijke kwaal die doorgaat, die niet tegen te houden is, die zelfs - zo staat er - raakt tot aan de poort van Jeruzalem.

 

In de volgende verzen heft Micha een klaagzang aan.

Vers 10: Verkondigt het niet te Gath, weent zo jammerlijk niet! Laat het niet zo zijn, als in de tijd toen Saul en Jonathan sneuvelden. Toen huilden wij, maar vierden de Filistijnen feest. Die waren blij. Laat het toch niet horen aan de vijand, want ze zullen feestvieren en ze zullen met de handen klappen.

Wanneer? Als u niet buigt onder het dreigende oordeel.

Als u niet buigt onder die scherpe woorden van de Heere.

Als u doorgaat op de brede weg.

U kent de smalle weg wel, heel goed zelfs. U weet er misschien wel van alles over te vertellen, tot lering en vooral veroordeling van anderen. Maar zelf gaat u een andere weg.

Zegt dat niet tegen de Filistijnen!

Wij zouden zeggen: breng dat niet in de media! Zet dat niet in de lokale krant.

Wat?

Dat verbondskinderen van Jakob, dat mensen van de Gereformeerde Gemeenten zullen omkomen. Waarom zouden de ongelovige mensen van de wereld, waarom zouden de ongelovigen van [uw woonplaats] de naam van de Heere lasteren?

Maakt het niet publiek dat de kinderen van het koninkrijk, besneden Israëlieten, gedoopte mensen, hun God zo de rug toekeren, dat Hij straks niet anders kan dan hen in Zijn rechtvaardig oordeel straffen. 

Hier klinkt de roep: Laat de naam des Heeren en Zijn zaak om u niet gelasterd worden!

Neem de zaligheid van uw eigen ziel toch ter harte. Bekeert u voordat u sterven moet, voordat het voor altijd te laat is, en u met de kinderen van het koninkrijk zult geworpen worden in de buitenste duisternis!

Het oordeel dat Micha ziet aankomen, zal zeker komen. Over het godsdienstige Juda. Over de kerk. Over ons. Het oordeel dat komt uit de hemel. Het is aanstaande. Hoewel er nog tijd is. Nog een ogenblik tijd voor bekering.

 

Tenslotte volgt er in dit hoofdstuk een aantal verzen die in het Hebreeuws moeilijk te lezen zijn, en ook moeilijk te vertalen zijn. U ziet dat ook terug in de kanttekeningen van de Statenvertaling. Het lijkt er op dat er steden worden genoemd die helemaal niet bestaan hebben. Ze worden als een soort van dreigende beeldspraak ingevoerd, soms zelfs met een vleugje van spot.

We lezen in vers 10: Huis van Afra - stofstad - wentel u als teken van rouw en groot verdriet in het stof.

Inwoneres van Safir, letterlijk: stad van schoonheid, beautystad - hier voel je de spot - ga door met blote schaamte. In schaamtevolle naaktheid zult u straks uitgekleed worden en als krijgsgevangene meegevoerd naar Babel.

 

Inwoneres van Zaänan - uitgaansstad - ga niet uit! Uitgaan is er niet meer bij.

Er is rouw in Beth-Haëzel, letterlijk: huis van wegnemen. God, staat er, zal uw stand van u wegnemen. Waarschijnlijk wil dit zeggen dat de meeste inwoners uit die stad als krijgsgevangenen zullen worden meegenomen.  

In Marôth, vers 12, hoor je ‘mara’: bitter. Marôth - bitterstad - ziet uit naar hulp. Maar als zelfs Jeruzalem al bedreigd wordt, is er voor bitterstad geen redden meer aan.

Lachis, in vers 13, is een echt bestaande militaire vestingstad, bekend om zijn paarden en zijn strijdwagens. Lachis, span uw strijdwagens aan! Niet om te vechten, maar om te vluchten.

In vers 14 lezen we: Geef een afscheidsgeschenk aan Moréseth-Gath - het  geboortedorp van Micha - als teken dat het definitief voorbij is.

Voor Achzib - leugenstad - is er ook geen ontkomen meer aan.

Marésa, vers 15, letterlijk: stad van verovering, Ik zal een veroveraar naar u toe sturen, om u te verslaan en weg te voeren.

 

Er is geen ontkomen aan. God zal zelfs komen tot Adullam. U weet wel, de spelonken van Adullam. De heerlijken van Israël, de belangrijkste mannen uit Jeruzalem, zullen vluchten naar de spelonken van Adullam.

Tenslotte in vers 16: Israël, scheer u kaal als een arend! Je zou ook kunnen lezen: als een gier. Want… het oordeel is onafwendbaar!

 

Gemeente, wie van u wijst op deze boetedag nog naar iemand anders?

God wijst naar mij en naar u en zegt: ‘Het oordeel komt vanwege uw rebellie, o Jakob, vanwege uw opstand, o Juda.’

Wie van u gaat er toch door? Weet dat Christus tranen over u weent op deze dag. En weet dat het oordeel onherroepelijk komen zal.

Wie van u buigt? Wie van u gaat buigen voor de God van Micha?

Laat dan uw troost zijn dat Micha’s naam betekent: ‘Wie is Hem gelijk?’

In Micha 7 lezen we: Wie is een God gelijk Gij, Die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel Zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt Zijn toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid. Hij is het Die de ongerechtigheid, de rebellie, de opstand vergeeft. 

Hij houdt de toorn niet in eeuwigheid, want Hij heeft lust aan goedertierenheid.

 

Verhard u dan niet. Wijs niet naar een ander, maar buig en breek.

Vandaag nog, voordat het te laat is!

 

Amen.

           

Slotzang: Psalm 2: 5 en 6

 

Uw ijz’ren staf, die al hun macht verplet,

Maak’ hen eerlang eerbiedig’ onderzaten,

En noodzaak’ hen te buigen voor Uw wet,

Of sla z’ aan gruis, als pottenbakkersvaten!

O vorsten, wilt de wet der wijsheid horen,

Eer gij God zelv’ en Zijn Gezalfde hoont;

O rechters, tot de stoel der eer gekoren,

Verdraagt Zijn tucht, die u Zijn liefde toont.

 

Vreest ‘s Heeren macht en dient Zijn Majesteit;

Juicht, bevend op ‘t gezicht van Zijn vermogen,

En kust de Zoon, van ouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg’ voor aller ogen;

U op uw’ weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,

Tot staving van Zijn lang gehoond gezag.