Ds. C.J. Meeuse - Zondag 52

De zesde bede en het slot van het volmaakte gebed

Een gebed dat getuigt van grote nood
Een slot dat spreekt van vast vertrouwen

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Gebed des Heeren: 7, 8
Lezen : Jakobus 1
Zingen : Psalm 54: 1, 2, 3, 4
Zingen : Gebed des Heeren: 9, 10
Zingen : Psalm 72: 11

Wat is het grootste goed voor een van God afgevallen mens? Het grootste goed is dat God hem geeft wat Hij van hem eist. Dat is de wondere inhoud van het genadeverbond. God heeft het zo gewild en zo wordt het u ook altijd verkondigd.

Maar als u nu ervaart dat Hij geeft wat Hij eist, en als Hij u Christus geeft – Die gegeven is tot wijsheid van God, tot rechtvaardigheid, tot heiligmaking en tot een volkomen verlossing – dan geeft u toch alles? Kan het volmaakte gebed dan niet eindigen bij de vijfde bede: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’?

Waarom komt er toch nog een bede achteraan? Als God een arme zondaar schuldvergevende en hartvernieuwende genade geeft, dan is dat toch voldoende?

Jazeker… als de duivel dood zou zijn en wij al in de hemel!

Maar we zijn nog op aarde en de duivel is nog springlevend. Vandaar dat er nog een bede volgt die we nu met de hulp des Heeren gaan overdenken. Deze laatste bede van  het volmaakte gebed wordt nog gevolgd door een heerlijk slot. Zondag 52, de laatste van onze Heidelbergse Catechismus, gaat daarover. Daar wordt gevraagd:

 

               Vraag 127: Welke is de zesde bede?

Antwoord: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Dat is: dewijl wij van onszelf alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten, zo wil ons toch staande houden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen, totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden.

 

               Vraag 128: Hoe besluit gij uw gebed?

Antwoord: Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven de wil en het vermogen hebt, en dat alles opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwiglijk geprezen worde.

 

               Vraag 129: Wat beduidt het woordeken: Amen?

Antwoord: Amen wil zeggen: het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn hart gevoel dat ik zulks van Hem begeer.

 

Het thema van de preek is: De zesde bede en het slot van het volmaakte gebed.

 

Deze twee zaken vormen ook de punten waarbij we u willen bepalen, namelijk:

1. Een gebed dat getuigt van grote nood

2. Een slot dat spreekt van vast vertrouwen

 

Wij overdenken dus bij deze laatste zondagafdeling twee zaken: De zesde bede en het slot van het volmaakte gebed.

 

We letten in de eerste plaats op:

 

1. Een gebed dat getuigt van grote nood

 

Gemeente, de zesde bede houdt verband met de vijfde bede. Dit verband bestaat uit het grote goed dat God de Zijnen wil geven. David zingt daarvan in Psalm 31: Hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen (Ps.31:20).

Als Gods kind door de Heilige Geest bewerkt wordt, betoont de Heere geen karig God te zijn. Er ligt immers zo veel in Christus: alles voor een alles verbeurd hebbend zondaar.

Maar denk nu niet dat deze zondaar dat altijd zo storeloos geniet op aarde. Nee, hij is nog niet in de hemel.

Hij heeft zichzelf nog bij zich en de duivel is nog springlevend. Dat is de werkelijkheid achter deze bede, die Christus Zijn kinderen in de mond en in het hart legt. Hij wil die aangevochten zielen bemoedigen om in die grote nood toch tot Hem te vluchten. Dat mag, zegt Christus, nee, dat moet je doen! Onder de aanslagen van de boze moet je niet wegzinken, niet moedeloos je als een prooi overgeven, maar veeleer de toevlucht nemen tot Eén, Die helpen kan en wil.

 

Satans rijk gaat niet naar de overwinning. Wij mogen ons aan zijn heerschappij, die door de zonde in deze wereld is gevestigd, nooit gewonnen geven. We moeten in Gods kracht de strijd tegen de boze voeren. Dat wordt in dit gebed verwoord als de Heere laat bidden: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’

Enerzijds is het een oproep: die strijd moet gestreden worden! Anderzijds is er het diepe besef dat ik dit niet kan; het lukt mij niet. Dan moet ik me dus niet gewonnen geven, maar vluchten tot de Heere.

Het is het gebed van een zwakke. Dat wil niemand graag zijn. Je wilt sterk zijn in het geloof, groeien in het geloof, verzekerd zijn in het geloof. Wie wil er immers een zwakkeling zijn? Niemand toch? Nee, maar je bent het toch! Als je tenminste een waar gelovige bent. Dan ben je zwak, of je wilt of niet.

Je moet je niet inbeelden dat je ook maar iets kunt. Dat is hoogmoed en ijdele trots. De Heere Jezus heeft eens deze woorden gesproken: Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15:5). Wee degene die dit niet verstaat. Gods kinderen leren dit in hun geloofsoefeningen.

 

Misschien past u deze woorden ook wel toe op uw lichaam en dat is ook goed, want we dragen de adem in de neusgaten. Als God mijn hart niet laat slaan, dan zak ik hier op de kansel in elkaar. Hij laat mijn bloed nog stromen en houdt mijn leven in stand. Als Hij Zijn hand inhoudt, zijn we er niet meer. We hebben dat geen moment zelf in de hand.

Besef het toch! In iedere stap zijn we afhankelijk.

Maar dat geldt niet alleen voor ons lichaam. Als we door wedergeboorte geestelijk leven kennen – leven uit God – dan geldt het daarvoor ook.

Daarom zegt de onderwijzer in het antwoord op vraag 127: ‘Dewijl wij van onszelf alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan.’

Wij zijn van onszelf zo zwak! Maar dat is wel iets wat God je moet leren, anders geloof je het niet. Want jezelf verootmoedigen – we worden er vaak toe opgewekt – doe je zo gemakkelijk niet. De Heere doet dit wel met Zijn kinderen. Christus, die lieve Zaligmaker, heeft heel veel middelen om hen te leren dat ze zwak zijn en van zichzelf niets vermogen.

 

Ja maar, zegt u, er zijn toch ook wel grote gelovigen?

Wat zijn grote gelovigen? Die hoofdman in Kapernaüm was een groot gelovige. Die Syro-Fenicische vrouw was een groot gelovige. Ze voelden zich te onwaardig dat de Heere tot hen kwam en hadden een diep besef van hun onwaardigheid en afhankelijkheid. Dat siert de grootste gelovige. Dat is nu een groot geloof.

Nee, dat is geen zelfvertrouwen; dat is niet hoog boven anderen staan met je grote geloof, maar dat is een arme zondaar zijn, die groot van Christus denkt en die geleerd heeft alleen op Hem te vertrouwen. Daarin ligt de vastheid van de Kerk en in niets anders. Die ligt in Hem en in Hem alleen. In Zijn kracht, in Zijn trouw, in Zijn liefde, in alles wat van Hem is. In Zijn zoen- en kruisverdiensten, in de onwankelbaarheid daarvan, in het vastliggen daarvan in een verbond. Het ligt alles in Hem en niet in ons.

Dit staat treffend in dit antwoord: ‘Dewijl wij van onszelf’ – ziende op eigen kracht, op eigen vermogens en op alles wat van ons is – ‘alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten…’

 

We kunnen niet alleen onszelf niet overeind houden, maar we hebben ook nog eens een driehoofdige vijand.

Leidt die vijand ons in verzoeking, of leidt God ons in verzoeking?

Hoe zit dat nu met die verzoeking? Daarover gaat het in de zesde bede: ‘Leid ons niet in verzoeking.’ Je bidt tot God. Leidt Hij je dan in verzoeking en vraag je nu of God dat niet wil doen?  

 

Over verzoeking is u net iets voorgelezen uit Jakobus 1 vers 13 en 14. Daar wordt gezegd dat niemand als hij verzocht wordt, mag zeggen: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht als hij door zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.

Geef God de schuld niet, wil Jakobus zeggen, alsof Hij je ondergang zoekt, je strikken legt en je eeuwig verderf op het oog heeft. Zo mag je niet denken. Het zijn je eigen verdorven begeerlijkheden die je aftrekken van God en die je in de strikken van de duivel brengen.

 

Maar u heeft misschien wel gemerkt dat Jakobus in het begin van het hoofdstuk ook al spreekt van verzoeking. In het tweede tot en met het vierde vers van hetzelfde hoofdstuk zegt hij: Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk. Dan zegt hij dat je het voor vreugde moet achten in verzoeking te vallen!

Wat bedoelt hij daar eigenlijk mee?

We moeten de woorden ‘verzoeking’ en ‘beproeving’ van elkaar onderscheiden. Als het gaat over wat God doet, dan zeggen we dat Hij Zijn werk beproeft. ‘De alwijze God beproeft wel eens d’ oprechten en tuchtigt hen,’ zingt de dichter in Psalm 11. God gaat met Zijn kinderen zo om, dat Hij ze wel beproeft – soms wordt weliswaar het woord ‘verzoeking’ gebruikt – maar God beoogt de ondergang van de Zijnen nooit! 

 

De duivel, die boze verzoeker, zou wel graag willen dat een kind des Heeren bij een verzoeking in de strikken van wanhoop omkomt. Onder Gods toelating heeft hij er mede de hand in, maar onder Gods zorg zal alles voor Gods kinderen ten goede keren.

Zo heeft Jakobus het ook bedoeld. Daarom zegt hij: Zalig is de man die de verzoeking verdraagt, want als hij beproefd zal geweest zijn – hoort u: hier gebruikt hij het woord ‘beproeving’ – zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft degenen die Hem liefhebben.

Petrus schrijft in dezelfde geest als hij zegt: In welke gij u verheugt, nu een weinig tijds (zo het nodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen; opdat de beproeving uws geloofs, die veel kostelijker is dan van het goud, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof, en eer, en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus (1 Petr.1:6).

Petrus zegt hier eigenlijk: ‘Kijk, de verzoeker kan uw ondergang wel zoeken, maar God loopt het niet uit hand. God heeft ook dan de leiding. God laat de verzoeking toe, omdat Hij u wil beproeven en de beproeving van uw geloof nuttig voor u acht, tot Zijn eer en tot verheerlijking van Christus in u.’ Zo gaat het als de Heere verzoekingen toelaat.

 

We hebben dus in deze weg nodig dat de Heere ons niet als een prooi van de boze weg laat voeren, maar dat Hij voor ons persoonlijk het heft in handen houdt, als die drie vijanden – de wereld, de duivel en ons eigen vlees – niet ophouden ons aan te vechten.

Deze vijanden vormen een soort driemanschap.

Mijn vlees, de duivel, en de wereld?

Ja, zeker als je onbekeerd bent.

Als dat anders is heeft de duivel toch geen zeggenschap meer over je? Of toch wel?

 

Gemeente, de duivel wordt ‘de overste dezer wereld’ genoemd. De Heere Jezus spreekt zo over hem. Al heeft hij dan zijn rijk op roof en leugen gevestigd, evenwel is hij de geweldhebber dezer eeuw, de overste van de macht der lucht, de geweldhebber van de macht des doods.

De duivel heeft allerlei namen die ons verzekeren dat hij echt niet zo zwak is. Wij zijn zwak, maar hij is sterk. ‘Zijn sterkt’ is groot, dies zijn w’ elk ogenblik in nood, daar komt nog vlees en wereld bij, ai, sterk ons dan en maak ons vrij,’ zo zingen we.

De sterkte van de duivel is dus groot en daarom moeten we hem niet onderschatten. Waardoor is zijn macht zo groot? Dat heeft mede te maken met dat driemanschap. Als de duivel niet zoveel dienaren had op de wereld, zou hij zo machtig niet zijn.

Bedoelen we zijn onderdanen, die met hem van God afgevallen zijn? Ja, die ook. De overste der duivelen met zijn aanhang, met zijn vele trawanten, vormen een macht die je niet moet onderschatten.

 

Kinderen, mag ik jullie eens wat vragen? Jongens en meisjes, hoe verkreeg de duivel zijn macht toen hij op deze wereld kwam?

Ja, door de slang te gebruiken.

Maar hoe kreeg hij macht over Adam?

Daarvoor gebruikte hij Eva.

Hoe kreeg hij dus macht over het menselijk geslacht? Door de verleiding van de eerste mensen, die hij door een leugen verleid heeft.

Maar wat kwam er bovendien bij? Hoogmoed!

O, vreselijk kwaad, waar de mens voor gekozen heeft met zijn vrije wil! 

De duivel heeft dat vuur mede kunnen stoken door met de mens samen te werken.

Dan moeten we dus de duivel niet alleen de schuld geven van de zondeval, maar de hoogmoedige mens die als God wilde zijn.

 

Die verschrikkelijke daad van hoogmoed: God van de troon en ik erop – dat is onze schuld! Wij willen de dienst uitmaken en bepalen wat goed en kwaad is. Dat is het streven van de mens geworden door de zondeval.

Misschien zeg je: ‘Ja, maar de duivel gebruikte toch een list?’

Dat is zo. Maar toch gaf de mens zich vrijwillig over in zijn macht.

Dat is niet gebeurd met één mens, nee, met het menselijk geslacht, en dus met heel de wereld. Zó is het gehele menselijke geslacht van God afgevallen en heeft het de duivel tot overste gekozen. De duivel zou zoveel macht niet hebben, als hij op aarde niet zoveel gewillige onderdanen had.  

 

Gemeente, jongens en meisjes, overal zijn mensen die de zonde liefhebben. Dat zijn de beste onderdanen van de duivel. Als je de zonde doet, heeft hij macht over je; dan geef je je aan hem over.

Maar iedereen die tot God bekeerd wordt krijgt een strijd. Want dan wil je de duivel de dienst opzeggen. Zo’n mens wil de zonde niet meer doen. De stad Mensenziel wordt dan een strijdtoneel. Je krijgt strijd hier vanbinnen, want de duivel wil je niet loslaten. Hij wil zijn macht over je behouden en maar al te vaak lukt hem dat!

 

Ik denk aan die verdrietige, bekommerde zielen die de duivel niet meer willen dienen. Hij krijgt weer grip op je als je weer in de zonde valt.

Wat is dat een moeilijk leven. Het kan ook gaan om een jongen, een meisje, één van de catechisanten, of misschien zit je nog op de basisschool.

Je hebt de Heere lief gekregen, je wilt echt niet meer zondigen en je vraagt dat ook aan de Heere. Je vraagt om een nieuw hart en je wilt precies doen wat de Heere wil.

We gebruiken daarvoor een wat moeilijke uitdrukking: je krijgt een honger naar de  gerechtigheid. Zo heeft de Heere Jezus dat gezegd. Je wilt het goede doen; je verlangt naar heiligheid; en je wilt niet meer zondigen. En tóch zondig je elke keer maar weer!  

 

De duivel wil je wel helpen. Hij wil met allerlei middelen zijn strikken spannen. Hij kan mensen gebruiken als zijn dienaren om je toch weer iets verkeerds te laten doen, en je mee te laten doen met anderen die zondigen. Dan lach je toch weer om een ongepaste grap, ga je toch weer mee naar een plaats waar je niet hoort, kijk je toch weer naar iets wat je hart bezoedelt.

O, iedere zonde gooit het bij die jongere of oudere die de Heere wil zoeken, weer overhoop. Wordt het nu nooit beter met me? Het lukt je maar niet jezelf staande te houden.

Maar vlucht daarom tot de Heere! Bij Hem is kracht, Hij wil je wel helpen. Bid dan maar dit gebed: ‘Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.’

Laat in je hart maar meeklinken wat in ons antwoord staat: ‘Dewijl wij van onszelf alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnen bestaan, en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees, niet ophouden ons aan te vechten…’

 

In deze zin zit eigenlijk ook iets heel moois. Ik hoop dat u het ziet. Als dit waarheid is in uw leven, is dat nog niet zo slecht.

Als de duivel, de wereld en je eigen vlees, je doodsvijanden zijn, dan ben je een kind des Heeren. Als je de duivel, die leugenaar, die bedrieger, die vijand van God, niet meer en nooit meer wilt dienen…  Als de duivel je doodsvijand is – bij de mens van nature is dat niet zo – als de wereld je doodsvijand is…  Als je niet meer met de wereld mee wilt, niet meer met de stroom van ‘iedereen doet het’ meezwemt… als de wereld je doodsvijand wordt…  Als je eigen zondige vlees, je eigen ik, je hoogmoedige ik, je doodsvijand is, omdat het je naar de dood en de eeuwige ondergang wil slepen… dan ben je een kind des Heeren.

Zo leefde het ook bij iemand die man die ik moest begraven. Hij zei nog vlak voor zijn sterven: ‘Mijn eigen ik, dominee, mijn eigen ik…!’

Als je deze drie doodsvijanden kent, ben je een kind des Heeren. Dat kun je misschien zelf niet bekijken, maar het is omdat Christus je deze als je doodsvijanden heeft leren kennen. Dat is Zijn werk, Zijn liefdestrekking.

 

Catechisanten, jullie hebben wellicht die kostelijke vragen over het genadeverbond geleerd! Ze gaan over een ziel die door God getrokken wordt met mensenzelen, met koorden van liefde. Als Hij zielen trekt, wordt de duivel hun doodsvijand, de wereld hun doodsvijand, dan wordt je eigen vlees je doodsvijand en daar vecht je tegen.

Al heb je dan geen kracht, in de catechismus staat wat de bevinding van ieder kind des Heeren is. Ze hebben zelf geen kracht, maar vluchten tot God. Tot Christus, Die dit gebed leert bidden en daarom ook helpen kan en wil.

 

Onderzoekt u nu eens of de duivel, de wereld en uw eigen vlees uw doodsvijanden zijn, en of u ook zo bang bent om met de stroom van de wereld mee te gaan.

Veel mensen zijn daar helemaal niet bang voor.

De wereld? Doe toch niet zo moeilijk.

Maar Christus leert ons dit gebed! Lees de brieven van Johannes maar eens over de wereld en de liefde tot de wereld. Johannes, de apostel der liefde, heeft gezegd: als de liefde tot de wereld in je hart heerst, dan is de liefde van de Vader niet in je. Dat gaat niet samen.

Lees het maar in het Woord des Heeren, dat ieder die tot God bekeerd wordt deze drie doodsvijanden krijgt. Vooral dat eigen ik. De grootste vijand zit het dichtste bij. Die zit in het hart. Dat is mijn eigen trotse bestaan, dat altijd wat wil zijn, zich altijd wil handhaven, niet geknakt wil worden, dat eigenlijk ook niet aan de voeten van Christus wil komen.

Mijn eigen wijsheid, mijn eigen kracht, mijn eigen willen, mijn streven, ik geef het zo gauw niet op! Het is een doodsvijand die niet ophoudt ons aan te vechten.

 

Gods kinderen op aarde worden hier zo moe van. Altijd maar strijd!

Krijg je dan nooit eens rust?

Met deze nood mogen we naar de Heere gaan. Bij Hem is er rust, aan Christus’ voeten. Daar wordt de rust geschonken en het vette van Zijn huis gesmaakt. Maar je staat op en het deksel gaat zo gauw weer van de efa; de goddeloosheid wil er weer uit!

Altijd maar weer de zonde bij je hebben! Wanneer is het nu eens voorbij, voorgoed voorbij? Nooit meer zondigen?

Dit is het heimwee van een kind des Heeren naar de hemel. Nooit meer naar de duivel luisteren, die tot ongeloof beweegt. Nooit meer met de wereld mee, waarmee ik mijn Zaligmaker zo bedroef. Hij alles voor mij, en nooit meer dat hoogmoedige ik.

Wanneer zal dat werkelijkheid worden?

Kinderen des Heeren, straks! Nog even maar!

Het duurt misschien niet eens zo lang. Straks is alle strijd gestreden, alle leed geleden, en is het eeuwig vrede. Maar hier moeten we bidden om in die strijd niet ten onder te gaan. Onze doodsvijanden houden niet op ons aan te vechten.

 

In het antwoord op vraag 127 staat: ‘Wil ons toch staande houden en sterken door de kracht Uws Heiligen Geestes!’

Dit is niets minder dan Christus in ons. Die zal Mij verheerlijken, heeft Christus immers gezegd.

Staande houden. Kun je dan ook vallen?

Ja, en dan lig je onder.

‘Opdat we in deze geestelijke strijd niet onderliggen, maar altijd sterke wederstand doen.’ Daar zoek je nu de Heere voor en dan vraag je om kracht in zwakheid, dan vraag je om Christus in jou. Als Hij me maar nabij is, als Hij maar als Immanuël regeert en mij vasthoudt en sterkt.

Zo niet, dan is er een onderliggen. Dat kan gebeuren bij kinderen Gods. Dat is heel verdrietig en ook tot oneer van God. Daar eindigt straks het antwoord mee.

 

Noach heeft wel eens tot dronkenschap toe de wijn over zich laten heersen. 

Vreselijk dat Gods Naam om u wordt gelasterd, Noach! Dat zal hij erg gevonden hebben.

Abraham, de vader der gelovigen, heeft naar Hagar gegrepen. Trouwens: zijn vrouw heeft haar in zijn schoot geworpen! Door ongeloof.

Wat een dwaasheid als de zonde heerst!

Bij Simson zie je het keer op keer.

Zegt u niet: ‘Dat is niet zo erg.’

Vraagt u dat maar eens aan hem, als hij met uitgestoken ogen in die molen de molensteen draaiend houdt.

Verschrikkelijk, telkens dat heersen van de zonde. David laat Bathseba bij zich in huis halen en Uría vermoorden. Vreselijk! David is het aan de weet gekomen in zijn eigen nageslacht. God heeft hem bezocht.

De zonden van een kind des Heeren…  Zie Petrus staan in de zaal van Kajafas. De zonde van het ongeloof heerst over hem. Denk niet dat dit bij Gods geoefende kinderen niet kan.

Ach, de voorbeelden in de Bijbel zijn duidelijk genoeg.

Wie durft te zeggen: ‘Dat zal mij niet overkomen’? Bid liever dit gebed in ootmoed, in afhankelijkheid: ‘Heere, houd me staande, sterk me door de kracht Uws Heiligen Geestes, opdat we in deze geestelijke strijd niet onderliggen.’

 

De strijd tegen de zonde is een geestelijke strijd en daarin wil God door Zijn Geest sterken; opdat we ‘altijd sterke wederstand doen, totdat we eindelijk ten enenmale de overhand behouden.’

Ach, nog even. In de eeuwige heerlijkheid zullen de vijanden er niet meer zijn.

 

Laten we nu zingen uit de berijming van het Gebed des Heeren, vers 9 en 10:

 

Want Uw is ’t Koninkrijk, o Heer’,
Uw is de kracht, Uw is al d’ eer.
U, die ons helpen wilt en kunt,
Die, in Uw Zoon, verhoring gunt,
Die door Uw Geest ons troost en leidt,
U zij de lof in eeuwigheid.

 

Ja, amen, trouwe Vader, ja;
Wij maken staat op Uw genâ.
Ons hart, o God, die alles ziet,
Veroordeelt ons in ’t naad’ren niet;
Het zegt, daar G’ op ons bidden let,
Gelovig amen op ’t gebed.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. Een slot dat spreekt van vast vertrouwen

 

‘Hoe besluit gij uw gebed?’

Het zijn bekende woorden, maar o zo veelzeggend en rijk aan inhoud: ‘Want Uw is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid.’

Mattheüs geeft de tekst van het gebed des Heeren volledig. U weet wellicht dat bij Lukas de lofprijzing aan het slot van het gebed niet voorkomt.

We hoeven daarvoor niet de toevlucht te nemen tot allerlei schriftkritische verklaringen. Het gaat echt niet om een latere toevoeging, zoals sommigen die de Bijbel schriftkritisch onder het ontleedmes leggen, van mening zijn, en ook allerlei invoegingen menen te kunnen constateren, die dan zeker niet van de Heilige Geest zijn.

Wij wijzen dit af. Het is heel goed mogelijk dat op de ene plaats niet alles staat, maar op een andere plaats meer geschreven is. Dat is ook het geval bij veel wondertekenen in de beschrijving van de vier evangelisten.

Het ontbreken van de lofprijzing in het gebed bij Mattheüs doet dus niets af van de grote waarde ervan.

 

We lezen verder in het antwoord op vraag 128: ‘Zulks alles bidden wij van U, daarom dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven de wil en het vermogen hebt…’

‘Gij, als onze Koning...’ U hoort wel dat het een gelovig gebed is. Het is het gebed dat God Zijn kinderen leert en dat ook alleen door het geloof van harte onderschreven kan worden. Dit kun je alleen echt bidden als Christus inderdaad je Koning geworden is. Als God in Christus heerschappij over je voert in je leven.

Wonderlijk als je het heft in je leven dus uit handen gegeven hebt. Een Ander regeert je en Zijn wil is je wet; Zijn wil heb je lief en die zoek je. Door Hem laat je je leiden en Zijn heerschappij is niet een werkverbond, maar een genadeheerschappij waarin plaatsvindt – o, onbevattelijk wonder! – wat we in het begin al zeiden: God geeft wat Hij eist.

O, wondere genadeheerschappij voor een zondaar die hongert en dorst naar gerechtigheid en heiligheid. Die verlegen is om wijsheid en kracht in de geestelijke strijd.

 

Als Hij je Koning is, je Heere en Meester…  Jazeker, Hij is ook je Profeet en Priester. Dat staat hier niet direct bij, maar Zijn koninklijke heerschappij is daar niet van los te maken. Die grote Profeet heeft door Zijn priesterlijke bediening de weg der zaligheid gebaand. Op die weg brengt Hij de Zijnen en leidt Hij hen door Zijn koninklijke genadeheerschappij.

Als Hij dus zo je Koning en daarbij ook je Profeet en Priester is, wat begeer je dat dan te belijden! Het slot van het gebed is een lofprijzing, maar ook een geloofsbelijdenis. ‘U bent mijn Koning. Uw is het koninkrijk, omdat Gij als onze Koning macht hebt over alle dingen.’

Hier gaat het nu even over de gehele inhoud van het gebed. U bent niet alleen mijn Koning, maar U bent Koning over alles. De Heere heeft Zijn troon in de hemelen gevestigd, en Zijn koninkrijk heerst over alles. U leest dit in Psalm 103 vers 19.

Hij heeft alles in Zijn macht. Ook de duivelen, en alle rijken van deze wereld. Hij heeft alles in Zijn macht. Dat wordt hier beleden en voor God neergelegd. ‘Gij, onze Koning, aller dingen machtig…’

 

Maar er volgt nog meer: ‘… ons alles goeds te geven de wil en het vermogen hebt.’

De wil en het vermogen. Wij missen beide. Door de zonde hebben we geen goede wil en geen vermogen.

Onbekeerde mensen zijn vijandig, onwillig en onmachtig. Maar Gods kinderen leren het. Zij leren hun natuur en hun vleselijk bestaan kennen. Paulus zegt ervan: Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont (Rom.7:18).

Ik heb van nature geen wil of vermogen waarom ik mijzelf kan prijzen. Van nature ben ik geheel verdorven.

Maar hoor, deze gelovige bidder in de catechismus zegt: ‘Heere, bij U is de wil en het vermogen voor zo’n ellendige. Ik weet dit, ik vertrouw erop en belijd het.’

 

O, als het geloof in oefening is, mag het gezien worden en stijgt uit een volle verzekering  een gelovig gebed op, dat alles in Christus is, wat ik zo nodig heb. Dat wil Hij mij geven; ik vertrouw het. Want Uw is het koninkrijk, Heere, zowel de macht als het vermogen; maar ook de wil. ‘En dat alles, opdat daardoor niet wij, maar Uw heilige Naam eeuwiglijk geprezen worde.’

 

‘Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid.’ Je proeft het verlangen in deze belijdenis. De heerlijkheid, de eer is voor U, Heere, niet voor mij. Zoals de dichter van Psalm 115 zingt:

 

Niet ons, o Heer’, niet ons, Uw naam alleen,  

zij om Uw trouw en goedertierenheên,

All’ eer en roem gegeven.

 

De Heere de eer. Dat is ook het verlangen van de liefde. De liefde verlangt dat de geliefde geëerd wordt. Dat weet u allemaal. Je zou niet willen dat degene die jij lief hebt, door de modder gehaald wordt. Natuurlijk niet. Je geliefde moet geëerd worden. Als je God lief krijgt, dan wil je dat Hij geëerd wordt.

Maar hier klinkt méér in door; niet alleen het verlangen dat Hij geëerd wordt, maar ook de wetenschap dat Hij zal zorgen voor Zijn eer.

Hij zal daarvoor zelfs zorgen in degenen die Hem van Zijn eer willen ontroven.

Eigenlijk kan Hij niet van Zijn eer beroofd worden.

Waarom niet?

Omdat God niet minder worden kan. De grote, de eeuwige en de volzalige God kan niet verminderen in Zijn heerlijk Wezen. Hij wordt toch verheerlijkt.

Als mensen tegen Hem opstaan en tegen Hem strijden om Hem te onteren en te lasteren, dan zal Hij desondanks geëerd worden in hun straf.

Hij zal de eer krijgen van al Zijn werk. ‘Al wat Gij wrocht zal juichen tot Uw eer.’

Al Zijn deugden zullen verheerlijkt worden.

 

Wat is het erg als wij Hem de eer niet willen toebrengen en volharden in het strijden tegen Hem, in het verzet tegen Hem, in de afkeer van Hem, in de vijandschap. Waar moet dat op uitlopen? Dat kan alleen maar uw eeuwige ondergang zijn.

Dat we dit gebed toch leren bidden, zoals de Heere het ons voorgehouden heeft, met een verlangen dat weerklank vindt in ons hart.  

Kunt u het zo bidden? Misschien bidt u het Onze Vader wel eens en begint u er de dag mee. Misschien bidt u het wel voor iedere maaltijd. Zegt u het dan op? Blijft het dan alleen maar bij opzeggen? Kom, laten we het elkaar eens ernstig vragen: ‘Weet u wel wat u bidt? Ligt uw hart er wel in?’  

We moeten altijd oppassen om van zulke kostelijke gebeden geen afgeraffeld formuliergebed te maken. Daar is het veel te mooi voor, veel te rijk en veel te heilig. Zo moet het niet. Laat dit gebed een voorbeeld zijn voor al onze gebeden. Leer eruit wat in ons gebed aandacht moet hebben.

 

We hebben met elkaar overdacht wat in het gebed voorop moet staan. Wat was dat ook alweer?

Wel, de toevlucht nemen in het vertrouwen en met de begeerte dat dit vertrouwen in ons gewerkt en versterkt wordt. Een toevoorzicht hebben op God: ‘Onze Vader, Die in de hemelen zijt…’

En dan volgen de beden. Hebben we ze op orde in ons leven? In onze andere gebeden ook?

Het gaat allereerst om Gods eer: ‘Uw Naam worde geheiligd.’ Weegt dat het zwaarste in mijn leven? Zo moet het wel zijn.

‘Uw koninkrijk kome.’ Zijn genadeheerschappij op de eerste plaats, maar dan ook altijd en overal. Is dat uw verlangen?

‘Uw wil geschiede.’ Nee, niet die van mij.

En dan de afhankelijkheid in het bidden om dagelijks brood. De vraag om vergeving van schulden, maar ook: ‘Leid niet in verzoeking, verlos van de boze.’ Vindt dit alles weerklank in onze harten?

 

Vraagt u zich tenslotte eens af of u ‘amen’ kunt zeggen op uw gebed. Of u alles dus oprecht bij de Heere brengt.

Wat een voorrecht als je daarbij het getuigenis van de Geest in je hart mag gevoelen:  ‘Heere, zo ligt het in mijn hart, kijkt U er maar in, U weet het.’ Dan mag je amen zeggen. Dat amen betekent dan: ‘Heere, U verhoort het gebed; ik weet het zeker! U Zelf heeft het verlangen in mijn hart gelegd. Zou U het dan niet verhoren? Van het land geldt: Hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks. U heeft mijn ziel begerig gemaakt, en dat weet U. Dan weet ik ook dat U mij zult verhoren, U zult het geven.’

Hier staat geen ‘misschien’ bij. Amen betekent: het zal waar, het zal zeker zijn.

 

Verhoring is bovendien niet eens afhankelijk van mijn gevoel. Of ik het in mijn hart met een gevoelige verzekering wel zo gevoel – zelfs dat is niet bepalend voor de verhoring van mijn gebed.

Als ik bid naar Zijn wil, zal Hij doen wat Hem behaagt, dat is: verhoren op Zijn tijd en op Zijn wijze. Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid (2 Kor.1:20).

 

Sommigen vragen wel eens: moet hier niet ‘om Jezus’ wil’ achter gebeden worden? Ik verzeker u: dit gehele gebed is om Jezus’ wil! Hij leert de Zijnen, die met deze zaken tot God gaan, zo bidden, en Hij leert ze dan ook dat God verhoort.

 

Gemeente, wij zijn gereed gekomen met de behandeling van onze Heidelberger. Drie stukken zijn er nodig om te kennen tot zaligheid: ellende, verlossing en dankbaarheid. Door Gods zorg heeft Ursinus zoveel licht ontvangen dat hij de Heidelbergse Catechismus mocht opstellen. De kerk heeft haar als een belijdenisgeschrift aanvaard; als een weergave van onze geloofsleer.

Ik weet dat sommigen er niet zo tevreden mee zijn. Ze verachten het arme zondaarsleven dat steeds doorklinkt.

Sommigen denken zelfs dat de heiligmaking in de catechismus niet aan de orde komt. Dan hebben zij niets begrepen van het stuk der dankbaarheid. Dat gaat helemaal over heiligmaking.

Weet dat in het hart dat door de Heere vernieuwd wordt vanaf de eerste dag een verlangen ligt naar heiligmaking, en weet ook dat het nooit een prestatie wordt, maar altijd een geschenk van de Borg en Middelaar, de Heere Jezus Christus.

 

De drie stukken – we gaan ze niet herhalen – zijn uitvoerig aan de orde geweest. We hebben nodig om met deze troost getroost te leven en zalig te sterven. Zoek die bij Hem, Die in het heden der genade dit onderwijs nog laat geven.

Het is een wonderrijk troostboek als u daarin uw hart verklaard vindt en als u hierdoor onderwezen en geleid wordt in wat de verborgenheid der godzaligheid wordt genoemd.

Voor wie dit de hartentaal is, mag weten straks in te zullen stemmen met die schare voor de troon, die niet alleen uit Nederland komt, en die ook echt niet woordelijk de Heidelberger Catechismus hoeft te hebben gekend, maar die de leer die naar de godzaligheid is, heeft lief gekregen.

 

Voor de troon staat een schare die de eer des Heeren, de komst van Zijn koninkrijk en het geschieden van Zijn wil op aarde hebben gezocht. Deze gezaligden hebben de vervulling van deze beden in Christus gevonden en zijn voor de troon in witte kleding, gewassen in het bloed van het Lam.

Het is die schare uit Openbaring 7, die uit alle natiën, geslachten, volken en talen komt en staat voor de troon en voor het Lam.

Wat zegt deze schare? Dat is verwoord in het slot van het Onze Vader; het is ook verwoord in de antwoorden die we hebben overdacht.

Die schare zegt daar voor de troon: Amen – het zal waar en zeker zijn – de lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onze God in alle eeuwigheid (Openb.7:12).

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 72:11

 

Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen;
Men loov’ Hem vroeg en spâ;
De wereld hoor’, en volg’ mijn zangen,
Met amen, amen na.