Ds. R. Kattenberg - Zondag 16

Christus' dood

De noodzaak van Zijn sterven
De zekerheid van Zijn graf
De troost voor het geloof

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 116: 1, 2, 3
Lezen : Johannes 19: 28-42
Zingen : Psalm 88: 6, 7, 8
Zingen : Psalm 65: 2
Zingen : Psalm 73: 12
Zingen : Psalm 2: 7

Wij richten in deze dienst onze aandacht op Zondag 16 van de Heidelbergse Catechismus. We lezen daar als volgt:

 

Vraag 40: Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?

Antwoord: Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid van God niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door de dood van de Zoon van God.

 

Vraag 41: Waarom is Hij begraven geworden?

Antwoord: Omdat daarmede te betuigen dat Hij waarachtig gestorven was.

 

Vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?

Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

 

Vraag 43: Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?

Antwoord: Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten van het vlees in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

 

Vraag 44: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?

Antwoord: Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

 

In Zondag 16 wordt gesproken van: Christus’ dood.

 

We letten daarbij op drie aandachtspunten:

1. De noodzaak van Zijn sterven

2. De zekerheid van Zijn graf

3. De troost voor het geloof

 

1. De noodzaak van Zijn sterven

 

Het is opvallend dat onze vragen en antwoorden aansluiten op wat de Heidelbergse Catechismus in de vorige Zondagen aanreikte. We zien daaruit dat de heilsfeiten van het lijden en sterven, de begrafenis, opstanding en hemelvaart van Christus nauw met elkaar samenhangen. Als we de heilsgeschiedenis in stukjes knippen lopen we vast. Maar als je ziet dat het één heilshandelen van God is, dan kun je alleen maar in stille aanbidding zeggen: ‘Wat een wonder, o God!’

 

We maken wel eens een legpuzzel. Het ene stukje zus en het ander stukje zo, en aan het eind zeg je: ‘Klaar!’

Maar wanneer zou het voor God zo zijn?

Op de laatste dag, dan zegt Hij: ‘Klaar!’

De Vader heeft het gezegd aan het einde van het scheppingswerk: ‘Het is volbracht!’ Want er staat in de Bijbel: Alzo zijn volbracht de hemel en de aarde (Gen.2:1).

De Zoon heeft Het is volbracht! (Joh.19:30) uitgeroepen in het midden van de wereldgeschiedenis op Golgotha. En straks, als de wereldgeschiedenis haar einde neemt, zal de Heilige Geest zeggen: ‘Het is volbracht!’ Met eerbied gesproken: dat is het laatste stukje van de puzzel.

Bent u ertoe bereid, dat God u op zal nemen in Zijn heerlijkheid?

Op die dag valt het volle licht over heel het leven van de Heere Jezus Christus.

Dan strijdt de kribbe niet met het kruis en het kruis niet met het open graf. Dan is het één geheel.

 

Wanneer in dit uur de opgestane Heere in het gewaad van Zijn Woord tot ons komt, weten we ons geroepen antwoord te geven op de vraag: ‘Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?’

Onze vraag sluit aan bij wat de Heidelbergse Catechismus in de voorafgaande Zondagen ons al heeft aangereikt. Wij hebben toen stilgestaan bij Gethsémané, waar het zweet van Christus als grote droppelen bloeds werd. We hebben een blik geslagen in het rechthuis waar Jezus voor Pilatus stond. Met veel schroom en betrokkenheid zijn we Hem gevolgd naar Golgotha en zagen we de Zoon van God in onze menselijke natuur hangen aan het middelste kruis. Toen de Man van smarten het uiterste onderging wat mensen elkaar kunnen aandoen. Toen Hij vastgenageld was aan het vloekhout der schande. En waar wij de roep horen vanuit de Godverlatenheid: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46).

 

Wanneer we het gehele leven van de Heere Jezus overzien, is dan alles wat Hij gedaan heeft niet voldoende?

Maar nu blijkt dat de weg nog dieper afgaat, naar de dood toe zelfs, naar het graf en naar de Godverlatenheid, rijst de vraag op: waarom?

In het antwoord op vraag 40 van de catechismus ligt echter het antwoord: ‘Daarom dat vanwege de gerechtheid en de waarheid van God niet anders voor onze zonden kon worden betaald dan door de dood van de Zoon van God.’

 

Als we in de spiegel van ons leven kijken krijgen we zicht op de gerechtigheid en waarheid van God, die heel nadrukkelijk in het antwoord op vraag 40 worden genoemd. Het gaat hier dus niet om gerechtigheid of waarheid in algemene zin, maar om de gerechtigheid van Gód en de waarheid van Gód!

Deze woorden staan haaks op ons leven.

De mensen zijn zo gebonden aan het tegenovergestelde van gerechtigheid en waarheid.

Het tegenbeeld van gerechtigheid is óngerechtigheid. Daarin voelen we ons als mensen zo thuis.  

En waarheid? Bewandelen wij altijd het pad van de waarheid? Eén leugen is voldoende om ons schuldig te stellen voor het aangezicht van God.

Maar hier wordt in het geloof gezongen van de gerechtigheid en de waarheid van God. Ik zeg er nadrukkelijk bij: in het geloof. Want maken we ons van nature druk om gerechtigheid? We kennen de leus van de wereld: gerechtigheid vóór en gerechtigheid na. Maar als het erop aankomt zijn we er allemaal afkerig van, en al helemaal als het gaat om de gerechtigheid en de waarheid van Gód.

Weet u wanneer dat anders wordt?

Als de Heilige Geest ons de ogen ervoor opent. Pas dan gaan we ons bezighouden met dingen die ons voorheen koud lieten. Gerechtigheid? Het zal mij een zorg zijn. Waarheid? Wie bekommert zich daarom?

Weet u wanneer u de gerechtigheid en de waarheid van God in het oog krijgt? Als God werkt in uw leven, in jouw leven, in jullie jonge leven. Dan ziet u iets waarvoor u van nature geen oog heeft. Wat is dat dan? Het is de eer van God!

 

Waar de Heere werkt komt er - zoals we dat wel noemen - een andere gang in het leven.

Als het ons om God gaat, en om de eer en verheerlijking van Zijn naam, en als de Heilige Geest ons aan onze zonden ontdekt, dan huivert u.

Dan krijgt u er weet van dat God Zich vreselijk over de zonden vertoornt. Met een heilige toorn.

 

Kinderen, als jullie wat verkeerd gedaan hebben, dan kan mama of papa boos op je zijn. Als je echt verkeerd bent geweest is dat ook terecht. Maar als het God betreft, als het gaat om Zijn schepselen - jij bent er ook één van - als wij verkeerd doen, dan vergrijpen we ons eigenlijk aan de gerechtigheid en de waarheid van God.

 

Misschien halen jullie je schouders hierover op. Hoe moet je je dat voorstellen?

Kinderen, in het woord ‘gerechtigheid’ zit nog iets anders: het woordje ‘recht’.

Rechtuit, rechtaan.

Probeer het je maar voor te stellen: God gaat een weg.

Wat voor weg is dat?

Een rechte weg. Een weg van recht.

Niet krom dus.

God gaat geen kromme weg.

Hij gaat een rechte weg, de weg van Zijn wet! Want God is rechtvaardig.

Wij hebben in die weg door onze zonde een bocht gemaakt. Maar de Heere heeft gezegd: ‘Rechtuit, rechtaan…’

Paulus heeft geschreven: De bezoldiging (het loon) van de zonde is de dood (Rom.6:23).

         

Als de zonde niet met de dood gestraft wordt, dan kunnen we - met eerbied gesproken -  zeggen: ‘Heere, U gaat niet rechttoe, rechtaan. U gaat een kromme weg. U bent toch de God van recht en van gerechtigheid? En nu buigt die weg af.’

Voelt u aan wat ik bedoel?

Een kromme weg…

Dat is onmogelijk, dat kan niet. Dan zou God niet doen wat Hij gezegd heeft.

God gaat een rechte weg!

 

Met de wáárheid van God ligt het niet anders. God gaat ook een weg van waarheid. We worden daar heel nadrukkelijk bij bepaald. De Heere zegt: ‘Kom eens mee naar het paradijs, het ongeschonden paradijs.’

God zei: Ten dage als gij daarvan eet zult gij de dood sterven (Gen.2:17).

Maar de duivel zei: ‘Ten dage als gij daarvan eet zult gij als God zijn.’ Wie heeft er nou gelijk? De één of de ander?

En toen hebben we gekozen voor de duivel!

Gekozen voor de duivel, wat houdt dat in? Wel, wij hebben daarmee als het ware tegen God gezegd: ‘Heere God, U… U liegt!’

Dat is nogal wat. U moet niet naar een ander kijken, want het ligt heel persoonlijk. We leven het uit, in ons leven van elke dag…  

Wij zijn mensen van de leugen, van het bedrog, van de corruptie. De kranten staan er bol van.

Maar nu uw en mijn leven...

Alles wijst op het feit dat wij van Gods waarheid hebben gezegd: ‘Het is een leugen, één en al leugen.’ We hebben de leugen op de rekening van God geschreven.

Maar, gemeente, God liegt niet!

God heeft nooit gelogen.

God zal niet liegen en God kan niet liegen.

God is waarachtig en God doet wat Hij gesproken heeft.

 

Dat nu brengt het geloof in het antwoord van de catechismus tot uitdrukking.

‘Waarom moet Christus Zich vernederen tot in de dood?’

Het antwoord op deze vraag heeft alles te maken met de gerechtigheid van God.

God gaat geen kromme weg.

Het heeft ook te maken met de waarheid van God.

God liegt niet. God heeft gezegd: ‘Er is niets anders om voor de zonde te betalen, dan de dood van de Zoon van God.’

Bedenk wel, dat wie met de noodzakelijkheid van Jezus’ sterven instemt, en daarbij bepaald wordt, zegt: ‘Ja, het kan niet anders!’

Zo’n mens buigt voor het oordeel. Een oordeel? Over wie?

Een oordeel over zichzelf. Wie toestemt dat het krachtens de gerechtigheid van God en de waarheid van God zo moet gaan, veroordeelt zichzelf.

 

Zo’n belijdenis is tegelijk ook een geloofsbelijdenis. Het geloofsoog blijkt geopend te zijn voor de Heere Jezus Christus. Anders stem je er niet mee in. Dan zeg je: ‘Weg met die gerechtigheid en die waarheid van God!’

Maar waar je uitzicht op Hem gaat krijgen en als de Heere de ogen van het geloof richt op de Heere Jezus, wordt beleden: Christus heeft Zich als Borg gesteld ten behoeve van zondaren uit het menselijk geslacht.

Waar wij gezegd hebben: ‘Nee’, heeft Hij gezegd: ‘Ja!’

Al oneindig veel eerder, in de eeuwigheid, sprak Hij: ‘Ik kom, o God, om Uw wil en Uw welbehagen te doen’ (naar Ps.40:7-8). Christus stelde Zich beschikbaar van oude tijden af en Hij ging de weg van de dood aan het vloekhout der schande.

 

Zo zien we Hem ook in dit gedeelte van de catechismus buigen, gebogen onder het kruis.

Zo zien we Hem ook hangen, in de duisternis van Golgotha.

Hij spreekt het daarin uit: ‘Het kan niet anders, o Vader. Het is onmogelijk dat er zonden verzoend kunnen worden als Ik niet afdaal in de diepten van de dood. Zo moet het. Zo is het rechtvaardig. De zonde moet gestraft en de schuld moet verzoend worden. Ik geef Mijn leven voor Mijn schapen…’

Dat doet de Heere Jezus welbewust. Zijn sterven is een daad. Hij geeft Zich daadwerkelijk over. Niet zoals wij veelal zeggen dat niemand aan de dood ontkomt. Nee, Christus heeft Zich voor de dood beschikbaar gesteld: ‘O Vader, neem Mij maar. Ik zal Borg zijn en alle gerechtigheid vervullen.’

 

Ziet u hoe dat dat steeds weer aan de orde is?

Hij gaat deze weg vrijwillig.

Hij geeft Zelf de toon aan.

Hij wordt niet per ongeluk gedood.

Nee, Hij legt Zijn leven af en gaat die weg welbewust. Vanwege de gerechtigheid en de waarheid van God. Want er moet genoeg worden gedaan bij God.

 

En als het nu eens anders was gegaan?

U, jij en ik… wij zouden nooit zalig kunnen worden.

Dat is de andere kant. Als Christus Zich niet gegeven had als Borg voor Zijn kinderen, wie zou zalig kunnen worden?

Maar nu zegt de Schrift in dit verband nog iets over die weg van recht en van gerechtigheid.

De Heere zegt als het ware: ‘Ik leg Mijn hart open. En wat laat Ik nu van daaruit prediken? Wel, dat er een welbehagen in Mijn hart ligt. Een welbehagen om zondaren zalig te maken.’ Daar ligt de belofte van Christus in: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10).

Gods huis zal vol worden van aanzittende gasten. Gasten uit alle volken, talen, geslachten en natiën. En de zang zal opklinken: ‘Alleen door U, Heere, door U alleen, door Uw welbehagen. Want U ging een rechte weg. De weg van de straf in het leven van de Zoon van God.’ Dan bloeit het wonder voor het geloof open. De dood verdiend en het leven ontvangen...

 

U wordt dan afgeschreven tot op het bot. Dat hakt er diep in. Nee, niet om zwaar te doen of rechtzinnig. Maar om dáár uit te komen waar op alles de dood wordt geschreven. Want hoe kunnen we het leven benodigen als de dood geen doorleefde werkelijkheid is?

Daarom breekt God ons af, om ons te bouwen op de gerechtigheid van het Lam van God alleen. Om het te zoeken bij Hem, Die Zijn ziel gegeven heeft tot een losprijs voor velen.

Pas dan is een mens klein. We vertonen vaak hoogmoedige trekken en die blijven ook, maar het principe is dat je klein bent voor God. Met grote woorden is het dan gedaan. De geloofstaal klinkt op vanuit de diepte, en daaruit komt ook de blijdschap op. Maar het is ootmoedige blijdschap. Het is een blijdschap waarin de schuldbelijdenis doorklinkt. En de verwondering:

‘Heere, Uw liefde is zo groot.

U bent zo diep afgedaald.

En Uw rechtvaardigheid, o God, is zodanig dat er éénmalig betaald is. U presenteert de rekening niet nog eens.’

 

Dat staat hier in de catechismus. Christus Jezus heeft betaald voor allen die Hij kocht met Zijn bloed en heiligde door Zijn Geest. En nu zegt God niet: ‘Daarop sla Ik geen acht; u moet ook zelf betalen.’

Nee! Betaald is betaald. Om Jezus’ wil.

‘Een stroom van ongerechtigheden, had de overhand op mij. Maar ons weerspanning overtreden verzoent en zuivert Gij.’

 

Wij gaan dat tweede vers uit Psalm 65 nu eerst zingen:

 

               Een stroom van ongerechtigheden

               Had d’ overhand op mij;

               Maar ons weerspannig overtreden

               Verzoent en zuivert Gij.

               Welzalig, dien Gij hebt verkoren,

               Dien G’ uit al ‘t aards gedruis

               Doet naad’ren, en Uw heilstem horen,

               Ja, wonen in Uw huis.

 

Christus’ dood, schreven we boven de preek. We zagen allereerst de noodzaak van Zijn sterven. Vervolgens richten we onze aandacht op:

 

2. De zekerheid van Zijn graf

 

Vraag 41 luidt: ‘Waarom is Hij begraven geworden?’ En het antwoord luidt: ‘Om daarmee te betuigen dat Hij waarachtig gestorven was.’

De weg van Christus leidt naar de diepten van de dood en tot in de afgrond van het graf.

Er was immers geprofeteerd dat Zijn lichaam geen verderving zou zien? Daar zongen we zojuist ook van uit Psalm 16.

Dat is zeker waar. Omdat Christus Jezus begraven is, kan iedereen er zeker van zijn dat Hij echt gestorven is. Geen schijndood, of een toestand die erop lijkt. Het was waarachtig. Dat staat ook in het antwoord: ‘Om daarmee te betuigen dat Hij waarachtig gestorven was.’

Is dat antwoord waar? Laten we eerlijk zijn, wanneer het gaat om de waarachtigheid van Christus’ dood, denken we eerder aan de speerstoot van de soldaten op Golgotha. We lezen dat er terstond bloed en water uit Zijn zijde vloeide. Als een teken van Zijn gestorven-zijn.

 

Maar we laten het antwoord op vraag 42 toch staan. Er ligt namelijk nog iets in.

De graflegging was voor de Heere Jezus een extra vernedering. Een smaad. Wat wilde de Zoon van God toch heel dicht bij ons komen… Ja, Hij heeft willen afdalen tot in ons graf. Van Adam weten we dat de Heere tegen hem gezegd heeft: ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. Mens, u zult wederkeren tot het stof van de aarde.’

En zie! Nu zegt de Heere Jezus niet: ‘Dat gaat Mij te ver, dat is een te diepe vernedering.’

Jezus wordt als Borg gelegd in het stof des doods. Op Goede Vrijdag. Achter de steen die gewenteld werd voor de mond van het graf.

Een dode. Werkelijk een dode!

Wat een smaad moest Hij daarmee ondergaan.

 

Wat een schande dat wij begraven moeten worden. Genomen uit de aarde, een kortstondig leven op de aarde, en weerkeren tot het stof van de aarde.

We spreken wel van een laatste rustplaats en het bewijzen van de laatste eer, maar aan de dood kún je geen eer bewijzen. Ook geen laatste eer.

Ik begrijp die uitdrukking wel, maar het is toch goed om elkaar in zulke dingen op te scherpen; dat we ons bewust zijn van wat we eigenlijk zeggen.

 

Maar nu het antwoord op onze vraag. Vanuit dit stukje van de catechismus zegt de Heere Jezus: ‘Waar Mijn kinderen gelegd worden, daar wil Ik ook komen. Waar de onderdanen van de Koning zijn, daar ben Ik ook.’ De troost die erin ligt, is dat de Koning daarmee zegt: ‘Zo lief heb Ik u, dat Ik Borg voor u wil zijn tot en met het graf. Ik sla dat niet over. Ook dáár ben Ik bij u.’

U voelt het misschien aan: dán mag er wél van eer gesproken worden. Van de eer van God namelijk.

 

Op een begraafplaats, als een dode toevertrouwd wordt aan de schoot van de aarde, denkt u misschien: ‘Wat heeft een mens hier te zoeken? Niets!’

Maar wat mag je daar nu als christen geloven?

Aan een graf mag je omhoog wijzen: ‘Zie, daar is een God Die leeft tot in eeuwigheid! Die God, Die het leven geopenbaard heeft in het Lam van God Dat de weg des doods heeft afgelegd.’

Jongens, meisjes, zijn jullie wel eens op een oorlogsbegraafplaats geweest, bijvoorbeeld in een week van dodenherdenking? Heb je wel eens gestaan te midden van die talloze graven? In Holten, of in Margraten bijvoorbeeld?

Je moet daar die grafstenen eens lezen. 18, 19, 23 jaar… een enkele oudere van 36 jaar… Een gemiddelde leeftijd van 20 jaar.

Zij hebben hun leven gegeven, ten behoeve van jou…

Wat doe je met die vrijheid?

Hoe ga je ermee om voor het aangezicht van God?

Wat indrukwekkend als je al die kruizen ziet.

 

Maar desondanks mag je er midden op zo’n begraafplaats van overtuigd zijn: er is tóch leven!

Waarom?

Om Jezus’ wil!

Want Eén is er Die de dood zijn triomf en overwinning heeft ontnomen: Christus Jezus.

Paulus zegt: Dood, waar is uw prikkel? Hel (dat is: dodenrijk), waar is uw overwinning? (1 Kor.15:55)

Zelfs het graf is door Hem geheiligd.

 

In de profetie van Jesaja leest u: Zij zullen rusten op hun slaapsteden (Jes.57:2).

Van Stefanus lezen we dat hij ontsliep.

Ontslapen… Daar ligt iets in van weer ontwaken. Om Jezus’ wil!

Zo ligt het graf van de heiligen Gods open naar boven toe. Hij waakt over Zijn onderdanen. Wij mogen de overledenen toevertrouwen aan de zorgende hand van de levende God. De engelen worden immers uitgezonden omwille van degenen die de zaligheid beërven zullen? We weten weliswaar niet precies wat er allemaal onder de taken van de engelen valt, maar zou de Heere hen ook niet bevolen hebben om toe te zien op de graven van de kinderen van God?

Jezus zegt: ‘Mijn kind, Ik heb niet alleen uw wieg gedeeld, Ik lag niet alleen in de kribbe, maar Ik deel ook uw graf. Ik ben ten volle Borg!’

Dat geeft verwachting voor allen die in Christus Jezus ontslapen zijn. Het is als het uitzien naar de morgen van de nieuwe dag.

 

Op deze verwachting nu sluit vraag en antwoord 42 aan: ‘Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?’

Het antwoord dat de catechismus geeft is: ‘Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.’

Wat een rijke genade als je met je hart gelooft dat Christus Jezus aan de gerechtigheid van God genoegdoening heeft gegeven. Hij is de weg gegaan. Wat een zegen als dat weerklank vindt in je hart!

Ik zei u zo-even dat u er dan zicht op krijgt dat de Heere niet twee keer de rekening aanbiedt. Betaald is betaald!

Om wat Hij gedaan heeft zal de Vader uiteindelijk niets meer van u vorderen.

De satan heeft zijn aanspraken verloren.

Als de schuld is betaald, vervalt de schuldeis en volgt geen straf meer.

Dan is ook de eis van ‘te moeten sterven’ vervallen.

 

Maar toch worden de lichamen van Gods kinderen gelegd in het stof van de dood. Hoe moeten we dat verstaan? Het geloof zegt toch dat Christus voor ons gestorven is? Als iemand een schuld heeft voldaan, volgt toch geen straf meer?

 

Op deze vraag geeft de catechismus eigenlijk geen rechtstreeks antwoord, maar wel een antwoord vol inhoud. Let er maar eens op wat Christus van uw dood heeft gemaakt. Als een vrome sterft is dat niet een laatste stukje afbetaling.

Nee! Onze dood, zo zegt de catechismus, is geen betaling voor de zonden.

Dat was Jezus’ dood wel! Zijn dood was betaling voor de zonden. Voor Hem was de dood een vloek. De angel van de dood hechtte zich in Hem.

En nu, zegt de catechismus, nu is het sterven van de heiligen geworden tot een afsterven van de zonden.

 

Tegelijk spreekt het antwoord van een nieuw begin. Er staat: een doorgang tot het eeuwige leven.

Eeuwig leven - als het goed met ons is - begint hier!

Wanneer een zondaar wederom wordt geboren.

Wanneer het geloof in Christus Jezus beoefend wordt. Want: Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven (Joh.3:36).

Wie in de Zoon gelooft, hééft het eeuwige leven. Er staat dus niet: die kríjgt het eens.

Dan kríjgt u niet maar iets, maar dan hébt u iets. U hééft dan het eeuwige leven.

Een nieuw begin dus. De volle heerlijkheid daarvan wacht nog. Die komt als Christus komt om de levenden en de doden te oordelen, naar lichaam en ziel. Maar zo lang de jongste dag nog uitblijft, mogen we het weten uit het spreken van de Heere.

De volle heerlijkheid breekt pas aan wanneer de doodsjordaan wordt overgestoken. Dan komen we als Bunyan aan in de straten van goud. Door de paar’len poorten in het nieuwe Jeruzalem.

Daar sluit Psalm 73 op aan, waarvan wij het twaalfde vers zingen:

 

               ‘k Zal dan gedurig bij U zijn,

 In al mijn noden, angst en pijn;

 U al mijn liefde waardig schatten,

 Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

 Gij zult mij leiden door Uw raad,

 O God, mijn heil, mijn toeverlaat;

 En mij, hiertoe door U bereid,

 Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

Ons derde aandachtspunt is:

 

3. De troost voor het geloof

 

Gemeente, de catechismus is niet zomaar uitgesproken als het gaat om de dood van Christus. In vraag 43 wordt gevraagd: ‘Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?’

Weer klinkt hier de taal van het geloof.

Waarom is het nuttig voor ons?

Het antwoord zegt: ‘Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten van het vlees in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.’

Wij horen in dit antwoord Paulus, die in de Galatenbrief zegt: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij (Gal.2:20).

En dat was ook te zien in zijn leven.

 

Gemeente, wie van ons zou niet graag in de Heere willen sterven?

Maar… dan zult u toch ook voor de Heere gelééfd moeten hebben. Het één ligt toch onlosmakelijk in het verlengde van het ander. Als de Heere je leven vernieuwt, ga je leven uit Hem. Dan zing je mee met Psalm 119: ‘Ik ben een vreemdeling hier beneden. Heere, ik voel me hier helemaal niet thuis. Ik ben hier wel, en ik moet hier ook zijn, want ik moet in mijn leven ook een opdracht vervullen. Maar me thuis voelen? Nee.’

 

Dat is, zegt het antwoord op vraag 43 van de catechismus, een aangelegenheid van strijd en van aanvechting. Want u moet er eens op letten dat het antwoord níet in de voltooide tijd staat. Er staat niet dat de oude mens met Hem gekruisigd ís en gedood ís en begraven ís… Nee, die oude mens wórdt gedood en wórdt begraven. Hier is sprake van een voortgaand proces. U komt nooit zover dat u kunt zeggen: ‘Nu ben ik de zonde te boven, nu ben ik er voorgoed van af.’ Nee! Guido Gezelle bad in dit verband:

 

De wereld wil mij achterna,

alwaar ik ga

of sta.

 

Zo’n leven geeft moeite. Meisjes, jongens, is jullie jonge leven ook zo?

Je kunt dan niet overal aan meedoen.

Waarom niet? Omdat je dat niet wilt.

‘Ik wil het om Gods wil niet!’

 

Kun je dat zelf? Red je dat zelf? Nee, geen van Gods kinderen kan dit uit eigen kracht!

Er staat in onze catechismus: ‘Door Zijn kracht!’ Dat is Christus’ kracht. Uit genade. Vanuit het werk van de Heere Jezus Christus. En ja, dan gaat het. ‘Gun door het geloof in Christus krachten, om die te doen uit dankbaarheid.’

Mis je dat, gemeente, dan verval je in een stuk werkheiligheid. ‘Ik doe dit en ik doe dat…’ Maar God blaast het zo omver. Het is niets waard. Gooi het weg! Acht het met Paulus als schade en drek, om de uitnemendheid van de kennis van Christus.

Dat is het enige wat standhoudt in de hedendaagse wereld en op de valreep van de nieuwe werkweek. Laten we verlegen zijn om Zijn kracht. Zie op naar Hem Die afgedaald is tot in de diepten van de dood.

 

De catechismus vraagt tenslotte: ‘Waarom volgt daar (waarom staat er nog achter): Nedergedaald ter helle?’

Ja, Christus heeft het helse lijden doorworsteld, ‘opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.’

 

Wij geloven niet dat Christus metterdaad, dus letterlijk, in de hel is geweest. Het is een figuurlijke manier van spreken. Er zijn verschillende opvattingen over.

Wanneer de belijdenis zegt: ‘Nedergedaald in de hel’, denken we niet zozeer aan een plaats of toestand. Het ziet op hels lijden. We denken dan aan Gethsémané. En in het bijzonder aan Golgotha, waar Jezus moest ervaren van God verlaten te zijn. Dáár is de hel!

Dat zijn die helse smarten. Onuitsprekelijk!

Onuitsprekelijk - je kunt het dus in woorden niet uitdrukken.

Niemand kan het zo verwoorden, dat u zegt: ‘Nu begrijp ik het.’

De letterlijke betekenis van het woord ‘begrijpen’ is: omvatten, je armen eromheen slaan. Zoals een kind wel eens zijn armen om een dikke boomstam probeert te slaan. Dat lukt niet, hè?

Met alle eerbied gesproken: zo is het ook met Jezus’ lijden, met Zijn neerdalen ter hel.

Onuitsprekelijke benauwdheid en kwellingen…

 

En waarom moest Hij dit alles lijden? Om de verlossing van Zijn kinderen werkelijkheid te doen worden.

In de hoogste aanvechting… Juist daar!

Dat gaat door de strijd en de aanvechting heen.

En juist als de golven van de beproeving hoog opslaan, wil Hij er zijn.

En als u vreest: nu is het gedaan, nu kom ik om, nu is er geen uitzicht meer...

Dan is Híj daar!

‘Zie hier ben Ik. Ik ben uw heil alleen!’

Dan kan het, uit genade!

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 2:7

 

Welzalig zij, die, naar Zijn reine leer,
In Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen;
Die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’;
Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.