Ds. D. Rietdijk - Zondag 22

Dat de Heilige Geest een volkomen werk doet

Het werk van de Heilige Geest is volkomen in het sterven
Het werk van de Heilige Geest is volkomen in de opstanding
Het werk van de Heilige Geest is volkomen in de heerlijkheid van het eeuwige leven
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 30: 5, 8
Lezen : 2 Korinthe 4:16 - 5:11
Zingen : Psalm 73: 12, 13, 14
Zingen : Psalm 106: 3
Zingen : Psalm 138: 4

Gemeente, we willen met elkaar Zondag 22 van onze Heidelbergse Catechismus overdenken. Deze Zondag gaan wij eerst met elkaar lezen.

 

Vraag 57: Wat troost geeft u de opstanding des vleses?

Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

 

Vraag 58: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Antwoord: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

 

Wij gaan in deze dienst overdenken: Dat de Heilige Geest een volkomen werk doet.

 

En dan gaan wij letten op drie dingen.

1. Het werk van de Heilige Geest is volkomen in het sterven

2. Het werk van de Heilige Geest is volkomen in de opstanding

3. Het werk van de Heilige Geest is volkomen in de heerlijkheid van het eeuwige leven

 

Dit gedeelte van onze Twaalf Artikelen over ‘de opstanding des vleses en het eeuwige leven’, valt in onze catechismus onder het hoofdje ‘Van God de Heilige Geest en onze heiligmaking’. Er wordt vaak gedacht dat met vraag 20: ‘Wat gelooft gij van de Heilige Geest?’ de belijdenis over de Heilige Geest en wat wij van de Heilige Geest geloven, afgelopen is. Maar onze catechismus zegt: Nee, daar hoort ook bij de leer over de Kerk, ‘de gemeenschap der heiligen’ en de ‘vergeving der zonden’ en verder ‘de opstanding des vleses en het eeuwige leven’.

 

U moet er goed rekening mee houden dat onze heiligmaking, de heiligmaking van de Kerk des Heeren, van het volk van God, zijn voltooiing vindt in de heerlijkmaking. De heiligmaking is in dit leven nooit volkomen, het geloof is niet volkomen en de liefde is ook niet volkomen. De Kerk van God op deze aarde is helemaal niet volkomen en de gemeenschap der heiligen ook al niet. Wat is het dan nodig dat er een voltooiing komt, een voltooiing in de heerlijkmaking.

Over die heerlijkmaking - dat is de voltooiing van de heiligmaking - gaat het in deze dienst. De catechismus handelt nu over de twee artikelen ‘de opstanding des vleses en het eeuwige leven’ uit onze Twaalf Artikelen.

Het heeft dus alles te maken met de Heilige Geest, ‘Die toe-eigent hetgeen wij in Christus hebben en Die ons dagelijks vernieuwt, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden’.

Het gaat in deze dienst dan ook over de volkomenheid van het rijk van God.

 

1. Het werk van de Heilige Geest is volkomen in het sterven

 

In de eerste plaats belijden we: ‘Ik geloof de opstanding des vleses.’

Dat is de oudste belijdenis die in de Twaalf Artikelen is terug te vinden. Zelfs al in de tweede eeuw na Christus, heel vroeg, is de belijdenis ‘Ik geloof de opstanding des vleses’ erin gekomen. Als toen een catechumeen, zo’n onderwezen heiden die gedoopt werd, de doopvragen moest beantwoorden en de belijdenis moest opzeggen, dan klonk er iets triomfantelijks in wanneer hij zei: ‘Ik geloof de opstanding des vleses.’ Want als hij gedoopt werd, zat daar heel wat aan vast. Dan moest hij zijn heidense leven vaarwel zeggen. De doop was een scheiding tussen het heidense leven en het christelijke leven en bovendien was het een belijdenis van de naam van de Heere Jezus Christus tot zaligheid.

Die belijdenis was geen goedkope belijdenis in die dagen, want dat kon je je leven kosten. Denk maar eens aan al de martelaren die in de eerste eeuwen door een gewelddadige hand gedood zijn. Toen Polycarpus van Smyrna, een man die grote bekendheid in de kerk had, moest sterven, zei hij op het schavot: ‘Ik zie Jezus.’ Dat was een belijdenis in het aangezicht van de dood.

 

In de tijd van de Reformatie was dat niet anders, zeker in ons land. De mensen wisten toen van schavotten en van brandstapels waarop martelaars stonden die hun liefsten, de liefste panden die zij hadden, moesten achterlaten. Deze mensen beleden: ‘Ik geloof de opstanding des vleses.’ In de Reformatietijd heeft die belijdenis grote kracht en heerlijkheid gehad.

 

In onze tijd vindt u zelfs in kerkelijk Nederland groepen die niet meer geloven in de ‘opstanding des vleses’. Het is met dit leven afgelopen, achter het leven staat een punt. Je moet er in dit leven maar het beste van zien te maken. We moeten hier in deze wereld maar een geluksstaat proberen te creëren. Men ziet niet dat de ellende in de wereld alleen maar toeneemt.

 

‘Ik geloof de opstanding des vleses.’

Het is dus niet iets waarvan u zegt: ‘Nou ja, dat hoort er bij.’ Nee, het is ook in onze dagen de kern van het christelijke belijden en we moeten met kracht volhouden en vasthouden.

 

De catechismus gaat tegenover elkaar stellen het ‘niet alleen’ en het ‘maar ook’.

Het gaat er eerst over dat

‘niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus haar Hoofd opgenomen zal worden’,

maar ook dat

‘dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met de ziel verenigd en het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.’

 

Dus eerst dat ‘niet alleen’.

Het gaat over het sterven en dat terstond bij dat sterven de ziel van allen die Christus toebehoren, die tot het lichaam van de Heere Jezus behoren, zal worden opgenomen in heerlijkheid.

Terstond!

Daarover hebben Ursinus en Olevianus, die deze catechismus hebben opgesteld, tegelijkertijd een polemiek gevoerd met de Roomse kerk. Want de Roomse kerk zegt niet dat de ziel na dit leven terstond tot Christus, haar Hoofd, wordt opgenomen. Die kent een vagevuur. In dat vagevuur zal de ziel van de mens komen, omdat in dit leven nog zonden zijn, waardoor het leven van die christenen nog onvolkomen is. Hij moet daarom na dit leven een louteringsproces ondergaan, want Christus is wel gestorven, maar Hij heeft alleen de erfzonde weggenomen. De dadelijke zonden die in het leven zijn begaan, moeten gelouterd worden in het vagevuur, in een louteringsproces dat heel lang kan duren. De ziel is dan op een plaats waar de nabijheid van God niet wordt ervaren en waar men met wroeging denkt over de zonden die gedaan zijn en over hoe goed het had kunnen zijn als zij in alle goede werken hadden geleefd. Pas wanneer zo de dagelijkse, dadelijke zonden zijn uitgelouterd, kan de ziel naar de hemel.

Dat vagevuur onderbouwen ze met een beroep op het boek van Judas de Makkabeeër. Die liet een offer brengen voor al de overledenen op wie een afgodsbeeldje werd gevonden, dus die nog aan de afgoden hadden vastgehouden.

Zo is de leer van het vagevuur, gegrond op een apocrief geschrift, in de kerk des Heeren gekomen.

 

De belijdenis zegt hier tegenover dat mijn ziel na dit leven terstond, ‘van stonde aan’, tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden. Direct, dadelijk bij het sterven.

Onze belijdenis spreekt in dit antwoord driemaal van het Hoofd.

Ze spreken van Christus, haar Hoofd, tot Wie zij zullen worden opgenomen,

dat het vlees straks door de kracht van Christus wordt opgewekt en

dat dan het lichaam aan dat heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig worden zal.

Het gaat in deze belijdenis van ‘de opstanding van het vlees’ om Christus alleen.

 

In de eerste plaats dat de ziel bij het sterven terstond tot haar Hoofd Christus zal worden opgenomen.

 

Gemeente, de leer van het vagevuur is niet te verdedigen met de Schrift in de hand. In de Schrift wordt geleerd dat de mensen terstond worden opgenomen tot Christus, hun Hoofd.

Denkt u maar aan Elia, die met vurige wagens en paarden ten hemel werd opgenomen. En aan Henoch, die wandelde met God en hij was niet meer, want God nam hem weg (Gen.5:24).

En denkt u maar aan Golgotha’s heuvel, aan de moordenaar tot wie de Heere Jezus zei: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk.23:43). Rome heeft dat woord vervalst. Die heeft dat woord ‘heden’ betrokken op ‘Ik zeg u’. Dus: ‘Ik zeg u heden dat gij met Mij in het paradijs zult zijn.’ Maar dat is op basis van de grondtekst niet te verdedigen. Daar staat niet ‘Ik zeg u heden.’ Nee, ‘Ik zeg u: (dubbele punt) heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.’ Dus die moordenaar ging diezelfde dag, terstond na het sterven, naar de Heere toe, naar het paradijs, naar God, naar zijn Hoofd Christus.

Denk ook maar aan de Heere Jezus, Die ging sterven aan het kruis. Hij beval Zijn geest in de vaderhanden. Vader, in Uw handen beveel ik Mijn geest (Luk.23:46). Toen Hij de laatste adem uitblies, was Zijn geest, Zijn ziel bij de Vader. Die is daar gebleven tot de morgen van de verrijzenis toe.

Denk aan de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Natuurlijk mag je die gelijkenis niet in alle trekken vergeestelijken, maar dit punt wel: die arme Lazarus stierf en toen werd zijn ziel door de engelen gedragen in Abrahams schoot. Hij was terstond, na dit leven, bij zijn Hoofd Christus in de hemel.

 

Er is dus op grond van de Bijbel geen enkele reden om van een vagevuur te spreken. Paulus belijdt in dat machtige hoofdstuk 2 Korinthe 5:

Want wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen (2 Kor.5:1).

Daar staat: Een gebouw van God hebben. Dat wil zeggen: door God bereid, door God gegeven, door God bewaard, niet met handen gemaakt.

 

‘Terstond tot haar Hoofd Christus wordt opgenomen.’ Haar Hoofd. Want, gemeente, de Heere Jezus is het Hoofd van Zijn lichaam hier op de aarde. Dat Hoofd is in de hemel. Dat is boven de strijd uitgeheven. Dat Hoofd is aan ’s Vaders rechterhand. En nu zal dat lichaam niet verloren kunnen gaan. De ledematen van het lichaam van Christus, elk lid in het bijzonder, zal terstond na dit leven tot haar heerlijk Hoofd Christus worden opgenomen. Daar zit dat woord ‘opnemen’ weer in. Zijn vaderhanden nemen de ziel van het kind op en brengen het tot het heerlijk Hoofd Christus.

 

Terstond na dit sterven, dan zal dat gebeuren. Dan zullen zij direct en dadelijk bij de Heere zijn. Er staat dus niet: naar de hemel. Daar hoort u tegenwoordig vaak over: ‘Wij gaan naar de hemel.’ Dat kunt u nergens vinden. Dat staat nergens in de hele Bijbel geschreven. Er staat wel: ‘Opgenomen tot hun heerlijk Hoofd Christus.’ Hier in dit leven zijn ze opgezocht. Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad (Ps.73:23-24). En dan aan het eind van het leven niet losgelaten worden. Tot in de stervensuren toe is er die vaderhand. En dan neemt Hij ze op naar de grootheid van Zijn genade en naar de rijkdom van Zijn trouw, tot haar heerlijk Hoofd Christus. Dan wordt het Hoofd met het lichaam verenigd.

Dat lichaam groeit alsmaar door, eeuw in, eeuw uit, totdat het volkomen zal zijn. Dan zal het geopenbaard worden in de opstanding des vleses.

 

Er is ook een ander sterven. Dat moet ik u er wel bij zeggen. Dat is een sterven waarbij mensen niet tot Christus worden opgenomen. Wie het hier in dit leven buiten Hem kan stellen en wie hier in dit leven zelf zijn weg kan vinden en wie nooit door het geloof Christus is ingelijfd, één lichaam met Hem geworden is, één plant met Hem geworden is, die zal straks ook sterven, maar die wordt niet opgenomen in de hemel.

We zongen ervan, dat die mens wegzinkt:

 

Wie, ver van U de weelde zoekt,

vergaat eerlang, en wordt vervloekt;

Gij roeit hen uit die afhoereren,

en U de trotse nek toekeren.

 

Gemeente, het is zo nodig om dat in onze tijd te zeggen.

Er is een deel, een groot deel van Nederland, dat niets meer gelooft.

Er is een ander deel van Nederland dat alleen maar voor deze tijd Christus nodig heeft.

En dan, zegt de apostel Paulus, ben je de ellendigste van alle mensen, als je alleen maar in dit leven op Christus bent hopende.

Er is een ander deel dat alleen maar in een hemel en niet meer in een hel gelooft.

Maar, gemeente, ze zijn er beide. Ik moet het u zeggen. Erskine zegt in één van zijn preken: Ik moet het u vandaag zeggen, opdat u straks niet tegen mij zult zeggen: ‘U heeft het mij nooit gezegd; ik heb het niet geweten.’ U moet dat weten. Als u onbekeerd sterft, is dat een Godsontmoeting die vreselijk zal zijn, want dan moeten we wegzinken in een eeuwige nacht. Er is een hel bereid voor allen die onboetvaardig en ongelovig, onbekeerd hebben geleefd en zijn gestorven.

 

Er zijn ook mensen die geloven in een zielenslaap.

Destijds - en dat is nog niet zo lang geleden, het was even na de oorlog - was dat een zaak die nogal eens aan de orde kwam. Zij zeggen dus ook niet dat na dit leven de ziel terstond wordt opgenomen tot het Hoofd Christus. Zij zeggen: de ziel gaat over in een soort onbewuste toestand, in een zielenslaap. Pas wanneer de Heere Jezus wederkomt, ontwaakt de ziel. Men baseert dat daarop dat de Heere Jezus heeft gezegd bij Jaïrus’ dochtertje en bij Lazarus, dat zij sliepen. Lazarus, onze vriend, slaapt (Joh.11:11). Daarop baseren ze dat er een zielenslaap zal zijn, een onbewust in de dood vertoeven tot de dag van de opstanding.

Maar, gemeente, de Heere Jezus bedoelt daar niet mee dat er een zielenslaap is, dat die mensen geen bewustzijn zouden hebben, Hij doelt daar op de tijdelijkheid van de dood. Hij zei daarmee dat Hij heenging om Lazarus uit de dood op te wekken als uit een slaap.

Een andere bijbelplaats waar je kunt lezen dat er straks in de hemel geen ‘onbewust’ zijn is, maar dat ze met bewustheid bij de Heere zullen zijn, is Openbaring 6 vers 10, waar u leest van de martelaren die onder de troon zijn en die daar God bidden: ‘Heere, hoe lang zult Gij niet wreken het bloed van degenen die gestorven zijn, dat bloed dat vergoten is om de belijdenis van de naam van de Heere Jezus?’ Dat wil zeggen dat die zielen onder het altaar dus meeleven met de Kerk hier op de aarde en dat zij bidden tot God voor het bloed dat vergoten wordt om de naam van de Heere Jezus. Dat bloed kan op allerlei wijzen vergoten worden. Zij daarboven kennen de nood waar de Kerk op deze aarde in gedompeld is. Zij krijgen ten antwoord dat de Heere wacht totdat het getal van de heiligen vol zal zijn. Dus tot dat ogenblik moeten zij geduld hebben en wachten, want dan zal de Heere vergelden en wraak doen over al het bloed van degenen die de Heere Jezus hebben beleden.

 

Er is dus een bewustheid en een bewustzijn van de heerlijkheid van de hemel.

De ziel zal inderdaad en metterdaad Christus ontmoeten, het heerlijk Hoofd.

En zij zullen daar eeuwig bij de Heere zijn.

Ze zullen daar zingen.

Ze zullen daar Hem de lof toebrengen.

Zij zullen daar heerlijkheid genieten.

De strijd zal daar zijn afgelopen.

 

In het sterven is dus het volkomen werk van de Heilige Geest te vinden. Hij neemt de ziel op, terstond na dit leven, tot het heerlijk Hoofd Christus.

 

Maar nu ook in de opstanding. Dat is onze tweede gedachte:

 

2. Het werk van de Heilige Geest is volkomen in de opstanding

 

Niet alleen de ziel wordt opgenomen tot de Heere Jezus, tot het heerlijk Hoofd Christus, maar straks zal ook het lichaam worden opgewekt. ‘Maar dat ook dit mijn vlees…’ Dat ‘mijn vlees’ heeft de catechismus ontleend aan Job, die gezegd heeft: Als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen (…) en niet een vreemde (Job 19:26-27). Want hij wist dat Zijn Verlosser leeft.

 

‘Uit mijn vlees.’

Daar moet u even over nadenken, over wat de kinderen van God ten deel valt als zij gaan sterven. Dan kunnen zij zeggen: ‘Uit mijn vlees.’ Daar kunnen zij op wijzen. Dat kunnen ze laten zien. Deze mijn ogen zullen Hem zien. Deze mijn mond zal volkomen Zijn lof vertellen. Dit mijn oor zal Zijn stem in werkelijkheid horen.

‘Dit mijn vlees.’ Dat zal verheerlijkt worden, want als de Heere Jezus komt op de wolken, zal Hij het stof van al Zijn kinderen, dat misschien al vergaan is, dat zelfs in de zee is vergaan, opwekken. De zee zal haar doden weergeven. Ook de kinderen die jong zijn gestorven, zelfs de kleine kinderen, zullen worden opgewekt. ‘Ik zag ze staan’, zegt Johannes, ‘de kleinen met de groten voor de troon van God.’

Als Jezus op de wolken wederkomt, zal het graf de doden moeten loslaten, want dan zal dit mijn vlees door de kracht van Christus opgewekt worden. ‘Dan zal’, zegt Luther, ‘satan een grote schreeuw geven, want dan is zijn rijk afgelopen.’ Luther zegt: ‘Dan zal Christus op mijn zerk slaan en kloppen en zeggen: Doctor Martinus, sta op! En ik zal opstaan, Hem tegemoet.’

De bazuin van de archangel, van de aartsengel, zal dan klinken. Dan zullen de aarde en de zee haar doden weergeven en zij zullen worden opgenomen in heerlijkheid.

 

Gemeente, hoe dat allemaal zal zijn, weten we niet.

Als ze aan Paulus vragen: ‘Ja, maar hoe zal dat dan zijn, wanneer de doden worden opgewekt en de lichamen weer levend worden en met de ziel worden verenigd?’, zegt hij in 1 Korinthe 15: ‘Gij dwaas, het lichaam dat gezaaid wordt, wordt niet opgewekt, want dat lichaam, het verderfelijke, moet onverderfelijkheid aandoen. En dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.’

Dan wordt dat sterfelijke en dat verderfelijke dat onsterfelijkheid en onverderfelijkheid heeft aangedaan, verheerlijkt. Dat wordt aan het lichaam van Christus gelijkvormig. Dat wordt een verheerlijkt lichaam. Dat wordt een lichaam dat geen moeite meer kent, dat geen pijn meer kent, dat geen slaap meer nodig heeft, dat ook geen eten meer nodig heeft. Dat is een verheerlijkt lichaam. Een aards, natuurlijk lichaam wordt gezaaid, en een geestelijk lichaam wordt er opgewekt uit de doden. Zij zullen uit de graven verrijzen in heerlijkheid met Christus. Zij zullen een verheerlijkt lichaam hebben.

 

Moet u zich indenken, dat de mensen die hier op aarde met een ziek lichaam getobd hebben en die allerlei handicaps hadden of die andere onvolkomenheden hadden, zullen opstaan met een volkomen lichaam. Die zullen een verheerlijkt lichaam hebben dat in alle delen aan Christus’ lichaam gelijkvormig is.

Alleen Hij blijft het Hoofd. Hij zal boven allen uitsteken. De heerlijkheid van Christus zal zo groot zijn dat niemand Hem zal behoeven te zoeken. Hij zal als de Heerlijke gezien worden. Dan zal alle knie zich voor Hem buigen en alle tong zal belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders.

 

De opstanding van de doden…

‘Door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weer met mijn ziel verenigd en het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.’

Gemeente, daar leeft de Kerk des Heeren naar toe en daar leeft ze naar toe met groot verlangen, want dan zal teniet gedaan zijn al datgene wat op de aarde was.

Dan zal de zonde teniet gedaan zijn.

Dan zal teniet gedaan zijn al datgene dat ten dele was.

Dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht en wij zullen Hem gelijk wezen.

Een opstanding, een heerlijke opstanding van de zalige doden die in de Heere sterven.

Want indien wij geloven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, weder brengen met Hem (1 Thess.4:14).

 

Maar er is ook een andere opstanding. Ik zei u: er is tweeërlei sterven. Er is ook een tweeërlei opstanding.

Als u Daniël 12 leest, zult u daarin lezen van de verschrikkelijke opstanding van de goddelozen. Als de Heere Jezus wederkomt, worden niet alleen de doden die in de Heere gestorven zijn, maar dan worden álle doden opgewekt, ook de goddelozen. Wij geloven in de opstanding van de doden en dat Christus de doden en de levenden oordelen zal. Wij zullen allemaal verrijzen.

Daniël zegt van de goddelozen: ‘Die zullen verrijzen tot een eeuwige afgrijzing.’

Die zullen geen verheerlijkt lichaam krijgen.

Die zullen met dezelfde pijnen waarmee zij in het leven te maken hadden, weer opstaan uit de doden.

Die zullen in het lichaam ook moeten dragen de tijdelijke, de lichamelijke straf der zonden.

Die zullen nooit en te nimmer meer iets kennen tot verkwikking van het lichaam.

Zij zullen nooit meer weten van licht van de zon dat hen beschijnt.

Zij zullen ook nooit meer iets afweten van een rustpauze.

Zij zullen ook nooit meer iets weten van een verkwikkende slaap.

Er zal eeuwige wroeging zijn van het ‘had ik, had ik, had ik maar…’

 

Gemeente, vandaag is voor u dat einde nog niet. Vandaag is het ogenblik er nog niet, dat u moet zeggen: ‘Had ik maar…’ Het is nog de dag der genade. Het is nog de welaangename tijd, de dag der zaligheid. Het is vandaag nog mogelijk om de Heere te voet te vallen en om van Hem te gaan vragen of Hij nu in uw leven schenken wil wat u nodig heeft in het sterven en in de opstanding des vleses. Om, als u sterft, te worden gebracht bij Hem Die het Hoofd van de Kerk is en bij de opstanding op te staan met een verheerlijkt lichaam en dan in alles aan de Heere gewijd te zijn.

Het kan nog, maar er is wel haast bij, want de tijd gaat snel en ons leven spoedt heen. Het kan elke dag afgelopen zijn.

Er is maar één weg. Dat is de Heere te voet te vallen en van Hem te vragen of wij van Hem mogen krijgen wat de dichter van Psalm 106 gezongen heeft in het derde vers, en wij nu met hem zingen gaan:

 

Geef dat mijn oog het goed’ aanschouw’,
‘t Welk Gij, uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoor’nen toe wilt voegen;
Opdat ik U mijn rotssteen noem’,
En, delend in Uws volks genoegen,
Mij, met Uw erfdeel, blij beroem’.

 

Het werk van de Heilige Geest is volkomen in het sterven, volkomen in de opstanding en in de derde plaats:

 

3. Het werk van de Heilige Geest is volkomen in de heerlijkheid van het eeuwige leven

 

‘Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?’

Gemeente, we gaan verder met de Heilige Geest en de volkomenheid van Zijn werk. Zijn werk is in het eeuwige leven pas helemaal volkomen.

Nu vindt u in het antwoord het ‘nademaal ik nu’ en het ‘straks’. Het gaat dus eerst om ‘het hier en het nu’ en dan ‘het straks en het hiernamaals’. Twee dingen dus. Het is een vergelijking: ‘Zoals ik hier, zo zal ik daar…’

Luister maar:

‘Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog heeft gezien, die geen oor heeft gehoord, noch in eens mensen hart is opgeklommen, en dat om God daarin eeuwiglijk te loven en te prijzen.’

 

Dus eerst hier de beginselen van de eeuwige vreugde. Want, gemeente, door een wereld die van God niet afweet, wordt van de godsdienst gezegd dat het ‘een wissel is op de toekomst’. U kent die verhalen wel: ‘Er is nog nooit iemand teruggekomen.’ Maar er is wel Iemand teruggekomen, alleen daar geloven ze niet in: de Heere Jezus. Hij Die in de schoot des Vaders was, Die ons heeft verklaard wat er straks zijn zal.

De beginselen van de eeuwige vreugde worden hier in het hart gesmaakt. Dat is niet iets waarvan u zegt: ‘Nou ja, die kerk en die belijdenis en die Bijbel…’ In de kinderen van God zijn er beginselen van de eeuwige vreugde. U moet daarvoor een levend geloof ontvangen. Daar hebt u dus de werkingen van de Heilige Geest voor nodig.

Dus de hemelse vreugde nu in deze tijd in uw hart, daar heeft de catechismus het over. ‘Gij hebt mij in het hart meer vreugde gegeven dan anderen in een tijd van koren en most hebben gesmaakt.’ Meer vreugde!

 

Wat zijn die ‘beginselen der eeuwige vreugde’? Nou, gemeente, dat is dit: wanneer u als een verloren mens - want dat hoort erbij - als een zondaar of zondares komt tot het Woord van God en God de Heilige Geest gaat u vanuit dat Woord de weg der zaligheid in de Heere Jezus openbaren, dan heeft u beginselen van de zaligheid, beginselen van de eeuwige vreugde in uw hart.

Die vergeet u nooit meer. Dat zijn dagen, dat zijn uren, die u nooit meer vergeet. Die blijven in uw hart ingedrukt. Dat zijn de beginselen van de eeuwige vreugde in uw ziel. Dan is het alsof u op een andere wereld leeft, alsof u ook een andere Bijbel hebt, alsof God naast u is, alsof de Heere Jezus naast u staat.

 

Beginselen van de eeuwige vreugde…

Wat dacht u, als u door het geloof Christus ingelijfd, de vrede smaken mag in uw ziel, als het ‘Vrede zij ulieden’ vanaf de hemel neerdaalt in een mensenhart, dan zijn dat beginselen van de eeuwige vreugde in uw ziel. Zo wonderlijk groot, dat geen mensentong ooit zal kunnen uitzeggen wat dat is.

De vrede met God is een vrede met de wereld, een vrede met het leven, een vrede met de dood, een vrede met alle mensen. Dat zijn de beginselen van de eeuwige vreugde in uw ziel. Dat zult u nooit vergeten, waar dat gebeurt en wanneer dat plaatsvindt.

 

Gij hebt m’ in ‘t hart meer vreugd’ gegeven,

Dan anderen smaken, in een tijd,

Als zij, door aards geluk verheven,

Bij koorn en most wellustig leven,

In hunnen overvloed verblijd.

 

Nee, die vreugde gaat dat alles te boven. Dat is een hemelse vreugde. Een vreugde om te mogen zeggen: ‘Mijn Heere en mijn God!’ Een beginsel van de eeuwige vreugde, om te mogen weten dat in Christus de Vader geen zonde meer aanziet in Zijn Jakob en geen overtreding meer in Zijn Israël vindt.

Beginselen van de eeuwige vreugde…

Die zijn zo groot, die zijn zo zoet, die zijn zo heerlijk, dat een mensentong het niet vertellen kan. Maar als dat hier dan al zo is, hoe groot moet het dan zijn als straks die heerlijkheid komt, waarvan onze catechismus zegt ‘dat ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal’?

 

Volkomen zaligheid!

Gemeente, ‘zaligheid’ wil zeggen: vol zijn van God. Dat is hier altijd maar ten dele, maar straks is er een volkomen zaligheid.

Hoe zal dat dan zijn als straks de heerlijkheid, de eeuwige heerlijkheid zal worden beërfd? Daar zegt onze catechismus van, met een woord van de apostel uit de Korinthebrief: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben (1 Kor.2:9).

Dat zal zo groot zijn!

Dat gaat al onze voorstellingen hier ver te boven.

Dat komt ook niet uit de mens op. Dat komt niet uit onze gedachten op.

Dat is in deze wereld niet te horen en te zien.

Dat is zo groot en heerlijk, dat het niet te zeggen is in menselijke begrippen.

Dat gaat onze maatstaven ver te boven.

Dat is een volkomen zaligheid, die onvoorstelbaar groot is.

 

Toch heeft de Heere in Zijn goedheid op menselijke wijze ons er iets van gezegd in de Bijbel. Als je de Openbaring van Johannes leest, leest u daar van de Godsstad, van dat nieuwe Jeruzalem dat boven is. Daar leest u van allerlei schone en heerlijke dingen.

 

Daar zal geen dood zijn. Daar moet u eens over nadenken. Daar komt een mens nooit over uitgedacht, wat dat zijn zal. Daar zal geen dood zijn. Daar zal geen rouw zijn. Want nú is de dood als een vijand die op elke hoek op de loer ligt. Die grijnst ons op allerlei wijzen aan en die kan ons benauwen op allerlei manieren. Maar aldaar zal geen dood zijn, aldaar zal geen rouw zijn.

Daar zal het licht van de zon ook niet nodig zijn. God, de Heere, zal hen verlichten en het Lam zal hun lamp zijn. Hij zal hun kaars zijn. Zij zullen in het licht van Gods aangezicht wandelen.

Daar zal geen vijand meer zijn. De poorten van die stad zullen dag en nacht openstaan. Dat wil zeggen: daar zal geen vijand meer komen om die stad binnen te dringen en om de kinderen van God te benauwen.

De volkomenheid van de zaligheid gaat onze gedachten ver te boven.

 

Zo groot en zo heerlijk is de zaligheid voor de kinderen van God. Ze krijgen die niet om het daar altijd goed te hebben en om zich daar altijd te kunnen vermaken in zichzelf of met anderen, nee, maar om God daarin eeuwiglijk te loven en te prijzen. Dus waar het om gaat, is de eer van God. Waar het om gaat, is de lofprijzing en de lofzegging van God. U vindt dat het hele boek Openbaring door. De vierentwintig ouderlingen en de vier dieren en de engelen die daar zijn en de gezaligden voor de troon, ze bukken zich allemaal neer en ze hebben allemaal aangebeden voor de troon en ze hebben allemaal de lof toegebracht aan God en aan het Lam.

Ze hebben Hem geprezen en gezegd:

‘Gij zijt waardig om te ontvangen de lof, de eer, de aanbidding en de dankzegging tot in der eeuwigheid!’

‘En dat om God daarin eeuwiglijk te prijzen.’

 

Gemeente, er staat:

‘Nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel…’

Hebt u er wel eens over gedacht dat dit antwoord omkeerbaar is? Zo:

‘Dat, nademaal ik nu de ellende van dit leven in mijn hart gevoel…’

Dat is ook waar! En als je dan zonder Christus en zonder God moet sterven,

‘ik na dit leven een volkomen rampzaligheid bezitten zal, die geen oog gezien en die geen oor heeft gehoord en die in het hart van een mens ook niet opklimt, en dat om God daarin eeuwiglijk te vloeken.’

Dat is ook waar! Dat is ook een werkelijkheid waarover de Bijbel schrijft. De heerlijkheid van de kinderen van God is zo groot dat het niet in woorden is uit te drukken. Maar ook de rampzaligheid is zo groot dat het met woorden niet te zeggen is en dat het met mensenwoorden niet is aan te duiden. Maar het is wel een werkelijkheid.

 

Gemeente, waar reizen wij naar toe? Want een mens, u en ik, of we jong zijn of oud, wij gaan naar ons eeuwig huis. Het gaat erom: waar reizen we nu naar toe? Reizen we naar de eeuwige gelukzaligheid, die zo groot is dat die onvoorstelbaar is? Of reizen we naar de eeuwige rampzaligheid, die zo diep en wijd is dat er geen woorden voor te vinden zijn om die te omschrijven? Waar reizen wij naar toe? Wat gevoelen wij in ons hart: de beginselen van de eeuwige vreugde, of de beginselen van de eeuwige smart?

Eén van de twee hoor! Er zijn geen drie wegen. Er is maar één smalle en één brede weg. Die ene leidt ten leven en die andere ten verderve. U kunt maar op één van die twee wegen wandelen.

 

Houd u zich dan daarvan overtuigd, dat die brede weg niet in het eeuwige leven uitkomt. Het is een weg met allerlei verschillende mogelijkheden hoor! Je kunt er ter rechterzijde wandelen, dichtbij de smalle weg, laten we maar zeggen. Heel dichtbij, het lijkt er wat op. Maar hij komt niet uit in het eeuwige leven. We kunnen ernstig leven en we kunnen dit niet doen en dat niet doen, en we kunnen een prachtig leven opbouwen met allerlei geboden en verboden, en straks voor eeuwig verloren gaan…

 

We worden maar door Eén zalig. En dat is niet door het werk van u of van mij, want met mij wordt het nooit wat en met u ook niet. Dat zegt de Bijbel. Maar je wordt alleen maar zalig door het werk van Christus, want Hij heeft gezegd: Het is volbracht (Joh.19:30).

Gemeente, als u bij Hem terechtkomt, dan kent u iets van die beginselen van de eeuwige vreugde. Dan gaat het niet meer over wat u doet en niet doet, en wat u niet hebt en wel hebt, en waar u wel aan meedoet en waar u niet aan meedoet.

Maar dan gaat het om één ding:

Opdat ik Hem kenne, en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, Zijn dood gelijkvormig wordende; of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden (Fil.3:10-11).

Dan gaat het om Hem en Hem alleen. Dan heb ik die vreugde, die beginselen van de eeuwige vreugde.

 

In de geloofsontmoeting met God en Christus zijn die beginselen van de eeuwige vreugde in het hart. Die geven het leven zoetheid, die geven het leven kracht, die geven het leven sterkte.

Als je die in het leven mag ervaren, mag je weten dat ‘nademaal ik nu in mijn hart die beginselen der eeuwige vreugde gevoel, ik straks een volkomen zaligheid ontvangen zal, die niemand gezien, gehoord of bedacht heeft, maar die door God geschonken wordt.’

 

Augustinus zegt: De Kerk gaat twee dingen zeggen. Ze gaan ‘amen’ zeggen en ‘halleluja’.

Ze gaan ‘amen’ zeggen op het volbrachte werk van God drie-enig, ‘amen’ op het werk van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest.

En ze zeggen ‘halleluja’ op de heerlijkheid van de Vader en de heerlijkheid van de Zoon en de heerlijkheid van de Heilige Geest. Ze zeggen heerlijkheid aan God drie-enig toe, eeuwig en altoos.

‘Amen’ en ‘halleluja’, dat zal het einde van de Kerk in de hemel zijn, vanwege de genade van God.

 

Het gaat dus hier om: hebt u de beginselen van de eeuwige vreugde in uw hart ervaren, in de geloofsontmoeting met de Heere Jezus Christus, een vreugde, zo groot, dat die onpeilbaar is, dat die wonderlijk is?

De engel zei het al: Ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal, namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus, de Heere, in de stad Davids (Luk.2:10-11).

 

En die Christus is vandaag nog te vinden!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 138:4

 

Als ik, omringd door tegenspoed,
Bezwijken moet,
Schenkt Gij mij leven;
Is ‘t, dat mijns vijands gramschap brandt,
Uw rechterhand
Zal redding geven.
De Heer’ is zo getrouw als sterk;
Hij zal Zijn werk
Voor mij volenden;
Verlaat niet wat Uw hand begon,
O Levensbron,
Wil bijstand zenden.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).