Ds. H. Paul - Mattheüs 8 : 2 - 3

De genezing van de melaatse

Eigen onmacht beleden
Jezus' vrijmacht erkend
Jezus' almacht getoond

MattheĆ¼s 8 : 2 - 3

Mattheüs 8
2
En ziet, een melaatse kwam, en aanbad Hem, zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
3
En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 25: 8
Lezen : Mattheüs 8: 1-18
Zingen : Psalm 51: 4, 5
Zingen : Psalm 146: 6, 8
Zingen : Psalm 85: 4

De tekst voor de prediking vindt u in Mattheüs 8 vers 2 en 3:

 

En ziet, een melaatse kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, indien Gij wilt, Gij kunt Mij reinigen. En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft Hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd! En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd.

 

In onze tekst wordt gesproken over: De genezing van de melaatse.

 

Een drietal gedachten:

1. Eigen onmacht beleden

2. Jezus’ vrijmacht erkend

3. Jezus’ almacht getoond

 

1. Eigen onmacht beleden

 

De Heere Jezus heeft Zijn onderwijs op de berg afgesloten. Hij heeft er de bekende Bergrede uitgesproken, die aanvangt met de zaligsprekingen. Wie zijn er zalig? Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Niet zij worden dus zalig gesproken die menen in te kunnen gaan op grond van hun goede werken, maar zij die treuren om hun zonden, en als hongerigen en dorstigen de gerechtigheid van Christus nodig gekregen hebben. Zij verlangen rein van hart te zijn en anderen barmhartigheid te bewijzen.

In deze zaligsprekingen heeft Hij de diepe achtergrond van de zonde aangewezen, en alle uitwendige godsdienst als ongenoegzaam tot de zaligheid aan de kaak gesteld.

 

Ter bevestiging van de bevoegdheid van de Heere Jezus om te prediken, tekent Mattheüs vervolgens het wonder van de genezing van de melaatse en enkele andere wonderen op. Deze wonderen worden door de evangelisten tekenen genoemd. Tekenen die verwijzen naar Christus, Die gekomen is om de schuld en de smet van de zonde van de Zijnen weg te nemen, en hen te redden uit de dood in al zijn omvang, en om hen weer te herstellen in de gemeenschap met God.

Wat heeft Hij in de zaligsprekingen rijke woorden uitgesproken en heerlijke vergezichten geopend voor armen van geest, en voor hongerigen en dorstigen naar de gerechtigheid van Christus.

In onze tekst gaat het over een teken dat de Heere doet om Zijn woorden te bevestigen en de waarheid ervan bij de schare in te prenten. In dit wonderteken biedt de Heere Jezus Zichzelf aan als Degene Die werkelijk verzoening en heiliging aanbrengt. Hij is gezonden door de Vader en gekomen om, zoals Jesaja zegt, onze krankheden op Zich te nemen en onze smarten te dragen. Dat wordt zichtbaar in de genezing van de melaatse, waarvan onze tekst spreekt.

 

Wij zien in deze geschiedenis een man voor ons, die in een ellendige en hopeloze toestand verkeert. Hij lijdt aan melaatsheid; een bijna ongeneeslijke ziekte. Wellicht heeft hij de woorden die de Heere Jezus gesproken heeft vanuit de verte aangehoord, en daarop is zijn verwachting gegrond.

Melaatsheid was destijds een ziekte die bijzonder ernstige gevolgen kon hebben. Er kwamen twee soorten van melaatsheid voor. Bij de eerste soort, de tuberculaire vorm, ontsteekt de huid en ontstaan zweren. Die zweren worden steeds groter en dieper, zodat zelfs de beenderen bloot komen te liggen, en ledematen afsterven. Het haar valt uit en de arme lijder ziet er steeds afzichtelijker uit. Tenslotte is het hele gelaat geschonden en het lichaam misvormd. De stem wordt hees en er ontstaat blindheid. De tweede vorm van de ziekte is de zogenaamde witte melaatsheid. Deze vorm is weliswaar minder ernstig, maar toch kunnen ledematen erdoor afsterven.

 

Om verspreiding van melaatsheid te voorkomen waren er in Israëls wetten speciale bepalingen opgenomen. De hoofdstukken 13 en 14 van het boek Leviticus bevatten deze bepalingen. Daarin werd voorgeschreven hoe men bij het vóórkomen van deze ziekte moest handelen. De melaatse moest rouwkleding dragen, het gezicht omwinden met een doek en door het roepen van de woorden ‘onrein, onrein’, zijn medeburgers waarschuwen uit de buurt te blijven.

De zieken boden niet alleen een afzichtelijke aanblik; zij werden bovendien in de praktijk als een dode beschouwd. Toen Mirjam melaats geworden was, bad Aäron: Laat zij toch niet zijn als een dode (Num.12:12). Zó was men er eigenlijk aan toe, als men melaats was. Men was als het ware door God geslagen; geestelijk veracht en vervloekt. Wanneer dan ook bij iemand melaatsheid vastgesteld werd, moest hij uit het midden van het volk gebannen worden. Naar de wet van Mozes werd zelfs iemand die een melaatse aanraakte onrein.   

 

Deze melaatsheid is nu een toonbeeld van onze geestelijke melaatsheid. Wij zijn door de zonde geheel aangetast en onze geestelijke vermogens zijn verminkt. We zijn melaats van het hoofd tot de voeten. Vanuit onszelf is er geen enkele verbetering mogelijk. Zo leert de Heilige Geest onszelf als onrein kennen en als uit Gods gemeenschap gestoten. Ongeneeslijk ziek! Wie kan ons van deze ziekte verlossen? Wie kan ons reinigen van onze ongerechtigheden? David belijdt in Psalm 51: ‘Mijn ziel is geheel melaats.’

Zeker, we proberen wel onszelf te reinigen en op te knappen. We proberen het tevergeefs met de Heere weer in orde te krijgen en de aanklachten van de wet tot zwijgen te brengen. Maar de kwaal wordt steeds erger. In plaats van heiliger te worden, zien we steeds meer de afzichtelijkheid van onze zonde. Wat een tranen van teleurstelling worden er dan geschreid. Zo leren we steeds meer heilzaam te wanhopen aan onszelf, en te verlangen om weer gezond en gereinigd te worden. Maar hoe kunnen we behouden worden? We horen nergens bij en staan overal buiten. Geen mens kan ons helpen!

 

Een melaatse werd doorgaans niet vergeten door zijn vrouw en kinderen. Zijn voedsel werd ergens  buiten het dorp klaargezet en dan mocht hij het vervolgens weghalen. Het  gemis aan gemeenschap werd er des te sterker door gevoeld. Maar de lijder kon er wel eens de liefde uit proeven en erdoor bemoedigd worden. De eenzaamheid en verlatenheid bleef echter. Die kon niemand wegnemen. Niemand?

 

Laten we eens zien wat de melaatse uit onze tekst doet. In vers 2 staat: En ziet, een melaatse kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, indien gij wilt, Gij kunt mij reinigen. Zijn roepen: ‘Onrein, onrein’, doet de menigte die rondom Jezus vergaderd is, verschrikt uiteenwijken. Men zal hem wellicht met boze blikken aangekeken hebben, omdat hij zomaar de wet overtrad. Maar hij trotseert deze boze blikken, negeert in feite de wet van God en dringt tot Jezus door.

Bij Lukas lezen we: En Jezus ziendeviel hij op zijn aangezicht (Luk.5:12). Dit was zomaar niet een vrijblijvend zien; niet een zien zoals dat van de Grieken, die aan de discipelen vroegen: Wij wilden Jezus wel zien (Joh.12:21). Nee, deze zieke in de nood en ellende van zijn leven ziet Jezus als de Enige op Wie hij zijn hoop zou kunnen vestigen. Als hij over Hem hoort spreken, raapt hij al zijn moed bij elkaar en hoewel het hem verboden is, gaat hij de stad in. 

 

En ziet, een melaatse kwam… Hoe komt deze man? Wel, zoals hij is: melaats, onrein en afzichtelijk. Maar met het verlangen om genezen te worden. Dit is zijn enige mogelijkheid om weer gezond te worden. Daarom kan niets en niemand hem weerhouden om tot Jezus te komen. Het is met hem als met Bartimeüs. Deze blinde liet zich er ook door niets en niemand van weerhouden om tot Jezus te roepen.

Wanneer wij hier ons portret getekend vinden, laat dat ons dan aanmoedigen om dezelfde weg te gaan. Al roept alles en iedereen u toe dat u geen genade bij God zult vinden; laat het u niet weerhouden. Al veroordeelt de wet u en hoont satan u; kom toch tot Hem, Die uw krankheden kent en liefderijk geneest!

De melaatse komt en is door niets tegen te houden. Maar hij komt bovenal in het besef onmachtig te zijn om zichzelf te genezen. Dat hoeft niemand hem te zeggen. Dat heeft de achterliggende strijd en tijd hem wel geleerd. Het is een gelukkige zaak als we zo tot Christus mogen komen.

 

Velen houden zich op de been met hun goede voornemens en hun keuzes. Zij stemmen wel toe dat ze zondaar zijn, maar geven heimelijk God de schuld en leven hun eigen leven voort. Zij hebben geen last van hun melaatsheid. Zij geloven er ten diepste ook niet in. Juist de patiënten die niet willen weten hoe ziek ze zijn, zijn er het ernstigst aan toe. Gelukkig is daarom de melaatse die weet zichzelf niet te kunnen helpen, en daarmee bij de Heere terechtkomt. Hij is machtig om te redden. Geen ding is bij Hem onmogelijk.

Het is vernederend en pijnlijk voor ons hoogmoedige hart om te leren dat al onze  pogingen en onze wetsbetrachting geen vrede met God kunnen geven. Het is een noodzakelijke les om te leren dat alleen in Christus behoud en zaligheid te vinden is.

Als u deze waarheid verstaat, wanhoop dan niet! Want de Heere is bezig u een veel heerlijker les te leren. Hij wil u leren tot Hem te komen zoals u bent. Diep schuldig, totaal onrein, en geheel onmachtig. Om niet afgewezen, maar geholpen en gered te worden. Verlost te worden van de macht en de schuld van de zonde, maar ook van de gevolgen van de zonde.

We zien dat bij de melaatse. Hij erkent dat alleen de Heere hem helpen kan. Maar hij moet wel eerst de vrijmacht van de Heere om hem te genezen, erkennen. Daar staan we bij stil in onze tweede gedachte:

 

2. Jezus’ vrijmacht erkend

 

Het blijkt dat de melaatse een waar geloof heeft. Want zijn geloof richt zich op Christus, het enige en volmaakte Voorwerp van het geloof. Dat blijkt uit zijn gebed: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen. De melaatse gelooft in waarheid dat hij ongeneeslijk ziek is en dat hij zichzelf niet kan helpen. Maar vooral gelooft hij dat alleen de Heere Jezus hem helpen kan. Geloofde hij dit niet, dan was hij niet gekomen, en dan had hij de toorn van de omstanders niet getrotseerd. Maar juist omdat hij dit gelooft, kan niets en niemand hem weerhouden.

 

Als de melaatse Jezus ziet, valt hij op zijn knieën. Lager bukken kan hij niet. De onreine ligt voor de Reine. Hij ziet Hem niet aan en durft zijn ogen niet naar Hem op te heffen. Maar zo mismaakt en afzichtelijk als hij is, blijft hij ook niet weg van Jezus. Hoewel hij zich geheel onrein weet, gelooft hij tegelijk in Zijn almacht en liefde. Hier zien we het ‘hoewel’ en het ‘nochtans’ van het geloof. Dat is tegelijk aanwezig.

 

Wat is dat bemoedigend voor ieder die de Heiland in waarheid nodig krijgt. Die belijdt: ‘Ik ben geheel onrein, maar U kunt mij alles schenken.’ Die is beschaamd vanwege zijn afmakingen en tekorten. Die moet het ‘onrein, onrein’ voortdurend uitroepen. Hoe dieper doorleefd wordt hoe de zonde ons heeft aangetast, des te meer hebben we Hem nodig.

Wat kennen velen van Gods kinderen die strijd of de Heere hen wel zou willen helpen. Ze vrezen dat hun geloof niet echt is. Ze hebben immers al zo lang geroepen. En de kwaal wordt alsmaar erger. Diep zijn ze ervan overtuigd dat alleen de Heere hen helpen kan. Maar laten ze moed scheppen uit deze geschiedenis. Hij is als een arts, die de ziekste patiënten het eerst helpt. Hij is de Hoorder van het gebed!

 

Als de melaatse daar aan de voeten van de Heere Jezus ligt, horen we hem spreken. Naar de kant van de mens blijft de Heere vrij. Wij kunnen Hem niet dwingen. We hebben dubbel en dwars verdiend in onze zonde te sterven. We hebben het ons waard gemaakt dat de heilige en rechtvaardige God ons laat liggen in onze ellende en ons de gevolgen ervan laat dragen. Want waarom zou de Heere ons genade willen bewijzen? Het is toch onze eigen schuld?

Toch kan het bij de Heere, krachtens Zijn eeuwige zondaarsliefde en naar Zijn eeuwig welbehagen. Dat gelooft de melaatse ook. Hij spreekt de Heere Jezus aan. Hij roept uit: Heere, indien Gij wilt, Gij kunt Mij reinigen! In het woordje ‘Gij’ ligt al zijn hoop en geloof opgesloten. Die enige Naam is al zijn hoop. In die Naam is alles te vinden wat de melaatse nodig heeft.

 

Maar nu is er één moeilijkheid waar de melaatse voor blijft staan en dat is deze: ‘Zou de Heere Jezus hem wel willen helpen?’ Deze onzekerheid kan een struikelblok vormen op weg naar de Heiland. Vandaar zijn vraag: Indien Gij wilt… Is dit ongeloof? Ongeloof aan Jezus’ gewilligheid?

Gemeente, zo moeten we het niet zien. De melaatse begeeft zich naar Christus om van zijn melaatsheid verlost te worden. Tot op dat moment heeft de Heere Jezus nog geen melaatsen gezond gemaakt. Zou Hij ook deze ziekte willen genezen? Het is immers een bijzondere ziekte en een straf! Bovendien is er in zijn hart een diep ontzag voor de vrijmacht van Gods Zoon. De Heere Jezus is immers niets aan hem verplicht. Welke reden kan hij aanvoeren om de Heere te bewegen hem te helpen? Hij heeft niets anders dan zijn ellende en nood. Maar de melaatse zal ervaren dat dit nu juist de beste pleitgrond is!

 

We lezen bij Markus: En Jezus, met barmhartigheid bewogen zijnde. Wie niets anders overhoudt dan Zijn barmhartigheid, houdt alles over. Maar de melaatse kan niet bevatten dat Christus over hem met ontferming bewogen is. Dat Hij Zich ontfermt over Zijn discipelen en over anderen, kan hij zich nog wel voorstellen. Maar dat Hij hém genadig zal zijn, zou een groot wonder zijn.

Wat is het toch een groot voorrecht deze zelfkennis te beoefenen. Het leert de rechte plaats in te nemen.

De Heere leert verstaan dat er nooit enige grond in onszelf zijn kan, waarop Hij ons genade zal kunnen bewijzen. Want wie zijn we immers? Overtreders van Zijn geboden! Niet alleen gezondigd tegen sommige, maar tegen ál Gods geboden, en geen ervan gehouden. Ja, tot alle boosheid geneigd…

Uit deze zelfkennis vloeit nu voort de Heere vrij te laten in al Zijn doen. Hoe kan zo iemand bij Hem vergeving vinden? Gods recht eist toch voldoening?

 

Het gebed van deze melaatse is geen onbekende zaak. Het is een weldaad die de Heere verleent. Hoewel de Heere vrij is van ieder van ons en ons niets verschuldigd is, heeft Hij Zich in Zijn Woord gebonden zulke bidders te verhoren en niet af te wijzen. Hij heeft immers beloofd: Op deze zal Ik zien, op de arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft (Jes.66:2). De Heere kroont Zijn eigen werk.

Op vele plaatsen heeft Hij beloofd hen te horen die Hem in waarheid aanroepen. Daartoe zond Hij Zijn eniggeboren Zoon. In Zijn werk ligt de grond van de verhoring vast. In Hem is God de Heere. De Zoon van God getuigt: Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh. 6:37). Daarom blijft er vrijmoedigheid voor het gebed: Zo Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.

De Heere is vrij van ieder van ons. Hij doet geen onrecht wanneer Hij ons voorbijgaat. Toch wil Hij helpen. Ja, Hij is duizendmaal gewilliger om te helpen, dan wij zijn om geholpen te worden, zegt Comrie. Christus is de gewillige Zaligmaker. Nooit heeft Hij iemand afgewezen die met de nood van zijn zonde en schuld tot Hem kwam. Hij is gewillig, omdat Hij ook barmhartig is.

 

We hebben onderscheid te maken, zegt Calvijn, tussen het vragen om geestelijke weldaden en het vragen om tijdelijke zegeningen of lichamelijke uitreddingen. Van dat laatste weten we niet of ze goed voor ons zijn.

De ervaring van Paulus leert ons in deze God niet te dwingen, maar om te bidden het eens te zijn met de wil van de Heere en de uitkomst aan Hem over te laten. Als Paulus bidt om verlost te worden van de doorn in zijn vlees, neemt de Heere die niet weg, maar Hij geeft hem de verzekering dat Zijn genade voor hem genoeg is. Dan wil de apostel niets anders meer. Dan roemt hij in zijn zwakheid. Het ware bidden is niet een voorschrijven van onze wil aan God, maar een onszelf toevertrouwen aan Hem. Zo komt de Heere aan Zijn eer.

 

Wat onze geestelijke noden betreft, moedigt de Heere in Zijn Woord ieder, zonder enige uitzondering, aan om Hem te zoeken. Die oproep gaat tot allen uit die onder de verkondiging van het Woord verkeren. We kunnen Hem geen groter eer bewijzen, dan met onze zonde en ellende tot Hem de toevlucht te nemen. Het is Zijn middelaarsverlangen om het verlorene te helpen. Zijn werk is onreinen te reinigen. Daarin wordt Hij verheerlijkt. Hij kwam om zielen van mensen te behouden. Het valt zo mee als we met onze nood aan Zijn voeten terecht mogen komen.

 

Gemeente, zowel het geloof in Jezus’ vrijmacht en almacht, als het besef van eigen onmacht, vormen voor de melaatse een aansporing om tot de Heere Jezus te vluchten. Het is de enige weg om behouden te worden.

Dan wordt vervuld wat we nu eerst zingen uit Psalm 146 vers 6 en 8:

 

‘t Is de Heer’, wiens mededogen

Blinden schenkt het lieflijk licht;

Wie in ‘t stof lag neergebogen,

Wordt door Hem weer opgericht;

God, die lust in waarheid heeft,

Mint hem, die rechtvaardig leeft.

 

‘t Is de Heer’ van alle heren,

Sions God, geducht in macht,

Die voor eeuwig zal regeren

Van geslachte tot geslacht.

Sion, zing uw God ter eer!

Prijs Zijn grootheid; loof de Heer’.

 

Onze derde gedachte is:

 

3. Jezus’ almacht getoond

 

Het gebed van de melaatse draagt rijke vrucht. Het was een gebed dat in het geloof werd gebeden. Hij zal het er niet voor gehouden hebben. Maar het gebed wordt wel gehoord in de hemel.  De Heere neemt altijd de grond uit het gebed zelf weg. Hij kan niet verhoren óm het gebed, maar óp het gebed doet Hij wonderen.

Het eerste wonder in deze geschiedenis is dan ook dat de Heere het gebed hoort. Dat de Heere de lofzang van de engelen hoort is te begrijpen; maar dat Hij het gebed hoort van een zondaar die zijn rechteloosheid inleeft, is een wonder. Laat het een aansporing zijn onze noden en zorgen Hem bekend te maken.

Maar er is meer: we lezen bij de evangelist Markus dat de Heere door dit geroep ook bewogen wordt tot het betonen van Zijn barmhartigheid. Jezus’ heilige ziel raakt in beweging bij het zien en horen van de nood van deze melaatse. Met heilig medelijden is Hij bewogen met de nood van deze man. Hij peilt de nood van de zieke die aan Zijn voeten knielt. Hij ziet in het diepst van zijn ziel. Hier is iemand die Hem nodig heeft.

 

Jezus hoort met welgevallen de woorden aan, die van het geloof van deze melaatse getuigen. Hij kan van het gebed van deze smekeling niet af. Het geloof overwint de wereld, vindt gehoor bij het hart van de Heere, omdat het Zijn eigen werk is. Het is dan ook Zijn heilige liefde die Hem de hand doet uitstrekken om de melaatse aan te raken en hem te genezen. Hij strekt Zijn hand uit. Dezelfde hand die de bende in Gethsémané achterover deed vallen, is hier in ontferming over de melaatse uitgestrekt.

Hij maakt Zich hiermee één met diens nood. Hij geeft zelfs een bewijs dat Hij met hem in gemeenschap wil treden. Wat een tere bewogenheid met de nood van de melaatse! Maar ook wat een diepe vernedering van de Heere Jezus. Hij daalt af in de wezenlijke ellende van deze man. Geen zondaar is Hem te onrein of te melaats. De Zaligmaker buigt Zich neer om hem uit eeuwige liefde aan te raken en hem op te heffen uit de nood.

 

Zo wil Christus Zich verenigen met allen die in hun zonden en ellende tot Hem zich ter genezing wenden. Zo heeft Hij Zich op Golgotha één gemaakt met de nood van de Zijnen. Daar daalde Hij af in de drie-urige duisternis, om Zijn ganse Kerk uit haar ontzaglijke nood  te verlossen en haar te reinigen.

Niemand kon Hem weerhouden om Zijn beminde bruid te redden. Zelfs niet satans bespottingen en de angsten van de hel. Ook haar afzichtelijkheid en walgelijkheid weerhielden Hem niet. Hoewel Hij Gode gelijk was en bleef, daalde Hij tot haar af en werd één met haar. Wat een wonder van eeuwige liefde!

Gemeente, die liefde wordt pas opgemerkt als de bruid uit de ruisende kuil en het modderig slijk is opgehaald. Dan wordt ingezien wat het Hem gekost heeft haar te verlossen. Dan is de vrucht: ware aanbidding; omdat Hij Zich niet schaamt Zijn broeders in alles gelijk te worden, uitgenomen de zonde. Wat heeft het verlossingswerk Hem onuitsprekelijk veel gekost.

De dienaren van de hoofdman van de tempel spraken eens: ‘Nooit heeft een mens gesproken zoals deze Mens.’ Inderdaad, wie kan spreken zoals Hij? Zijn woord is tegelijk een daad. Met macht en majesteit spreekt Hij: Ik wil, word gereinigd.

 

Het is voor de melaatse een prangende vraag of de Heere hem, zo melaats en onrein als hij is, wel wil aannemen. Dat is ook de vraag van vele worstelaars aan Gods troon. Zie hier het bewijs. Het laat ons de diepte zien van Jezus’ bewogenheid en hartelijke liefde voor zondaren. Wat is het een zegen om Hem zó te kennen en nodig te hebben en op Hem alleen te vertrouwen. Wat wordt Hij dan temeer onmisbaar voor verslagen en verbrijzelde harten. Al gaf iemand dan al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem ten enenmale verachten. Het is zo’n oneindig groot goed om door Hem geholpen en gereinigd te worden.

De Heere laat het dus niet bij woorden. Zijn woord en daad behoren bij elkaar. Ze zijn niet los van elkaar te denken. Zo voltrekt zich het wonder bij deze melaatse. Wat geen mens vermag, geschiedt met een enkel woord van Christus: Ik wil, word gereinigd.

 

Ik wil! Dat laat ons zien hoe er in Christus diepten van bewogenheid zijn met verloren zondaren. Hij is bewogen met adamskinderen die naar Gods rechtvaardig oordeel alles moeten missen. Wat een onuitsprekelijk rijke zegen is het om Hem zo in Zijn gewilligheid te ontmoeten. Gewillig om zondaren te redden uit hun diepste nood.

Dan kan het niet anders of Hij wordt onmisbaar en dierbaar voor het verslagen hart. Dan vervult wederliefde het hart, dat de liefde en gewilligheid van Jezus mag ondervinden. Deze liefde maakt ook Zijn dienaren in de ambtelijke dienst gewillig om te dienen. Paulus roept ervan uit: De liefde van Christus dringt ons (2 Kor.5:14). Door die liefde gedrongen bidt hij: Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: laat u met God verzoenen (2 Kor.5:20).

Zo heeft Christus Zelf ook voor Jeruzalem gestaan: Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt en stenigt, die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijk een hen haar kiekens onder haar vleugels vergadert; en gijlieden hebt niet gewild (Luk.13:34). Wat is onze verantwoordelijkheid groot als deze welgemeende bede in de prediking tot ons komt. Verstaan we de ernst ervan?

 

Het blijft in deze geschiedenis niet bij woorden. De Heere toont Zijn liefde ook metterdaad. Hij voegt aan het Ik wil toe: Word gereinigd!

Het wonder van de genezing voltrekt zich bij deze man. Wat geen mens kan en waar hijzelf niet toe in staat was, gebeurt. En dat door een enkel woord van Christus. Terstond wordt hij van zijn melaatsheid gereinigd.

Het is niet te beschrijven wat dit voor de melaatse betekent. Het diepst realiseert hij zich dat wanneer hij zich naar de priester begeeft om de wettige reinigingsverklaring te verkrijgen. Het blijkt ten volle waar, wat de Heere gezegd heeft. Het kan de toets van een onderzoek doorstaan. De Heere doet geen half werk. Als straks de onderzoekende ogen van de priester over zijn lichaam gaan, is er niets meer te vinden dat herinnert aan zijn melaatsheid. De priester verklaart hem vervolgens rein, waarna het reinigingsoffer gebracht wordt. Zo verging het ook alle melaatsen die door de Heere Jezus genezen werden.

 

Wat zal de melaatse verwonderd geweest zijn. Geheel genezen, alsof hij nimmer melaats geweest is. Wat zal hij lofzangen aangeheven hebben tot eer van de Verhoorder van zijn gebed. Dat zal voor ieder gelden die in geestelijk opzicht in het bloed van Christus zijn vergeving en reiniging heeft mogen vinden. Wanneer die zalige ruil gestalte krijgt in ons leven: ‘De schuld Uws volks hebt G' uit Uw boek gedaan. Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan.’ Dan blijft er alleen aanbidding en verwondering over. Helwaardig, maar desondanks uit genade gered! 

Calvijn zegt ervan: ‘Wanneer Christus ons rechtvaardigt, is dat een gezamenlijk werk, waarin zowel de Vader als de Heilige Geest delen. De rechtvaardigheid waarvan Christus ons deelgenoot maakt, is de eeuwige gerechtigheid van de eeuwige God. Als Christus de onze geworden is, maakt Hij ons deelgenoot van de gaven waarmee Hij is bekleed. Omdat het geloof de rechtvaardigheid aanvaardt en omhelst, die in het evangelie verkondigd wordt, zeggen we dat het geloof rechtvaardigt.’

Wat onze Nederlandse Geloofsbelijdenis daarvan zegt is ermee in overeenstemming. We lezen immers in artikel 26: ‘Maar Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zoveel heilige werken die Hij voor ons en in onze plaats gedaan heeft, is onze gerechtigheid.’

Het is dus niet juist te stellen dat Christus alleen op aarde de macht had om de zonden te vergeven. Dat geldt ook nu, wanneer deze genadegaven door het geloof worden ontvangen.

 

Het geloof is dus onmisbaar voor onze zaligheid. De Heere werkt het door de verkondiging van het evangelie. Het is een groot wonder, jongens en meisjes, dat de Heere nog doorgaat met het vergaderen van Zijn gemeente en met het reinigen van zondaren. Ondanks de macht van de satan, de vijandschap en de diepe verlorenheid van de mens, is er een weg gebaand waardoor het koninkrijk van God gestalte krijgt op aarde. Het is van ons uit onmogelijk om ooit met God verzoend te worden en in het koninkrijk van God in te gaan. Maar door het heilshandelen van God is het mogelijk zalig te worden. Want Zijn Woord bevat de boodschap dat wie in Hem gelooft, behouden wordt.

Allen en een ieder, ook de kleinen en die van verre staan, wordt dit evangelie van Godswege openlijk verkondigd en betuigd. Wie dit evangelie gelooft, treedt het koninkrijk van God binnen, ontvangt vergeving van zonden en vernieuwing van het leven. Al is het maar met het geloof van de bloedvloeiende vrouw, die zei: ‘Als ik slechts de zoom van Zijn kleed zal aanraken, zo zal ik gezond worden.’ Zelfs voor mij is er bij Hem behoud. Zelfs voor mij is in Hem verlossing, weet ze. Het is wel een geloof dat aanvaardt wie we zijn voor God. Het doorleeft onze rechteloosheid en onze onreinheid. Maar het drijft ook uit tot Hem. Het brengt aan Zijn voeten en leert de bede stamelen: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13).

 

Het gaat het ware geloof niet allereerst om het verkrijgen van de hemel. Het gaat bij het ingaan in het koninkrijk van God niet om het ontgaan van de hel. Maar het gaat om de verzoening met God. Het gaat erom God te mogen kennen als onze God, Die wij hebben verlaten en tegen Wie we hebben gezondigd. Hij kan ons rechtvaardig in de toestand laten liggen waarin we door eigen schuld gekomen zijn. Maar Hij is in Christus een Ontfermer; barmhartig en zeer genadig. Hij is de God, Die Zijn dienaren zelfs laat smeken en nodigen: Laat u met God verzoenen! (2 Kor.5:20).

Gemeente, het is nog genadetijd! Paulus zegt: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor.5:11). Vergeet toch niet dat die boodschap komt tot elk die onder het Woord leeft.

Wat is dat een blijde boodschap voor een schuldig en verslagen hart. Voor ieder die van zichzelf leert walgen vanwege zijn zonde, en aan het eind gekomen is van eigen kunnen en eigen doen. Die geleerd heeft: ‘Ik ben geheel en al zondaar.’ Iemand die de moed opgegeven heeft om van zichzelf iets te verwachten, om maar iets voor God te kunnen betekenen. Maar die nu de blijde boodschap mag horen dat er zaligheid in Christus is voor de grootste van de zondaren.

Hij is niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars tot bekering. Juist voor hen die zich vanwege hun zonden mishagen. Hij kwam om hun schuld weg te nemen en hen naar Zijn beeld te vernieuwen. Om hen te herstellen in de gemeenschap met die God naar Wie hun hart uitgaat en naar Wiens gemeenschap zij dorsten. Rechtvaardig kan Hij zeggen: ‘Ik wil niets meer met u te maken hebben.’ Maar zij kunnen Hem niet missen!

 

Dergelijke zoekers zijn er toch onder ons? Zij verstaan de psalmdichter: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar God (Ps. 42:2-3). Nee, zij kunnen niet tot God komen op eigen kracht. Maar Hij nadert in Christus tot hen en zegt: ‘Ziet, hier ben Ik.’ Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde, want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22).

In Hem is alles wat u nodig hebt tot vergeving van uw zonden en vernieuwing van uw leven. De gelovige aanvaarding van dat Woord geeft ruimte en vrede in onze ziel en verwondering in het hart. En naarmate de rijkdom in Christus meer wordt ontsloten, wordt die vrede dieper en bestendiger. Meer en meer wordt dan de rust in Hem alleen gevonden.

 

Wat is het een wonder dat de genade van God groter is dan onze schuld. Dat is echter geen oppervlakkige gevolgtrekking van het verstand, maar een door de Heilige Geest gewerkte beleving van het hart. Genade wordt altijd weer als een wonder ondervonden.

Wat ligt er een rijkdom in dat Woord! Alles wijst op de onuitsprekelijke genade van God in de Heere Jezus Christus. Wij komen er nooit in uitgeleerd. Hoe dieper ingeleid in de middelaarsheerlijkheid van Christus, des te vaster wordt het aandeel aan Hem gekend en het vertrouwen op Hem versterkt.

Het geloof in Hem verleent de toegang tot het koninkrijk van God. Zowel het zwakke als het geoefende geloof valt die genade ten deel. Maar door het geoefende geloof wordt de troost ervan meer gekend en is er meer zekerheid van die genade.

Maar, gemeente, deze prediking heeft ook een keerzijde. Gods Woord zegt dat indien u zich niet bekeert, en in ongeloof en onbekeerlijkheid voortgaat, Zijn toorn op u blijft rusten. Daar hebben we niemand voor over.

 

Nu de melaatse is genezen van zijn kwaal en hij gezond is verklaard door de priester, ontvangt hij het recht weer in de gemeenschap van het volk van Israël opgenomen te worden. Wat zal dat een thuiskomst zijn geweest. Terug in de kring van familie en gezin. Nu is het huis des Heeren niet langer voor hem gesloten. Hij mag weer opgaan met de stammen van Israël en zingen: ‘Ik zal met vreugd’ in ‘t huis des Heeren gaan, om daar met lof Uw grote Naam te danken.’ Geen wet klaagt hem meer aan, geen mens ontwijkt hem meer. Het ‘onrein, onrein’ klinkt niet meer uit zijn mond.

Is dat ook niet het beeld van de zondaar die in de vrijheid van het koninkrijk van God is gezet? Dan roept Paulus de gemeente op om te staan in de vrijheid der kinderen Gods. O, ze zijn nog niet verlost van de smet van de zonde, maar de vloek is weggenomen. Dan geldt wat de dichter zingt: ‘Welzalig is de mens wien ‘t mag gebeuren, dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren.’

 

Hebben wij de melaatsheid van onze ziel al leren kennen? Dat is noodzakelijk om gereinigd te worden. We zijn allen onrein in de ogen van de Heere. Jesaja roept ervan uit: Wij allen zijn als een onreine en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (Jes.64:6).

Helaas wordt het veelal niet beseft en ontstelt het ons niet. Wij leven maar door, zonder te beseffen dat de eeuwigheid spoedig nadert. Maar éénmaal zullen we dan zien dat we zo voor God niet kunnen bestaan.

Vandaag klinkt de roepstem: Bekeert u en gelooft het evangelie (Mark.1:15). Weet dat er een Fontein is, Die geopend is tegen de zonde en onreinheid. Vlucht daarheen! Uzelf reinigen is onbegonnen werk. Bij de Heere is geen ding onmogelijk. Opdat u mag ervaren: ‘Mijn ziel, nu gans melaats, zal rein zijn en genezen.’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 85:4

 

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;

De vrede met een kus van ‘t recht gegroet;

Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;

Gerechtigheid ziet neer van ‘s hemels boog;

Dan zal de Heer’ ons 't goede weer doen zien;

Dan zal ons ‘t land zijn volle garven biên;

Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,

Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.