Ds. L. Huisman - Mattheüs 27 : 24 - 25

De bloedkreet op Gabbatha

Hoe Pilatus zich probeert te verontschuldigen
Hoe het volk zich verwenst
De vernedering van onze dierbare Borg en Zaligmaker, Jezus Christus

MattheĆ¼s 27 : 24 - 25

Mattheüs 27
24
Als nu Pilatus zag, dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.
25
En al het volk, antwoordende, zeide: Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 122: 2
Lezen : Mattheüs 27: 11-32
Zingen : Psalm 69: 4, 5, 6
Zingen : Psalm 40: 4
Zingen : Psalm 22: 13

Gemeente, het Woord van God dat onze aandacht vraagt vindt u in Mattheüs 27 en dan in het bijzonder de verzen 24 en 25:

 

Als nu Pilatus zag dat hij niet vorderde, maar veelmeer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig van het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien.

En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.

 

In deze woorden horen wij: De bloedkreet op Gabbatha.

 

Drie gedachten:

1. Hoe Pilatus zich probeert te verontschuldigen

2. Hoe het volk zich verwenst

3. De vernedering van onze dierbare Borg en Zaligmaker, Jezus Christus

 

Onze tekst gaat dus over: De bloedkreet op Gabbatha.

In de eerste plaats zien we hoe Pilatus zich in duizend bochten wringt om van Jezus af te komen en hoe hij zich probeert te verontschuldigen. Maar het lukt hem niet.

Ten tweede vragen wij uw aandacht voor de dolle woede van het volk tegen Jezus. Ze slaken uiteindelijk de bloedkreet: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen. Daarmee verwerpen ze Christus totaal.

Tenslotte zien we hoe Christus Zich in dit alles laat vernederen. Dit staat eigenlijk niet met zoveel woorden in de tekst, maar vormt er wel de inhoud van.

 

1. Hoe Pilatus zich probeert te verontschuldigen

 

Als wij aandachtig de geschiedenis in ons teksthoofdstuk lezen, komen we tot de ontdekking dat Pilatus twee dingen wil doen die niet samen kunnen gaan. Hij wil Jezus vrijlaten, want hij is overtuigd van Zijn onschuld, en tegelijk wil hij een vriend van de wereld blijven.

Deze twee dingen zijn niet met elkaar te verenigen. Het is ‘of of’. Je bent een vriend van God en van Jezus, maar dan ben je vijand van de wereld. Of je bent een vijand van God.

Je kunt proberen de dienst van God met de dienst van de wereld te vermengen, maar dat is dan eigenlijk ook dienst aan de wereld.

De satan is daar tevreden mee. U kunt wat hem betreft gerust een kamer van uw hart gereserveerd houden voor God en de rest zelf bewonen. U kunt het ook omgekeerd doen. U kunt uw hele levenshuis, alles wat u bezit, reserveren voor de Heere en die ene kamer, waarin uw liefste zonde woont, voor uzelf reserveren.

Wat dat zoal kan zijn weet u wel, maar God weet het ook. Voor de een is het zijn geld, voor de ander is het zijn wellust, voor de derde is het zijn naam, en noemt u maar op. Maar wanneer u die ene kamer van uw hart reserveert voor uzelf, dan wil God in uw levenshuis niet wonen. Want waar Hij komt, wil Hij het geheel voor het zeggen hebben.

 

Onze haat, ons verraad, onze liefdeloosheid, maar vooral onze ongehoorzaamheid, maken onze val in Adam uit. Het herstel begint dan ook bij gehoorzaamheid; weer gehoorzaam zijn aan God. Met de vraag: ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’

Dit is de eerste levenskreet van de vernieuwde mens. We gaan ons levenshuis leegruimen en alles wegdoen wat de Heere niet behagen kan. We roepen uit: ‘Heere, komt U maar in mijn leven. Neemt U mijn handen en mijn voeten, neem mijn ogen en mijn oren. Neem mijn ziel en mijn lichaam en bereid ze tot Uw dienst.’ Dat is, eenvoudig gezegd, het begin van het nieuwe leven.

 

Dat nieuwe levensbeginsel kent Pilatus niet. Hij vorderde niet, zo staat er in onze tekst.

Waarin wilde hij dan vorderen? Wel, hij wilde eigenlijk Jezus vrijlaten.

Pilatus was geen vijand van de Heere Jezus. Natuurlijk, wanneer u dogmatisch redeneert en zegt: ‘Ja, maar alle mensen zijn van nature vijanden’, dan stem ik dat van harte toe. Maar zoals Pilatus in deze geschiedenis voor Jezus staat, is hij Hem niet vijandig gezind. Integendeel, hij vindt Jezus een sympathiek Iemand, een integer Mens. Deze Uitgeworpene heeft iets moedigs, iets heldhaftigs. 

Jezus bekoort deze edele Romein zelfs. Pilatus scheldt niet, hij steekt de draak niet met Hem, en hij spot ook niet met Hem.

Pilatus ziet een Man vol waardigheid voor hem staan. Jezus’ gelaat moge dan bleek zijn vanwege het lijden dat over Hem gekomen is, maar Zijn oog is helder. Dat fonkelend oog, die poort van de ziel, die spiegel van de ziel, spreekt Pilatus aan. Hij denkt in zijn hart: ‘Ik wou dat ik van Jezus af was. Ik zou willen dat ik het volk bewegen kon om Hem los te laten.’ Want hij weet dat de Joden Hem uit haatgevoelens aan hem overgeleverd hebben.

 

Pilatus probeert daarom op allerlei manieren om zijn doel - Jezus’ vrijlating - te bereiken. Hij is dus blij als hij verneemt dat Jezus eigenlijk onder het rechtsgebied van Herodes valt. Meteen zegt hij: ‘Ga maar met Hem naar Herodes.’

Herodes wilde Jezus eigenlijk al lang eens zien. ‘Laat Hem maar komen. Laat Hij maar eens wat wonderen doen’, zo zegt hij.

 

Als Jezus voor Herodes staat, zien we niet alleen de stille eenvoud die Hij uitstraalt, maar ook Zijn koninklijke waardigheid. Jezus zwijgt en antwoordt hem niet één woord.

Even is Herodes nog bang geweest dat Johannes weer is opgestaan, maar als hij Jezus voor zich ziet, realiseert hij zich al snel: ‘Van deze Man heb ik niets te vrezen.’ Hij wordt overmoedig en begint de spot met Jezus te drijven. Dan gooit hij Jezus een blinkend witte mantel om en stuurt Hem zo terug naar Pilatus.

Hij zegt daarmee als het ware: ‘Kijk, Pilatus, hier is Iemand die naar het koningschap dingt. Ik zal Hem vast het kleed omhangen dat de kandidaten voor een staatsambt gewoonlijk dragen.’ Herodes drijft hiermee op subtiele wijze de spot met het koningschap van de Heere Jezus Christus.    

 

Jezus wordt bespot in Zijn koninklijk ambt. Juist in Zijn ambten verlost Christus Zijn volk. Hij is de Profeet Die ons, verdwaasden, de weg der zaligheid leert. Hij is Koning om ons te verlossen van de heerschappij van de satan. Hij is de grote Voleinder van het geloof Die ons in de hemel brengt. Juist in dit werk, in de ambten van Christus die Hij aanwendt tot zaligheid van arme zondaren als u en ik, juist in die ambtelijke bediening wordt Hij nu diep gesmaad en veracht.

Wanneer we terecht lijden als een misdadiger, en ons bespottelijk hebben gemaakt, kan het ondergaan van straf en spot uiterst pijnlijk zijn. Maar het is veel pijnlijker wanneer  we bespottelijk gemaakt worden, gesmaad worden, veracht worden, liefdeloos behandeld worden, terwijl we ons juist inspannen om die ander onze liefde te bewijzen. Wanneer we die ander hoop willen geven en willen helpen. O, wat is er een diepe en bittere smaad over Jezus gekomen!

 

Maar Pilatus is nog niet van Jezus af. Herodes stuurt Hem terug. Pilatus moet weer iets anders bedenken.

Hij krijgt een inval en zegt: ‘Op het feest van het Pascha is het gebruikelijk dat ik u uit twee misdadigers laat kiezen, en degene die u kiest vrij te laten. Ik zal die gewoonte ook nu volgen.’

Niet lang nadat hij dit gezegd heeft, worden het volk twee gevangenen voorgesteld. Barábbas – zijn naam betekent ‘zoon van de vader’ – staat tegenover Jezus, dé Zoon van de Vader.

Maar het volk kiest Barábbas, en geeft daarmee de voorkeur aan die ene zoon van de vader – een misdadiger – ten koste van Jezus, de enige Zoon van de Vader.

 

Barábbas – zoon van de vader. Er kleeft bloed aan zijn handen. Hij was in een oproer gevangengenomen. Hij heeft een doodslag gepleegd en is daarom in de gevangenis geworpen. Moordend staal heeft hij in het hart van zijn medemens gedreven en die is onder zijn tirannie gestorven.

Het volk kiest een misdadiger en verwerpt die andere Zoon van de Vader, de Zoon van God, Die in de wereld gekomen is om Zijn bloed te storten en Zijn leven af te leggen voor Zijn schapen. Het is vreselijk dat het volk deze keuze doet. Het kiest de verkeerde en kiest tegen God en tegen Christus.

 

Pilatus onderneemt een laatste poging Jezus vrij te laten. Hij zegt tot de Joden: ‘Goed, ik zal Jezus geselen en Hem dan loslaten.’ Met andere woorden: ‘O, volk der Joden, Jezus, deze gegeselde, geslagen, doorpriemde, gesmade en bloedende Man, heeft nu toch wel genoeg geleden, nu Hij zo verlaten, zo doorstoken en met zoveel pijn en smarten voor u staat?’

Jezus wordt meegenomen naar de binnenplaats en aan de geselpaal gebonden en daar drijven de ploegers de ploegschaar, de zweepslagen, het lood en het ijzer Zijn rug in. Ploegers hebben op mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang getogen (Ps.129:3).

 

De krijgsknechten hebben intussen een kroon van doornen gevlochten. Zo’n verschrikkelijke doorntak die we hier niet kennen, maar die in het oosten overal te vinden is. In Afrika heb je doornbomen, die men de ‘wacht-een-beetje-boom’ noemt. Zijn takken hebben doorns die naar drie kanten uitsteken. Als je je hand in zo’n doornstruik steekt, dan krijg je hem er niet zonder meer uit. Dan moet je, om weer los te komen, takje voor takje losknippen en doorn voor doorn afbreken.

Van zo´n doorntak vlechten de soldaten een kroon en zetten die op Jezus’ hoofd. Men hangt Hem een versleten rode officiersmantel om en drukt Hem een stok, een rietstaf, in de hand. Dan vallen ze voor Hem neer en bespotten Hem. Hoe is Hij vernederd en ontluisterd!

 

Pilatus brengt Hem uit, staat er vervolgens in ons teksthoofdstuk. Hij toont Hem aan het volk: Zie de Mens!

Maar luister, over Jezus staat opgetekend: En Hij kwam…

Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jes.53:7). Zo staat Jezus daar en zo tracht Pilatus door het medelijden van het volk op te wekken, zich van Jezus te ontdoen. Maar het baat allemaal niet.

Nee, op deze wijze komt geen mens van Jezus af. Niemand! Welke uitwegen u in uw leven ook bedenkt om onder de klem van het Woord van God uit te komen, en welke slinkse gangen u ook probeert te gaan. Er is maar één manier en dat is de weg van de waarachtige bekering.

Pontius Pilatus wil die weg niet gaan. Hij is bang dat hij dan de gunst van het volk zal verliezen. Hij vreest voor zijn goede naam. Om zijn eigen naam laat hij Jezus lijden en hij ziet geen andere mogelijkheid dan Hem over te geven aan de wil van het volk. 

 

We lezen dan dat een dreigend oproer hem bang maakt. Toen dan Pilatus zag dat hij niet vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wies de handen voor de schare.

De Joden verwijten hem: ‘Als je Hem loslaat, ben je de vriend van de keizer niet meer.’ Met andere woorden: ‘Goed, man, als je ons onze zin niet geeft, dan zullen we je aanklagen bij de keizer en we weten heel wat over je te vertellen.’

 

Wanneer Pilatus voor de definitieve beslissing staat, stuurt zelfs zijn vrouw hem een bericht. Zij laat hem weten: Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige; want ik heb heden veel geleden in de droom om Zijnentwil (Matth.27:19).

Wat is het jammer dat ze het niet omgekeerd heeft. Ze had eigenlijk moeten zeggen: ‘Laat Hem los, want Hij lijdt veel om onzentwil.’ Maar tot die bekentenis is ze niet gekomen.

Pilatus staat in tweestrijd. De Romeinen hechtten veel aan dromen en zagen daarin ingevingen door de goden. De woorden van zijn vrouw waren dus van veel betekenis voor Pilatus. Maar aan de andere kant staat de schare die weldra in opstand kan komen.

Nu is Pilatus niet echt bang voor oproerige scharen. Hij had soldaten genoeg om het oproer in bloed te smoren, maar hij vreest voor zijn goede naam. Het gerucht zou immers Rome kunnen bereiken: ‘Daar in Jeruzalem is weer opstand en Pontius Pilatus is niet bij machte het volk rustig te houden.’  

 

Wat heeft een mens er niet voor over zijn eigen naam hoog te houden? Zijn naam in deze wereld, zijn naam voor zijn vrouw en zijn vrienden… Christus wordt wat vaak overgeleverd, omdat we onze naam zo liefhebben, omdat we geen kleur willen bekennen, omdat we niet eerlijk aan Zijn zijde durven te gaan staan.

 

Misschien vraagt u zich af: Waarom moest Christus zo zwaar lijden? Waarom kon Hij niet zonder meer ter dood gebracht worden? Dat offer van Zijn dood zou dan toch ook als genoegdoening kunnen dienen?

Gemeente, Christus moest noodzakelijk het lijden ondergaan zoals hier beschreven wordt. Want de zonde is niet maar een eenmalige daad waarmee we ons afkeren van God, maar de zonde heeft zo eindeloos veel vertakkingen in ons leven. Jezus Christus moest niet alleen sterven, maar Hij moest ook de dood aan het kruis sterven. Hij moest de gevolgen van onze zonden, die zich doen kennen in verraad, verloochening, verachting, bespotting en bespuwing, wegdragen. Opdat Hij, zoals in de brief aan de Hebreeën staat, een volmaakt Hogepriester zijn kon in de dingen die bij God te doen waren.

Hij moest als Borg en Zaligmaker deze verachting en dit lijden dragen, om onze verachting, onze bespotting, onze tegenkanting, onze verloochening geheel weg te dragen.

 

We zien tenslotte dat Pilatus om een kom met water vraagt. Dat is waarschijnlijk het gebruik dat de Heere Zelf voorgeschreven heeft in Deuteronomium 21 vers 6. Wanneer iemand buiten het dorp of buiten de stad in het veld dood gevonden werd, werden de oudsten van de stad erbij geroepen. Zij moesten dan een koe nemen en de nek van dat dier doorklieven. Vervolgens werd voorgeschreven om boven het dode dier hun handen te wassen en uit te spreken: ‘Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.’ Daarmee werd de bloedschuld van de stad of het dorp weggenomen en werd betuigd: ‘Aan dit sterven zijn wij onschuldig.’

 

Naar dit voorschrift handelt Pilatus hier. Ik weet niet of het ook bij de Romeinen de gewoonte was, of dat hij dit gewoon heeft gedaan ter wille van het Joodse volk. Omdat hij als rechter over het Joodse volk was aangesteld, kende hij hun gebruiken goed. Hij heeft zich waarschijnlijk verdiept in de rechtsregels van de Joden.

Pilatus laat dus een kom met water komen en daarin wast hij ten overstaan van het volk  theatraal de handen en spreekt daarmee als het ware uit: ‘Mijn handen hebben dit bloed niet vergoten en mijn ogen hebben het niet gezien.’ Direct daarna geeft hij Jezus over aan het volk.

Dit neemt echter niet weg dat Pontius Pilatus als rechter over het Joodse volk zich met deze handelswijze schuldig gemaakt heeft aan de dood van de Heere Jezus Christus.

Maar het Joodse volk heeft Zijn bloed geëist en vervloeking over zich afgeroepen.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. Hoe het volk zich verwenst

 

Het Joodse volk heeft met haar keuze voor een misdadiger het bloed van Christus geëist en daarmee vervloeking over zich afgeroepen.

Ons hele leven als christenen is kiezen. Overal, elke dag, worden we geroepen om belijdenis te doen van ons geloof. U moet uw eigen hart maar eens onderzoeken. Dan zult u ervaren dat Pontius Pilatus niet zo ver van u afstaat.

Er zijn veel mensen die zeggen: ‘Ach ja, ik geloof toch echt wel in het Woord van God. En ik zal nooit een kwaad woord zeggen van Jezus Christus. Ik geloof dat Hij de Zoon van God is.’ Dit zijn mensen die nog veel verder gaan dan Pontius Pilatus, die een heiden was, en dus van Christus verder niets afwist. Het zijn mensen die de waarheid beamen, de waarheid toestemmen, door de waarheid bekoord worden, die soms tranen kunnen schreien onder een ernstige vermaning, die soms met medelijden vervuld kunnen zijn over de lijdende Christus… maar als Pilatus doen! Mensen als Jeruzalems vrouwen weleer, die weenden om de pijn van hun lijdende Heer.

 

Hoe is je keuze als het erop aankomt, als het je wat gaat kosten, van je spaarbankboekje, van je goede naam bij je werkgever, van de gunst van je vriend, van de liefde van je meisje? Wanneer we voor de keus worden gesteld: ‘Nu moet je kiezen; nu moet je je uitspreken of je aan de kant van God staat, aan de kant van Jezus’, wat kiest u dan?

Kiest u dan onvoorwaardelijk voor de dienst van God, of krabbelt u terug en loopt u een beetje mee? Er zijn altijd wel verontschuldigingen voor te vinden.

 

Zelfs als in de prediking wordt aangedrongen Hem te kiezen als onze God en Koning, als onze Borg en Zaligmaker, o, dan wijzen wij Christus ook zo vaak af.

Soms met de meest vrome argumenten: ‘Dringt u toch niet zo aan op die keuze, want dat kan een mens niet uit zichzelf. Dominee, u doet net alsof de mens het zomaar voor het grijpen heeft, alsof een mens zomaar in Jezus kan geloven! Maar u weet toch wel, dominee, dat we allemaal dood zijn in zonden en misdaden?’

Gemeente, dat weet ik echt wel. Maar u leeft uw doodstaat uit en acht het bloed van Jezus onrein, zolang u Hem niet kiest als uw Zaligmaker, zolang u zegt: ‘Ja, maar ik kan het zomaar niet.’ Nee, u kunt het ook niet zomaar! Maar ik verkondig u dat Jezus Christus gekomen is om het voor u te doen.

 

O, er zijn zoveel mensen die menigmaal bewogen worden door de prediking van de gekruiste Christus. Die menigmaal bewogen zijn onder de drang van het Woord van God. Maar als ze de kerk uitgaan, dan hebben ze het over van alles en nog wat, behalve over Jezus.

Als u morgen weer op uw werk bent, dan bent u net zo communistisch en net zo socialistisch, net zo opstandig en net zo ellendig als de wereld. Dan maakt u Christus te schande. Dan doet u hetzelfde als wat Pontius Pilatus gedaan heeft. Met allerlei mooie uitspraken, waarin u ten diepste zelf niet gelooft.

Meen niet dat het u morgen beter zal vergaan.

Arme, blinde zondaar, u bedriegt zich!

Wij hebben allen deze Pilatus in ons hart.

Wendt u zich met deze wetenschap vandaag nog tot Jezus.

 

Wat doen nu de Joden?

Luister! En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.

Nadat Pilatus gezegd heeft: Ik ben onschuldig, gijlieden moogt toezien, zeggen ze:  ‘Goed, dat nemen we op ons. Als het zo zou zijn dat deze Jezus door ons toedoen onschuldig veroordeeld is, dan nemen wij de verantwoordelijkheid op ons. De bloedschuld ligt dan op ons.’

Een vreselijke bloedkreet!

Ze roepen het zelfs af over hun kinderen.

Zo groot is de haat, zo diep de verachting tot deze ‘lijdende Liefde’, dat het volk tot in het waanzinnige doorgaat. Als ze dan schuldig staan aan de dood van Jezus, dan zullen ook hun kinderen met hen lijden onder deze verwerping.

 

Hoe is het toch zo ver met het volk van de Joden gekomen? Zie daar Jezus staan als de Man van smarten. Nooit heeft Hij Zijn volk kwaad gedaan.

Zijn handen, waar het bloed langs druipt, heeft Hij genezend opgeheven, zegenend, omhelzend, reddend. Deze handen zullen ze straks doorboren. Die ogen van Christus, waaruit oneindig medelijden sprak met hun krankheden, zorgen, moeiten en verdriet,  kunnen ze niet langer verdragen. Zijn ogen zullen ze dichtslaan. Ze zullen Hem doden.

Waarom toch?

Gemeente, zo’n Jezus wilde en verwachtte het volk van de Joden niet. Waarom niet?

Wel, Jezus heeft Zijn volk in hun godsdienst aangetast. Het gehele leven en lijden van Jezus is één grote proclamatie aan het volk van de Joden, en een aan de kaak stellen van hun schijnheiligheid.

 

De Joden wilden wel een Messias, maar dan een messias met wie ze triomfantelijk zouden kunnen heersen over de volkeren rondom. Maar dan staat er een Jezus op Die tegen hen zegt: ‘De buitenkant is wel mooi. Jullie zijn wel erg gesteld op de wet en op die wettische prediking van de farizeeën en de schriftgeleerden, maar uw hart deugt niet.’

Toen Jezus op de sabbat door het gezaaide ging en Zijn discipelen aren plukten, was dat in hun ogen een doodzonde. Toen Jezus op de sabbat hun krankheden op Zich nam,  noemden ze dat een doodzonde. ‘Deze mens’, zo zeiden ze, ‘houdt de sabbat niet. Hij is niet van God.’ Zij waren immers veel stipter in de uitoefening van hun godsdienst? Zij waren toch veel preciezer als het ging over de wet van God? Zij waren toch veel rechtzinniger dan Jezus?

 

Gemeente, heeft u de mond vol over het recht van God en denkt u aangewezen te zijn om dat recht van God te handhaven? Wellicht meent u dat het ‘nauwelijks zalig worden is’, dat u de enige, wellicht de laatste gezaligde zult zijn. U kunt misschien wel avonden praten over uw bekering en over het recht Gods dat u ondergaan hebt, en over het lijden dat u om Christus’ wil hebt moeten ervaren… Maar ik vraag u: Wie is Christus voor uw hart?

Weet u daar geen antwoord op? Komt dat dan niet omdat de gekruisigde Jezus, Die aan het recht van God genoeg deed, ten diepste uw eigengerechtigheid in de weg staat? Het is van tweeën één. Het is úw lijden, úw bekering, úw tranen, úw rechtzinnigheid, óf het is Jézus’ offer!

Als ik aan mijzelf, aan mijn eigen ik gestorven ben, neem ik nog maar één woord in de mond en dat is… Jezus!

 

Gemeente, Jezus tastte de Joden in hun godsdienst aan. Hij zei: ‘Als uw gerechtigheid niet overvloediger is dan de gerechtigheid van de farizeeën en schriftgeleerden, dan kunt u het koninkrijk van God niet binnengaan.’ Hij stond recht tegenover hen en voegde hen toe: ‘Adderengebroedsels!’

Gij wederstaat altijd de Heilige Geest (Hand.7:51), horen we later Stefanus zeggen. Waarom? Omdat ze Jezus niet gekend hebben zoals Hij van God gegeven is. Omdat ze niet zien dat Hij Gods gerechtigheid is, en het enige Offer dat geldig is bij God. Zo is het met mensen gesteld die hun schuld en zonde niet zien en nooit smeken om genade en redding.

 

Zo komt de menigte tot deze verschrikkelijke uitspraak en tot deze helse verwensing: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Zij verwerpen Jezus’ striemen, Zijn wonden en ten diepste Zijn gerechtigheid.

Gemeente, onthoud het toch, u kunt met uw rechtzinnigheid een verwerper blijven van de gerechtigheid van God. Maar als u oog krijgt voor een lijdende Borg, dan kunt u het onmogelijk met minder doen dan met de gerechtigheid van Christus.

Dan komt u met al uw zonden en tekort tot Hem. Met al het verkeerde, met al het dwaze valt u dan neer aan de voeten van de Heere Jezus.

O, dat is nu voor ieder van ons nodig!

We gaan dan ook roepen: Zijn bloed kome over ons!

Maar anders dan de Joden.

We zeggen dan: ‘O, Heere Jezus, laat het bloed dat U stortte zijn tot vergeving en afwassing van mijn zonden. O, God, denk ook aan mijn kinderen. Maak ze met mij zalig.

Doe ze het goed beërven dat nimmermeer vergaat.’

 

God heeft met ons een verbond der genade opgericht. Wie het bloed van Christus verwerpt, verwerpt dit verbond. En wie het verbond verwerpt, verwerpt zijn zaligheid. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor zijn kinderen. Daar moeten we van doordrongen zijn.

In een vragenboekje voor de catechisatie vraagt Borstius heel eenvoudig aan de kinderen: ‘Wat is je bekeren?’ Hij antwoordt dan: ‘Dat is je leven beteren.’ Vervolgens vraagt hij: ‘Waarom moeten kinderen gedoopt worden?’ Het antwoord luidt: ‘Omdat ze in het verbond van God zijn.’ Dat is heldere en Bijbelse taal. Daar moeten we mee werkzaam zijn, voor ons en voor onze kinderen.

 

Wat God zegt meent Hij ook echt. Als we daar van uitgaan, zullen we niet beschaamd worden. We mogen een beroep doen op het eigen Woord van God. Hij is daarin getrouw. Dan zullen we ervaren dat God onze God is en de God van onze kinderen.

Dan zullen we het ervaren:

 

Maar ‘s Heeren gunst zal, over die Hem vrezen,
In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;
Zijn trouw rust zelfs op ‘t late nageslacht,
Dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden,
Noch van Zijn wet afkerig d’ oren wenden,
Maar die, naar eis van Gods verbond, betracht.

 

Er is maar één manier om verloren te gaan, en dat is door het genadeverbond te verachten. Omhels toch dat verbond!

Dat gaat gepaard met zelfovergave, met het verwerpen van alles wat van jezelf is, je totale failliet onderschrijven; het gaat gepaard met een hartelijke bekering en overgave aan God en Zijn dienst.

Het volk van de Joden heeft Jezus verworpen. Ze hebben gezegd: ‘Weg met Hem! Zijn bloed kome over ons, en over onze kinderen!’ En kijk eens wat er gebeurd is in de loop van de eeuwen. We zien hoe dat bloed het volk van de Joden aankleeft en achtervolgt.

 

U zult niet straffeloos aan Hem voorbijgaan. U kunt Hem niet straffeloos links laten liggen. Als u dit bloed verwerpt, blijft de toorn van God op u. U hebt geen keus. U kunt het niet uitstellen. Daar is geen andere weg om het eeuwig verderf te ontvlieden.

Het is van tweeën een: óf u moet de toorn van God dragen over de verwerping van Jezus, óf u omhelst Hem en zegt: ‘Jezus, dierbare Jezus!’

 

U gaat dan met heel uw ziel zingen, wat we nu samen doen uit Psalm 40 vers 4:

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,
Voldeden aan Uw eis, noch eer;
Toen zeid’ Ik: Zie, Ik kom, o Heer’!
De rol des boeks is met Mijn naam vervuld.
Mijn ziel, U opgedragen,
Wil U alleen behagen;
Mijn liefd’ en ijver brandt;
Ik draag Uw heil’ge wet,
Die Gij de sterv’ling zet,
In ’t binnenst’ ingewand.

 

Onze derde gedachte:

 

3. De vernedering van onze dierbare Borg en Zaligmaker, Jezus Christus

 

Tenslotte willen we stilstaan bij de grote troost die er in onze tekst ligt.  

Hoe bitter is de beker die Jezus hier als Weldoener van het volk moet drinken.

Hier, op Gabbatha, staat Hij Die uw krankheden op Zich genomen heeft, door Wiens striemen ons genezing geworden is.

Hij draagt een kroon van doornen.

Doornen horen niet bij een koningskroon. In een kroon horen parels.

Maar in Jezus’ kroon zijn doornen, omdat het aardrijk vanwege de vloek die over onze zonde gekomen is, doornen en distels voortgebracht heeft. Nadat wij de band met God verbroken hebben, hebben wij onszelf op de troon gezet.  

 

Als Pilatus met de woorden ‘Zie, de Mens’ Jezus aan het volk voorstelt, wil hij daarmee hun medelijden opwekken. Maar achter die kromme gang van Pilatus, staat het recht van God. Het is God Zelf Die ons Jezus zo voorstelt.

Zo wordt Hij ook u voorgesteld: Zie, de Mens.

Zó bent u geworden.

Dit zal uw straf zijn wanneer u niet voor Hem buigt.

 

Wij hebben onszelf koning gemaakt. Wij dragen als het ware ook een doornenkroon, en een versleten soldatenmantel, als een bespotting van ons ambt waarmee we door God begiftigd waren toen we nog stonden in de staat der rechtheid.

En zie die staf!

Het teken van koninklijke waardigheid en majesteit is een rietstaf in onze hand geworden, waarmee we niet meer regeren kunnen. Hoe zullen we ooit de hemel en de aarde regeren?

Zo zijn we geworden. Zo staan we daar in Hem, met bloed bevlekt, gestriemd, bevuild, bespuugd, en van God verlaten.

 

Toen Korach, Dathan en Abiram tegen Mozes, de knecht van de Heere, opstonden en hem het leiderschap, dat God Zelf hem op de schouders had gelegd,  betwistten, sprak God:  ‘Scheid u af van deze goddeloze mannen.’ En de aarde opende haar mond en verslond hen met hun huizen, en alle mensen die Korach toebehoorden en al de have (Num.16:32).

Als Elia, de knecht van God, door een hoofdman met vijftig soldaten op brutale wijze wordt aangesproken, slaat de profeet  zijn oog omhoog en spreekt hij tot de hoofdman: Ben ik een man Gods, zo dale vuur van de hemel en vertere u en uw vijftigen (2 Kon.1:12).

Het gebeuren herhaalt zich als een tweede overste tot de profeet wordt gezonden.

De derde smeekt om zijn leven, en God spaart hem.

 

Maar hier op Gabbatha staat de volmaakte Knecht van God, Zijn enige Zoon, Die zeggen kon: ‘Wie overtuigt Mij van zonde?’

Hij draagt Gods heilige wet in het binnenste van Zijn ingewand, onbevlekt en onberispelijk.

Maar God schijnt Hem te vergeten; Zijn Vader verlaat Hem.

God verstoot Hem; de Vader zet Hem erbuiten.

Zie, de Mens!

 

O, wie voor God zijn vonnis eigent, zal zeggen: ‘Ja, die mens die daar staat, ben ik. Wat is er van mijn leven terechtgekomen, van mijn heerlijk koningschap, van al mijn idealen? Van de vorstelijke staat waarin God mij geschapen heeft? Ik ben een ellendeling. Ik ben een schandvlek op Gods wereld.’

Kom toch vandaag eens, met het oog geslagen op deze Mens, tot die bekentenis!

Dit is de scherpste wetsprediking die er onder de hemel ooit te horen is.

Hier worden u en ik voorgesteld als een totale mislukkeling over wie niets goeds te zeggen valt.

 

Welgelukzalig is de mens die het belijdt, die zegt: ‘Ja, Heere, dat ben ik. Wat is er van mij terechtgekomen? Wat is er van mijn vaderschap en van mijn moederschap terechtgekomen? Wat is er van mij terechtgekomen als man, als vrouw, als kind, als broer, als zus? Als mens in deze maatschappij? Ik ben een mislukking op allerlei gebied. Want aan alles wat ik doe, kleeft mijn eigen eer, kleeft mijn eigen ik, kleeft de zonde.’

In dit alles ligt de verwerping van Hem Die alle macht en heerschappij toekomt.

Maar… wie in die smart over zijn zonden terneer ligt en wie zichzelf op deze wijze verfoeit – voor zo’n mens is er verwachting! Want deze Man van smarten, aan Wiens voeten we bittere tranen schreien, heeft onze ongerechtigheden op Zich genomen. In plaats dat God mij stelt voor Pontius Pilatus, stelt Hij daar Zijn Zoon.

 

Zitten er hier mensen die zeggen: ‘Ja, ik heb wel eens hoop op God, maar ik vrees zo vaak weer vanwege het oordeel. Mijn ziel krimpt ineen bij de gedachte dat God de ongerechtigheid toch niet ongestraft kan laten. Als ik denk aan sterven, dan weet ik geen raad. Want als God met mij in het gericht treedt, ach, wie zal dan bestaan?’

Kom, dit is de Schuilplaats, hier is de Redder, door God u aangewezen!

Het is goed dat u uw zonde en vervloeking ziet, maar u moet er niet op blijven staren.

Niemand wordt zalig door te zien op zijn zonden en op zijn eigen wonden.

Kom en sla uw oog op de Man van smarten!

Deze Jezus heeft geen lust in uw dood en in uw verderf, maar Hij roept u toe: ‘Zie op Mij! Zie op Mij!’

 

Eén blik op Jezus maakt u zalig, voor nu en voor eeuwig.

Want wie Hem gezien heeft, die heeft de Vader gezien.

De Vader richtte in Zijn onpeilbare en onbegrijpelijke handhaving van Zijn gerechtigheid, Zijn vlammende toorn op het hart van Zijn enige Zoon, onze lieve Borg en Zaligmaker.

De Vader stortte in Zijn onuitsprekelijke genade en liefde liever Zijn Zoon met een doornenkroon in de dood, dan dat Hij ons met een spotkleed voor mensen en duivelen te schande zou maken en voor eeuwig verloren liet gaan.

 

O kom, zondaar, en laat Hij uw plaats innemen.

Ja, Hij heeft het gedaan! Geloof het slechts!

Dan zult u uitroepen, zoals Luther riep: ‘Wij hebben geruild, we hebben geruild, Heere Jezus, U nam mijn zonde en ik ontvang Uw gerechtigheid.’

Ja, gemeente, dan wordt de rust geschonken en ontvangen we een vrede en blijdschap die de wereld niet kent.

Dan schreien we tranen zoals we nog nooit geschreid hebben. Dan klimt onze bange ziel gereder, ten berge van Gods heiligheid, want daar vinden we het welbehagen van de Vader.

 

Toen de Joden aan Jezus vroegen: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?, antwoordde hij: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem Dien Hij gezonden heeft (Joh.6:28-29). Geloof in de gekruiste Christus!

Door dat geloof worden we voor eeuwig van de straf ontheven. Door het zien van dat geslagen en bebloede en bespuwde Godslam, worden we voor eeuwig van de straf bevrijd.

Wie zo Christus kiest als zijn Priester, als zijn Borg en als zijn Zaligmaker, die kiest Hem ook als zijn Koning. Als Jezus de Redder is van uw zonden, de Redder van uw ziel, in de wegneming van uw zonden, dan is Jezus ook de Koning geworden Die u het leven geeft. Je hebt Hem dan nodig opdat Hij je voorgaat. Dan word je bang van de zonde. Dan leer je je lot en leven aan Hem geven. Hij is de Ark van het behoud, waarin je veilig schuilt.

 

Hij is zo gewillig. Toen Hij in het goddelijke rechtsgeding voor Pilatus stond, heeft Hij de spotmantel niet afgeworpen en de rietstaf niet weggeworpen. Hij heeft die spotkroon niet van Zijn hoofd weggedaan. Hij heeft daar gestaan, dragend de doornenkroon.

Gewillig heeft Hij de wet, waarvan de liefde de vervulling is, volbracht.

In onze tekst staat Hij voor u.

Hij heeft God lief, ook als Deze Hem verstoot.

Hij houdt God vast, ook al veroordeelt Deze Hem.

Hij daalt neer ter helle, maar Hij klemt Zich met één hand aan God vast.

Hoor maar: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? (Matth.27:46). Maar met Zijn andere hand houdt Hij ons, Zijn verloren schapen, vast: Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen (Luk.23:34).

 

Kinderen, als we zo Jezus zien staan, breekt er dan niets in je hart?

Zou je nu in je jonge jaren niet voor Hem kiezen?

Kan dit evangelie van onze God en Zaligmaker je niet in opstand brengen tegen jezelf?

In opstand tegen je zondige begeerten en je halfslachtigheid?

 

Jongens en meisjes, als de wereld je toelacht en als de zonde lokt – de verleiding is immers zoet en de zonde streelt ons verdorven vlees – als je je eigen naam handhaaft en je verloochent de naam van de Heere Jezus, misschien met een verwensing of zelfs met een vloek, dan zul je veel vrienden hebben. Ze zullen je grinnikend toeknikken. Je zult misschien wel hun aanvoerder worden.

Maar ik geef je de verzekering dat het wenen over je schuld, aan de voeten van Hem Die je ongerechtigheid droeg, meer blijdschap geeft dan populair te zijn, dan onder je wereldse vrienden iemand van naam en faam te zijn.

De belijdenis van je schuld en het verlaten van de zonde zal je een hemelse, zoete smaak geven, die je in het genot van de zonde nooit zult proeven. De smaak van de zonde is bitter en het einde daarvan is de dood.

 

Gemeente, het bewenen van uw zonden en de aanschouwing van het lijdende Lam laat een gezegende vrucht van heiligmaking na. Wie op Jezus ziet, sterft liever dan dat hij nog langer zondigt. Wie een blik op Jezus slaat, kiest voor Hem, voor die verachte Man van smarten. Dan reizen we getroost achter de Bloedbanier, achter de Kruisbanier aan. Want deze God is onze God, eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot de dood toe (Ps.48:15).

 

Als Pilatus zegt: ‘Wat moet ik met Jezus doen?’, dan schreeuwt onze ziel: ‘Geef Hem aan mij! Laat het mijn Jezus zijn, voor nu en tot in eeuwigheid!’ Dan verlang ik ernaar Hem te omarmen, dan wil ik aan Zijn voeten neerknielen, dan wens ik Hem lief te hebben als het allerhoogst en eeuwig goed. Dan wil ik Hem erkennen als mijn God en als mijn Zaligmaker.

Daarin wordt God de Vader verheerlijkt.

God gaat geen andere weg om ons zalig te maken dan door de dood van Zijn enig Kind.

Ik hoop en ik bid dat u geen andere weg ziet. Ik wens dat u nooit zult rusten voor u neerzinkt op deze vaste Rots; op deze grond, in Sion gelegd. Vind toch geen rust voor uw gebroken hart dan in de aanschouwing van dit gezegende Godslam.

Ik hoop dat u op de wereld geen andere naam dierbaar leert achten dan deze enige naam, in Wie zaligheid is voor een verlorene.

Durft u het met dit Godslam te wagen?

Dan heeft u aan Hem genoeg.

 

Er is maar één middel om van de zonde verlost te worden: het bloed van Jezus.

Dat bloed wordt door Zijn Geest dierbaar gemaakt voor ons hart.

Het is een volkomen en beproefd middel.

Maar als de satan u dan beschuldigt dat u geen heil bij God hebt, als hij uw zonden u voor ogen stelt, als hij u in het nauw drijft, weiger hem dan te geloven.

Lees in het Woord van God.

Luister naar de stem van de goede Herder, totdat u Hem aanschouwt.

 

De ogen die zo zien, zullen nooit meer terugzien.

Het oor dat zo Zijn sprakeloze stem hoort, toen Hij zwijgend voor Pontius Pilatus stond, zal Hem kiezen als zijn God, als zijn deel en als zijn eeuwig goed.

Dan zult u zingen:

 

Van het knechtschap der zonde door Jezus bevrijd,

van het erfdeel der kinderen, u liefelijk bereid.

Nu volg ik mijn Heiland, ootmoedig en stil.

Zijn wil is mijn wet, en Zijn wet is mijn wil.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 22:13

 

Ik loof eerlang U in een grote schaar,
En wat Ik U beloofd’ in ‘t heetst gevaar,
Betaal Ik, op het heilig dankaltaar,
Bij die U vrezen;
‘t Zachtmoedig volk zal rijk verzadigd wezen,
Ten dis geleid.
Wie God zoekt, zal Hem prijzen.
Zo leev’ uw hart, door ‘s hemels gunstbewijzen,
In eeuwigheid.