Ds. D. Rietdijk - Zondag 21

De heilige, algemene, christelijke Kerk

De vergadering van die Kerk
De vereniging van die Kerk
De reiniging van die Kerk
Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 125: 1, 2
Lezen : 1 Korinthe 12: 12-31
Zingen : Psalm 48: 1, 2, 3
Zingen : Gebed des Heeren: 9, 10
Zingen : Psalm 32: 6

Gemeente, aan de beurt is Zondag 21 van onze Heidelbergse Catechismus. Daar lezen wij:

 

Vraag 54: Wat gelooft gij van ‘de heilige, algemene, christelijke Kerk’?

Antwoord: Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben, en eeuwig zal blijven.

 

Vraag 55: Wat verstaat gij door ‘de gemeenschap der heiligen’?

Antwoord: Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

 

Vraag 56: Wat gelooft gij van ‘de vergeving der zonden’?

Antwoord: Dat God, om des genoegdoens van Christus’ wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

 

Gemeente, het gaat in deze zondagsafdeling over: De heilige, algemene, christelijke Kerk.

 

En dan gaan we drie dingen zien:

1. De vergadering van die Kerk

2. De vereniging van die Kerk

3. De reiniging van die Kerk

 

1. De vergadering van die Kerk

 

Gemeente, de heilige, algemene, christelijke Kerk, dat is een geloofsartikel. We zetten een streepje onder dat woord ‘geloof’, want die ene ‘heilige, algemene, christelijke Kerk’ is niet te zien. Die kun je met je ogen niet zien. Maar wij geloven dat er zo’n Kerk, zo’n heilige, algemene Kerk is. Als we in deze tijd van verscheurdheid, verdeeldheid en verwarring om ons heen zien, dan is het heel erg moeilijk om te spreken van één heilige, algemene, christelijke Kerk.

Dat woordje ‘één’ moet u als telwoord zien. In de oorspronkelijke Latijnse uitgave van onze Twaalf Artikelen staat dat woordje als een telwoord. Het is één heilige, algemene, christelijke Kerk.

Als u nu om u heen kijkt, dan is het heel erg moeilijk om die ene Kerk in te ontdekken. Iedereen poogt, waar mogelijk, waar te maken dat zijn of haar kerk dé Kerk is. Maar wij belijden niet dat wij geloven ‘in een Kerk’. Er staat niet in de Twaalf Artikelen: ik geloof ‘in één heilige Kerk’. Er staat ook niet dat wij ‘áán een Kerk’ geloven. Nee, wat wij in deze dienst gaan overdenken is dat er zo’n Kerk is, al zien we er niets van. Luther zegt: ‘Het geloof belijdt dat er zo’n Kerk is, maar zien doen we hem niet.’ Nou, dat is het wat ik bedoel. Zo’n Kerk is er, dat geloven wij. Zien, dat is een andere kwestie.

           

We spreken in deze dienst dus niet over het instituut van de kerk, dat u kunt zien. Het instituut dat zich kenbaar maakt door zijn ambten, meerdere vergaderingen, kerkgebouwen en de samenkomsten van de gemeente. Wij spreken nu in de allereerste plaats over de Kerk met een hoofdletter. Dat is de levende Kerk, het lichaam van de Heere Jezus Christus. Dat is de gemeente des Heeren naar zijn wezen, naar zijn meest innerlijke geloofsgemeenschap met de Heere Christus. Zoals onze catechismus dat belijdt in het laatste zinnetje: ‘En dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.’ Dat is de Kerk des Heeren. Die Kerk, daarover gaat het.

Die ene Kerk is er, dat geloven we. En die zal er altijd blijven, dat geloven wij ook.

 

In de eerste plaats iets over de naam. ‘Wat gelooft gij van de heilige, algemene, christelijke Kerk?’ Er wordt in dit artikel dus over ‘Kerk’ gesproken. Nu komt het woord ‘kerk’ in de Bijbel niet voor. Het woord ‘kerk’ is afgeleid van het Griekse woord kuriakè, dat betekent: van de Heere. Dat is een mooie benaming, want het gaat over hetgeen op deze aarde van de Heere is.

In de Bijbel komt wel het woord ‘gemeente’ voor. Dat is een woord dat zowel in het Hebreeuws als in het Grieks ontleend is aan een werkwoord dat ‘samenroepen’ betekent. De gemeente, dat zijn dus ‘de samen-geroepenen’. De levende Kerk, de gemeente des Heeren, wordt gevormd door mensen die samengeroepen worden uit het rijk van de satan door Geest en Woord.

Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt het zo in artikel 27:

‘Wij geloven en belijden dat er is een heilige vergadering van alle ware christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.’

Wel, daar hebt u het wezen van de Kerk. Daar hebt u de gemeente waarover wij spreken.

 

Van die gemeente, van die vergadering van alle christgelovigen, wordt gezegd dat ze heilig is. Je kan nu natuurlijk zeggen: ‘Moet je eens luisteren. Als je nu eens kijkt hoe hij of zij leeft en hoe die leeft…’ Je kunt dan een hele waslijst van zonden opsommen, je kunt alle verkeerdheden gaan vertellen, maar dat is weinig nuttig, want wij belijden toch heel eenvoudig naar de Schrift dat de levende Kerk heilig is. Dat geloven we en dat zeggen we in de Twaalf Artikelen. We zeggen ook niet dat we zíen dat de Kerk heilig is, maar we belíjden dat zij heilig is.

 

Ze is heilig omdat ze afgezonderd is van de wereld.

Net zoals David werd gezalfd in het midden van zijn broederen, afgezonderd van die broederen, apart gesteld, zo wordt de gemeente Gods apart gesteld, afgezonderd van de wereld. Ze is gewassen in het bloed van Christus en ze wordt gereinigd en verzegeld door de Heilige Geest.

En die afgezonderden zijn in Christus volmaakt. Die wórden niet volmaakt. Het is niet zo dat ze straks voor God volmaakt worden na een lang of kort louteringsproces. Het is niet zo dat wanneer ze straks in de hemel zijn, ze dan volmaakt zijn. Nee, ze zíjn volmaakt. Daarom zegt de Heere in het Hooglied van de bruid: Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u (Hoogl.4:7). Als de Heere die gemeente ziet, die levende Kerk, in Christus, dan is die Kerk heilig, volmaakt in Hem, al zie ik er niets van.

Al kan David struikelen, al kan Petrus de Meester verloochenen, al kan Abraham zeggen: ‘Moet je luisteren, Sara, zeg dat je mijn zuster bent’, al kan Jakob wonderlijk handelen met de kudde van Laban, dan is het nog waar: het is een heilige gemeente Gods, want ze zijn in Christus heilig.

 

Kohlbrugge neemt de moordenaar aan het kruis als voorbeeld. Hij heeft misschien nog twee uur geleefd, of drie uur. Ik weet het niet, maar zoiets zal het wel zijn. Kohlbrugge zegt: ‘Die moordenaar ging vol goede werken naar de hemel.’ Nou, die man heeft zijn handen van het kruis niet los kunnen krijgen en zijn voeten heeft hij niet op de aarde kunnen zetten. Hij heeft daar alleen maar die drie uur aan dat kruis gehangen. Kohlbrugge zegt: ‘Hij ging vol goede werken ten hemel in.’ Hoe kan dat dan? De man heeft voornamelijk gezwegen en pijn geleden en meer niet. Wel, dat zijn de goede werken, waarvan artikel 23 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis zegt: ‘Die heilige werken die Christus voor ons en in onze plaats deed, die worden ons toegerekend.’ Zij worden de Kerk des Heeren, dat volk van God, die bijeengeroepen gemeente, toegerekend. Zij gaan vol goede werken ten hemel in, ook de moordenaar aan het kruis naast Jezus.

Dat is de Kerk: heilig. Begrijpt u? Dat is werkelijkheid. Dat is niet iets wat komt en niet iets van: ‘Nou, je moest eens weten wat er allemaal is.’ Nee, dat is de werkelijkheid. Daarom moet je er ook van afblijven, want het zijn de gezalfden des Heeren. ‘Raak Mijn gezalfde niet aan.’ Want je tast Zijn oogappel aan. Ze zijn in Hem volmaakt. In het oog des Heeren zijn ze schoon.

 

Die heilige Kerk wordt ‘algemeen’ genoemd. Dat wil zeggen: de levende Kerk is wijds en die is groot. Zij is niet aan een bepaalde plaats gebonden, ook niet aan bepaalde personen. Maar zij is over de hele wereld in alle tijden en in allerlei geslachten te vinden.

 

De Kerk is naast heilig en algemeen ook christelijk. Christus is het Hoofd van de Kerk. Dat is niet een eenheid in Christus die nog komen moet. Die Kerk is christelijk, die is in Christus. Het is een eenheid die er altijd is. De ene Geest Die in Christus, in het Hoofd woont, Die woont ook op aarde, in al de levende leden van de Kerk des Heeren, waar je ze ook vindt. Door die ene Geest zijn al de levende leden van de Kerk één.

 

De openbaring van de kerk is allerbedroevendst, daar hoeven we niet breed over te discussiëren, want dat is meer dan duidelijk.

De eenheid, zegt onze geloofsbelijdenis, wordt niet tot stand gebracht door enige pauselijke dictatuur. Ik zou erbij kunnen voegen in de taal van vandaag aan de dag: die wordt ook niet tot stand gebracht door de Wereldraad van Kerken.

Gemeente, er is een roep die zegt: ‘De Heere heeft geboden dat ze één zullen zijn!’ Er staat echter nergens dat Hij dat ‘geboden’ heeft, er staat dat Hij dat ‘gebeden’ heeft: ‘Vader, Ik wil dat zij één zijn.’ Heeft u ooit wel eens een gebed van de Heere Jezus gehoord, dat niet verhoord is? Heeft u ooit wel eens een gebed gehoord van Hem, dat de Vader niet heeft willen toestaan?

De Kerk is één, één in Christus. U zult wel zeggen: ‘Die openbaring is allerbedroevendst.’ Dat ben ik onmiddellijk met u eens, maar die eenheid is er hoor! Straks, als alle hindernissen weg zijn, die hier de eenheid belemmeren - en dat is al wat van de mens is, al de dwaasheid die we meenemen - dan zal die eenheid openbaar komen. Als we op de wolken zullen staan bij Jezus, als Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden, dan zult u die eenheid zien.

 

Bovendien, er is een Kerk in de hemel, dat is de Kerk die voorgegaan is, die al aan de glazen zee is, die daar al zingt. Hoeveel staan erbij die u gekend hebt? Als je ouder wordt, ga je soms wel eens terugdenken en dan denk je: ‘Die is er, die is er en die is er.’ Dan denk je aan al die mensen met wie je geleefd en gesproken hebt en die weggenomen zijn, allemaal voorgegaan. Zij zijn daar bij de glazen zee en ze zingen van de wegen des Heeren. Dat is de triomferende Kerk. Maar die is één met de strijdende Kerk, die hier op de aarde nog in de zorg en in de moeite is.

De triomferende Kerk en de strijdende Kerk vormen een eenheid.

 

Die gemeente blijft één. Ze bestaat niet vanwege de mens, het is niet een vereniging. Wij mensen hebben niet afgesproken dat zij één zullen zijn, dat zij een vereniging zullen hebben, een bepaald doel zullen nastreven. Die éénheid die is uit God. Zij hebben allen één Hoofd in de hemel, Die is aan de rechterhand van God. Dat Hoofd in de hemel is het levengevend Hoofd. Daaruit leeft de Kerk hier op de aarde.

Het wonderlijke is dat je die Kerk ook altijd blijft zien, dat er altijd een Kerk is, dat je ze altijd weer tegenkomt, mensen die spreken over de openbaring van de Heere Jezus aan hun ziel in de nood van hun leven. Ze spreken altijd groot van God en klein van zichzelf. Je komt ze altijd weer tegen, die Samuëls, die eenzaam hun weg gaan, maar toch weten van de grote Koning in de hemel. Hoe komt dat? Wel, omdat het levengevend Hoofd in de hemel is. Daardoor leeft die Kerk op de aarde.

Het Hoofd is in de hemel. Al staat de Kerk op de aarde in het moeras van de zonde, zij zullen toch nooit ten ondergaan. Dat lichaam op deze aarde blijft leven, omdat het Hoofd boven de strijd is uitgeheven en in de hemel ademt. Zij ademen nu door dat Hoofd en daardoor blijven ze leven, en daarom kunnen ze nooit omkomen, nooit verdrinken.

 

Christus gaat Zijn gemeente vergaderen.

Hij vergadert ze uit het hele menselijke geslacht, uit het oosten en uit het westen. Ze komen uit allerlei geslachten en talen en natiën en tongen, zegt Johannes in de Openbaring. De Heere Jezus doet dat als het gezegende Hoofd in de hemel, het levengevende Hoofd, naar het welbehagen van de Vader.

Die gemeente is in Christus uitverkoren voor de grondlegging der wereld. Dat is in Christus gebeurd. Het is het welbehagen van de Vader om zondaren te zaligen, dat is de vaderlijke liefde, dat is overgedragen aan Christus, om uit te voeren. Want: Het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan (Jes.53:10).

 

De Heere Jezus gaat al de gegevenen des Vaders bijeenbrengen en Hij gaat ze vergaderen door Woord en door Geest. Dat ligt vast in het welbehagen van de Vader en in het bloed van Christus. Want: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10).

De Heere Jezus gaat mensen roepen. Het gaat uit van het welbehagen van de Vader en de Heere Jezus neemt de toepassing van dat heil Zelf ter hand. Het is niet zo is, dat wij onszelf aanbieden en dat ons hele hart voor de Heere openstaat en dat we Hem onze liefde aanbieden en zeggen: ‘Heere, kijk, hier zijn wij, wij kiezen voor U!’ Dat is gelukkig niet waar. Als het zo zou moeten, als dat de weg zou zijn,  dan gebeurde het nooit. Het is dan misschien hoogstens een vroeg opkomende dauw en morgenwolk.

Maar Christus daalt af door de prediking van Zijn Woord. Christus daalt af met de bediening van Zijn Heilige Geest en Hij gaat vijanden van God, want dat zijn we tenslotte, Hij gaat goddeloze mensen, want dat zijn we ook, Hij gaat van die barre zondaren en zondaressen bijeenvergaderen door Zijn Woord en door Zijn Geest. ‘Slechten en verstandelozen’ gaat Hij opzoeken. Hij doet dat door de prediking van het evangelie en door de kracht van Zijn eeuwige Geest.

 

Gemeente, de dienaren van het Woord gaan uit.

Bij het behandeling van  de wederkomst van Heere Jezus hebben we u erop gewezen dat de catechismus in het antwoord spreekt over de uitverkiezing. Ook hier bij de behandeling van de Kerk komt de catechismus hierop terug.

‘Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord…’

Hoe gaat dat nu, ‘tot het eeuwige leven uitverkiezen?’

Wel, dat doet de Heere door middelen. Hij zendt daartoe Zijn dienaren uit. Zij hebben tot opdracht het zaad van het Woord, dat onvergankelijke zaad, te strooien met gulle hand. Ze moeten al de raad van God verkondigen. Ze hebben u te verkondigen de rijkdom van de genade die er in Christus Jezus is. Er moet gepredikt worden, naar de opdracht en het bevel van de Heere, aan alle creaturen. Predikt het evangelie aan alle creaturen (Mark.16:15). Dus niemand uitgezonderd.

Zo gul, zo rijk, zo breed moet de zaaier het zaad van het Woord uitstrooien en nodigen en roepen tot Zijn gemeenschap.

 

Moet je dan niet bang zijn dat er teveel komen? De Heere heeft niet gezegd dat ze bang moeten zijn, de Heere heeft gezegd dat ze zaaien moeten. Ja maar, als het nu te gul gebeurt, dan kunnen er toch mensen zijn die… Te gul kan het nooit gebeuren! Er zal nooit één dienaar zijn die helemaal de volle, uitgedrukte, overlopende maat van het evangelie, die in Christus is, kan uitmeten. Daar komt iedere dienaar aan tekort. God verwijt een dienaar nooit dat hij te gul is. Hij kan hem wel verwijten dat hij te karig van Hem gesproken hebt, maar nooit te gul.

Er is in Hem zaligheid!

 

Gemeente, het zijn niet de dienaren die het evangelie toepassen. Gelukkig niet! Veronderstel dat bijvoorbeeld Samuël had moeten kiezen uit die acht zonen van Isaï, dan had hij prompt de verkeerde gekozen. De eerste de beste had Samuël gezalfd en dan had hij de verkeerde gekozen. Toen heeft de Heere laten zien: Samuël, dat leg Ik niet in de hand van een dienaar hoor, dat doe Ik niet. De mens kijkt maar aan wat voor ogen is, maar God kijkt het hart aan. Dat houd Ik in Mijn eigen hand. Daar zorgt de Heere Jezus voor.

In onze catechismus staat dat de Zoon van God uit het ganse menselijke geslacht door Geest en Woord Zich een gemeente ten eeuwigen leven vergadert. Dat doet Hij Zelf! Dat welbehagen van God ligt niet in de hand van de dienaar, maar dat ligt in de hand van Jezus. Zijn dienaar geeft Hij alleen opdracht om het Woord van het evangelie te prediken aan alle creaturen.

Ze worden door het Woord opgezocht. Zij worden bij het Woord gebracht of het Woord wordt op enigerlei wijze bij hen gebracht. De verkiezing van God sluit de middelen niet uit. Ds. A. Hellenbroek zegt dat ‘Hij de middelen mede besloten heeft tot dat einde’. Als Hij iemand zalig wil maken, dan geeft Hij ze lust om onder dat Woord te komen.

 

Waar het Woord gebracht wordt, daar gaat het Woord zijn kracht doen. Dan gaat dat zijn werk doen in je leven. De Geest des Heeren gaat in je leven werken. Hij gaat de leegheid laten zien van alles wat in de wereld is. Hij laat je lege leven zien, dat leven in de zonde dat je leidt. Hij laat zien dat het eigen schuld is wanneer je onder de prediking van het Woord verloren gaat. Dat je nu nooit naar God hebt gezocht en nooit naar de Heere hebt gevraagd, dat je nooit werkelijk gebeden hebt of de Heere naar je wilde omzien. Je hebt nooit geluisterd naar het Woord van God om Hem te zoeken en nooit daarin gezocht naar de weg des levens.

Dan opent de Heere je hart zoals van een Lydia of Hij roept je als een Levi uit het tolhuis. Mensenkinderen worden geroepen door de kracht van het Woord van onze God. Zij gaan het lege zien van het leven dat zij leiden. Ze gaan zien wat het is om buiten en zonder God te zijn. Er wordt een droefheid in je hart geboren. Je krijgt een andere wil; hij wordt vernieuwd. Je gaat de dingen willen die God wil en je gaat haten hetgeen God haat.

 

De Heere gaat in enigheid des waren geloofs al die mensen samenbrengen. ‘In enigheid des waren geloofs’, dat wil zeggen dat ze allen door het geloof die enige Naam leren kennen, die onder de hemel gegeven is tot zaligheid. Ze gaan allemaal die Naam leren spellen en gaan allemaal die Koning zien, Die alleen hen zaligen kan. Ze worden allemaal verbonden aan die volkomen Zaligmaker in dat ene en datzelfde geloof.

 

In het geloof is geen verschil. ‘In enigheid des waren geloofs.’

Het geloof dat in Eunice woonde, woonde ook in Loïs en dat woonde ook in Timotheüs. Het geloof dat David had en dat Petrus had en dat Paulus had, dat leefde ook in Luther en in al de mannen van de Reformatie. Het is allemaal het ene en datzelfde geloof. Zij hebben gehoopt op de genade van de Heere Jezus en zij hebben zich laten zakken en zinken op de gerechtigheid van Hem alleen. Dat geloof vindt in Hem alles wat een verloren zondaar nodig heeft om zalig te worden. Ze gaan allemaal door datzelfde geloof de Heere achteraan kleven. En die de Heere aanhangt is één geest met Hem. Dat is ‘in enigheid des waren geloofs’: met Christus verbonden.

In de oefeningen van het geloof is onderscheid. Vanzelfsprekend! Er is onderscheid in de mate van het geloof, er is een opwas in de genade en kennis van de Heere en Zaligmaker Jezus Christus. Welke oefeningen en welke mate dan ook, ze zijn allen door het geloof met Christus verenigd, maar ook met elkaar. Eén Heere, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, Die daar is boven allen en door allen en in u allen (Ef.4:5-6).

Aan elkaar verbonden…

 

Gemeente, zalig is de mens die tot die Kerk mag behoren. Satan scheurt en probeert het werk van God te verwoesten. Nijd en twist zijn de werken van het vlees, maar Jezus heelt en bindt en voegt samen. De Geest van Christus heeft geen lust tot nijdigheid, maar geeft meerdere genade. Zalig, waar Hij intrekt en waar Hij door Woord en Geest Zijn onderwijzingen geeft, Zijn vertroostingen schenkt, Zijn licht in het hart doet schijnen, Zichzelf openbaart in Zijn schoonheid. Zie, dat is het werk dat Christus doet.

 

Wij geloven dat de heilige, algemene, christelijke Kerk een moeder is. Jeruzalem dat boven is, zegt de apostel Paulus in de Galatenbrief, is ons aller moeder. In de levende Kerk die op deze aarde is, waar de prediking van het Woord is, worden kinderen voortgebracht. Daarin worden ook de kinderen opgevoed en gesterkt in het allerheiligst geloof.

De Kerk kan klein zijn zoals in de dagen van Elia en Achab. Dat is zeker waar. Maar zo klein kan hij niet zijn, of er zullen er altijd nog zevenduizend zijn die de knie voor Baäl niet gebogen hebben; alle mond die hem niet gekust heeft. Het zal zo zijn, dat deze Koning op deze aarde nooit zonder onderdanen is, nooit zonder die zevenduizend.

Dat is waar voor elke tijd. Al is die Kerk zo klein geworden dat ze bijna onvindbaar is, dan zijn er nog zevenduizend overig.

 

Dat we dan zouden zoeken om tot deze Koning te behoren! Dat we zouden belijden: ‘En dat ik daarvan een levend lidmaat ben en dat ook eeuwig zal blijven.’

Je zult zeggen: ‘Nou nou, dat is nogal wat: en eeuwig zal blijven. Weet je dat zo zeker?’ Ja, dat weten is zeker! Het ligt namelijk niet vast in onze handen. Als het in mijn handen zou vastliggen zou het een twijfelachtige zaak zijn. Of liever gezegd: helemaal niet twijfelachtig, ik zou er vast en zeker níet komen. Maar omdat het in de handen van Christus vast ligt, van dat heerlijk Hoofd in de hemel, daarom belijdt de Kerk, ronduit en zeker: ‘En dat ik daarvan een eeuwig lidmaat zal blijven.’

 

Tot zover ‘de vergadering van die Kerk’. We gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. De vereniging van die Kerk

 

Gemeente, de Kerk heeft weldaden in dit leven en zij krijgt weldaden na dit leven. De weldaden ín dit leven zijn de gemeenschap der heiligen en de vergeving der zonden. De weldaden na dit leven zijn de wederopstanding des vleses en een eeuwig leven. In deze dienst worden de twee weldaden ín dit leven genoemd, namelijk de gemeenschap der heiligen en de vergeving der zonden.

 

‘Gemeenschap der heiligen.’

Je moet even nadenken over dat woord ‘heiligen’. Je zult misschien vragen: ‘Zijn er wel heiligen?’ We zijn in onze reformatorische, in onze gereformeerde kerken, de kerken die uit de Reformatie komen, zo gewend geraakt aan het weerspreken van de Roomse kerk met hun heiligenverering, dat we zelfs bang geworden zijn voor dat woord ‘heiligen’. Maar er zijn heiligen in deze wereld.

De apostelen hebben hun brieven gericht tot de heiligen die te Filippi zijn en tot de heiligen die te Korinthe zijn. Heiligen zijn er. In zichzelf zijn ze niets anders dan arme, verloren, ellendige zondaren. Dat wordt geleerd op de school van de Heere Jezus. Op de school van de Heere Jezus leer je niet dat je een groot heilige bent, maar daar leer je dat je een grote zondaar bent. Je wordt dan geen bijzonder mens, maar je wordt een ellendig mens. Je wordt een arm, verloren zondaar. Je wordt zo nameloos arm dat je overal de Heere voor nodig gaat krijgen en dat je telkens opnieuw uit de volheid van Hem bediend moet worden voor alles en elke dag opnieuw. In de gewone dingen van het leven, in je werk, in het omgaan met je kinderen, voor hun opvoeding, met van alles en nog wat, heb je de Heere nodig.

Heiligen zijn zij die zichzelf leren kennen in hun zonden en ellenden. Maar die heiligen zijn de geheiligden in Christus Jezus. Zij zijn heiligen, gewassen in Zijn bloed en gereinigd door Zijn Geest.

Als we het over beloften van God hebben, dan zoeken we doorgaans een belofte op die ons het meeste uitkomt en die ons het aardigste klinkt. Maar de Heere geeft ook andere beloften. Hij zegt in Ezechiël: Gij zult een walging van uzelf hebben (Ez.36:31).

Nu, deze mensen zijn de heiligen in Christus Jezus. Zij hebben aan Christus en aan al Zijn schatten en gaven gemeenschap.

 

De gemeenschap der heiligen is in de allereerste plaats dit, dat de groten en de kleinen tezamen gemeenschap hebben aan al de schatten en gaven van Christus. Dit moet u goed begrijpen. De gemeenschap aan al de schatten en gaven hebben ze niet pas als ze wat meer geoefend zijn. Nee, ook niet voor zover ze toegeëigend zijn door de Heilige Geest. Nee, ze zijn voor iedere gelovige, dus de kleine met de grote samen. ‘Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot, wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot. God zal ze groter maken.’ 

Een klein kind, een baby, die een heel rijke vader heeft, is erfgenaam van de rijkdom van zijn vader. Of hij dat nu weet of niet, maar hij is rijk. Of hij daar nu interesse voor heeft op dat moment of niet, dat doet ook niet ter zake, maar hij is rijk. Hij is erfgenaam. Als dat kind wat opgegroeid is, ziet het liever uit naar wat speelgoed - om dat beeld gewoon eens even uit te werken - dan dat het denkt aan al de rijkdom van zijn vader zoals landerijen en effectenbezit.

Zo is het ook met de kinderen van God. Die kunnen soms zo gauw tevreden zijn. Het kleingeloof is gauw tevreden. Als de Heere dan weer eens wat geeft uit Zijn Woord, dan zijn we tevreden, dan gaan we weer verder. Je kunt weer een poosje vooruit. Begrijpt u? Speelgoed… Maar ze zijn wel erfgenaam. Ze hebben wel deel aan al de schatten en gaven die van Christus zijn. Alleen, er is onderwijs en oefening voor nodig om te gaan leren wat ze in Christus hebben. Dat is steeds een in onszelf ontledigd worden, in onszelf steeds minder hebben, maar meer en meer zien wat de Kerk nu in Christus heeft, buiten zichzelf.

Dat zijn nu erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus.

 

Ze moeten leren dat de erfenis in de hemelen bewaard wordt. Ze krijgen die niet hier. Comrie zegt: ‘De erfenis is in de hemel; de rente wordt hier uitbetaald.’ Ze krijgen er wel de rente van uitbetaald, maar de erfenis wordt bewaard in de hemel.

En de erfgenamen worden bewaakt op de aarde. U zult zeggen: Nee, dat staat er niet. Er staat in 1 Petrus 1: ‘Ze worden bewaard in de kracht Gods.’ Dat is waar. Dat staat in onze vertaling. Maar dat ‘bewaren’ is ‘bewaken’. Ze worden bewaakt door de kracht van God, door het geloof, tot de zaligheid.

 

Schatten en gaven, daar is onderscheid in.

Schatten, dat zijn al de dingen die in Christus blijven: Zijn gerechtigheid, Zijn heiligheid, Zijn wijsheid en Zijn leven. Uw leven is met Christus verborgen in God (Kol.3:3). Dat is zo’n schat die in Christus bewaard wordt. Dat wordt allemaal bewaard in de hemel.

Op de aarde krijgen ze uitgedeeld van Zijn gaven, zoals de gave van vertroosting, van leiding, van vrede, van liefde en van licht. Dat deelt Hij uit. Dat zijn Zijn gaven. Daar zijn ze allemaal deelgenoot van. Voor dorstigen heeft Hij water des levens. Voor hongerigen heeft Hij brood des levens. Voor blinden heeft Hij ogenzalf en stommen kan Hij doen spreken en kreupelen kan Hij doen springen als een hert.

Het Woord van God staat vol met wat de armen en nooddruftigen bij Hem kunnen verkrijgen.

 

Het was de lust van de bruid in het Hooglied om de schoonheid van de Bruidegom te gaan beschrijven. Ze komt eigenlijk aan geen eind, want ze gaat spreken van Zijn haar, van Zijn ogen, van Zijn lippen, van Zijn gehemelte, van Zijn schenkelen en van Zijn voeten. Ze geeft het tenslotte maar op en dan zegt ze: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk! Zulk Eén is mijn Liefste, ja, zulk Eén is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem! (Hoogl.5:16). Ze prijst de dochters van Jeruzalem die Bruidegom aan.

 

Gemeente, in de gemeenschap van deze Bruidegom mag de Kerk op de aarde nu door het geloof leven. Het maakt niet uit of er veel onderdanen komen. Op aarde is het zo, dat als er veel erfgenamen komen, dat die erfenis dan steeds verder verdeeld moet worden. Als er tien erfgenamen zijn, dan gaat die erfenis in tienen. En als er twintig erfgenamen zijn, dan gaat het in twintigen. Dus hoe meer erfgenamen, des te kleiner het stukje van de erfenis. Als er honderd zijn, dan krijg je een honderdste van de totale erfenis.

In het koninkrijk der hemelen gaat dat geheel anders. Hoe meer erfgenamen er zullen komen, hoe meer de schatten en de gaven van Christus tot uitdrukking zullen komen en hoe meer de Koning zal worden verheerlijkt.

De erfenis wordt niet kleiner en de gaven en schatten worden niet minder. Er is een eeuwige volheid in Hem. Daarin wordt de Koning juist verheerlijkt. Daarom zegt Salomo: In de menigte des volks is des konings heerlijkheid (Spr.14:28).

Gemeente, hoe meer onderdanen die Koning heeft, hoe groter de heerlijkheid van de Koning,  hoe heerlijker die gaat uitstralen en hoe meer daarvan te zien is.

Daarom mogen wij wel bidden:

 

Uw koninkrijk koom’ toch, o Heer’.

Ai, werp de troon des satans neer.

 

Laten we daar eerst over gaan zingen uit het Gebed des Heeren, de verzen 9 en 10:

 

Want Uw is ‘t koninkrijk, o Heer’,
Uw is de kracht, Uw is al d’ eer.
U, Die ons helpen wilt en kunt,
Die, in Uw Zoon, verhoring gunt,
Die door Uw Geest ons troost en leidt,
U zij de lof in eeuwigheid.

 

Ja, amen, trouwe Vader, ja!
Wij maken staat op Uw genâ.
Ons hart, o God Die alles ziet,
Veroordeelt ons in ’t naad’ren niet;
Het zegt, daar G’ op ons bidden let,
Gelovig ‘amen’ op ‘t gebed.

 

Gemeente, de levende leden van de Kerk hebben niet alleen aan Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap, maar ook aan elkaar. Gemeenschap aan Christus, maar ook aan allen die van Christus zijn. Die gemeenschap is veel versluierd door de zonde. Dat is waar. Als we ver van Hem vandaan leven, dan hebben we ook weinig gemeenschap met elkaar.

Denk aan de spaken van een wiel. Hoe dichter bij de as, hoe dichter de spaken bij elkaar komen. Hoe verder de spaken van de as afgaan, hoe verder ook van elkaar vandaan. Hoe dichter we bij de Heere leven, hoe dichter we ook bij elkaar leven.

 

Als de gemeenschap der heiligen werkelijk beoefend wordt, dan wordt de last van de één door de ander gedragen. Dan wordt de last van degene die ver weg woont gedragen door een ander, al heeft hij geen brief gekregen. Er zijn voorbeelden te over, dat de Heere door Zijn Geest een bepaalde last op iemand legt, zodat hij gaat dragen aan de onbekende nood van een ander kind van God; dat de één bad terwijl de ander in nood was.

Dat is de gemeenschap der heiligen. Dat is een gave aan de Kerk.

De schatten en gaven die ze in Christus hebben, krijgen ze niet om daarmee te pronken.

Met die gaven die ze door de Heilige Geest meegedeeld krijgen en waarvan u gelezen is in 1 Korinthe 12, gaan ze niet pronken. Ze gaan er niet mee te koop lopen. Het zijn geen siergaven, maar het zijn gaven om uit te delen. De één heeft dit gekregen van de Heere en de ander wat anders. De Heere doet geen confectiewerk, geen eenheidswerk. U heeft kunnen lezen dat de één de gave van de hand heeft en de ander heeft de gave van de voet en een derde heeft nog weer een andere gave. In de gemeente van God is een veelheid van gaven.

Ze krijgen die niet om daarmee te pronken en daarmee boven een ander te gaan staan en te zeggen: ‘Wel, ik ben de voet en als je die niet had kon het lichaam niet bestaan.’ En een ander: ‘Denk erom, ik ben de hand en daar moet je niet gering over denken, want als je die hand niet had, dan kon het lichaam niet bestaan.’ Nee, de apostel zegt: ‘De hand hebbe niet te zeggen tot de voet: Ik heb u niet van node.’

Alleen door het samenspel van al de leden met al de onderscheiden gaven, kan de gemeente gediend worden. De één zal vooraanstaande gaven hebben, die in het oog vallen, en de ander zal wat meer stille gaven hebben, die minder in het oog vallen. Die laatste misschien alleen maar het gebed tot de God des levens. Maar zalig is degene die van die gave mag uitdelen en die gave mag gebruiken in de dienst des Heeren.

 

De apostel Paulus zegt: ‘Als ik het gewillig doe, dan heb ik loon.’ Want als je het gewillig doet, dan heb je deze vreugde er in dat de Heere er in meekomt en dat Hij daar het stempel op geeft en dat Hij daar blijdschap over geeft in het hart. Als je het niet gewillig doet, zegt Paulus, dan is de nood me nochtans opgelegd. Ik moet het wel doen, maar ik doe het al zuchtende. Als ik het gewillig doe, dan heb ik loon. Doe ik het niet gewillig, de nood is me nochtans opgelegd.

 

Gemeente, je hoeft echt niet ver te lopen om de gave die de Heere aan de Kerk geeft te gebruiken en uit te delen. Je hoeft er de straat en de pleinen niet voor op. Als je nu maar eens begint met thuis, bij je kindertjes, om daar te vertellen Wie de Heere voor je is en wat de Heere aan uw ziel gedaan heeft. Kunt u dat? Zou je vanavond kunnen zeggen tegen je kinderen: ‘Ik wil je toch eens vertellen wat de Heere aan mijn ziel gedaan heeft’? Zou je dat kunnen? Dan hoef je geen ingewikkelde verhalen te vertellen, ook geen opgesmukte verhalen, gewoon eenvoudig en werkelijk.

 

Als het uw nood is, dat u zegt: ‘Ja, dat zou ik niet kunnen, dat staat zover van mij af’, dan zou ik zeggen: ‘Zou je dan de Heere niet gaan bidden of Hij met Zijn Geest en Woord in je hart zou willen komen en of Hij je zou willen geven wat je nodig hebt om te leven en om te sterven?’ Het is toch wat, als je je kinderen niet kunt vertellen wat de Heere aan je ziel gedaan heeft. Zou je dat dan niet aan de Heere voorleggen?

‘Ja, maar ik weet niet of ik uitverkoren ben.’ Dat geeft niet. Als je het maar aan de Heere vraagt, dan is het goed. Dat hoef je ook niet te weten. Hoef ik dat niet te weten? Nee hoor, dat hoef je niet te weten. Dat is de sluitsteen, dat wordt een wonder,  dat is het stempel. Dat is het einde, daarin eindigt Kerk: in het welbehagen van God. Daar beginnen ze niet mee.

Ga nu maar vragen aan de Heere: ‘Heere, zou U met Uw Geest in het hart van mij en van mijn kinderen willen werken? Zou U willen geven, o God, dat Uw Woord in mijn hart en in mijn leven en in het leven van mijn kinderen die vrucht zou afwerpen dat Uw Naam zou worden verheerlijkt?’ Dan is het al goed. Dat zou al zo groot zijn.

 

Tenslotte de derde gedachte:

 

3. De reiniging van die Kerk

 

We staan nu maar kort stil bij de reiniging van de Kerk, omdat we het in verband met Zondag 23 uitgebreid zullen hebben over de rechtvaardiging door het geloof. Het gaat nu alleen over de Kerk, de gemeente des Heeren, de levende Kerk van God, die aan Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap heeft en ook aan elkaar.

De Kerk krijgt de vergeving der zonden. Dat is wat, dat ik vergeving der zonden mag ontvangen, alleen om het genoegdoen van Christus.

En niet alleen van de zonde die ik gedaan heb. Want, gemeente, we kunnen praten over de zonde die we gedaan hebben in ons leven, maar daar gaat het niet alleen om hoor! Het is niet zo dat het een optelsommetje is en dat je zegt: ‘Tjongejonge, dat zijn er veel!’ Het zijn er ook veel, maar het is nog veel erger, want je hebt een zondige aard. Als je die niet had, dan had je geen zonde. De ellende zit dus van binnen. Ik heb een zondige aard. En omdat ik een zondige aard heb, en die heb ik meegebracht uit het paradijs, daarom kan ik nooit zonder zonde leven.

 

Weet je wat nu het wonderlijke is? De Heere zegt: ‘Ik wil die zondige aard, waarmee je nu je hele leven lang te strijden hebt, nimmermeer gedenken.’

Die zondige aard wordt niet minder. Het is niet zo dat je zegt: ‘Nou, we zijn toch al een aardig eindje gevorderd. Ik ben toch wel heel anders dan dertig jaar geleden.’ Ach, gemeente, het is heel je leven strijden tegen je zondige aard. Dat wordt niet minder, maar je gaat steeds meer zien wat die zondige aard eigenlijk is en wat die inhoudt en wat die meebrengt en hoe onuitroeibaar die is.

Het is net als met onkruid. Je kunt denken dat je het kwijt bent, maar op het moment dat je er een week niet naar omkijkt, dan staat je tuin er weer vol mee. Zo is het ook met onze zondige aard. Die leeft nu in ons hart en heerst in ons leven. Die moet vergeven worden en dat wil de Heere vergeven.

 

‘Waar ik mijn leven lang mee te strijden heb. En dat zal Hij nu nimmermeer gedenken.’

Dat is wat, dat God dat nu allemaal nooit meer wil gedenken, maar dat Hij uit genade de gerechtigheid van Christus wil schenken! Dat is de gerechtigheid van de Heere Jezus, waardoor de zonden worden uitgewist in Zijn bloed, waardoor die zondige aard wordt bedekt door Zijn volkomen heiligheid en onschuld en waardoor we voor God staan zonder vlek en zonder rimpel.

 

‘Opdat ik nooit meer in het gericht van God gesteld wordt.’ Nooit meer in het gericht, omdat Hij er gestaan heeft. Nooit meer in het gericht, omdat Hij daar geweest is.

 

Gemeente, aan vergeving der zonden gaat zondebelijdenis vooraf en daar gaat schuldbelijdenis aan vooraf. Moet dat? Ja, dat moet vanwege het recht van God. God heeft er recht op, dat je de zonde en je zondige aard aan Hem belijdt. Dat je dat oprecht belijdt. Psalm 32 zegt: ‘‘k Bekend’, o Heer’, aan U oprecht mijn zonden.’ Dat moet gebeuren. Daar heeft God recht op, dat je dat belijdt aan Hem. Het is genade, als je het doen mag.

Weet u dat, dat het een mogen is? Dat je dan buigt voor God en dat je dan je ongerechtigheden belijdt en dat je dan voor het aangezicht van de Heere alles uitspreekt wat je gedaan hebt en hoe zondig die aard is, die je met je meedraagt?

Dat is nodig.

Wie zijn zonden belijdt en laat, die zal barmhartigheid geschieden. Want wie zijn zonden belijdt, God is getrouw en rechtvaardig, dat Hij de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

Je zou kunnen vragen: Is God getrouw en rechtvaardig, dat Hij de zonden vergeeft? Ja, God is getrouw, dat Hij de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid, want Hij heeft één keer de zonden gestraft aan Zijn eigen lieve Zoon. Die nu zijn zonde belijdt, God is getrouw aan dat offer, zodat Hij de zonden vergeeft en ons reinigt van alle ongerechtigheid. Ziet u? Zo getrouw en rechtvaardig is God, dat Hij die voor eeuwig wegneemt.

 

De Kerk zal in de hemel eeuwig van verwondering zingen. De triomferende Kerk in de hemel is een zingende Kerk. Zij zingt eeuwig van de genade van God en van het eeuwige welbehagen.

Zult u meezingen? Gaat u straks meezingen?

Ik vraag u dan wel of u het hier geleerd hebt. Hebt u er hier al iets van geleerd, van dat meezingen? De Kerk leert hier zingen, meezingen met boven! Soms gaat dat wel eens verkeerd, dan zit er soms nog wel eens wat van ons tussen. Dan klinkt het lied niet zuiver genoeg. Maar de Heere gaat met Zijn Kerk steeds weer opnieuw repeteren, net zo lang totdat het koren gerijpt is en Hij Zijn Kerk binnendraagt in de eeuwige schuur.

Dan zal er geen dissonant meer zijn, maar zullen ze eeuwig zingen van Gods goedertierenheên en Zijn waarheid te allen tijd vermelden door hun reên.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 32:6

 

Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken,
Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.
Zingt vrolijk; roemt Zijn deugden t’ allen tijd,
Gij die oprecht van hart en wandel zijt.

 

 

Deze preek is eerder gepubliceerd in ‘De Heidelbergse Catechismus’ van ds. D. Rietdijk en ds. C.G. Vreugdenhil (Kerkenraad Geref. Gem. Rotterdam-Zuidwijk, 2012).