Ds. J. IJsselstein - Numeri 20 : 23 - 28

Het sterven van de hogepriester Aäron

Numeri 20
De reden waarom Aäron sterven moet
De manier waarop Aäron sterven gaat
De rust waarmee Aäron sterven kan

Numeri 20 : 23 - 28

Numeri 20
23
De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
24
Aaron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israels gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.
25
Neem Aaron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.
26
En trek Aaron zijn klederen uit, en trek ze Eleazar, zijn zoon, aan; want Aaron zal verzameld worden, en daar sterven.
27
Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.
28
En Mozes trok Aaron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aaron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Lezen : Numeri 20: 1-13 en 22-29
Zingen : vrij in te vullen

Het is doodstil... Jongens en meisjes, als ik voorzichtig om me heen kijk… wat is het toch een prachtige tuin! Die kleurige bloemen, dat frisse groene gras, al die mooie bomen en struiken... Vooral die twee bomen, daar, middenin de tuin...

Maar wat is het stil... Het lijkt wel alsof alle dieren hun adem inhouden. En waar zijn...? Waar zijn...?

Hoor! In de koelte van de namiddag hoor ik ineens de bladeren ruisen, de bladeren van de struiken en de bomen.

Plotseling klinkt er een stem: Waar bent u? Waarom heb je jezelf verstopt?

Ja, ik heb... ik heb gegeten, van die ene boom, daar... Ik heb gezondigd...

Je moet je schamen!

Ja, dat doe ik ook. Want toen ik van die boom gegeten had, toen ineens voelde ik: ik ben naakt, ik heb geen kleren aan, en mijn vrouw heeft ook geen kleren aan... Toen we dat zagen, hebben we ons verstopt. Daarom waren we weg. Daarom was het zo stil...

 

Korte tijd later viel de eerste druppel bloed op de aarde. De bladeren die ze aan elkaar geplakt hadden, waar zij schorten - kleren - van gemaakt hadden, die waren niet goed genoeg. Die kleding hadden zij zelf gemaakt.

Maar God gaf rokken van vellen. Dat wil zeggen: er moest een dier gedood worden. Het eerste offer was gebracht.

Jongens en meisjes, wie was die man, die zich zo verstopte achter de struiken?

 

Nu is het niet doodstil. Het is een rumoer van jewelste. Iedereen schreeuwt door elkaar!

Kruis Hem! Wie...? Die Man, daar! Met die doornenkroon...!

Kijk eens: ze rukken Zijn kleding van Zijn lijf. Die is voor ons!

Naakt hangt Hij aan kruis. Terwijl Zijn bloed op de aarde drupt...

Het laatste, het volkomen, het volmaakte offer.

 

Jongens en meisjes, wie zijn die twee mannen? Die ene, weggekropen achter de struiken, Die Andere, hangend aan het kruis?

Wil je, jongens en meisjes, onder de preek steeds aan die twee mannen blijven denken?

Terwijl we ondertussen gaan nadenken over een derde man, over Aäron.

 

We overdenken met elkaar de dood, het sterven van de hogepriester Aäron. De tekst kunt u vinden in Numeri 20, de verzen 23 tot en met 28. We lezen alleen vers 28a:

 

En Mozes trok Aäron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aäron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs.

Het thema voor de preek is: Het sterven van de hogepriester Aäron.

 

Er zijn drie aandachtspunten. Je hoeft ze, jongens en meisjes, niet perse te onthouden, als je maar wel goed probeert te luisteren naar de preek.

 

Drie aandachtspunten dus, bij het thema: Het sterven van de hogepriester Aäron.

1. De reden waarom Aäron sterven moet (vers 23 en 24)

2. De manier waarop Aäron sterven gaat (vers 25, 26 en 27)

3. De rust waarmee Aäron sterven kan (vers 28)

 

1. De reden waarom Aäron sterven moet

 

Het is inmiddels veertig jaar geleden dat het volk Israël uit Egypte is gegaan. Ze hebben eerder gestaan aan de grens van het land Kanaän. In Numeri 14 lezen we hoe de Israëlieten het verslag van Jozua en Kaleb niet hebben geloofd. Ze hebben geluisterd naar de andere tien verspieders, die niet geloofden dat God bij machte zou zijn om het volk in het land Kanaän te brengen, een land vloeiende van melk en honing.

Meer dan 38 jaar hebben ze nu rondgezworven in de woestijn. De meesten die destijds twintig jaar of ouder waren, zijn inmiddels gestorven.

Nu lijkt dan toch het moment aangebroken, dat het volk Israël het land Kanaän mag binnengaan.

 

Ze zullen wel veel geleerd hebben in al die jaren, denk je niet, jongens en meisjes?

Kort geleden is Mirjam gestorven. Het is u voorgelezen. De reis gaat weer verder. Maar er komt tegenslag! Er is geen water. Droogte en dorst, middenin de zinderende hitte van de woestijn Zin. Een brandende zon, een droge mond en geen water.

Toen… zo staat er in vers 2 en 3, leest u maar mee in uw Bijbeltje:

Toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aäron. En het volk twistte met Mozes,

en zij spraken, zeggende: Och, of wij de geest gegeven hadden, toen onze broeders voor het aangezicht des Heeren de geest gaven!

Waren wij ook maar gestorven in de woestijn.

Hebben ze dan helemaal niets geleerd van het verleden?

Wat moet dat Mozes en Aäron diep geraakt hebben. Nu, op de grens van het beloofde land, en dan weer diezelfde reactie als in al die jaren.

Ze vallen op hun aangezichten voor de Heere. En dan verschijnt de heerlijkheid des Heeren.

En de Heere antwoordt hun, leest u maar mee in vers 8:

Neem die staf, en verzamel de vergadering, gij en Aäron, uw broeder, en spreekt gijlieden tot de steenrots voor hun ogen, zo zal zij hun water geven; alzo zult gij hun water voortbrengen uit de steenrots, en gij zult de vergadering en haar beesten drenken (dat wil zeggen: te drinken geven).

 

En dan, jongens en meisjes, dan gaat het fout. Dan gaat het helemaal fout!

Mozes en Aäron verzamelen het volk voor de steenrots.

Aäron staat erbij, hij zegt niets, hij kijkt toe. Mozes neemt het woord. Maar Aäron houdt hem ook niet tegen!

En dan zegt Mozes, leest u maar in vers 10, en u hoort de bitterheid in zijn stem:

Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?

Toen hief Mozes zijn hand op, en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijn staf; en er kwam veel waters uit, zodat de vergadering dronk, en haar beesten.

Vers 11: Derhalve (daarom) zeide de Heere tot Mozes en tot Aäron: Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligdet voor de ogen der kinderen van Israël, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in het land, hetwelk Ik hun gegeven heb.

Omdat u, Mozes en Aäron, Mij niet geloofd hebt, daarom zult u het volk Israël niet in Kanaän mogen brengen.

Wat? Niet in Kanaän brengen?

Wat erg! Veertig lange jaren hebben ze het volk bestuurd. Het was bijna niet te besturen. En nu eindelijk weer aan de grens van het beloofde land, en nu zegt de Heere: U zult Kanaän niet binnengaan.

 

Waarom, jongens en meisjes, is de Heere zo streng tegen Zijn kinderen, tegen Mozes en tegen Aäron? Misschien denk je bij jezelf, en ik kan dat wel begrijpen: Is het niet een beetje erg overdreven? Is het niet gewoon oneerlijk van de Heere? Slaan op de rots in plaats van spreken, in plaats van iets zeggen... en dan Kanaän niet in mogen gaan...?

Is Heere niet te hard tegen Zijn kinderen? Tegen Mozes, tegen Aäron...?

We zouden ook kunnen vragen: Waarom is de zonde van Aäron en Mozes nu zo groot, dat de Heere hen zo streng straft?

Was het de bitterheid, de drift van Mozes? Waren het zijn ondoordachte woorden? Toen hij zei: Moeten wij (Goed lezen! Niet: moet God, maar: moeten wij), moeten wij water voor U uit rots tevoorschijn halen?

Was het omdat het een openbare zonde was voor de ogen van heel het volk?

 

Zeker, dat is allemaal waar, maar wat was toch de kern van de zonde van Aäron, die erbij stond? Hij stond erbij, hij keek ernaar...

Twee dingen. De Heere noemt ze Zelf:

Omdat gijlieden Mij niet geloofd hebt, dat gij Mij heiligde voor de ogen der kinderen van Israël.

Twee dingen. Omdat u Mij niet geloofd hebt. Dat is het eerste. Aäron heeft God niet geloofd, hij heeft God niet betrouwbaar geacht. Hij heeft hetzelfde gedaan als het volk destijds, toen het niet geloofde dat God bij machte was om hen in het land Kanaän te brengen.

En het tweede is: U hebt Mij niet geheiligd. Dat wil zeggen: U hebt Mij niet de plaats gegeven die Ik heb in onderscheid met alle andere goden van deze wereld. Namelijk, dat Ik niet alleen rechtvaardig toorn, boos ben over de zonde, en de zonde straf, maar... dat Ik ook (zelfs voor dit volk!) barmhartig, genadig en goed wil zijn, zelfs nu ze voor de zoveelste keer weer in opstand zijn geraakt.

 

Als God Aäron aan het einde van zijn leven laat terugkijken, dan zegt God in vers 24:

U bent Mijn mond wederspannig geweest aan de wateren van Meriba.

Letterlijk staat er: rebellie, opstand.

 

Opstand, rebellie. Dat was de zonde van die man, die wegkroop achter de struiken. Wie was dat, jongens en meisjes? Dat was... Adam.

Hij had God niet geloofd, niet de plaats gegeven die Hij waard was: de volmaakte, de heilige, de rechtvaardige God. Hij wilde als God zijn!

Hij wilde niet buigen, maar staan. Hij wilde niet bukken, maar opstaan tegen God.

Zucht u wel eens, ouderen, onder de schuld van Adam? Zegt u wel eens in uw hart: Heere, dat is ook mijn schuld?

Zucht u wel eens, gemeente, onder uw opstand, uw rebellie tegen God? Heere, ik heb gezondigd? O, wee mij, dat ik zo gezondigd heb...?

Om onze zonden moeten wij allen sterven. Om zijn zonde moet Aäron sterven.

Rechtvaardig. Hij weet het, hij voelt het, en hij stemt toe. Hij sputtert niet tegen. Hij zwijgt...

 

Daar ziet u, gemeente, iets van het werk van Gods genade in het leven van Aäron. Zonde begon met opstaan. Genade begint met buigen.

Niet met loven, met prijzen, met roemen in de naam van Jezus. Maar met schuld, met schaamte… En we buigen… we breken... we zwijgen...

In dat zwijgen van Aäron proeven we iets van de erkenning: Het is waar, Heere, ik heb gezondigd, ik ben Uw gramschap dubbel waardig. Ik heb Uw naam gelasterd, ik heb Uw woorden niet geloofd, en dat voor de oren en de ogen van heel het volk.

Kent u, gemeente, dat buigen, dat bukken, dat zwijgen?

Van erkenning...? Van schaamte...? Van schuld...?

 

Wat blijkt hieruit ondertussen ook de onvolmaaktheid van deze hogepriester. De Hebreeënbrief zegt:

Want de wet stelt tot hogepriesters mensen (ménsen, zoals Ezechiël zegt: mensenkinderen, Adamskinderen), die zwakheid hebben. Dien het nodig was eerst voor zijn eigen zonden te offeren, daarna voor de zonden des volks.

Wat was deze Aäron toch onvolmaakt!

Wat was het een wonder van eenzijdige genade dat God de dienst van de verzoening had ingesteld. Dat mensen als Aäron (een kind van Adam) een plaats kregen in de dienst van de verzoening, in de dienst van het bloed.

Wat was het een wonder van eenzijdige genade dat God de mens, die mens die wegkroop voor God, dat God Adam niet liet gaan, niet wegdeed van voor Zijn aangezicht, maar verzoening vond. Verzoening, die eeuwenlang werd afgebeeld in al die offers, in het bijzonder op die ene dag... de dag waarop de hogepriester zijn kleurrijke gewaad aflegde en in een eenvoudig priesterkleed inging in het binnenste heiligdom. Daar waar het bloed gesprengd werd voor het aangezicht van de Heilige Israëls. Daar waar de geur en de kleur van het bloed zich als het ware vermengde met de stem van de Almachtige: Als Ik bloed zie (niet: als u bloed ziet, maar als Ik het bloed zie) dan zal Ik U voorbijgaan...

 

Maar wat was deze man, die het bloed sprengde, wat was deze Aäron onvolmaakt. Alles wachtte op, alles wees heen naar de Man, naar de Volmaakte, naar de Christus Die komen zou. Een Priester, niet uit de stam van Levi, maar uit de stam van Juda, een Priester in der eeuwigheid, naar de ordening van Melchizédek. Van een zoveel beter verbond is Hij Borg geworden.

Heel de oudtestamentische priesterdienst wees heen naar de vrijwillige liefde van Christus, Die komen zou.

Wees terug naar de stille eeuwigheid, toen Hij zei: Zie, Ik kom, om Uw welbehagen te doen.

Wees heen naar de dag van Zijn geboorte, naar de kribbe, naar de dag van Zijn sterven, naar het kruis.

 

Wat was deze Aäron toch onvolmaakt. Maar wat was de Heere tegelijkertijd toch genadig en goed voor Zijn kind en knecht Aäron. Wat een wonder van eenzijdige genade ook, dat God deze mens, Aäron, niet wegvaagde. Dat hij niet verzwolgen, opgeslokt werd door de aarde, zoals destijds Korach, Dathan, Abiram en On opgeslokt werden door de aarde.

Korach, ook iemand uit de stam van Levi. Een valse drager van het bloed. O, wat een waarschuwing aan het adres van ons, dienaars van het evangelie.

God spaart Aäron, uit genade. Hij doet ons niet naar onze zonde, Hij vergeldt ons niet naar onze misdaden.

Aäron moet wel sterven, maar niet als een misdadiger, niet zoals Korach.

Hij zal, zo zegt de Heere - en wat klinkt dat vol van liefde en zorg - hij zal verzameld worden tot zijn volken.

 

2. De manier waarop Aäron sterven gaat

 

Aäron, Mozes en Eleazar (de zoon van Aäron), drie mannen. Ze klimmen omhoog, de berg op, de berg Hor.

Kijk, het volk kijkt toe. Daar gaan ze, drie mannen... Mozes, Aäron en Eleazar.

Aäron weet wat hem te wachten staat. Dit wordt zijn laatste tocht... Een enkele reis... Hij moet voor God verschijnen.

Wat een stil getuigenis gaat er toch uit van die man... De rust waarmee hij gaat, wetend dat hij sterven moet... Wat zouden jullie doen, jongens en meisjes? Ik zou misschien wel wegrennen: Nee! Nee, ik wil nu nog niet sterven!

Maar kijk eens hoe rustig die man meeloopt. Dit is een man die weet dat hij sterven kan, dat hij kan heengaan in vrede.

 

Kom, jongens en meisjes, loop in gedachten even met me mee. De berg op. De Bijbel doet dat ook, neemt ons in gedachten mee, naar boven, de berg op.

Wat is toch het geheim van die derde man, die zo heel rustig de ontmoeting met God tegemoet durft te gaan? Wat geeft hem zoveel rust? Houd die vraag even in gedachten…

Wat geeft Aäron nu zoveel rust? Misschien zeg je: Dat hij zo lang hogepriester is geweest?

Zou het waar zijn? Ik weet het niet...

We zijn inmiddels boven op de berg aangekomen. Misschien wel een beetje buiten het gezichtsveld van het volk dat beneden wacht. Kijk, daar staat hij, de hogepriester Aäron...

Prachtig, vind je niet? Dat hogepriesterlijke kleed… Misschien heb je wel eens een tekening of schilderij gezien van die prachtige kleren van de hogepriester.

Eerst een witte, linnen rok. Die kon je niet zien, die zat onder zijn kleding. Net als jouw hemd, dat kan ook niemand zien. Maar dan daaroverheen die prachtige blauwe mantel, met aan de onderkant die mooie, klingelende belletjes...

En daaroverheen de efod, een soort hesje met een voor- en achterkant, aan elkaar gehecht met gouden gespen. En daarin zaten twaalf prachtige edelstenen, met daarop de namen van de twaalf stammen van Israël.

En daaroverheen aan de voorzijde de borstlap, versierd met twaalf gouden kastjes, waar ook weer twaalf edelstenen in zaten.

En op zijn hoofd die prachtige tulband, met die glinsterende gouden plaat, met daarop de letters geschreven, van rechts naar links: De heiligheid des Heeren.

Alles, alles in de kleding van de hogepriester wees heen naar de heerlijkheid van God, naar de heiligheid des Heeren, naar de trouw van Zijn verbond, naar de deugden van God.

 

En de mens daaronder was... een mens... een Adamskind...

Wat riep alles toch om een betere en blijvende Hogepriester, zoals de Hebreeënbrief zegt:

Heilig (dat wil zeggen: zonder zonde), onnozel (onschuldig), onbesmet (niet besmet met de zonde), afgescheiden van de zondaren, en hoger dan de hemelen geworden.

Daar staat hij, de hogepriester Aäron... Maar zo kan hij niet sterven…

Daarom heeft God tegen Mozes gezegd: Trek Aäron zijn klederen uit. Mozes moet al die mooie gewaden één voor één uittrekken. Het woord dat in de Hebreeuwse gebruikt wordt, heeft iets heel onaangenaams: iemand zijn kleding afnemen zonder toestemming.

Jongens en meisjes, daar moet je toch niet aan denken! Dat iemand anders jouw kleding afneemt. Dat iemand jou gaat uitkleden! Dan zeg je: Nee, dat wil ik niet, dat vind ik naar!

Zoals de broers van Jozef zijn veelvervige rok hebben afgepakt...

Zoals de krijgsknechten de kleding van de Heere Jezus hebben afgenomen en verdeeld...

Hij kwam in de wereld als een Kind. Hij werd gewonden in doeken. Hij droeg de schande van onze naaktheid. Maar straks op Golgotha worden die doeken van Zijn lijf gerukt, en draagt Hij opnieuw en veel intenser de schande van Zijn bruid.

Aäron kan niet voor God verschijnen als hogepriester. Hij moet als mens voor God verschijnen. Als kind van Adam... Zonder al die mooie gewaden... Naakt... Zoals hij is...

Mens... zondaar...

 

Gemeente, de dood ontkleedt ons. De dood kleedt ons uit. We moeten voor God verschijnen zoals we zijn. Als mens, als zondaar...

U zult ook niemand mee kunnen nemen. Als u sterven moet, kunt u uw vrouw, uw man niet meenemen. Ouders, u zult, als u voor God verschijnen moet, uw godvrezende kind niet kunnen meenemen. Uw ambtsdragers niet... U zult alleen voor God staan... Zoals u bent...

Voor we sterven gaan zullen ook wij, broeders van de kerkenraad, al onze waardigheid moeten afleggen. Dit zwarte pak gaat uit. Hier waren we misschien geacht om onze woorden, om ons optreden, om ons ambt, maar daar zullen we zonder dat alles voor God moeten verschijnen... Zoals we zijn...!

 

Mozes doet wat God hem opgedragen heeft. Eén voor één neemt hij Aäron zijn kledingstukken af. Ongevraagd... Geef maar hier, Aäron...

Aäron heeft gezwegen toen God hem de straf aanzegde, en... Aäron zwijgt opnieuw!

En in dat zwijgen wijst hij opnieuw heen naar de komende Christus. Ruw werd Zijn kleding Hem ontnomen. Zijn rok - zonder naad - werd verdobbeld door de soldaten. Ze hebben, zegt de psalmdichter, Mijn klederen onder zich verdeeld, over Mijn kleding hebben zij het lot geworpen.

Alles wijst heen, alles wijst vooruit!

 

Maar er was één groot verschil. Aärons kleed was besmet met zonde. Maar het kleed van Christus was, ondanks allerlei verzoeking, nooit besmet geraakt. Hij kon met recht zeggen: Wie overtuigt Mij van zonde?

Hij was onschuldig, en toch werd Hij ter dood gebracht. Ook Hij moest voor God verschijnen. Maar zo heel anders. Niet vanwege Zijn eigen zonden, maar Hij droeg vrijwillig de zonden van Zijn bruid.

Hij was ook meer dan Hogepriester alleen. Christus heeft Zichzelf geofferd. Hij was Hogepriester en Offerlam tegelijk. Een volkomen Hogepriester! Een volmaakt Offer! Zonder gebrek, zonder zonde.

Voor Hem was het niet alle dag nodig (...), gelijk de hogepriesters, eerst voor zijn eigen zonden slachtofferen op te offeren, daarna voor de zonden des volks; want dat heeft Hij eenmaal gedaan, als Hij Zichzelven opgeofferd heeft.

Hij liet Zich gewillig ontkleden. Eén voor één namen de krijgsknechten Zijn kledingstukken af. Nee, ik moet het anders zeggen. Eén voor één nam de Vader Hem alles af. Zijn liefste Kind, Zijn eniggeboren Zoon. En Hij deed het voor...? Voor vijanden!

Naakt liet God Hem hangen aan het kruis.

Voor wie? Voor wat voor een soort van mensen?

Voor vijanden, voor weglopers, voor verbondsbrekers.

Zie hier toch Christus, in Zijn kostbaarheid. In de kostbaarheid van Zijn schande!

Voor wie? Voor wat voor een soort van mensen?

Voor opstandelingen, voor rebellen, als...? Ja, als Adam.

Gemeente, voor wie krijgt deze Christus werkelijk waarde? Wie ziet schoonheid in een Borg Die naakt hangt aan het kruis?

Wilt u ondertussen in gedachten eens nadenken over die vraag?

 

Wat doet Mozes? Eén voor één neemt hij alles af, kleed na kleed.

Dat is het werk van Mozes. En Mozes is de vertegenwoordiger van de wet.

Dat is het werk van de wet, ook, juist ook in het leven van opnieuw geboren mensen.

Mozes neemt alles af... De wet neemt alles af...

En die wet, zegt een van de bekende dominees Erskine, die wet is als een naald, die aan de draad van het evangelie voorafgaat. Dus het evangelie is de draad, maar die draad wordt getrokken door een naald. Door een scherpe naald. En... die naald doet pijn!

De wet, dat is de naald. De wet wijst de zonde aan in het leven! De wet schijnt dwars door de buitenkant heen! Zoals het licht van de Alwetende dwars door de vijgenboombladeren van Adam heen scheen in het paradijs, zo schijnt de wet (in de handen van Gods Geest) dwars door de buitenkant van ons bestaan heen, tot in het diepst van ons hart, tot in het diepst van ons Adamshart...

 

Jongens en meisjes, je moet even luisteren naar een voorbeeld. Misschien vind je het wel een beetje een raar voorbeeld, maar dat geeft niet. Een voorbeeld om uit te leggen wat de wet precies doet. Je moet even denken aan een mesthoop. Misschien hebben jullie die achter in de tuin, en anders heb je er vast wel eens een keer één gezien of geroken.

Als het koud is, in de winter, en je loopt langs een mesthoop, dan ruik je niks. Je ziet hem wel, maar ruiken doe je hem niet.

Maar wat gebeurt er als de zon gaat schijnen, en je een schop pakt en laagje na laagje die mesthoop open maakt? Laagje na laagje leg je het binnenste van die mesthoop bloot...

Dan zeg je: Dat stinkt verschrikkelijk! Daar walg ik van!

Dat is nu, hoe raar je het voorbeeld misschien ook vindt, dat is nu het werk van Mozes, het werk van de wet in de handen van de Heilige Geest. Terwijl de zon gaat schijnen, haalt Mozes, haalt de wet, laagje na laagje weg... En wat blijft er uiteindelijk over...?

Adam... een mens die alleen maar zonde heeft... een mens die voor God niet kan bestaan... een mens die zegt: Ik heb een walging aan mezelf... ik stink voor God!

 

Aäron laat het toe. Hij laat zijn kleding afnemen door Mozes. Eén voor één.

Maar zo gewillig als Aäron zijn de meesten van Gods kinderen meestal niet. Aäron is door genade gewillig gemaakt.

Want wat kunnen Gods kinderen zich daartegen verzetten. Vechten! Vechten, tegen dat ontdekkende werk van Gods Geest. Wat heeft de Heere veel werk, heel veel werk om Zijn kinderen op die plaats te brengen waar ze uiteindelijk zeggen: Ja, Heere, het is waar. Ik ben een zondaar voor U. Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog.

Maar ondanks al hun verzet gaat de Heere toch door. Hij neemt ons alles af. Eén voor één, laag voor laag, kledingstuk voor kledingstuk...

En dan... dan dat laatste kleed... Dat is het moeilijkste. Dat doet het meest pijn.

 

Stel je voor, jongens en meisjes, je bent bij de dokter, en die zegt: Doe je trui maar uit, anders kan ik je niet onderzoeken. Je broek, je sokken, je hemd... Leuk is het niet, maar je doet het... En dan uiteindelijk zegt hij: Ja, doe dat - dat laatste - ook maar even uit...

Dan zeg je: Nee, dat wil ik niet! Als dat moet, dan loop ik echt weg!

En toch moet je daar een beetje aan denken als het gaat om het werk van God de Heilige Geest in het hart. Dat is wat God doet, net als een dokter. Maar Hij doet het niet om te plagen. De dokter heeft je gezondheid op het oog, de Heere je leven!

En, zegt de Heere, terwijl Hij kijkt in je hart (in liefde, hoor): Kijk, dat is zonde... en dat... en dat... Zie je het voor je: laagje voor laagje... En je zegt: Ja, Heere, het is waar, U hebt gelijk.

Maar dan... dat laatste laagje, dat laatste kleed... Als de Heere zegt: Je denkt wel, jongen of meisje, dat je zoveel goeds doet, dat je zoveel van Mij houdt... En dat is wel waar, maar daar zit ook zoveel zonde doorheen, dat is ook zo gemengd met zonde... Ook dat kleed is niet genoeg voor Mij, de heilige God. Je hebt het kleed van een Ander, van de Heere Jezus nodig. Dat kleed van jou neem Ik af. Wat doet dat veel verdriet. Dan zeg ik: Ach nee, Heere! Dat wil ik niet kwijt! Dat wil ik niet verliezen!

 

Ouderen, als God met Zijn vinger wijst naar het binnenste van uw hart en zegt: Uw vermeende goedheid, uw gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed... weg ermee! O, dan sta ik als een naakte zondaar voor God! En dat kan niet!

Wat wordt het dan nood in ons leven. Ik kan zonder God niet meer verder. Maar zo kan ik ook niet voor Hem bestaan. Zo kan ik niet verder...

Wat wordt het dan een wonder als het evangelie klinken mag. Als Christus Zich gaat openbaren in ons leven. Als blijkt dat die scherpe en pijnlijke naald van de wet, een draad trekt... De draad van het evangelie. De draad van de blijde boodschap dat Christus kwam om het verlorene te zoeken, om vijanden met God te verzoenen!

 

Dat brengt ons bij ons derde aandachtspunt:

 

3. De rust waarmee Aäron sterven kan

 

Wat is toch het geheim van de man die hier voor God verschijnen moet? Jongens en meisjes, je zou er ondertussen over nadenken: wat is toch het geheim van Aäron?

Het antwoord op die vraag staat in onze tekst. Lees nog maar een keer mee, in vers 28:

En Mozes trok Aäron zijn klederen uit (daar hebben we het zojuist over gehad),

En... (en dan komt het geheim) hij trok ze zijn zoon Eleazar aan.

Aäron sterft terwijl zijn ogen de nieuwe hogepriester zien.

 

Als God Zijn gericht gaat voltrekken in het leven van Aäron, dan moet hij alles afleggen wat geen geldigheid heeft voor God. Mozes, de vertegenwoordiger van de wet, neemt hem één voor één alles af wat de toets van de wet niet kan doorstaan. En ondertussen moet Aäron zich meer en meer beschuldigen. Als hij op zichzelf ziet, dan weet hij het: zo kan het niet, zo moet hij omkomen.

Maar wonder van eenzijdige genade! Diezelfde God Die hem alles ontnam, stelt op datzelfde ogenblik voor die stervende Aäron een nieuwe hogepriester. Kijk maar: een blauwe mantel, een efod, een borstlap, een tulband, een gouden plaat...

Aäron kon leven met zicht op het bloed van de offers. Aäron kan sterven met zicht op de hogepriester. Op de komende, op de grote Hogepriester. Zo kan hij zingen, met Simeon: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want... want? Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien. Letterlijk staat er in Lukas: ‘het reddende’, mijn ogen hebben het reddende Kind gezien!

 

Wat een beeld van het werk van Gods Geest in de harten van Zijn kinderen! Het is de Heilige Geest Die, terwijl we zien dat we voor God niet kunnen bestaan, onze ogen richt op de schoonheid van de Borg, op de grote Hogepriester.

Hoe kostbaar wordt Zijn bloedrode gewaad in onze ogen, als we zien dat Hij gestorven is voor vijanden.

Hoe kostbaar wordt Zijn gescheurde kleed in onze ogen, als we zien dat Hij gestorven is voor een naakte zondaar.

O, hoe kostbaar wordt in onze ogen Zijn verdobbelde rok, als we mogen zien en geloven dat die gegeven is (van harte, en met zoveel onuitsprekelijke zondaarsliefde) voor het wegwerpelijke kleed van mijn schijngerechtigheid!

 

Zie toch, armen, geestelijk naakte zondaren, van wie de wet één voor één alles afneemt of afgenomen heeft: hier is de Hogepriester. De Volmaakte, de Volkomene, de Blijvende.

En Hij heeft Zichzelf geofferd. Alles. Zijn kleding, Zijn leven, Zijn bloed. Alles! Voor zulken als u bent, die naakt staat voor God! Hij roept het u als het ware toe: Ik deed het voor u! Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.

Deze, omdat Hij in der eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk priesterschap.

Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

Deze Zaligmaker, Die gewikkeld werd in de doeken van onze schande, Die naakt en bloedend hing aan het kruis, deze Zaligmaker is zo geschikt... voor u: naakte en schuldige zondaar.

U bent nooit geschikt voor Hem. U zult het nooit worden ook. Al die klederen van u zijn waardeloos. U bent ongeschikt voor Jezus, maar Hij is zo geschikt voor u!

Kom, laat - terwijl de Geest u alles ontneemt - uw blik toch richten op Hem Die vandaag voor u staat: Zie, het naakte Lam Gods!

Met Hem kunt u leven, met Hem kunt u sterven. Zalig sterven...

 

O, wat een rust, wat een vrede, ook in de strijd met de laatste vijand, te mogen sterven met een blik op de Hogepriester.

Dan staat u - ik zei dat straks wel, maar dat was niet waar - dan staat u straks toch niet alleen voor God. Dan staat er Eén naast u. De grote Hogepriester. En Hij zal zeggen: Voor deze heb Ik verzoening aangebracht. Mijn bloed, voor de schuld van zijn rebellie. Mijn kleed, het kleed van Mijn gerechtigheid, over de schuld van haar opstand en ongerechtigheid.

Zo zullen zondaren, vijanden, verbondsbrekers, straks in gestikte klederen tot de Koning geleid worden. En ze zullen zingen... Wat zullen ze zingen? Het was door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen!

 

Jongens en meisjes, als je zo mag leven, zoals Aäron, met het zicht op de offers, met het zicht op het Offer, op de Heere Jezus Christus, dan ben je zo gelukkig!

Als je zo sterven mag, met het zicht op het Offer, op de Hogepriester, op de Heere Jezus, dan ben je zo gelukkig! Aäron was zo’n gelukkig mens!

Kom, heb je geen lust, heb je geen zin, om de Heere te vrezen? Het is zo goed om de Heere te dienen! Het maakt je zo nameloos gelukkig!

Niks hebben van jezelf... Je zegt: Dat klinkt niet fijn! Ja, dat begrijp ik, maar toch is het waar...

Alles kwijtraken van jezelf... Je zegt: Dat klinkt niet goed! Ja, dat begrijp ik, maar toch is het waar

Het is zo goed om de Heere te dienen. Ik dien Hem nu al zoveel jaren, maar ik heb er nog nooit één moment, echt nog nooit één seconde spijt van gehad! Want als je dan alles kwijt bent van jezelf, en je krijgt uit genade Christus, Zijn genade, Zijn vergeving, het kleed van Zijn gerechtigheid, dan heb je alles. Echt alles!

Maar als je Hem niet hebt... dan heb je niks!

 

Gemeente, ik wens u allen toe dat u mag leven zoals Aäron. Dat is echt leven! Leven, zoals door God gewild, leven tot Zijn eer.

Ik wens u allen toe dat u, vroeg of laat, mag sterven zoals Aäron stierf. Met zicht op de Hogepriester. Dan wordt sterven erven. Dan kunt u zingen: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid, het reddende, Uw reddende Kind gezien. En de ogen die Hem gezien hebben, zullen nooit meer terugzien.

Onze blijdschap zal dan onbepaald, door het licht dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen! In gestikte klederen zullen we tot de Koning geleid worden.

En we zullen zingen, voor altijd: En onze Koning is van Israëls God gegeven!

 

Amen.