Ds. J. Veenendaal - 1 Petrus 1 : 6 - 7

Het beproefde geloofsleven

Een bijzondere droefheid
Een heerlijk doel
Een machtig uitzicht

1 Petrus 1 : 6 - 7

1 Petrus 1
6
In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;
7
Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 3, 5
Lezen : Psalm 66
Zingen : Psalm 66: 1, 4, 10
Zingen : Psalm 34: 9
Zingen : Psalm 89: 8

Gemeente, onze tekst vindt u in de eerste algemene zendbrief van de apostel Petrus. Met de hulp des Heeren komt het Woord des Heeren tot ons vanuit onze tekstwoorden, 1 Petrus 1 vers 6 en 7:

 

In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus.

 

In de Handelingen der apostelen lezen wij het Woord Gods door één van de apostelen uitgesproken, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk der hemelen. Gemeente, wie zijn die ‘wij’? Wie worden daarmee bedoeld? Daar worden mee bedoeld al degenen die God tot de zaligheid in Christus bearbeidt. Dat we er allemaal bij mogen zijn! Daar gaat het om in dit leven.

Er staat: wij moeten. Dat is een noodwendigheid. Je zou ook kunnen zeggen: dat is de wet in het koninkrijk der hemelen, in het koninkrijk van Gods genade. Al die onderdanen van Koning Jezus, die tot dat koninkrijk worden toegevoegd, ontkomen er niet aan.

We hebben dat te bedenken, ook in onze tijd, waarin naar mijn persoonlijke mening heel veel kerkmensen denken dat we kerk-zijn voor de gezelligheid. Maar de kerk is er niet gekomen voor de gezelligheid. De kerk is kerk op het snijpunt van hel en hemel. En de prediking geschiedt ook op het snijpunt van hel en hemel. Niemand van ons zit vrijblijvend in de kerk. Hier onder de prediking vallen eeuwigheidsbeslissingen. Hier in de bediening van de sleutelen van het koninkrijk der hemelen, wordt u buiten dat koninkrijk gesloten of er bij ingesloten.

 

Dat wij door veel verdrukkingen in moeten gaan, volk van God, in het koninkrijk der hemelen, is altijd al Gods plan geweest, en Zijn oefenmateriaal, zoals Calvijn dat uitdrukt in een van zijn preken. Want wie een christenleven bedenkt zonder lijden, wie een geloofsleven indenkt zonder lijden, moet zich wel een geheel andere christus voorstellen dan de Christus der Schriften.

Wie Hem deelachtig gemaakt wordt - schrik niet, gemeente - krijgt het kruis ook cadeau, als een geschenk. Ik zeg het misschien plat, maar ik bedoel het niet profaan. U hebt er maar op te rekenen. En dan beproeft de Heere al de Zijnen om te hélen! Het kruis, de verzoekingen in de zin van beproevingen, dat is een teken van Gods liefde.

Iemand zegt: ‘Kon ik dat altijd maar geloven…’ Ik kan het begrijpen, u kunt dat niet altijd geloven. Vaak denkt u: als een kruis mij opgelegd wordt, dan is dat een teken van Gods vloek, dan is dat een teken van Gods toorn, nietwaar? Wij mensen zijn zo geneigd om te denken: als het allemaal maar zo een beetje voor de wind gaat, als het allemaal maar zo een beetje in overstemming met onze wensen is, dan is dat een zegen van God. Het kon wel eens een vloek wezen, als het allemaal maar zo kabbelend voortgaat in uw leven.

En anderzijds zijn we zo geneigd om God te verdenken, als kruis en tegenspoed, als krommingen op onze levensweg ons ontmoeten. Dan denken we dat Gods toorn ons raakt. Gemeente, het kon wel eens Gods zegen wezen! Gods Kerk mag ook vandaag wel eens bedenken dat het lijden en het beproefd worden, ook in deze tijd niet is te waarderen tegen de heerlijkheid die ons eenmaal geopenbaard zal worden. Want alle dingen moeten medewerken ten goede, ook het kruis en ook de beproevingen. En dat geldt voor degenen die naar het voornemen Gods geroepen zijn. Dat geldt voor al degenen die tot de zaligheid worden bearbeid.

 

Dat onderwijs geeft ook Simon Petrus aan de kerk in de verstrooiing. En hij mag ze niet alleen onderwijzen, maar hij mag ze ook vertroosten.

 

Zo mag ik met Gods hulp u bepalen bij: Het beproefde geloofsleven.

 

En dan letten wij op:

1. Een bijzondere droefheid

2. Een heerlijk doel

3. Een machtig uitzicht

 

1. Een bijzondere droefheid

 

In welke gij u verheugt… In de verzen die aan onze tekst voorafgaan, spreekt Petrus over de erfenis die door de grote Erflater Jezus Christus zal nagelaten worden aan Zijn Kerk. Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u. In welke gij u verheugt…

Ja, kinderen, wie hebben er nu toekomst? Welke mensen hebben er nu echt toekomst in dit leven en in het sterven? Geef daar eens een antwoord op in je hart. Hebben we toekomst als we onbekeerd zijn, kinderen, jonge mensen, ouderen, u die mee mag luisteren via de kerktelefoon? Hebben we toekomst als we onbekeerd zijn? En dan moeten we een Bijbels antwoord geven. Dan moeten we zeggen: nee, we hebben geen toekomst als we onbekeerd zijn. We liggen al verloren en we gaan voor eeuwig verloren als het zo blijft.

Beseft u dat wel, gemeente? Raakt dat u wel eens? Overdenkt u dat wel eens, wat het betekent om nog onbekeerd te zijn, onbekeerd voort te leven en straks onbekeerd te sterven?

Toen Paulus er over nadacht, vanuit de ervaring bij God vandaan wat dat zou inhouden, toen heeft hij uitgeroepen: Wij dan, wetende de schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof (2 Kor.5:11).

Met andere woorden: mensen, bedenk het toch, als je onbekeerd leeft en sterft, dan ga je voor eeuwig naar de hel. Dat is geen ‘hel en verdoemenis preken’, maar dat is de werkelijkheid van het Woord! Met die werkelijkheid willen we vandaag niet meer geconfronteerd worden. ‘Spreek ons van zachte dingen en houd ons met bedriegerijen op!’ Zo was het ook al in de tijd van de oudtestamentische profeten en de mens is nog geen slag veranderd. Dat geldt u en mij, gemeente.

Paulus zegt: ‘Ik weet wat het betekent om voor eeuwig verloren te moeten gaan. Ik weet wat het betekent om straks eeuwig onder de toorn van God te moeten verkeren. Ik weet wat het betekent om God eeuwig te moeten vloeken en eeuwig te moeten zijn in de pijn, waar wening zal zijn en knersing der tanden. Bedenk het, als u nog onbekeerd bent en onbekeerd sterft!’

De Heere moge dat zo eens opbinden, dat je uitgedreven wordt in het verborgene, in het eenzame. ‘O God, ik ben onbekeerd en Uw Woord zegt dat als ik onbekeerd blijf voortleven en onbekeerd sterf, het dan voor eeuwig verloren is.’

Welke mensen hebben er toekomst? Gods volk, Gods kinderen. Ze ontvangen genade om te leven en ze ontvangen genade om te sterven. Ik zeg niet dat ze altijd ruim sterven. Maar toch krijgen ze genade om te sterven. Bij wijze van spreken: zodra ze aan de andere zijde de ogen opslaan, mogen ze zich verlustigen in hemelse vreugde, in hemelse zaligheid, in hemelse gemeenschap met Hem Die ze lief gekregen hebben, en Zijn verschijning, ook voor eigen hart en leven.

 

In welke gij u verheugt. Mag u die blijdschap kennen, volk des Heeren, zoals artikel 39 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis het ons voorhoudt? Als het gaat over in welke gij u verheugt, dan het gaat over het uitzicht met betrekking op de toekomst die de Kerk van God wacht. En dan ook in verband met de wederkomst van Christus. Dat wordt eigenlijk bedoeld. De volle heerlijkheidsopenbaring van Christus aan Zijn Kerk, waarin die Kerk mag delen door genade.

‘Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen.’ Waar is tegenwoordig dat verlangen in de Kerk, dat we uitzien naar de komst van Christus op de wolken des hemels, dat we uitzien naar de wederkomst, en dat ons hart daaromtrent vervuld is met een groot verlangen en uitzien daarnaar? ‘Kom, Heere Jezus, kom haastelijk!’

 

Er was een man die tegen een dominee zei: ‘Ik hoop dat die dag nog maar een poosje uitgesteld wordt.’ Die dominee zei: ‘Hoezo?’ ‘Mijn kinderen moeten nog bekeerd worden’, zei die man. De dominee zei: ‘Daar hebben ze tijd genoeg voor gehad.’ Wat een harde dominee… Wat een hard mens, nietwaar? Maar hoeveel tijd hebt u al gehad om bekeerd te worden? Misschien zitten hier wel mensen tachtig jaar, zeventig jaar of veertig jaar onder de prediking. U hebt tijd genoeg gehad om bekeerd te worden. En nog onbekeerd? ‘Ja maar…’ Ja, dat leeft in ons hart. Al die ‘ja-maars’… ‘Ik heb u nog nooit gezien’, zou de Heere kunnen zeggen, ‘worstelend aan de troon van Mijn genade.’ U hebt tijd genoeg gehad om bekeerd te worden. Heb je de tijd van je leven uitgekocht?

 

In welke gij u verheugt. ‘Hoe groot is het goed dat Gij zult geven hem, wiens oprechte geest op U betrouwt, U vreest…’ Dan mogen ze ten volle delen in Zijn zalige gemeenschap.

 

Maar die blijdschap wordt hier op aarde onderbroken door menigerlei droefheid. In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen. Verblijd te zijn en toch droevig te wezen… Ja, dat is nu de ervaring van de ware Kerk van God. Dat begrijpen we van nature niet, als de Heere het ons niet leert. Ik ook niet hoor, als God het me niet leert. Bij de blijdschap droefheid…? We begrijpen het van nature niet en na ontvangen genade moeten we telkens weer opnieuw deze dingen leren.

 

Door menigerlei verzoekingen, staat er. Het wijst op een bijzondere droefheid. Als hier staat: Door menigerlei verzoekingen, dan wordt daarmee bedoeld: de samenvatting van al het leed, kruis en tegenspoed die wij in ons leven kunnen meemaken, die ons in- en uitwendig overkomen als wij bearbeid worden tot de zaligheid. Het is dus een samenvoeging van alles wat een kind van God mee kan maken.

Weet je wat het doel van de duivel daarmee is? Het is zijn doel om de kinderen van God, de ware Kerk, te doen afwijken van de Heere. De verstrooide Kerk wordt blootgesteld aan de verzoekingen die tot haar komen vanuit de wereld, en ook vanuit een godsdienstige wereld (niet schrikken!). Het is altijd al zo geweest, gemeente, in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament, dat de Kerk met een grote K vervolgd werd door de kerk met een kleine k.

Het begon al in de tent van Abraham, de vader der gelovigen. Hij is ook onderworpen geweest aan vele verzoekingen. Door wie werd Izak vervolgd? Door Ismaël. Het begon al in de tent. ’s Mans huisgenoten zullen zijn vijanden zijn…

Je ziet daar die twee beginselen: het beginsel van het ongeloof en bijgeloof, het beginsel van de vijandschap tegen God, tegenover het beginsel van de liefde tot God. Ismaël vervolgde Izak. Ismaël was naar het vlees geboren, Izak was het kind der belofte. Die kunnen elkaar niet verdragen. Ook niet in de kerk. Ze kunnen elkaar niet verdragen. Het vlees staat tegenover de Geest.

Wat een harde dominee, hè? Ik ben misschien wel scherp, maar ik heb het vlees van u niet op het oog, gemeente. Het vlees moet gekruisigd worden. Maar ik heb uw zíel op het oog. En de Heere mocht veel genade geven om blijvend uw ziel op het oog te hebben. Dan komt de prediking misschien wel eens heel scherp over. Maar het is ten gunste van uw ziel op weg en reis naar de grote eeuwigheid.

 

Wat is het een verzoeking als miskenning en verachting ons deel wordt op aarde. Als haat en vervolging, als de hitte der verdrukking ervaren moet worden door Gods Kerk in deze wereld, en zelfs ook in het kerkelijke leven.

En die verzoekingen bergen verleidingen in zich, om af te wijken van de levende God. Die verzoeking kan ook een kruis zijn. Een verborgen kruis of een openbaar kruis. Een lichamelijk kruis of een psychisch kruis, wat ook Gods kinderen soms moeten dragen.

‘Ja maar, heeft een kind van God dan ook met psychische problemen te maken? Dat kan ik moeilijk geloven.’ U móet het geloven. Enerlei wedervaart de rechtvaardigen en de goddelozen. En de Heere kan ook die wegen van bijzondere droefheid gebruiken tot nut van uw ziel.

De bekende puriteinse dichter William Cowper is in een psychiatrische inrichting tot waarachtige bekering gekomen. De Heere gebruikte die weg voor die man. Zijn gedichten werden talloos vele malen opnieuw uitgegeven. De lijdende kerk heeft troost mogen putten uit zijn gedichten.

 

Droefheid… Maar die droefheid kan wel tot blijdschap worden. Er staat: Nu een weinig tijds (zo het nodig is)Ach, het is eigenlijk maar van korte duur. Die verzoekingen, onder de noemer van beproevingen, overkomen Gods Kerk voor een korte duur. Een weinig tijds, dat wil zeggen: in het licht van de komende eeuwigheid die aanstaande is, waar ze eeuwig vreugde mogen genieten in God, door Christus, in de Heilige Geest.

Zijn die beproevingen nodig? Ja, het staat er: zo het nodig is. Het is vaak nodig. Weet je waarom? Omdat we zo verkeerd zijn, ook na ontvangen genade. Omdat we zulke briesende paarden zijn. We zijn van die tegenstrevende mensen. Daarom is het zo nodig dat we gekruisigd worden. Maar toch: een weinig tijds. De zwaarte en de duur wordt wel bepaald door God, en toch staat er: een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen.

Kunt u dan geloven dat de apostel Jakobus komt te getuigen: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt (Jak.1:2)? Daar heb je weer zo’n uitspraak uit de Bijbel die niet te begrijpen is. Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt.

Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus. Wat een heerlijk doel! Dat is onze tweede gedachte:

 

2. Een heerlijk doel

 

Ja, de Heere heeft er een heerlijk doel mee voor ogen. En hier leren we dus uit dat menigerlei verzoekingen het karakter dragen van beproevingen van het geloof. Juist, dat is het: het geloof moet beproefd worden, zoals het goud en het zilver wordt beproefd, zoals de goudsmid het in de vuuroven werpt. Die beproeving is niet nodig voor de Heere. Nee, de Heere weet wel wie Zijn kinderen zijn.

 

Die beproevingen zijn ook meestal in overeenstemming met het karakter wat je hebt.  

Laat ik maar een voorbeeld geven. Vader en moeder zitten met hun kinderen aan tafel om het eten te gebruiken. De één zit rustig te eten en de ander zit te klieren. Of mag ik dat niet zeggen? Het is toch gewoon zo? En dan zegt vader tegen Jan: ‘Houd nu eens op met dat gezeur! We zitten toch aan tafel om te eten?’ Maar Jan houdt niet op. Totdat die vader op een gegeven moment zo kwaad wordt, dat hij Jan een draai om zijn oren geeft. ‘Zo, nu zit je maar eens stil.’

Zo is het in het geestelijk huisgezin ook. De Heere weet Zijn kinderen wel klein te krijgen. Die beproevingen laat de Heere toe in het leven van Zijn kinderen, opdat ze zouden weten wat er in hun hart leeft.

Je leest in de Bijbel dat toen de Heere het volk uitleidde uit Egypte, de Heere hen omleidde. Ze hadden in drie dagen zo het land Kanaän in kunnen gaan, maar de Heere leidde zo om. Ze hebben veertig jaar gezworven in de woestijn. Waarom deed de Heere dat? Om te weten wat er in hun hart was.

Wist de Heere dat dan niet? Ja, natuurlijk wist de Heere dat wel. ‘Ik heb van eeuwigheid al geweten dat je van de buik af aan een overtreder bent geweest, een doorbrenger en een albedelver…’ Is dat Gods kind? Ja, van de buik af aan. En na ontvangen genade wordt het er niet beter op. Ze blijven uit en van zichzelf goddeloos. Ze blijven uit en van zichzelf een overtreder van al Gods geboden. Ze zijn alleen rein en heilig in Christus. Maar dat moet je leren in een diepe weg, waarin er vanuit de mens niets goeds meer te verwachten is. Dan moet ik leren dat ik voor God geen enkele welbehaaglijke vrucht kan voortbrengen, maar dat de vrucht uit Christus gevonden wordt. Daarom zijn die beproevingen zo nodig.

 

Die beproevingen zijn nodig om te ‘bevinden’. Wát te bevinden? In de eerste plaats of je geloof echt is. Is er dan schijngeloof? Ja, dat is er zeker. Op de catechisatie leren we het van dominee Hellenbroek dat er een viertal vormen van geloof zijn, waarvan er drie zijn die zo al uitgeschakeld moeten worden. Ze zijn schijngeloof. Dat is het historisch geloof, het wondergeloof en het tijdgeloof. Of het nabijkomend werk.

Alleen het waar zaligmakend geloof is het echte geloof. Dat is het ware geloof. Daarom stelt ook de Heidelbergse Catechismus de vraag: ‘Wat is een wáár geloof?’ En Hermannus Faukelius vraagt in het Kort Begrip: ‘Wat is een oprécht geloof?’ Dat doen ze met opzet, omdat ze weten - de Bijbel spreekt er van - dat er vormen van geloof zijn die niet zaligmakend zijn.

 

Weet u het nog, ouderen, wat een historisch geloof is? Gelooft u dat Napoleon de Slag bij Waterloo verloren heeft? ‘Ja, dat geloof ik wel.’ Ben je er bij geweest? Heb je Napoleon gekend? Heb je het met eigen ogen gezien, dat Napoleon de Slag bij Waterloo verloor? U zegt: ‘Nee, daar ben ik niet bij geweest; dat gebeurde eeuwen geleden.’ Waarom gelooft u dan dat het waar is? ‘Ja’, zegt u, ‘op grond van de geschiedschrijving en het is ook verifieerbaar, dat wil zeggen dat het te bewijzen is.’ Dat is een historisch geloof; dat we met ons verstand aannemen dat God bestaat en dat de Bijbel het Woord van God is.

 

Een wondergeloof. De genezing van die tien melaatsen is daar een voorbeeld van. Alle tien geloofden ze dat de Heere hen lichamelijk genezen kon en ze zijn genezen. En dan moet de Heere Jezus daarna met smart constateren dat er negen rechtstreeks van Hem weggegaan zijn, en dat er één was die met de genezing in Hem eindigde. Ja, dat is een kenmerk van een waar zaligmakend geloof, dat we niet aan de weldaden genoeg hebben, maar aan de Weldoener. Dan eindigen we in de Weldoener. Zul je dat onthouden, kinderen, jongelui en ouderen?

Verhoort God wel eens het gebed van een onbekeerd mens? Ja, dat doet Hij zeker. Kan een onbekeerd mens ook bidden? Een onbekeerd mens mag ook bidden. De Heere laat dan wel eens zien dat Hij in uitwendig opzicht een wonder doet. Dan geneest Hij bijvoorbeeld. Maar daar mag je niet de grond van zaligheid van maken. Dan zeg ik altijd tegen mensen: ‘Als je nu nog denkt dat je onbekeerd bent en als je weet dat de Heere je gebed verhoord heeft, dan is dat een spoorslag om tot de Heere te vluchten met de nood van je ziel: O God, nu is mijn ziel nog niet gered. Zou U daar plaats voor willen maken door Uw Woord en door Uw Geest?’

 

Het tijdgeloof. Wat is een tijdgeloof? Luister, dat zijn die mensen over wie de Heere Jezus getuigt in de gelijkenis van die zaaier. Weet u wel: Ziet, een zaaier ging uit om te zaaien (Matth.13:3). En een ander deel viel op steenachtige plaatsen (Matth.13:5). Dat zaad is snel opgeschoten en er kwam snel vrucht uit voort. En dan zegt de Heere Jezus: ‘Welke mensen bedoel Ik daarmee? Luister eens goed: die het Woord Gods met vreugde aannemen…’

Die mensen zijn er wat in de kerk. Ze zijn er vol van. Ze hebben het Woord aangenomen, zeggen ze. Ja, ze spreken van Jezus. Ze zijn gevoelig, soms met tranen in hun ogen. En je zou er heel wat van denken. Voorzichtig zijn! De rijke jongeling was ook zo ernstig. Hij kwam tot Jezus met een heel ernstige vraag: Goede Meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve? (Mark.10:17).

De kerkenraad zou van zo iemand misschien al gauw denken: dat is een ernstige jongen. Zulke ernstige jongens zijn tegenwoordig al gauw ouderling ook. Wees voorzichtig, wees voorzichtig! Want wat bleek? Er was geen wortel. Met vreugde hebben ze het Woord aangenomen, met vreugde hebben ze Jezus aangenomen, maar ze zijn niet door Jezus aangenomen. Ze hebben geen diepte van aarde. Het is niet geworteld in het wedergeboren hart. Het is niet geworteld in een daad Gods, Die van dood levend maakt en wedergeboren doet worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

Daarom is die beproeving nodig voor die rijke jongeling. De Heere Jezus weet dat hij rijk was. Hij zegt: Eén ding ontbreekt u; ga heen, verkoop alles wat gij hebt, en geef het de armen, en gij zult een schat hebben in de hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op, en volg Mij (Mark.10:21).

Hij keert zich om, zijn hoofd naar beneden, en loopt bedroefd weg. Hij is nooit meer teruggekomen. Hij had het goud van deze wereld liever dan het goud van Gods genade. Als het je te doen is om het goud van Gods genade, dan kun je afstand doen van de dingen van de wereld, van alles wat in de wereld te vinden is aan geld en goed. Als je sterft neem je je brandkast niet mee. Al zou je een paar miljoen op de bank hebben, je kunt daarmee je schuld bij God niet afbetalen. Alleen het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, wast en reinigt van alle zonden.

 

Die beproevingen van ons geloof zijn nodig, opdat we zouden weten of ons geloof echt is. Maar in de tweede plaats opdat we zouden weten dat God getrouw is in het woord dat Hij tot onze ziel heeft gesproken.

Goud en geloof zijn kostelijke zaken, maar de beproeving van het geloof is nog veel kostelijker. Opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt

Die beproeving is nodig opdat het geloof ook geoefend zal worden. Opdat we God ook op Zijn Woord zouden geloven, en opdat we door alle beproevingen heen zouden bevinden dat de Heere Zijn Woord gestand houdt. Dat is Bijbelse bevinding. Die bevinding werkt hoop.  En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven (Rom.5:5).

Bijbelse bevinding is dat de Heere betoont, door al de beproevingen des levens heen, wanneer het geloof beproefd wordt en ook geoefend mag worden, dat Zijn Woord waar is.

 

Denk eens aan Jozef. We lezen over hem in Genesis 49 vers 23 en 24: De schutters hebben hem wel bitterheid aangedaan, en beschoten, en hem gehaat. Maar zijn boog is in stijvigheid gebleven, en de armen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van de Machtige Jakobs; daarvan is hij een herder, een steen Israëls.

Jozef was een vrome jongen. Je kunt wel eens uitgescholden worden voor ‘fijne’ of ‘zwartkijker’. Dat heb je te verwachten. Kijk er maar niet van op. Echt waar hoor, dat leert God Zijn volk wel. Je hebt nog te doen met mensen die dat roepen ook…

Kinderen, zo was Jozef ook in de ogen van zijn broers. ‘Kijk, daar komt die fijne, die meesterdromer aan. We zullen hem eens een kopje kleiner maken. Eens kijken wat er van het woord dat hij gesproken heeft terechtkomt…’

Ze tarten God. Denk erom dat ze in hun geweten wel iets gemerkt hebben van wat Jozef vertelde van die dromen en van wat de Heere hem in die dromen geopenbaard had. Ze konden het niet zetten. ‘Dat vrome jochie, zouden we voor hém moeten buigen? Dat nooit!’

We weten hoe het gegaan is. Ze hebben hem uiteindelijk verkocht. Hij is in de gevangenis terechtgekomen. Later, als ze door de hongersnood naar Egypte geleid worden en ze bij Jozef komen, herkent Jozef hen, maar zij herkennen Jozef niet. Later zegt hij, als hij zich aan hen openbaart: Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden (Gen.50:20).

De broers worden zó bang. Ze denken: nu is het met ons gebeurd. Nu gaat ons hoofd eraf. ‘Nee’, zegt Jozef, ‘wees maar niet bang. God heeft me naar deze plaats gebracht om een groot volk in het leven te behouden. En daar horen jullie ook bij.’ Jozef gaat zich niet wreken.

 

Je gaat toch je wraak niet zoeken, als de Heere laat weten dat Zijn Woord getrouw en waar is? Kind van God, in die weg moeten we zelfverloochening leren, en ook bereidwilligheid om het kruis op te nemen. Calvijn zegt: ‘In het gekruisigd christenleven krijgt onze gemeenschap met Christus tastbare gestalte. Zodra de ziel door het geloof verenigd wordt met Christus, vangt de weg van afbreuk, achteruitgang aan, ja schijnt het op de ondergang aan te gaan. Ons vlees wordt teniet gedaan, maar het is zo taai, en de hoogmoed wordt gedood.’ Dat is van Calvijn, de reformator.

We laten nu een andere reformator aan het woord. Dat is Kohlbrugge. Kohlbrugge is de man die wist wat de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof is. Weet je wat hij van de beproeving van het geloof zegt? Ik zal het letterlijk citeren. Die mensen kunnen het soms beter vertolken dan ik. Kohlbrugge zegt: ‘Het gaat Gods ware kinderen evenals de touwslagers.’

Wat is een touwslager, kinderen? Die kennen jullie natuurlijk niet. Een touwslager is iemand die op de lijnbaan lijnen van touw maakt. Hij maakt de sterkste en meest hechte touwen en kabels waaraan vroeger zelfs de grootste schepen te midden van stormen en orkanen rustig voor anker lagen. Maar die touwslager werkt achteruit, en hij gaat toch vooruit. Net als een stratenmaker. Die kennen jullie natuurlijk wel. Mijn schoonvader zei eens tegen een stratenmaker: ‘Wat heb jij een mooi beroep!’ Die man keek op en zei: ‘Wat bedoelt u, meneer?’ Hij zegt: ‘Je moet achteruit en je gaat toch vooruit. Dat is toch een mooi beroep; achteruit en toch vooruitgaan.’ Zo handelt de Heere nu met Zijn Kerk. En dan zegt Kohlbrugge: ‘De gang is slecht, maar het werk is recht.’

Begrijpt u dat, gemeente? Wat zou het een wonder wezen als je dat mag gaan begrijpen.

 

Weet je waarom het werk des Heeren, ook in de beproeving van het geloof, zo goed is? Omdat het Zijn werk is. Het vlees moet tenietgedaan worden. Dat is een zegen van God. Weg met onze gewaande voortreffelijkheid! Ootmoed, ootmoed en nog eens ootmoed, dat moet de gestalte van mijn hart zijn, worden en blijven, door genade, in al die beproevingen.

Je krijgt al meer zelfkennis. Je hardleersheid leer je wel af. Het is een medicijn om de hartstocht aan de zonde en de wereld die we hebben, weg te bijten. De Heere beoogt bewaring en behoud van ons leven.

 

Dat is nu het principiële en fundamentele onderscheid van de beproevingen des geloofs in het leven van Gods kinderen en de beproevingen in het leven van onbekeerden en wereldse mensen. Voor hen zijn het voorsmaken van het hellelijden.

Ik zeg het volgende met teerheid. Er staat wel eens in een rouwadvertentie: ‘Dankbaar dat hij of zij voor verder lijden gespaard is gebleven…’ Dan zeg ik tegen de kinderen: ‘Kinderen, dat is te hopen. Want als je onbekeerd sterft begint het lijden pas.’ Dat kan alleen maar in een rouwadvertentie gezet worden bij een kind van God. Zij overlijden in de Heere. Zij zijn dan over het lijden heen. Zij mogen dan eeuwig vreugde ontvangen en genieten, zonder lijden.

 

Tenslotte gaan we nog ons laatste punt overdenken: een machtig uitzicht. Bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus. Maar we zingen eerst Psalm 34 vers 9:

 

God is ‘t verbroken hart,
‘t Verbrijzeld en bedrukt gemoed,
Te allen tijd’ nabij en goed,
In tegenheid en smart.
Veel wederwaardigheên,
Veel rampen zijn des vromen lot;
Maar uit die alle redt hem God;
Hij is zijn heil alleen.

 

3. Een machtig uitzicht

 

Bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus. Dan komt die erfenis voor de Zijnen weer terug, die de grote Erflater, de Heere Jezus Christus, Zijn Kerk heeft toegezegd.

Mozes heeft alle beproevingen, verachting, miskenning, haat, vijandschap van buitenaf, om Christus’ wil, om Zijns Woords wil, om Zijns wets wil kunnen verdragen. Wat zeg ik? Hij heeft die niet alleen verdragen, hij heeft het uitmuntend kostelijk geacht dat hij ertoe verwaardigd werd. Dat is nog wat anders. Mozes had aan het hof van Farao alles kunnen krijgen wat zijn hart begeerde: eer, aanzien, rijkdom, heerlijkheid… Wat wil je nog meer als prins? Dan heb je toch alles wat je hart begeert? Hij zegt: ‘Ik acht het niet. Ik ben er niet jaloers op. Het hoeft voor mij allemaal niet. Ik wens liever met dat verachte volk van God kwalijk behandeld te worden, dan voor een tijd de genieting van enige zonde te hebben.’ Neem dat eens mee!

 

Jongens en meisjes, waar waren jullie gisteravond? In de bar? In de discotheek? Op plaatsen van ijdelheid? Ik hoop het van niet, maar ik ben er niet zeker van. Ik ben die keten wel eens ingekropen op de Veluwe. Je hoort daar niet thuis met je gedoopte voorhoofd. Jongens, weten jullie wel dat je op weg en reis bent naar de eeuwigheid? Wat moeten jullie daar met die kratten bier?

‘Ja maar, dat doen mijn kinderen niet.’ Voorzichtig, vaders en moeders. Weten jullie waar op vrijdag- en zaterdagavond jullie kinderen zijn? ‘Ja maar, hij heeft gezegd dat hij naar z’n vriend is.’ Maar intussen zit hij wel in de discotheek…

God beware er ons voor, jeugd. Het is wel gebeurd dat jongelui die tegen de waarschuwingen in zijn gegaan, zich hebben dood gereden tegen een boom. Vreselijk! ‘O God, bewaar onze jeugd!’

 

Van Mozes staat in Hebreeën 11 vers 25 en 26: Verkiezende liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben; achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte. Zelfs niet voor een tijdje de genieting van de zonde…

Mozes achtte de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn. Dat is dus die verachting, die miskennning, dat uitgescholden worden voor een fijne, of voor een vroom jochie of een vroom meisje. Dat gebeurt tot op de reformatorische scholen toe. Zul je daar niet aan meedoen? Zul je daar voorzichtig mee wezen? De reformatorische scholen hebben niet zo een goede naam in Nederland als we soms wel denken. Laten we onszelf maar niet op de borst slaan. We moeten soms met het hoofd naar beneden lopen. Wat er allemaal uitgespookt wordt…! Laten we maar eerlijk zijn en de dingen maar bij de naam noemen. Dat hebben we nodig in deze tijd.

Achtende de versmaadheid van Christus meerdere rijkdom te zijn, dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons. Op de vergelding des loons! Hij wist wat de Heere weggelegd had voor degenen die Hem vrezen.

 

Bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus. Wat had Mozes een toekomst! Wat had Jozef ook een toekomst! Wat had Ruth dat ook! Hebben jullie dat ook,  jongelui? Buig je knieën bij het opengeslagen Woord van God. Daar gaat het om.

 

‘Kom, ga met ons en doe als wij!’
Jeruzalem, dat ik bemin,
Wij treden uwe poorten in;
Daar staan, o Godsstad, onze voeten.
Jeruzalem is wél gebouwd,
Wel saâmgevoegd; wie haar beschouwt,
Zal haar voor ‘s Bouwheers kunstwerk groeten.

 

Toen ik in de wereld leefde, dacht ik: dat is het leven. Tot God me liet zien: dat is de dood. Dan ga je het leven zoeken, het leven dat bij God is. Dan ga je je vrienden waarschuwen: ‘Dit leven kan niet, jongens. Dat kan niet. Bekeer je, opdat je leven mag!’

 

Hij zag op de vergelding des loons. Gods Kerk heeft zich in de tijd van de beproevingen voor te bereiden op de laatste uittocht uit dit leven.

Want kijk, als wij een gerust leven hebben, kind van God, wat doen we dan? Dan nestelen we ons op de aarde. Dan hebben we het fijn naar onze zin hier. Dan hoeven we echt nog niet weg van de aarde.

Daarom zei een dominee een keer in een preek: ‘De Heere moet Zijn kinderen soms met een stok naar de hemel slaan.’ Daar schrok ik toen van. Het is toch wat! Zo kunnen ze zich soms nestelen op de aarde. Kind van God, we moeten weggetrokken worden van hetgeen voor ogen is.

In het verlengde van een beproefd en gekruisigd leven met Christus ligt toch het heerlijke opstandingsleven met Hem. Dan mogen de voorsmaken al wel eens zo zoet zijn. De beginselen van het eeuwige leven worden hier op de aarde al wel eens geproefd en gesmaakt.

Ja, dat gun ik u. Dat zal de doodsteek voor het wereldse leven wezen. Dan mag je de beginselen van het eeuwige leven wel eens proeven en smaken in de ervaring des geloofs. Dan wordt het verlangen gewerkt om eens volmaakt bij de Heere te mogen zijn.

En als de voorsmaken van dat eeuwige zalige leven al zo heerlijk zijn, het hart al zo verblijden en de wereld in ons doden, wat zal dan het volmaakte wel niet wezen? En die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom.8:30). En daarom: wat een heerlijk en machtig uitzicht!

 

Bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus. Hier wordt dus ook weer bedoeld die grote heerlijkheidsopenbaring van Christus. Als Hij Zich hier openbaart in en aan de ziel van Zijn Kerk, is dat al zo eeuwig groot en goed; elke keer als Hij zich openbaart en verklaart, tot vrede met God.

O gemeente, het is met woorden niet uit te leggen wat dat inhoudt! Dat is het leven. Dat is het echte leven. En als je hier al toegelaten mag worden tot het gemeenschapsleven met God in Christus, al wordt dat iedere keer weer onderbroken door mijn eigen zonden, dan is de wereld je helemaal niets waard. Dan gaat je hart uit naar Hem en naar het volmaakte.

Dat is de heerlijkheid van Christus. De Heere Jezus zit nu al in de troon Gods aan de rechterhand Zijns Vaders. Maar straks kan en mag Hij Zich ten volle openbaren in Zijn opstandingsheerlijkheid. Dan zal Hij Zich in volle heerlijkheid openbaren aan Zijn Kerk. Het lichaam van Gods kinderen wordt eenmaal gelijkvormig aan het heerlijk lichaam van Christus. Dan pas wordt mijn lichaam ook een orgaan, dat wil zeggen: het wordt gelijkvormig aan het lichaam van Christus, met ín dat verheerlijkte lichaam een geredde ziel, om die staat der volmaaktheid tot in eeuwigheid te kunnen ontvangen.

 

Heb je er hoop op? Niet een hoopje in de zin van een misschientje, maar de hoop als zekerheidsverwachting.

 

Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen.

 

Dacht je dat ik mijn hoofd omhoog zal steken? Ik zal die eerkroon neerleggen aan de voeten van het Lam! ‘Gij, o Lam van God, hebt ons Gode gekocht met Uw dierbaar hartenbloed. U komt alle eer toe. Gij moogt die kroon dragen!’

Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging (Openb.5:12).

 

Geef mij maar de laagste plaats, als Gij mij een plaats wilt geven.

Want niemand heeft zoveel kwaads tegen zoveel goeds bedreven.

 

Maar ze zullen delen in de lof, de eer en de heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus!

           

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ‘t hoofd omhoog en zullen d’ eerkroon dragen,
Door U, door U alleen, om ‘t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ‘t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.