Ds. W. Silfhout - Psalmen 144 : 7 - 9

God, Die helpt in nood

Psalmen 144
Gods almacht
Gods vijanden
Gods lof

Psalmen 144 : 7 - 9

Psalmen 144
7
Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;
8
Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.
9
O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 124: 1
Lezen : Psalm 144
Zingen : Psalm 144: 1, 4, 7
Zingen : Psalm 87: 1, 5
Zingen : Psalm 89: 1

Gemeente, de tekstwoorden waarbij we u met Gods hulp willen bepalen, kunt u vinden in het voorgelezen Schriftgedeelte, Psalm 144 vers 7 tot en met 9. Wij lezen daar Gods Woord en onze tekst als volgt:

 

Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;

Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.
O God, ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.

 

We vatten onze tekst samen met de woorden: God, Die helpt in nood.

 

We letten op drie gedachten:

1. Gods almacht. De dichter doet hierop een beroep in vers 7: Steek Uw handen van de hoogte uit.

2. Gods vijanden. Wij lezen over hen in het tweede deel van vers 7 en in vers 8: Ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden; welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.

3. Gods lof. Dat wordt verwoord in vers 9: O God, ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.

 

1. Gods almacht

 

Gemeente, in het concentratiekamp Auschwitz heeft een Joodse gevangene gezegd:   ‘God is hier niet, want er gebeuren hier zulke verschrikkelijke dingen en de omstandigheden zijn zo ellendig, dat God besloten heeft hier niet te komen.’

Er zijn inderdaad verschrikkelijke dingen gebeurd in dat concentratiekamp. Meer dan één miljoen Joden zijn er omgekomen, waarvan de meesten in de gaskamers.

We kunnen ons niet voorstellen hoeveel ellende dat met zich heeft meegebracht. En dan spreken we nog niet eens over al die andere concentratiekampen.

 

Was er geen God in Auschwitz?

God is uiteraard overal. Hij is alomtegenwoordig. Hij regeert. Onder Zijn toelating zijn deze heel verschrikkelijke dingen gebeurd.

Wij kunnen dit alles niet begrijpen; maar de vijand kon ook niet verder gaan dan God wilde. Wij kunnen niet bevatten waarom God heeft toegelaten dat zoveel mensen op een beestachtige wijze zijn omgebracht.

 

Waren die Joden grotere zondaren dan wij?

Sommige mensen zeggen: ‘Zij hebben Christus vermoord. Zij hebben Jezus aan het kruis genageld. Zij hebben geroepen: ‘Kruist Hem, kruist Hem.’ Daarom hebben ze al dat leed aan zichzelf te danken.'

Gemeente, laten we maar voorzichtig zijn met dit antwoord. We mogen niet het gehele Joodse volk verantwoordelijk stellen voor wat er gebeurd is.

Het is zeker waar dat er in Gods Woord staat: Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). Het zal ook zeker gevolgen hebben. Maar de apostel Paulus zegt: Zijt niet hooggevoelende, maar vrees. Want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk u niet spare (Rom.11:20-21).

Als Hij de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zou Hij dan ons wel sparen? Want wat hebben wij gedaan met de vrijheid die we gekregen hebben na de Tweede Wereldoorlog in ons land? Vrijheid is geworden tot ongebondenheid. De mens wil vrij zijn. ‘Geen God en geen meester!’ Daarom moet de vrijheid van godsdienst aan banden worden gelegd. Zou het dan toch tevergeefs zijn dat zovele jonge mensen - ook uit andere werelddelen - in de Tweede Wereldoorlog hun leven hebben gegeven voor de vrijheid, ook van ons vaderland?

Wat heeft onze vrijheid ons gebracht? Het wurgkoord van het gelijkheidsdenken wordt steeds verder aangehaald. Dat verstikt onze samenleving. God wordt uit onze samenleving gebannen.

Nee, ten diepste zal dat nooit kunnen. God laat Zich niet uitbannen. Hij gaat door met Zijn werk en zal Zijn raad volvoeren. Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes.46:10). Moge de Heere naar de rijkdom van Zijn genade Zich over ons en onze kinderen willen ontfermen.  

 

In de tijd van koning David waren er ook mensen die dachten dat God niet bestond. Ondanks dat veel vijanden reeds waren onderworpen, waren er nog veel op de been om David naar het leven te staan. Maar David heeft toch mogen geloven dat hij eenmaal over al die vijanden de overwinning zou behalen. Niet in eigen kracht, maar in de kracht van de allerhoogste Majesteit.

David geloofde vast dat hij en zijn volk eenmaal zouden delen in de vrede die de Heere voor Zijn volk bereid heeft. Hij heeft het immers aan het eind van Psalm 144 gezongen: Welgelukzalig is het volk dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk wiens God de Heere is (Ps.144:15). Welgelukzalig is dus het volk voor wie de Heere zorgt!

 

In Psalm 144 herinnert David aan de grote daden des Heeren die hij ook in Psalm 18 bezongen heeft.  Het is dus niet verkeerd om die grote daden van de Heere telkens weer voor het voetlicht te halen. De grote daden van God, Die hem verloste uit de hand van Saul en uit de hand van andere vijanden.

Het is deze God Die ons gegeven heeft dat wij nu al zovele jaren mogen leven zonder oorlog. We vinden het zo gewoon, maar het is een wonder dat de Heere dat geeft. Want heeft de Heere Jezus niet gezegd dat er aan het einde der dagen oorlogen en geruchten van oorlogen zullen zijn?

Hoe lang we nog in die vrijheid mogen leven weten we niet. Dat is alleen bij God bekend.

 

Ondertussen zijn door het gebeuren in Auschwitz wel veel mensen hun geloof in God verloren. In dat opzicht hebben de nazi’s ook hun verantwoordelijkheid.

 

In onze tekst beroept David zich op de Heere. Hij kijkt onder al die omstandigheden omhoog en dan roept hij het in vers 7 uit: Steek Uw handen van de hoogte uit!

Ook eerder in deze Psalm heeft hij zich reeds beroepen op de grote en heilige Naam des Heeren. In het eerste en tweede vers noemt hij God zijn Rotssteen, zijn Goedertierenheid, zijn Burg, zijn Hoog Vertrek, zijn Bevrijder, zijn Schild en aan Wie hij zich mag toevertrouwen. Want God is het Die David geholpen heeft in de strijd. De Heere heeft hem bijgestaan in de vaak zo ongelijke strijd tegen zijn machtige vijanden.

Mijn Rotssteen, Mijn Goedertierenheid, mijn Schild en mijn Betrouwen…

Daartegenover ziet David de mens, die nietige mens, die meent zoveel te kunnen doen. Hij zegt: O Heere, wat is de mens dat Gij hem kent, het kind des mensen dat Gij het acht? De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw (Ps.144:3-4).

 

Gemeente, de mens denkt de wereld te kunnen regeren. Niet alleen Hitler, die als een gesel over de aarde is gegaan, maar ook andere dictators denken zoveel macht te hebben, dat ze het in deze wereld voor het zeggen hebben en zelfs God kunnen gebruiken om hun doel te bereiken. Maar in de psalm staat dat de mens nietig is; stof en as, zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. Wat is de mens dat Gij hem kent, het kind des mensen dat Gij het acht? (Ps.144:3). We zijn in alle dingen van de Heere afhankelijk. Zonder Mij, heeft Christus immers gezegd, kunt gij niets doen (Joh.15:5).

De Heere gebruikt wel de mens om de loop van de geschiedenis te bepalen. Onder Gods toelating heeft Hitler zijn verschrikkelijke werk kunnen doen. Maar hoewel de koningen der aarde - zoals Psalm 2 spreekt - zich opstellen tegen de Heere en Zijn Gezalfde, staat er toch: Die in de hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten (Ps.2:4).

 

De Heere ziet al het gewoel der mensen. Hij regeert, en zal Zijn almacht tonen. Daarom zegt David: ‘Heere, steek Uw hand van de hoogte uit en red mij. Ruk mij uit de hand van al die vijanden, want in mij is geen kracht meer. Als U me overlaat aan mezelf, dan is het een verloren zaak, dan is er geen bevrijding. Alleen U kunt helpen in de nood.’

In de concentratiekampen waren er mensen die in hun onvoorstelbare omstandigheden toch op God hebben vertrouwd. Zij klemden zich vast aan de almacht van God.

Toch moeten we daar niet gemakkelijk over denken. Ik denk bijvoorbeeld aan een gebeurtenis in het concentratiekamp Ravensbrück. In één van de barakken werden kinderen verzameld om voor de Duitsers kerstliederen te zingen. En wat deden die Duitsers toen de kinderen uitgezongen waren? Ze staken voor de ogen van hun wanhopige moeders de barak in brand. Meer dan tweehonderd kinderen vonden toen de dood! Het is dan zonder genade onmogelijk om te geloven dat God regeert, dat er een God in de hemel is, Die alles in Zijn hand heeft.

 

Er wordt in verband met het lijden in de concentratiekampen veel gesproken over het Godsvertrouwen waarmee mensen zich aan de Heere hebben vastgeklemd. Maar de Duitse theoloog Bonhoeffer, die ook in één van de concentratiekampen is omgekomen, heeft over dit vertrouwen gezegd: ‘Daarvoor is genade nodig, want een christendom zonder Christus is geen christendom. Een christendom zonder de levende Jezus Christus, is geen christendom van navolging. Want het gaat in ons leven om de navolging van Christus.’

Een christendom waarin het alleen maar gaat om God de Vader - zo heeft Bonhoeffer gezegd - en niet om Christus als de levende Zoon, heft de navolging op. Alleen omdat God mens werd, alleen omdat er een Middelaar Gods en der mensen is, krijgt de navolging de juiste verhouding tot Hem.

Navolging is dus gebonden aan de Middelaar Gods en der mensen. Gebonden aan het geloof in Hem, Die kwam in deze wereld om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Daar waar op de juiste wijze over de navolging van Christus wordt gesproken, wordt ook over Hem gesproken als Degene Die de enige Naam draagt die onder de hemel is gegeven tot zaligheid. Hij doet achter Hem aankomen door bezaaide en onbezaaide wegen, door goed gerucht en door kwaad gerucht. Want Jezus leeft, Hij is opgestaan uit de doden en zit aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader.

 

In deze navolging liggen rijke lessen voor ons opgesloten. Hoe goed is het ook in  bijzondere omstandigheden van ons leven op God te vertrouwen. Wanneer we ziek zijn, in het ziekenhuis terechtkomen of andere moeiten en zorgen ervaren, moeten en mogen we aan de Heere vragen of Hij ons helpen wil, of Hij ons genezen wil en onze weg voorspoedig wil maken. Maar vooral moeten we Hem vragen of Hij de moeite en het verdriet zou willen heiligen. Elk mens zou op de Heere moeten vertrouwen, want Hij kan immers doen boven ons bidden en boven ons denken. Hij is de Almachtige.

Het is een opdracht uit de Heilige Schrift: Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor de Heere, Die ons gemaakt heeft (Ps.95:5). In de navolging van Christus moeten we leren achter de Heere aan te komen. Hij wilde de weg van het lijden tot het bittere einde gaan en heeft Zichzelf overgegeven tot in de dood, zelfs tot in de dood des kruises, om zondaren te redden van het verderf en hun het eeuwige zalige leven te schenken, dat Hij door Zijn lijden en sterven verworven heeft.

We moeten leren achter Hem aan te komen, hoe de weg in ons leven ook moge gaan; om in de diepte, waarin de Heere een mens soms brengt, te mogen zien naar omhoog: ‘Heere, steek Uw handen van omhoog uit en zou U me willen helpen, zou U me willen redden?’

 

David kende iets van deze navolging. Hij mocht in benarde omstandigheden Godsvertrouwen oefenen. Maar David was een man die niet alleen Godsvertrouwen mocht oefenen, maar die in de beloften van het Oude Testament ook iets mocht weten van die meerdere Davidszoon.

Hij heeft daarvan in de psalmen gezongen. Daarop was zijn hart betrokken en zijn oog  geslagen. Hij mocht vertrouwen op de Heere. U moet het in het verband van deze psalm nog maar eens nalezen, want het woord Heere wordt daar geschreven met vijf hoofdletters en dan gaat het altijd om de Verbondsgod, om de Jehova. Het gaat dan om Hem, Die trouwe houdt tot in der eeuwigheid. Het gaat dan om die God, Die van eeuwigheid gedachten des vredes en niet des kwaads heeft gehad om Zich een volk te verkiezen dat Zijn lof zal vertellen. Dwars door alle omstandigheden, dwars door alle moeiten en alle verdrietelijkheden van het leven heen.

Zo heeft het hier, én in de concentratiekampen geklonken. De lof des Heeren moest verkondigd worden, ondanks de erbarmelijke omstandigheden waarin deze mensen hebben verkeerd. Daarom zegt David aan het eind van deze psalm: Welgelukzalig is het volk, wiens God de Heere is (Ps.144:15). Het volk dat de God van Jakob tot zijn heil en tot zijn eigendom heeft. Dat volk dat de God van Jakob mag kennen als het allerhoogst en eeuwig Goed.

 

We letten vervolgens op ons tweede aandachtpunt:

 

2. Gods vijanden

 

Gemeente, God helpt in nood, ondanks de vijanden. Want er zijn veel vijanden; het zijn Góds vijanden. Want we lezen dat David bidt: Ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden; welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.  

In het leven van David waren veel vijanden op de been. Om de kracht van die vijanden tot uitdrukking te brengen, benoemt hij die vijanden als grote wateren. Ze komen als het ware als een waterstroom op hem af. Die stroom overvalt hem, waardoor hij dreigt te verdrinken en gevaar loopt erin om te komen.

 

David spreekt ook over vreemden. Er staat eigenlijk: kinderen des vreemden.

We kunnen dan denken aan degenen die niet tot het volk van Israël behoren. Mensen die vreemd zijn aan de beloften van het verbond, vreemdelingen van God en van Christus. We kunnen ook denken aan degenen die David nog niet willen erkennen als koning van Israël. Over hen zong hij in Psalm 18 en in het tweede boek van Samuël.

Die grote wateren en die vreemden spreken leugens, zo lezen we in vers 8, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid. In het elfde vers zal hij dat nog een keer herhalen. Dat wil zeggen dat ze de leugen die zij uitspreken, met hun hand bevestigen. Zij heffen hun rechterhand op en durven er zo zelfs een eed voor af te leggen dat zij de waarheid zeggen.

 

Gemeente, Davids vijanden zijn ook Gods vijanden. David heeft dit beleden in het tiende vers: Gij, Die de koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard.

Het is dus de Heere, Die het voor David opneemt. De Heere strijdt voor David tegen al die vijanden. David kon van zichzelf niets. Hij was zwak van moed en klein van krachten, maar in de kracht en mogendheid van de allerhoogste God heeft hij gestreden tegen zijn vijanden.

U moet de geschiedenissen van David maar eens nalezen. Als hij door het geloof mocht zien op zijn God en Heere, kon hij met zijn God over een muur springen en door een bende dringen. Maar als hij God uit het oog verloren was, als het geloof niet in oefening was, dan dreigde David weg te zinken in de modder van de goddeloosheid. Denk maar aan de geschiedenis met Bathseba.

 

Er zijn talloze vijanden op de been. Ook vandaag omringen ons vele vijanden van God en Zijn Gezalfde, ondanks de vrijheid die we mogen hebben. Die vrijheid vinden we zo vanzelfsprekend, dat we die niet eens meer zien als iets wat de Heere ons geeft.

Velen in deze seculiere wereld willen niet meer weten van God en Zijn Woord. Het is een groot voorrecht dat we vandaag nog in vrijheid mogen samenkomen in Gods huis. Hoe lang dat nog mogelijk is weten we niet. Tot nu toe wordt ons daaromtrent niets in de weg gelegd. Maar we moeten niet denken dat christenvervolging alleen betrekking heeft op landen die op de lijst van Open Doors bovenaan staan, zoals Noord-Korea en Iran. Vervolging kan ook zomaar in onze samenleving ontstaan. Hoewel God regeert, moeten de huidige ontwikkelingen ons grote zorgen baren.

 

Er zijn vele vijanden op de been. Wij kunnen allemaal in vrijheid leven, maar waar vrijheid leidt tot ongebondenheid, is de chaos dichtbij. Dan gaat de samenleving aan haar zogenaamde vrijheid ten onder. Als we losraken van alle normen en waarden die het leven van de mens zin en richting geven, dan moeten we het ergste vrezen.

Die vijanden zijn als grote wateren waaruit we gerukt moeten worden, en als vreemden uit wier macht we vrijgemaakt moeten worden. Er zijn vele vreemden op de been. Dat zijn mensen die niet meer weten van de christelijke wortels van onze natie. Mensen die met een eed de leugen bevestigen dat God niet bestaat, die beweren dat God hooguit een idee is dat bij sommige mensen leeft. En als er mensen zijn die willen geloven, dan mogen ze dat weliswaar zelf weten, maar anderen er niet mee lastig vallen.

 

Maar laten we ons er maar niet boven verheffen, want ook als kerkmensen kunnen we zo leven alsof God niet bestaat, er geen oordeel aanstaande is, en we hier altijd zullen blijven. De mens wil van nature leven in vrijheid en ongebondenheid. Geen God en geen meester!

Weet u hoe dat komt? Omdat hij niet wil weten van het zaligmakend geloof, van dat geloof dat een vaste grond is van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet. De mens van de eenentwintigste eeuw wil eerst zien en dan geloven.

 

Er stond eens iemand bij het graf waarin moeder begraven werd. Moeder werd neergelegd en hij zei: ‘Ik geloof dat moeder wel een plaatsje in de hemel heeft gekregen. Weten doe je dat natuurlijk nooit, want als het geloof komt, dan is het weten eigenlijk voorbij.’ Die man verstond er niets van dat het geloof waarover hij sprak een ander geloof is dan dat waarover het Woord van God spreekt.

Het geloof dat de Heere schenkt in het uur van de wedergeboorte, is een vaste grond van de dingen die men hoopt en een bewijs van de zaken die men niet ziet (Hebr.11:1). Daar ligt juist vastheid in. Dat is zeker weten en vertrouwen.

Het is zeker waar dat het geloof beproefd wordt en dat het zo onder het stof kan liggen. Er kan zoveel twijfel en ongeloof zijn in het leven van de gelovigen. Er kunnen talloze vijanden op de been zijn die het geloof aanvechten. Maar desondanks ligt er zekerheid in.

Gemeente, in het zaligmakend geloof ligt een zalige wetenschap. Wanneer we dat niet meer verstaan of daarvan niet meer willen weten, worden we overgeleverd aan ons eigen verstand. Dan kunnen we tenslotte niet meer uit de voeten met het Woord van God als een Woord waarin ons de geloofsleer die naar de godzaligheid is, wordt uiteengezet. Een Woord waarin ons het geloof van de bijbelheiligen wordt getekend in hun struikelingen, in hun aanvechtingen, in hun bestrijdingen, maar ook in hun opzien tot de Heere. ‘O Heere, zou U uit de hemel, de vaste plaats van Uw woning, op ons willen neerzien?’ Dat Woord van God spreekt ook van het geloof dat zich vastklemt aan de beloften die in Christus ja en amen zijn.

 

Vele vijanden zijn er vandaag op de been. Onze tekst zegt dat ze zijn als vreemden en als een watervloed waarin we dreigen te verzinken. Hun mond spreekt leugen en zij bevestigen hun woorden met een eed.

Die vijanden hebben zich vooral gericht op de jeugd. De duivel, de grote vijand van God en van Gods kinderen, probeert twijfel te zaaien in hun harten, zoals hij dat reeds in het paradijs deed. Hij komt als een waterstroom op de jeugd af en zegt: ‘Is het ook dat God gezegd heeft…? Is het nou wel waar wat die dominee op de preekstoel staat te verkondigen? Is het wel waar dat er straks een oordeel komt? Het gaat allemaal gewoon door, elke dag opnieuw. Ja, we moeten een keer sterven, maar geniet nu maar van het leven. Pluk de dag. Ik laat je genieten. Haal je hart er maar aan op. Denk maar niet aan dood en eeuwigheid. Dat is iets voor oude mensen.’

 

Jonge vrienden, zo legt hij een strik om je hart en sleept hij je mee naar de rampzaligheid, tenzij God het verhoedt. Er zijn in je leven heel veel middelen om je van God weg te voeren, naar de eeuwige duisternis. Slechte vrienden, die je meetronen op het pad van de goddeloosheid en je op plaatsen brengen waar je met je gedoopte voorhoofd niet behoort te zijn. Dat zijn geen goede vrienden. Luister niet naar hen. De Heere wil dat je wandelt in het spoor van Zijn geboden en dat je Hem leert kennen, Wie te kennen het eeuwige leven is.

De duivel tracht niet alleen jongeren, maar ook ouderen te verleiden. Er zijn ook veel kerkmensen die hun heil in deze wereld zoeken en van de buik hun god maken. Zo worden velen een prooi van de vorst der duisternis, die niets liever zou willen dan dat de kerk leegloopt.

‘Je kunt er toch zelf niets aan doen,’ zeggen we dan, ‘God is toch een barmhartig en genadig God? Zo zwaar hoeft het toch allemaal niet? Er wordt altijd maar gesproken over genade, vloek en zegen. Dat weten we zo zachtjesaan wel. Christus is toch in de wereld gekomen en Hij heeft alles volbracht. Dan zal het straks allemaal wel goed komen.’

Maar als God door Zijn Heilige Geest een mens overtuigt van zonde en schuld, komen we er achter dat we ons altijd met een leugen op de been hebben gehouden. Dan bemerken we dat we niet in eigen kracht staande kunnen blijven tegen die watervloeden, tegen die vreemden die tegen ons aanlopen, en tegen al die vijanden die het op ons leven gemunt hebben.

Wat is het een voorrecht als we daaraan ontdekt worden, als de werkelijkheid van ons leven wordt geopenbaard en als we met smeking en geween terechtkomen aan de voeten des Heeren, om te smeken om genade en ontferming. Dat gebeurt gelukkig ook nog.

 

De Heere gaat ondanks de omstandigheden door met Zijn kerkvergaderend werk. Dan kan die Kerk wel eens als tot niet worden, maar toch zal de Koning van de Kerk nooit zonder onderdanen zijn. Dan zal die Kerk misschien straks in het geheim moeten samenkomen als de openbare godsdienst niet meer geduld wordt in onze samenleving.

Maar de Heere regeert!

Omdat Christus de vijanden heeft overwonnen, omdat het op Golgotha geklonken heeft: Het is volbracht (Joh.19:30), zal er naar de verkiezing van Gods genade altijd een overblijfsel zijn. Omdat Hij de dood heeft overwonnen en als de Levensvorst is gezeten aan de rechterhand van Zijn hemelse Vader. Omdat het welbehagen van Zijn Vader gelukkiglijk zal voortgaan, zal Hij zaad zien. Al die watervloeden en al die vreemden zijn op Hem aangelopen, zoals ook degenen die Christus leren volgen op Hem aanlopen.

 

Zo zijn er vele vijanden, maar zij zijn allen ten onder gebracht door de alles overwinnende kracht van Christus. Hij is de Verwinnaar in de strijd en Hij geeft Zijn volk de zegen.

Die zegen schenkt Hij ook als dat werk van God in het leven zo wordt aangevallen en als de duivel zegt: ’Gij hebt geen heil bij God. Uw leven is niet in overeenstemming met hetgeen u beleden hebt. En de tranen die u geschreid hebt in het verleden, zijn allang opgedroogd. En die bron van uw tranen functioneert niet meer. Het is nooit iets met u geweest. Uw gebed is zo lauw en zo arm en koud en het gaat niet verder dan het dak van uw huis.’

 

Wat is het dan een voorrecht, gemeente, als we als David leren smeken: Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden.

Dat is een zware strijd. Het is de strijd van het geloof. De woorden van David dat de Heere hun handen sterkt ten oorlog en hun vingers tot de strijd, moge tot bemoediging zijn voor hen die deze strijd moeten leveren. Omdat Hij het heeft gedaan, zal Hij op Zijn tijd geven dat het loflied zal klimmen uit het stof.

 

Daar gaan we nog op letten in onze derde gedachte, maar we zingen eerst Psalm 87 vers 1 en 5:

 

Zijn grondslag, zijn onwrikb’re vastigheden
Heeft God gelegd op bergen, Hem gewijd;
De Heer’, Die Zich in Sions heil verblijdt,
Bemint het meer dan alle Jakobs steden.

 

Dan wordt mijn naam met lofgejuich geprezen;
Dan zullen daar de blijde zangers staan,
De speelliên op de harp en cimbel slaan,
En binnen u al mijn fonteinen wezen.

 

Onze derde gedachte is:


3. Gods lof

 

David zingt een nieuw lied dat hij op de leerschool van de Heilige Geest heeft geleerd: O God, ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.

Dit is een lied dat nooit oud wordt. De kanttekenaren zeggen dat dit lied vanwege de levende en verse weldaden die de Heere Zijn kinderen elke keer weer schenkt, steeds weer nieuw is.  

Heeft u, heb jij dat nieuwe lied al leren zingen, een lied tot eer van God?

Van nature zingen we een ander lied, een lied van onszelf, waarmee we ons op de borst slaan. We zien daarmee alleen maar op wat wij allemaal zelf gepresteerd en gedaan hebben. Dan zingen we het lied van zelfbedoelingen en van eigenwillige godsdienst. Maar, gemeente, David mocht door genade een ander, een nieuw lied zingen. Dat is geen lied waarin we ons op de borst slaan en zeggen: ‘Dat heb ik nu allemaal bereikt’ of ‘Ik heb zoveel genade ontvangen’ of ‘Ik ben reeds zo ver gevorderd op de weg des levens’. Het is een geheel nieuw lied.

 

Weet u waar dat nieuwe lied begint? Dat begint daar waar we onze schuld voor God leren belijden, en waar we leren belijden dat we om eigen schuld God kwijt zijn. Dat lied is aangenaam voor God. Want: Een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten (Ps.51:19). Dat is geen lied waarin we onszelf aanprijzen, maar een lied waarin God geloofd en geprezen wordt.

 

Welk lied zou mooier geweest zijn in de tempel in Jeruzalem? Zou dat het lied van de farizeeër zijn, die voorin de tempel zichzelf op de borst sloeg en zei: ‘Ik dank U dat ik niet ben zoals al die andere mensen, rovers, hoeren, tollenaren, en ook niet zoals die man die daar achterin de tempel staat. Ik heb dit gedaan en dat gedaan…’?

Nee, het schoonste lied daar in die tempel klonk toen die tollenaar zelfs zijn ogen niet durfde op te heffen naar omhoog en het uitriep: O God, wees mij zondaar genadig! (Luk.18:13).

Was dit lied zo aangenaam voor God?

Ja, God Zelf geeft daarvan in Zijn Woord de bevestiging, want er staat: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis (Luk.18:14).

Bij dit lied passen ook de woorden van de berijmde Psalm 138:

 

‘k Zal met mijn ganse hart Uw eer,

vermelden, Heer’,

U dank bewijzen;

‘k Zal U in ‘t midden van de goôn,

 op hoge toon,

               met psalmen prijzen. 

 

Omdat Gij het gedaan hebt, omdat Gij mij verlost hebt, omdat Gij mij welgedaan hebt…

 

Gemeente, David mag een nieuw lied zingen. Wat heeft hij veel gezongen: lofpsalmen, boetepsalmen, dankliederen, klaagliederen. Hij heeft gezongen uit de diepte van het zondige bestaan van de mens, waarin hij zichzelf heeft leren kennen als een zondaar voor God. Gezongen in de nood van het leven… Maar hij heeft ook mogen zingen: ‘God, Die helpt in nood, is in Sion groot.’ Een lied over God, Die zijn Goedertierenheid, zijn Burcht, zijn Uithelper en zijn Schild is.

 

Het nieuwe lied, dat David te midden van al die vreemden en waterstromen mag zingen,  begeleidt hij op de luit en het tiensnarig instrument. Waarschijnlijk moeten we denken aan de tiensnarige harp, die in Davids tijd in gebruik was en waarop hij de Heere reeds in zijn jonge jaren heeft mogen prijzen. We weten dat hij voor koning Saul moest spelen op zijn harp, opdat de boze geest van Saul zou wijken.

Zo leert de Heere Zijn kinderen een nieuw lied te zingen voor de weldaden die God hen voor tijd en eeuwigheid heeft bewezen. Weldaden die de Heere bewijst als Hij Zijn handen bewarend uitstrekt en voorziet in alles wat nodig is voor dit tijdelijk leven. Weldaden die Hij bewijst wanneer Hij hen redt uit vele gevaren en benauwdheden in wegen van moeite en kruis.

 

Maar, gemeente, Gods kinderen leren vóór alles te danken voor de geestelijke weldaden. Ze zingen vanwege de goedertierenheden des Heeren.

Wanneer we met een overtuigd geweten over de wereld gaan, de schuld en het gewicht van de zonde onze schouders naar beneden drukt, we niet meer weten hoe we zalig moeten worden, wanneer we dan horen dat er een weg ter ontkoming is in de Zoon van Gods eeuwige liefde, en dat God Zelf de weg waardoor verloren zondaren zalig kunnen worden, heeft ontsloten, wordt er een lied geboren: ‘Heere, zou het dan ook voor mij nog kunnen? Zou ik nog zalig kunnen worden?’

Wanneer de Heere ons verder leidt op de leerschool van de Heilige Geest en we niet alleen horen dat Christus de Weg, de Waarheid en het Leven is, maar we mogen zien op dat enige offer, eenmaal aan het kruis volbracht, dan wordt er bij vernieuwing een lied geboren: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dode hond als ik ben? (2 Sam.9:8). Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt (Ps.52:11).

 

Er wordt een nieuw lied gezongen in de strijd en de aanvechtingen van het leven; als grote wateren en vreemden op ons af komen en ons alle troost wordt ontnomen. Wanneer de Heere een geloofsoog geeft op Hem, Die de strijd alleen gestreden heeft, en niemand van de volkeren met Hem was, en als we mogen zien dat Hij de Overwinnaar is in de strijd en Zijn volk de zegen geeft, dan zingen we van de goedertierenheden des Heeren, omdat Jezus leeft en omdat Hij alles heeft aangebracht wat tot het leven en de zaligheid nodig is.


We mogen een nieuw lied zingen aan deze zijde van het graf, als het oog des geloofs mag zijn geslagen op die Gezegende van de Vader, vol van genade en waarheid, en als de geloofszekerheid ons deel mag zijn.

Een nieuw lied, wanneer ik mag weten dat Hij ook voor mij is afgedaald uit de hemel, gekomen is op deze aarde, geleden, gestorven en opgestaan uit de doden, en nu ook mijn Voorspraak is aan de rechterhand van mijn hemelse Vader. Dan wordt het lied geboren: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft (Gal.2:20).


Gemeente, zouden we dan niet een nieuw lied zingen? Het lied van die enige Koning, dat we zo gemakkelijk zingen met onze lippen, laten we dat zingen met ons hart:

 

Als ik, omringd door tegenspoed,

bezwijken moet,

schenkt Gij mij leven;

Is ‘t, dat mijns vijands gramschap brandt,

Uw rechterhand zal redding geven.

 

Zou u geen nieuw lied zingen als de Heere bij de aanvang, maar ook bij de verdere voortgang uitkomst geeft en uw oog op Hem mag geslagen zijn, Die met Zijn discipelen  heeft gezongen toen Hij uitging uit Jeruzalem om gekruisigd te worden, en om Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen?

Dan alleen kunnen en zullen we ook met ons hart zingen:

 

De Heer’ zal opstaan tot de strijd;

Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,

verjaagd, verstrooid, doen zuchten.

 

Dit lied is waar geworden in de hof van Gethsémané. Daar viel de bende plat ter aarde. Dat lied is ten volle waar geworden op Golgotha, toen Jezus uitriep: Het is volbracht! (Joh.19:30).

 

Wat vijand tegen hem zich kant’,

Zijn hand, Zijn onweerstaanb’re hand,

zal hem bekleên met schaamt’ en schand’;

maar eeuwig bloeit de gloriekroon

op ‘t hoofd van Davids grote Zoon.

 

Gemeente, er wordt wat afgezongen op de aarde. Zelfs in de concentratiekampen werd er gezongen. Iemand die door de Duitsers werd opgepakt, zei: ‘Ik neem in ieder geval mijn muziekinstrument mee. Er zal daar best gelegenheid zijn om te zingen en muziek te maken.’ Hij is er nooit aan toegekomen…

Zouden daar psalmen tot Gods eer gezongen zijn? Ja, er zijn er geweest die dat gedaan hebben.
Wat wordt er niet gezongen in de wereld.

Ja, er wordt ook gevloekt.

Op de voetbalvelden en in andere gelegenheden waar we ons ver vandaan moeten houden.

Gezongen en gevloekt…

Maar nu zal het er in ons aller leven om gaan of wij ooit dat nieuwe lied hebben leren zingen:

 

Dat Israël nu zegge, blij van geest:

Indien de Heer’, Die bij ons is geweest,

indien de Heer’, Die ons heeft bijgestaan,

toen ‘s vijands heir en aanval werd gevreesd,

niet had gered, wij waren lang vergaan.


Dan zullen we ook eenmaal dat nieuwe lied zingen, dat nooit meer zal ophouden:

 

Dan zal de Heer’ ons ‘t goede weer doen zien;

Dan zal ons ‘t land zijn volle garven biên;

Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht,

Hij zet z’ alom, waar Hij Zijn treden richt.

 

Zullen we erbij zijn straks?

Joden en heidenen, en degenen die in de concentratiekampen niet meer hebben kúnnen zingen, zullen tezamen onder die enige Banier van Koning Jezus eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.

Zult u daar ook bij zijn? En jij?

Dan vangt het eeuwige bevrijdingsfeest aan, dat nooit meer zal eindigen. Bevrijdingsfeest, omdat Christus alles aangebracht heeft.

‘Gij, o Lam Gods, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed!’

 

Dan zullen daar de blijde zangers staan,

de speelliên op de harp en cimbel slaan

en binnen u al mijn fonteinen wezen. 

 

Daarmee eindigt David ook deze 144e psalm, als hij zegt: Welgelukzalig is het volk dien het alzo gaat; welgelukzalig is het volk wiens God de Heere is.

 
Amen.


 

Slotzang: Psalm 89:1

‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;
Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên.
Ik weet hoe ‘t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.