Ds. R. Kattenberg - Zondag 15

Christus' lijden

De aandacht voor Zijn lijden
De diepgang in Zijn lijden
De plaats van Zijn lijden
De zegen uit Zijn lijden

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 58: 1, 2
Lezen : Johannes 19: 1-16
Zingen : Psalm 41: 3, 4
Zingen : Psalm 22: 8
Zingen : Psalm 72: 8
Zingen : Psalm 101: 1

Wij vragen vandaag uw aandacht voor Zondag 15 uit de Heidelbergse Catechismus. Wij lezen de vragen 37 tot en met 39 met de bijbehorende antwoorden:

 

               Vraag 37: Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden?

Antwoord: Dat Hij aan lichaam en ziel, de ganse tijd zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf.
 

               Vraag 38: Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?

Antwoord: Opdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.


Vraag 39: Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een andere dood gestorven was?

Antwoord: Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft, dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.

 

Het gaat in Zondag 15 over: Christus’ lijden.

 

We vestigen uw aandacht op vier punten:

1. De aandacht voor Zijn lijden

2. De diepgang in Zijn lijden

3. De plaats van Zijn lijden

4. De zegen uit Zijn lijden

 

1. De aandacht voor Zijn lijden

 

Gemeente, het gaat in deze catechismuszondag over lijden. Lijden doet denken aan pijn, verdriet, smart, moeite en zorg. Als we het woordje ‘honger’ erop betrekken, kennen we de uitdrukking ‘honger lijden’. Lijdt u wel eens honger? Nee. Wij konden voor we naar de kerk kwamen een maaltijd gebruiken. Hoe weinig denken we eigenlijk aan hen die wel honger lijden en weinig of in het geheel niets te eten hebben. Gedwongen om op de vuilnisbelt of in afvalcontainers naar voedsel te zoeken. Honger lijden...

Kinderen kunnen ook op school lijden, al op jonge leeftijd. De laatste jaren is er een  nieuw woord in ons dagelijks taalgebruik opgenomen. We kennen het wel; het woordje ‘pesten’. Als je als kind op school gepest wordt, dan lijd je pijn. Dat is toch zo? Je kunt het dan zo moeilijk hebben, zo verdrietig zijn.

Lijden en pijn kunnen er al in je jonge leven zijn. Kinderen lijden thuis soms onder mishandeling. Kinderen lijden zo’n pijn als ze misbruikt worden. Lijden is dus geen plezierig woord. We denken ook aan jongeren die aan eenzaamheidsgevoelens lijden. Jongeren die geen raad meer weten, vluchten in verslavingsgedrag en zelfs over straat zwerven.

Iets van lijden kun je ook wel ervaren als je afgewezen wordt, als zij jouw liefde niet beantwoordt. Het was een zaak van gebed voor de Heere, en toch: ‘Nee…’

Er kan lijden zijn als we oud geworden zijn. Allerhande moeiten, rouw, ziekte, afhankelijk zijn van anderen…

 

Lijden… Ik denk ook aan mensen die zich van alles en iedereen verlaten weten, die dagelijks onder eenzaamheid lijden. We lezen in de krant over oorlogen, geruchten van oorlogen, haat en terreur. Mensen kunnen lijden omdat ze in een ogenblik hun familie zijn verloren. Een moordaanslag, een zelfmoordaanslag, ongelukken...

Gemeente, het houdt niet op als het over dat ene woordje ‘lijden’ gaat. Het is geen wonder dat er vandaag de dag zo velen zijn die zich afvragen: ‘Waarom ben ik er eigenlijk? Waar leef ik voor? In deze wereld is het alleen kommer en kwel. Wat is de zin van mijn leven eigenlijk?’

 

De Heilige Schrift spreekt op vele plaatsen dat het leven een tijd van lijden is. De profeet Joël spreekt in het Oude Testament over bloed, vuur en rookpilaren. Paulus schrijft in één van zijn brieven over het lijden van deze tegenwoordige tijd. Het is de tijd waarin het schepsel zucht als in barensnood. De gehele schepping is onderworpen aan ijdelheid en vruchteloosheid. Wat heeft de zonde haar sporen diep getrokken!

Maar de apostel Paulus zegt meer: ‘Het lijden van deze tegenwoordige tijd weegt niet op tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden.’ In het geloof zegt hij het uit: ‘Let op, zo diep trekt de genade haar sporen!’ In Paulus’ woorden ligt zowel de diepgang van de zonde als de diepgang van hoop en genade. De oorzaak van alle lijden ligt in de zonde. Vanwaar is die diepgang van de genade dan? Gemeente, dat is de vrucht van het kruis van Christus!

 

Er heeft op deze wereld eenmaal een kruis gestaan. Het kruis op Golgotha. Dat betekent niet dat je dingen tegen elkaar kan wegstrepen: omdat er een kruis op Golgotha heeft gestaan, is er eigenlijk geen nood meer, geen verdriet, geen zorgen, geen rouw. Het tegendeel is juist het geval. Door het kruis op Golgotha wordt het lijden onderstreept en beklemtoond. Dat kruis heeft gestaan midden in de nood en dood van deze wereld. Deze wereld was zo verloren dat er geen redding, zaligheid en behoud zou zijn geweest als God Zelf er niet in was afgedaald.

Met een globe - een wereldbol - heb je als het ware de wereld onder handbereik. Hoe je die bol ook draait, overal is moeite en verdriet, oorlog, vervolging en verdrukking. Maar tegelijkertijd is er geen enkel plekje aan te wijzen waar het kruis van Christus niet van kracht is, waar God met de rijkdom van Zijn genade niet zou kunnen en willen komen. 

 

Christus Jezus, Hij kwam van alzo hoge, van alzo veer. Hij daalde af in de zonde en nood van ons menselijk bestaan. Hij heeft onze menselijke natuur aangenomen om in deze wereld te kunnen lijden en sterven. Hij is afgedaald in de diepten van de dood. Vergis u niet; als Hij komt uit de heerlijkheid van de hemel, daalt Hij daarmee af in het krachtenveld van de dood en van de hel. Hij lijdt plaatsbekledend voor Zijn kerk, opdat in Zijn naam bekering en vergeving van de zonde zou gepredikt worden.

Gemeente, u kunt die prijs der ziele, dat rantsoen, aan God in tijd noch eeuwigheid voldoen. Maar Christus Jezus heeft alles voldaan. Hij heeft op Golgotha uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30) Hij heeft het enige zoenoffer gebracht, zodat er bij de graven van de heiligen Gods gezongen kan worden: ‘Gij zijt verlost, God heeft u welgedaan!’

 

De weg die de Zoon van God is gegaan, is die van lijden en smart, van tegenstand en smaad. De catechismus vraagt er vandaag naar: ‘Wat verstaat gij door het woordje ‘geleden’?’ Wat is de betekenis daar nu van?

Ja, het gaat over het lijden van de Heere Jezus Christus. We mogen daarover niet zeggen: ‘Te midden van de lijdende mensheid heeft ook de Heere Jezus geleden’, als was Zijn lijden vergelijkbaar met dat van ons. Je hoort wel eens mensen zeggen: ‘Ach, als je eraan denkt wat de Heere Jezus allemaal voor ons geleden heeft, dan is wat ik te lijden heb eigenlijk maar een kleinigheid.’  Ik waardeer de goede bedoeling die in deze woorden ligt opgesloten, maar je kunt het eigenlijk zo niet zeggen. Het zijn geen vergelijkbare grootheden. Het lijden van de Heere Jezus kun je op geen enkele wijze naast het lijden van mensen leggen. Want als wij lijden, in welk verband of hoe zwaar ook, ligt er altijd een zekere relatie tot de zonde.

 

We mogen overigens niet zonder meer een verband met persoonlijke zonden leggen. De discipelen vroegen eens over de blindgeborene aan de Heere Jezus: ‘Wie heeft er gezondigd, hij of zijn ouders?’ De Heere antwoordde toen: ‘Geen van beiden, hij noch zijn ouders.’ Wel mogen en moeten we een algemeen verband leggen. Immers: ‘Waren er geen zonden, dan waren er geen wonden.’ Dus bij ons ligt er altijd een verband met de zonde.

Maar het unieke in het lijden van de Heere Jezus is dat bij Hem die relatie tot de zonde volledig ontbreekt. In het evangelie ontbreekt immers het antwoord op de vraag: Wie van u overtuigt Mij van zonde? (Joh.8:46)

Laten we het de kinderen ook maar eens vragen. Heeft de Heere Jezus ooit iets verkeerd gedaan? Nee! Maar toch heeft Hij zo peilloos diep geleden. Niet omdat Hij zelf gezondigd had, maar omdat Hij het Lam van God wilde zijn Dat de zonde wegdraagt. Voor Hem is  lijden een zaak van borgtocht: ‘Ik doe het voor u, anders zou u voor eeuwig om moeten komen.’ Daarover gaat nu vraag en antwoord 37.

 

Wat houdt nu ten diepste het woordje ‘geleden’ in? Het antwoord ligt voor ons: ‘Hij heeft op aarde aan lichaam en ziel de hele tijd van Zijn leven, maar in het bijzonder aan het eind van Zijn leven, de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen.’

Geleden… Het woordje dient hier als het ware als een deur; als een toegangspoort tot de donkerte die daarachter is. In het antwoord op de vraag wat het woordje ‘geleden’ betekent, ontvouwt zich de zwaarte van het lijden van de Heere Jezus. Het is als een wassende stroom. Het laat ons als het ware in een afgrond blikken. We dalen af in de diepte van de borgtocht. Althans, voor het geloofsoog. Want hoe kunnen we anders dan in het geloof de Man van smarten volgen in Zijn lijdensgang?   

De vrouwen van Jeruzalem zijn Hem ook een stukje op Zijn weg naar het kruis gevolgd. Zij huilen en zijn diep ontdaan bij de aanblik van zo’n jonge Man op weg naar Golgotha, waar Hij aanstonds Zijn leven zal moeten beëindigen. Maar de Heere Jezus zegt tot die vrouwen: ‘Ween niet over Mij, maar over uzelf en over uw kinderen. Want er komen tijden van lijden, oorlogen en hongersnood. En hoe zal het u dan vergaan?’

Gemeente, begrijpt u waar ik naar toe wil? De Heidelbergse Catechismus is één van onze gelóófsbelijdenissen en geeft in Zondag 15 een gelóófsantwoord.  

  

‘De ganse tijd van Zijn leven.’ Het lijden van de Heere Jezus begon al met Zijn geboorte in Bethlehem. Aan het begin van Zijn lijdensweg doemt daar binnen enkele dagen al Herodes met zijn zwaard op. Kindermoord!

 

Wat is er al niet te zeggen over het lijden van de Heere Jezus? Er was geen plaats voor Hem. Hij moest zeggen: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge (Luk.9:58). Hij was een uitgestotene, een paria, een zwerver op Gods aardbodem.

Het gaat bovendien naar de kruisheuvel, waar de heilige Zoon van God in de walm van de zonde zal hangen. Wij kunnen het onder bepaalde omstandigheden wel eens benauwd hebben, maar dan nog kunnen we onmogelijk bevatten wat het lijden voor de Heere Jezus geweest is.

 

Het lijden van de Zoon des mensen is onnavolgbaar, uniek. Een leven zonder zonde, maar desondanks tegenstand, haat en vijandschap aan alle zijden. En aan het einde van Zijn leven het zwaartepunt: sterven aan het vloekhout der schande. Waar de toorn van God over Hem en over Zijn leven zich ontlaadt. Waar die toorn ontbrandt en het kruis in zicht komt. Hoog slaan dan de golven van de toorn van God over Hem heen. ‘Door Uw toorn vergaat ons kwijnend leven’, zongen we zojuist uit Psalm 90. Maar de Heere Jezus staat er geheel middenin.

We zien Hem in gedachten in de paaszaal, waar Hij het Avondmaal viert met Zijn jongeren. Jezus weet wat er over Hem komen zal. Maar desondanks is er iets van rust en vrede in Zijn omgaan met de discipelen. Over enkele ogenblikken is er de worsteling in de hof van Gethsémané. Het ene moment reikt Hij nog het brood en de beker uit en het andere ogenblik is er het woeden van de toorn van God. De heilige toorn van God!

 

Wij kunnen ons onmogelijk voorstellen dat Zijn zweet als grote droppelen bloed afliepen op de aarde. Wat heeft Jezus doorworsteld!

Het was voor Hem geen vanzelfsprekendheid. Hij is er letterlijk onderdoor gegaan! ‘Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan.’ Maar Hij brengt tegelijk een correctie aan: ‘Het kan niet, Uw wil geschiede.’

Vervolgens staat hij voor Annas, voor Kajafas, voor Pilatus. En tenslotte: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46) Hij, de waarachtige en eeuwige God, kwam in de gestalte van een dienstknecht en daalde af in onze verlorenheid en afval.  

 

Hoe diep zijn wij mensen gevallen dat Jezus zo diep moest afdalen in de afgrond van het lijden. Hoe ver bent u, kind van Adam, het spoor niet bijster dat Jezus de weg van de Godverlatenheid moest gaan. Weegt u dit eens in alle ernst af. Want als dat offer ons in de catechismus voor ogen gesteld wordt, wat wilt u er dan tegenover stellen?  

O, vergeet toch nooit de smaad, de hoon, de doornenkroon, de rietstok en de helse kwellingen van de Heere Jezus aan het kruis. Vergeet niet die drie-urige duisternis, waarin Hij Zich van Zijn God verlaten wist. De duisternis van Godsverberging en van Godsverlating. ‘Zo ben Ik de weg gegaan’, zegt Hij, ‘en zo heb Ik als geen ander de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen.’

 

Voor we nu ons tweede punt uiteenzetten zingen we Psalm 22 vers 8:

 

Mijn kracht is, als een scherf, van sap beroofd,

Mijn tong kleeft in mijn mond, door dorst gekloofd;

Gij zult eerlang mij, door de dood, het hoofd

In ‘t stof doen bukken.

Want van rondom zie ‘k honden samenrukken;

Een muitgespan

Heeft mij ter prooi verkoren,

Mijn handen en mijn voeten doen doorboren,

Zo fel het kan.

 

2. De diepgang in Zijn lijden

 

Hoe diep heeft de Zoon van God geleden! Wij lezen in het antwoord van vraag 37 dat Hij  ‘inzonderheid aan het einde Zijns levens, de toorn Gods tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht gedragen heeft.’

De toorn van God! Kunt u zich enigszins voorstellen wat dat inhoudt? De toorn van God… Mozes zegt er iets van in Psalm 90: Wie kent de sterkte van Uw toorn en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? (Ps.90:11) Gods toorn is een heilige toorn. God kan de zonde niet ongestraft laten.

We weten het, het is niet ‘in’ om te spreken over de toorn van God. Moderne theologen leggen vooral de nadruk op het ‘God is liefde’. Wanneer het lijden ter sprake komt zeggen zij: ‘Ach ja, God moet mede-lijden met Zijn schepsel. Hij is de medemenselijke God. Maar toorn…?’

 

Laten we het weer aan onze kinderen vragen.  Als jij iets moois hebt gemaakt, een mooie tekening bijvoorbeeld, en iemand haalt er met een brede grijns een aantal dikke strepen door… Ben je dan niet verschrikkelijk boos?  Moet daar geen straf op volgen? Het is maar een zwak en ontoereikend voorbeeld, maar er ligt een beeld in dat de heilige God Zich in heilige toorn keert tegen alle gruwelen en zonden die op deze wereld bedreven worden. Hij is een toornend God.

Heilig vertoornd! Maar wij mogen liefde en toorn wel in één zin noemen. Want alleen een God Die liefde is, kan toornen. Hij is God in al Zijn goddelijke eigenschappen. Zoals Hij is in Zijn liefde, zo ook in Zijn toorn. De Heilige Schrift spreekt daarover heel concreet en direct. De profeten hebben die toorn van God nooit verzwegen.

Ik denk aan Habakuk, als hij zegt: ‘Heere, gedenk in Uw toorn aan Uw ontferming. Heere, we hebben het verdiend dat U over ons toornt, dat U boos op ons bent. Maar we bidden U, gedenk ons in genade, o God.’

In Psalm 103 zien we uitkomst van de worsteling van David of God in Zijn toorn barmhartigheid wil betonen. Want zo zegt hij: Hij zal niet altoos twisten, noch eeuwig de toorn behouden. Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden (Ps.103:9-10).

 

De catechismus spreekt ook heel direct over de toorn van God. Wij lezen dat Jezus Christus de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht heeft gedragen.

U moet dat wel goed lezen. Er staat niet: de toorn vóór het ganse menselijke geslacht. Christus Jezus droeg de toorn tegen de zonde van het gehele mensdom. Het gaat de catechismus in dit antwoord dus niet om het aantal mensen dat behouden zal worden. Sommige mensen willen dat er wél in leggen, maar het gaat hier om de zwáárte van het lijden van Christus. De toorn van God brandt over de zonde in haar volle omvang. Laat ik het zo zeggen: Christus zou niet méér hebben geleden als Hij alle mensen zou hebben zalig gemaakt. Het gaat om de ongedeelde toorn van God.

Er wordt hier ook niet gesproken over ‘zonde’ in het meervoud; het staat in het enkelvoud: de zonde. De toorn van God is die ene ondeelbare toorn tegen de zonde.

 

Gemeente, het evangelie valt soms door van die kleine dingen in al zijn heerlijkheid en rijkdom open. We zien die rijkdom ook in de Dordtse Leerregels, die zeggen dat het offer van Christus genoegzaam, voldoende, is tot verzoening van de zonde van de gehele wereld.

Hoort u het? Hier zit de ruimte in van het zalig worden! Al zou je de grootste van de zondaren zijn en nog zo veel op je kerfstok hebben. Dit woord wijst heen naar al de hoeken van de wereld. De toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht is gestild! Zonde in het enkelvoud!

 

Kinderen, in de tabernakel stond het koperen wasvat en in de tempel de koperen zee. Die koperen zee werd gedragen door twaalf runderen. Koeien, zouden wij zeggen. Deze runderen van steen droegen die grote koperen schaal. Maar let eens op: die twaalf koeien stonden in een cirkel. Drie keken naar het noorden, drie naar het oosten, drie naar het zuiden en drie naar het westen.

Het wasvat in de tabernakel en de koperen zee in de tempel zijn een prediking van de genade van God. Die koeien die gericht waren naar de vier windstreken, symboliseren de genade: waar je ook woont op deze aarde, de genade van God wordt gebracht tot aan de einden van de aarde, want overal is er de zonde van het menselijke geslacht.

God legt ook vandaag deze boodschap aan de deur van jouw en uw hart. Hiermee worden u alle verontschuldigingen ontnomen. Bekeert u en gelooft het evangelie!

 

Wat ligt hier troost, bemoediging en aansporing voor alle neergebogenen en vreesachtigen van hart. Voor een volk dat een levend besef ontvangen heeft van het algenoegzame van Jezus’ lijden.

Als in onze catechismuszondag gesproken wordt dat Hij met Zijn lijden en enige zoenoffer ons met lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis verlost, licht de troost van Zondag 1 weer op.

Hoort u het?

Met lichaam en ziel het eigendom van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus.  

Hier is Hij!

Het Lam van God Dat de zonde van de wereld wegdraagt.

Hier klopt het hart van het evangelie.

Veroordeelden en verdoemden in Adam worden in Hem tot kinderen van God aangenomen!

 

De Heere zoekt ons op in de laagte. Zo diep is onze val en zo groot is ons zondaar zijn. God zoekt ons daar waar dood, doem en ongerechtigheid heersen. Daar zet het Lam Zijn voetstappen en daar komt Christus tot ons als de Knecht van de Vader. 

Zijn lijden is het enige zoenoffer. Het klinkt ook hier: ‘Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegdraagt!’

 

Het kruis en het lijden van Christus… De Jood en de Griek moeten er niets van hebben. Dat kruis op Golgotha is voor hen een ergernis en dwaasheid. Vandaag de dag hoor je hetzelfde. Er zijn mensen die zeggen: ‘Een ander voor mij betalen…?’

In 1967 was er een zekere professor Smits in de toen nog Nederlandse Hervormde Kerk, die zei over de verzoening: ‘Als een ander voor mij moet betalen, geef mijn portie dan maar aan Fikkie.’ Fikkie, een hondennaam. Deze taal klinkt vandaag nog volop. Mensen die er niet áán willen dat een ander het voor hen zou moeten doen…

 

Hoe komt het nu dat een Ander, het Lam van God, het wél doet, en het zelfs móét doen? Omdat het zo in het eeuwig welbehagen van God besloten ligt! Omdat God in de openbaring van dit Lam Zijn soevereine en eeuwige liefde wil betonen. God spreekt: ‘Zie op Hem, Hij is het en geen ander!’ Want al onze werken, al zijn ze in onze ogen nog zo goed, zijn verwerpelijk. God moet ervan zeggen: ‘Ze deugen niet. Met zonde bevlekt!’ God wijst na Pasen altijd weer terug naar Goede Vrijdag. Toen werd het volbracht! Het enige werk dat voor God welbehaaglijk is, is dat van Jezus Christus.

Zit u in de kerkbank met een tot op de draad versleten en verzondigd leven? Zegt u: ‘Ik aan de voet van het kruis op Golgotha? Ben ík daar welkom? Mag ík daar komen? Als je ziet wat voor leven ik heb…’ Leg dat nu eens voor de Heere neer: ‘Is er ook voor mij plaats bij deze Heere en Koning?’

 

Gemeente, er is plaats bij Hem! Het evangelie verkondigt het ons ook vandaag. Juist als u zo inzit over uw schuld en tobt over uw zonden. Als u daar níet over inzit, heeft u geen behoefte aan Iemand die uw schuld overneemt. Maar juist als u zegt: ‘Waar moet ik ermee heen, kan het voor mij ook?’, zie dan eens Wie Hij is! Wij mensen zijn geneigd te zeggen: ‘Kijk eens wie ik ben.’ Maar het evangelie zegt juist: ‘Kijk nu eens Wie Hij is en Wie Hij wil zijn voor iemand die alles verzondigd heeft.’

Van deze Zaligmaker lezen we: ‘Hij ontvangt de tollenaren en zondaren en Hij eet met hen’. Noodlijdenden worden verzadigd op kosten van Hem, Die alles heeft aangebracht. Hij ontvangt mensen die van de straat geraapt zijn. Mensen die wij wellicht in het dagelijks leven voorbijgaan.

Let er toch eens op: tollenaren en zondaren naderden tot hem. Jezus nodigt: ‘Kom tot Mij!’ Op die plaats wordt gezongen; niet vanuit eigen waarde, maar met het oog op Hem geslagen. Hij is alles! Deze Koning moet eeuwig leven! Wij zingen daarvan met Psalm 72 vers 8:  

 

Zo moet de Koning eeuwig leven!

Bidt elk met diep ontzag;

Men zal Hem ‘t goud van Scheba geven,

Hem zeeg’nen, dag bij dag.

Is op het land een handvol koren,

Gekoesterd door de zon,

‘t Zal op ’t gebergt’ geruis doen horen,

Gelijk de Libanon. 

 

We gaan naar de derde gedachte:

 

3. De plaats van Zijn lijden

 

We lezen in vraag 38: ‘Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?’ Het antwoordt luidt: ‘Opdat Hij, onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld zijnde, ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.’

Is het u wel eens opgevallen dat er in de apostolische geloofsbelijdenis twee mensen met name genoemd worden? Maria, de moeder van de Heere, en stadhouder Pontius Pilatus, die Christus ter dood veroordeelde. Iedere zondag worden we geconfronteerd met  Pilatus. Zijn naam wordt door de eeuwen heen nadrukkelijk in verband gebracht met het lijden van Christus. Waarom? Opdat we weten zouden dat het lijden van de Heere Jezus en alles wat daarmee samenhangt niet verzonnen is; dat het te dateren is, dat het waar en waarachtig is. Opdat we kunnen zeggen: ‘Kijk, daar op die plaats en op die tijd…’ We zeggen immers in het dagelijks leven ook wel eens: ‘Ja, dat zegt u nu wel, maar waar staat het, wanneer is het gebeurd? Bewijs het eens, zwart op wit?’  

 

Zo ligt het nu ook als het gaat om die naam van Pontius Pilatus. Jezus heeft echt geleefd. Zijn lijden is te dateren! We weten over keizer Augustus, Nero, Herodes en anderen; tijd, plaats en omstandigheden. Zo kennen we ook Pontius Pilatus; een Romeins rechter in het grote Romeinse rijk.

De Romeinen stonden bekend om hun rechtvaardige rechtsstelsel. In dat rechtsbestel heeft Pilatus de Heere Jezus onschuldig ter dood veroordeeld. Pilatus heeft als overheidsvertegenwoordiger, stadhouder en rechter de Heere Jezus onschuldig veroordeeld. Hij sprak diverse malen: ‘Ik vind geen schuld in Hem. Jullie misschien wel, maar ik niet.’ Zijn onschuld staat onomstotelijk vast! En toch verwijst Pilatus Jezus naar de dood. We hebben het zojuist gelezen in Johannes 19: Pilatus nam Jezus en gaf Hem over om gekruisigd te worden.

 

De Heere Jezus is niet ter dood gebracht tijdens een volksoploop. Hij is niet per ongeluk door een messteek om het leven gebracht. Nee, het is middels een proces gegaan. Onschuldig veroordeeld!

We kunnen nu een antwoord geven op de vraag waarom Hij door een wereldse rechter vrijgesproken moest worden: ‘Opdat Hij, onschuldig onder Pilatus veroordeeld zijnde, ons daarmee van het strenge oordeel van God dat over ons gaan zou, zou bevrijden.’

Achter Pilatus zien we God Zelf oprijzen. Als Pilatus Jezus toch onschuldig veroordeelt, zit daar eigenlijk het oordeel van de hemel achter. Denk maar aan Jesaja, die in hoofdstuk 53 zegt: Het behaagde de Heere Hem te verbrijzelen (Jes.53:10).

Het oordeel van God wordt voltrokken. Jezus staat voor Pilatus als Borg voor Zijn gemeente, opdat Hij Gods oordeel zou wegdragen.

 

Staat u zo met uw zonden voor Gods aangezicht? Wat kan de schuld dan op je afkomen. Wat kunnen de ongerechtigheden je terneerdrukken. Wat kan de duivel je dan in de houdgreep nemen en zeggen: ‘Nu is het voorgoed gedaan!’ Staan voor de majesteit van God en voor de hoogheiligheid van de Heere. Staan voor de God van hemel en aarde… Hij gaat Zijn strenge oordeel uitspreken over uw leven. We dachten hieraan in Zondag 5: ‘Aangezien wij naar het rechtvaardige oordeel van God tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebben…’ Het komt er altijd weer op aan.

Maar, gemeente, dwars door Pilatus’ goddeloze oordeel heen klinkt het zegenrijke en bevrijdende spreken van God. Want in het antwoord op onze catechismusvraag staat het woordje ‘bevrijden’. Hij zal mij bevrijden!

Jaarlijks herdenken we de bevrijding van de Duitse overheersing. Weliswaar is de Tweede Wereldoorlog al lang geleden; onze kinderen dienen toch enigszins te beseffen wat het betekent bevrijd te worden.

In de betekenis van het woordje ‘bevrijden’ ligt iets dat van je weggenomen wordt. In onze catechismuszondag gaat het om het oordeel van God. Het rechtvaardig en gestrenge oordeel dat over ons ligt, wordt weggenomen, opdat wij de vrijspraak zouden ontvangen.

Daarom zegt Paulus zo treffend in Romeinen 8: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (Rom.8:33) De apostel kende de diepe huiver voor het oordeel van God en het aangrijpende daarvan. Wist hij zich niet de voornaamste van de zondaren? Had hij niet de Zoon van God, de Heere Jezus Christus, vervolgd? Maar desondanks mag hij het uitroepen: Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom.8:34). Hij heeft alles volbracht!

 

We gaan naar de vierde en laatste gedachte:

 

4. De zegen uit Zijn lijden

 

Tenslotte wordt gevraagd waarin het verschil bestaat dat Hij gekruisigd is en niet met een andere dood gestorven is. Welke zegen ligt daarin? Het antwoord is helder: ‘Ja, dat betekent nog wat meer, want daardoor ben ik zeker dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich geladen heeft, omdat de dood des kruises door God vervloekt was.’

Op Golgotha is Christus voor God een vloek geworden. Een vloek? Dat staat hier: ‘De vervloeking die op mij lag.’ Hij heeft die vloek op Zich genomen. Volkomen. Totaal. En de Heere vraagt u: ‘Wat zegt dat u nu persoonlijk?’ De vervloeking die op mij lag… Als je je oor te luisteren legt, dan hebben veel mensen doorgaans niet zoveel moeite om ‘amen’ te zeggen op de beloften, de toezeggingen en vertroostingen van God. Dat is immers aantrekkelijk? Maar de vervloekingen van God…?

 

Ooit, jaren geleden, woonde er in Den Haag een vrouw die een sigarenkistje in het raamkozijn had staan, met allemaal papieren rolletjes erin. De wijkpredikant die op bezoek kwam, vroeg er eens naar: ‘Mevrouw, mag ik u vragen wat er zoal in dat sigarenkistje zit?’ ‘O’, zei ze, ‘dominee, elke morgen als ik opsta neem ik zo’n rolletje en lees ik wat er op staat. Want op elk papiertje heb ik een belofte van de Heere geschreven, en daar begin ik iedere dag mee.’ Waarop de predikant heel terecht antwoordde: ‘Maar, mevrouw, er staan toch ook heel andere dingen dan beloften en vertroostingen in de Bijbel?’

 

Halen we de beloften en vertroostingen niet makkelijk naar ons toe? Maar die vervloeking dan? Op beloften en vertroostingen zeggen we zo gemakkelijk ‘ja en amen’. Soms zingen we het ene opwekkingslied na het andere. Eén en al vertroosting en bemoediging. Maar zingen we ook over de vervloeking die op ons ligt? Of moeten we dan ineens niet moeilijk doen? Moeten we dat maar laten voor wat of het is? Dat kan toch niet?

U gaat dan selectief met het Woord aan het werk. In feite is dat Schriftkritiek. We laten het Woord dan niet waarachtig spreken zoals God het ons voorhoudt. Genade kan alleen maar oplichten tegen de donkere achtergrond van onze zonden en vervloeking. Daarom moeten we leren ‘amen’ te zeggen op alles wat we lezen in het Woord van God. Ook als er geschreven staat: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal.3:10). Ja, daar heeft u nu genade voor nodig. En waar genade verheerlijkt wordt, zal die belijdenis ook werkelijkheid zijn.

 

We stellen geen maat vast. De Heilige Geest is daar vrij in. Maar het hoort er wel heel wezenlijk bij. Dat kan toch niet anders? De Heere brengt een mens steeds weer ‘aan het eind’. Tot er niets meer van hem overblijft en hij op alles de dood moet schrijven. Dat is aangrijpend!

Wij staan met onze onwaardigheid voor het aangezicht van God, als in een gerichtshandeling. Pas dan kunnen we die Ander, de Borg ontwaren! Anders kunt u toch niet over bevrijding spreken? We kunnen wel zeggen: ‘Ja, natuurlijk ben ik een kind van God, ik ben bevrijd.’ Maar wáár bent u dan van bevrijd?

‘Ik lag machteloos gebonden…’ Als we daarover inzitten kan het zijn alsof de hemel al meer gesloten raakt, mijn hart steeds bozer, de zaligheid steeds onmogelijker… ‘O God, er komt nooit meer iets van terecht!’

 

Gemeente, de Heere brengt ons zover dat we ons vonnis ondertekenen. Maar daarin ligt nu de rijkdom van het evangelie. Waar dat gebeurt, wordt de vrijspraak vernomen! Waar het vonnis ondertekend wordt, ontsluit zich de heerlijkheid van de vrijheid der kinderen Gods. Vrijgesproken van alle schuld en van alle zonde...

Deze vrijspraak en zekerheid ligt nu in het antwoord van de catechismus: ‘Daardoor ben ik zeker dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich genomen heeft, want de dood aan het kruis is van Godswege vervloekt.’

Verstaat u nu waarom het kruisevangelie altijd weer wijst naar de dood in ons leven en aandringt het leven in Christus te zoeken? Het kruisevangelie is het rijkste evangelie en het enige evangelie dat er is. Het laat niets van ons over, maar het verheerlijkt het Lam van God.

Dit Lam zal nageslacht hebben. Christus wil dat Zijn werk niet tevergeefs zal zijn. Want Hij zal kinderen hebben die tot in eeuwigheid de lof van de Heere zullen zingen. Daartoe is Hij afgedaald in onze vervloeking. Opdat eens, voor de troon van God, het hoogste lied gezongen kan worden: ‘Gij hebt ons Gode gekocht en verlost van zonde, schuld en vervloeking. O Lam van God, U hebt ons voor God gekocht door Uw bloed!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 101:1

 

‘k Zal van de deugd der milde goedheid zingen,
Van ‘t heilig recht der strenge rechtsgedingen;
Een psalmgezang, o hooggeduchte Heer’,
Uw naam ter eer.