Ds. J.S. van der Net - Jesaja 49 : 14 - 16

Goddelijk onderwijs aan een moedeloos Sion

Jesaja 49
Een droevige klacht
Een liefdevolle heenwijzing
Een krachtige verzekering

Jesaja 49 : 14 - 16

Jesaja 49
14
Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten.
15
Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten.
16
Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 31: 18, 19
Lezen : Jesaja 49: 7-26
Zingen : Psalm 77: 5, 6, 7
Zingen : Psalm 103: 5
Zingen : Psalm 103: 6
Zingen : Psalm 89: 1

Het Schriftgedeelte waar we in deze dienst bij stilstaan, kunt u vinden in Jesaja 49 en daarvan de verzen 14 tot en met 16. Het Woord van de Heere luidt daar als volgt:

 

Doch Sion zegt: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon dezen vergaten, zo zal Ik toch u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij.

 

Deze Schriftwoorden prediken ons: Goddelijk onderwijs aan een moedeloos Sion.

 

Wij zullen spreken over:

1. Een droevige klacht

2. Een liefdevolle heenwijzing

3. Een krachtige verzekering

 

1. Een droevige klacht

 

In ons tekstgedeelte beschrijft de profeet Jesaja in een profetisch vergezicht de slavernij van het volk Israël in Babel. Maar de profeet ziet niet slechts de ballingschap van het volk en de straf van dat volk. Jesaja blikt nog verder. Hij mag ook de komende verlossing prediken.

Immers, als het volk in ballingschap verkeert, regeert daar in Babel koning Kores. Deze koning zal het edikt uitvaardigen dat het volk toestaat terug te keren naar zijn eigen land om Jeruzalem en de tempel herbouwen.

Maar Jesaja blikt nóg verder!

 

In het beeld van koning Kores ziet Jesaja de Meerdere van Kores: de Knecht des Heeren, de grote Verlosser, de Heere Jezus Christus, Die door Zijn lijden en sterven voor al de Zijnen verlossing uit de gevangenis van dood en zonde zal teweegbrengen.

Wanneer Jesaja zo de Heere Jezus voor zijn ogen ziet oprijzen, horen wij hem in vers 13 uitroepen: Juicht, gij hemelen, en verheug u, gij aarde, en gij bergen, maakt gedreun met gejuich; want de Heere heeft Zijn volk vertroost, en Hij zal Zich over Zijn ellendigen ontfermen.

Wat verwacht Jesaja eigenlijk als hij in deze tekst zo jubelt over de komende Verlosser, de Heere Jezus Christus? De profeet denkt wellicht: ‘Dat zou het volk toch moeten vervullen met vreugde? Dat zou het toch moeten aanzetten om de lof des Heeren te verkondigen?’ Maar helaas, wat ziet Jesaja?

Zwijgende ballingen!

En klagende ballingen!

Wat een tegenstelling.

 

Jesaja juicht over de verlossing en het volk zit jammerend en klagend terneer. Sion, de kerk van het Oude Testament, hier voorgesteld als een vrouw die door haar man is verlaten, jammert het uit: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten.

 

Ziet u in gedachten die vrouw daar zitten? Ze schudt met haar hoofd en zegt: ‘Ik zie niets van die verlossing door Kores. Ik zie helemaal niets van die komende verlossing door de Heere Jezus, de Messias. Ik zie er niets van!’

U kunt het enigszins vergelijken met de gebeurtenissen destijds rond de Zuid-Molukken. Na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië is een groot aantal Zuid-Molukkers naar Nederland overgebracht. Zij hoopten dat ze door Nederland geholpen zouden worden een zelfstandige republiek van Zuid-Molukken te vormen. Maar de jaren verstreken en de hoop om terug te keren nam bij de Zuid-Molukkers steeds verder af.

 

Zo is het nu ook met Sion. De hoop om terug te keren wordt steeds geringer. De steden liggen immers in puin? De tempel is toch verwoest? Wat is er eigenlijk nog van de  nationale zelfstandigheid over? Babel heeft het toch geheel voor het zeggen?

Natuurlijk, Gods oprechte kinderen in Babel hebben jaar in jaar uit vanuit de duisternis  tot de Heere geroepen. Maar de bevrijding brak niet aan. Ze zaten neer in diepe troosteloosheid, in diepe moedeloosheid, zonder enige hoop op terugkeer. En zonder enig houvast aan de beloften van God voor eigen hart en leven.

 

Er is niets erger dan dat een kind van God het houvast van het geloof kwijtraakt. Want dan wordt het geloof en de geloofsverwachting verstikt door ongeloof, twijfel en moedeloosheid. Dat zien we ook bij Sion.

Het ware Sion is in Babel als het ware overmeesterd door ongeloof en moedeloosheid. Terwijl Jesaja de hemel en aarde oproept om God groot te maken, beklaagt het volk zich: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten.

Sion zit zo diep in de ellende, dat het Woord van God, dat over een heerlijke toekomst spreekt, geen vat meer op haar heeft. Zij heeft geen enkel gezicht op datgene wat met het natuurlijke oog niet te zien is. De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten.

 

Gemeente, we kunnen in allerlei zonden vallen. Maar hier gaat het over een zonde waar alleen Gods kinderen in kunnen vallen. Toch kijk ik u allen aan. Want u zult begrijpen dat ieder Bijbelwoord, ook onze tekst, een persoonlijke spits heeft.

Verstaat u dan wat hier van Sion getekend wordt? Is het wel eens werkelijkheid geweest in uw leven dat u iets van de liefde van God hebt gevoeld, en de trekkende liefde van de Vader hebt geproefd? Wanneer we iets van die liefde ervaren, zien we dat de Heere zo goed is voor een schuldige zondaar, en voor een melaatse zondaar. Die liefde verbreekt het hart. Er kan een tijd aanbreken dat in de nacht van de tollenaarsgestalte, het evangelie voor ons openvalt en we iets leren kennen van de liefde van de Borg, van de  Heere Jezus. Daaronder worden we zó verbroken en klein!

Er kunnen tijden aanbreken dat we iedere zondag geraakt worden; dat er altijd weer wat  voedsel in Gods huis is. Tijden waarin we uit volle borst kunnen zingen: ‘Milde handen, vriendelijke ogen, zijn bij U van eeuwigheid.’

Maar daarna kunnen wij zo van onze plaats afraken en tot zo’n ongestalte vervallen, dat wij de God des levens van ontrouw gaan verdenken. Dan denken we: ‘De Heere weet helemaal niet meer van me af; Hij wil niets meer met mij van doen hebben.’

Denken we dan niet net als Sion: De Heere heeft mij verlaten?

 

U moet er eens op letten dat als Sion hier klaagt, dat niet zomaar een klacht betreft. Want Sion noemt de verbondsnaam van God: de Heere, de drie-enige God, Die Zich in de Heere Jezus van eeuwigheid over Zijn volk ontfermt in het verbond der verlossing. Van Hem zegt Sion: ‘Hij, de Verbondsgod, heeft mij verlaten.’

Wat een vreselijke klacht! Want is deze klacht gegrond?

Zou de eeuwige God Zijn verbond in Christus breken?

Zou God Zijn eigen naam teniet kunnen doen?

Zou de Heere Zijn beloften kunnen verbreken?

Hij is toch de Jehova, de Verbondsgod, de Ik zal zijn Die Ik zijn zal (Ex.3:14)?

En toch ziet Jesaja die vrouw Sion hier jammerend staan: ‘De Heere, de Verbondsgod, Hij heeft mij verlaten.’

 

Het woordje ‘verlaten’ wil eigenlijk zeggen: ‘Kijk naar de omstandigheden! We worden toch onderdrukt? We zijn geen volk meer! Wat moet er van terechtkomen? God heeft ons verlaten.’

Wat een ontzettende klacht! Want Sion draait wel de feiten om. Sion zet de zaken op z’n kop. Want waarom is dat volk in ballingschap? Waarom? Omdat zij de Heere bedroefd heeft met haar zonden!

Maar wat doet het volk? Het schrijft al haar tegenspoed en rampspoed op Gods rekening. Sion geeft God de schuld: ‘De Heere, de Verbondsgod, heeft mij verlaten.’

Wat een ongestalte!

 

Gemeente, laten we niet alleen naar het volk Israël in Babel wijzen. We kijken ook naar u. Helaas, het is ook vandaag geen vreemde zaak. Als we door genade iets van onszelf hebben leren kennen, moeten wij dan niet beschaamd ons hoofd buigen? In de tijd van de eerste liefde, wanneer we zo dicht bij de Heere leven, denken we immers zo vaak: ’Het blijft voor altijd zo.’

Maar wat kunnen we er dan achter komen dat die neiging nog in ons is, ons boze, zondige vlees. Dan kunnen we onszelf zo rechtvaardigen. En we kunnen dan gaan denken dat de Heere ons verlaten heeft.

Maar als de Heere ons met Zijn straffende hand tegenkomt, hebben we er geen oog voor dat Hij ons door Zijn vaderlijke kastijding aan Zijn voeten wil brengen, en ons wil verootmoedigen. We zijn er veelal blind voor dat de Heere smartelijke wegen wil gebruiken om ons weer terug te doen keren.

Het kan ons dan vergaan als Sion in Babel. We worden geërgerd, boos en opstandig. Nee, we zitten niet met zichtbaar gebalde vuisten in de kerk. De ouden zeiden vroeger wel eens: ‘Je kunt ook met gebalde vuisten in je broekzak zitten.’ Opstandig… en tenslotte moedeloos.

 

We maken de Heere verwijten. Nee, niet dat we die verwijten uitspreken; daar zijn we veel te netjes en te vroom voor. Maar diep in ons hart stormt het: ‘Alles loopt tegen. Het is weer op mij gemunt. Mij treft het weer. Gods gunst zal wel niet over mijn leven zijn.’

En het gebed wordt steeds moeizamer. We kunnen steeds minder woorden vinden; steeds moeilijker komt er nog een woord over onze lippen. De hemel lijkt wel van koper en ons gebed lijkt af te ketsen tegen het plafond. Wat een moedeloosheid kan er in ons leven komen. Dan zeggen we hetzelfde als Sion: De Heere heeft mij verlaten.

 

We lezen verder in onze tekst: De Heere heeft mij vergeten.

Ik weet niet hoe de naam ‘Heere’ in uw Bijbel staat; het staat namelijk vaak fout gedrukt. In veel Bijbels staat die tweede keer ‘Heere’ ook in hoofdletters. Dat is een fout, want het woord ‘Heere’ moet er met kleine letters staan. In de grondtekst wordt namelijk een andere naam gebruikt; de naam ‘Heere’ waarin doorklinkt dat Zijn toezicht over alles gaat.

De Heere heeft mij vergeten… Als je iemand verlaat, kun je toch nog wel aan hem denken. Maar als je iemand vergeet, denk je zelfs niet meer aan hem of haar. Dan is die ander er gewoon niet meer voor je. Al zou hij naast je zitten in de kerk.

 

We zien hier Sion als het ware voor een afgrond staan. Zij meent dat ze door God vergeten is. ‘De Heere, de Verbondsgod, heeft mij verlaten, en de Heere, Die over alle dingen regeert, de Soevereine, heeft mij vergeten.’

Ach, gemeente, dat komt, nadat de Heere ons getrokken heeft met koorden van goedertierenheid, nog zo vaak voor. Misschien is het bij u ook wel zo. U klaagt wellicht: ‘Het is al zo lang geleden dat ik iets van de Heere heb mogen ontvangen. Zou ik temidden van alle omstandigheden van mijn leven nog eens mogen ervaren dat Hij van me afweet? Maar Hij denkt niet meer aan mij. Anders zou ik toch niet zo terneergeslagen zijn, en zo eenzaam over de aarde gaan? Jesaja roept hemel en aarde op om te juichen voor de Heere. Dat is prijzenswaardig. Maar is die oproep nu ook voor mij bestemd? Ik ervaar alleen maar verlating. Ik zie alleen maar donkerheid. Als de Heere in liefde aan mij dacht, zou het toch anders zijn? Dan zou ik me niet zo verlaten voelen. De Heere heeft mij vergeten.’

 

Gemeente, leg uw leven er nu eens naast. Hoe is het met u gesteld?

Laten we toch niet met de vinger naar een ander wijzen. Want ook vandaag kunnen Gods kinderen in dezelfde fout, in dezelfde zonde vallen. Als we van Salomo bijvoorbeeld lezen: De naam des Heeren is een sterke toren; de rechtvaardige zal daarheen lopen en in een hoog vertrek gesteld worden (Spr.18:10), laten we dan allemaal eens eerlijk zijn. Hoe vaak lopen wij, u en ik, ook na ontvangen genade, niet van de Heere Jezus weg? Hoe vaak is het zo dat we God niet vertrouwen en Zijn deugden verachten? Wat een vreselijke zonde!

Rust zoeken in de weldaden, maar niet in de Heere Jezus Zelf.

Wat kunnen wij ons verheffen op de bekering die de Heere ons schonk.

Wat kunnen we gaan rusten op de verlossing.

Wat kunnen we zelfs rusten op de ondervinding van onze rechtvaardigmaking en daar de hoogte mee ingaan.

Maar vluchten tot die toren, vluchten tot de Heere Jezus, laten we na.

Is het zó in ons leven? Wat is dat erg. Want God is een jaloers God op Zijn eer, in welke stand van het leven we de Heere Jezus ook uit het oog verliezen.

 

Als we nu zo in de kerk zitten, ach, dan klaagt dit Schriftwoord ons aan. De Heere zegt dan eigenlijk tegen ons: ‘U hebt Mij verlaten. En omdat u Mij verlaten hebt houd Ik de bewijzen van Mijn gunst in.’

Gemeente, ik kan u verzekeren dat als dit werkelijkheid wordt, u dan zegt: ‘Is dat zo, Heere? Is het waar, dat ik U verlaten heb en dat U daarom de bewijzen van Uw gunst inhoudt?’ U kunt dan uzelf niet meer op de been houden. Weet u wat we dan gaan doen? Dan trekken we ons terug in een hoekje, en zeggen we: ‘O Heere, hoe moet dat nu verder? Hebt u wel weet van mijn droevig lot, mijn plagen en mijn rampen?’

Maar hoe groot is daar tegenover dan de goedertierenheid en de verbondstrouw van de Heere! Hij maakt u geen bittere verwijten. Hij zegt niet: ‘Hoe kunt u dat nu zeggen, dat Ik, de Verbondsgod, u verlaten heb?’

Nee, gemeente, zo is Hij niet!

 

We zullen in onze tweede gedachte zien dat Hij met grote teerheid, met grote zorg en met een liefdevolle heenwijzing, tot ons overkomt. Maar laten we eerst samen zingen uit Psalm 103 en daarvan het vijfde vers:

 

               Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

               Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;

               Hij is het, Die ons Zijne vriendschap biedt.

               Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;

               Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,

               Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

2. Een liefdevolle heenwijzing

 

Gemeente, de Koning van Sion, de Heere Jezus Christus, handelt met Zijn kinderen nooit naar hun zonde en naar hun ongestalte. Al zijn ze in hun moedeloosheid en ongeloof te  bevreesd om zich ook maar iets toe te eigenen. Zelfs al zeggen ze op het aanbod van genade: ’Dat is te groot, dat kan voor mij niet.’ We kunnen zo moedeloos in de kerk zitten, dat we de Koning, Die Zijn genade aanbiedt en met uitgebreide armen lokt en nodigt, laten staan. Maar desondanks is de Heere zo onuitsprekelijk genadig en geduldig. Wanneer in uw leven het licht er eens op valt dat de Heere zo geduldig is, wat wordt u daar dan onder verbroken. Wat is Hij taai van geduld!

Laten we eerlijk zijn, als het over geduld gaat maakt de beste vader of moeder maar al te vaak fouten. Meestal is geduld met onze kinderen niet de sterkste kant van onze opvoeding. Maar zo is de Heere niet! Hij heeft zo’n onuitsprekelijk geduld met een zondaar die Hij getrokken heeft met koorden van eeuwige liefde en die vervolgens van Hem wegloopt.

Gemeente, het is echt waar: de Heere heeft in mijn eigen leven de zonde altijd op het allerscherpst veroordeeld, maar ik heb nog nooit een hard woord van de Heere te horen gekregen. Nog nooit!

 

We zien dat nu hier bij Sion ook. De Heere neemt Sion als het ware opnieuw op Zijn schoot. Om onderwijs te geven plaatst Hij haar opnieuw in de schoolbanken. Om steeds weer onderwijs in de beloften van het evangelie te geven. Door dit goddelijk herhalingsonderwijs wordt keer op keer het ongeloof weer verbroken.

 

Wat is dat onderwijs wonderlijk! Als wij in de boeien van het ongeloof zitten en het innerlijk zo bruist en zo woelt in ons hart, zegt de Heere desondanks: ‘Kom maar bij Mij, neem plaats op de achterste bank van de laagste klas van Mijn leerschool. Dan zal Ik u in Mijn teerheid opnieuw onderwijzen in de schatten van Mijn verbond en de heerlijkheid van de beloften. Ik zal u opnieuw op de Heere Jezus laten zien.’

Op deze wijze wordt keer op keer het ongeloof in onze zielen verbroken.

 

Gemeente, luister eens naar wat de Heere in onze tweede gedachte zo vol van geduld tot ons zegt: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks?

Let er eens op hoe de Heere is. Want op het eerste gedeelte van Sions klacht: ‘De Heere, de Verbondsgod, heeft mij verlaten’, gaat Hij niet eens in. Want het is immers onmogelijk dat de God van het verbond Zijn kinderen zal verlaten.

Maar op het tweede gedeelte van de klacht antwoordt de Heere wel. Want het is ondenkbaar dat de Heere een verbond sluit en vervolgens vergeet dat verbond te gedenken.

Hoe luidt het antwoord van de Heere op het tweede gedeelte van de klacht? De Heere gebruikt het teerste beeld dat er is, namelijk dat van een moeder met een pasgeboren baby. Als er een kind geboren wordt, dan ontwaakt in het moederhart een sterke drang om dat kindje te verzorgen, te voeden, te liefkozen, het aan haar hart te drukken, en te beschermen. Een moeder kan haar zuigeling onmogelijk vergeten.

 

Wat ligt in dit beeld de liefde en de trouw van God treffend uitgedrukt. Want wanneer ontwaakt de liefde tot ons kindje al? We hebben het al lief vóór de geboorte. Dan al hebben we toch een vader- en een moederhart?

Hoe ligt dat nu bij de Heere?

 

Gemeente, de Heere heeft een dwaas, een schuldig en een vijandig volk lief! Met een liefde die van eeuwigheid is! Want in die stille, eeuwige vrederaad had Hij ze al lief en vroeg Hij: ‘Wie zal Borg voor hen zijn, en ze plaatsen in het gewenste land?’ Van eeuwigheid reeds heeft de Heere Jezus Zich in onbevattelijke zondaarsliefde aangeboden:  ‘Vader, Ik zal het doen, want Ik draag Uw heilige wet, die Gij de sterveling zet, in het binnenste ingewand.’ En de Heilige Geest heeft Zich in eeuwige liefde garant gesteld dat Hij die liefde in zondaarsharten zou uitstorten.

 

Houdt een moeder van haar kind omdat het zich die liefde waard gemaakt heeft? Nee,  want moederliefde komt aanvankelijk van één zijde. Pas later wordt die liefde beantwoord. Zo is de liefde van God óók volstrekt eenzijdig. Het is onbegrijpelijk dat God Zijn kinderen van eeuwigheid heeft liefgehad en Zich inlaat met mensen die van nature niet naar Hem vragen.

 

Gemeente, alle menselijke verklaringen schieten tekort, wanneer u zo eens op de achterste bank zit en de Heere laat in de belofte van het evangelie die liefde voor u openvallen. Ziende op die eeuwige liefde van God in de Heere Jezus, kunnen we dan alleen maar stamelen: ‘Mij van eeuwigheid liefgehad, een ontrouwe, die de Heere steeds weer verdenkt en die keer op keer van de Heere Jezus wegloopt…’

Naar recht zou Hij ons allen kunnen voorbijgaan en ‘wegwerpen met een mannelijke wegwerping’. Daarom blijft het voor Sion zo’n wonder dat ze mag delen in de gunst van God. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden (1 Joh.4:10).

 

Een moeder blijft haar kindje altijd liefhebben. Al heeft ze nog zoveel verdriet van haar kind. Zelfs al zou het kind de dienst van de Heere verlaten, dan nog blijven we van dat kind houden. Er kunnen zelfs dingen met onze kinderen gebeuren die de liefde in het moederhart doen verminderen; maar uitdoven kan die liefde nooit. Een moeder blijft altijd zeggen: ‘Het is mijn kind. Hoe ver het ook wegdwaalt, het is altijd mijn kind.’

De liefde van een aardse moeder kan afnemen. Maar de liefde van God tot de Zijnen vermindert nooit. Hoort u dat?

Hij heeft een afkerig en dwalend volk lief.

Hij heeft het lief met een eeuwige en niet-afnemende liefde!

 

Zeker, de Heere klaagt wel over die afkerigheid van de Zijnen. De Heere bestraft de afkerige ook. Maar Hij zegt dan wel: Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zebóïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken (Hos.11:8). Daarom zegt Jesaja in onze tekst: Ofschoon dezen vergaten, zo zal Ik toch u niet vergeten.

 

Gemeente, de Heere laat zien dat Zijn liefde als de liefde van een moeder is. Maar Sion zou nog een tegenwerping kunnen maken. Zij zou kunnen zeggen: ‘Ja, dat beeld van die moeder kan wel waar zijn, maar er zijn toch ook ontaarde moeders?’ Denk maar aan al die aanstaande moeders die hun kindje laten aborteren. Denk maar aan die moeders die hun kind verwaarlozen of mishandelen, of zelfs te vondeling leggen. Zou de Heere dan niet als een ontaarde moeder met Sion kunnen handelen? Zie eens op het volk Israël in ballingschap, onder de knoet van Babel. Alles ligt in puin! Wat is er van dat volk terechtgekomen? Handelt de Heere niet als een ontaarde moeder?

De Heere weerlegt echter die tegenwerpingen van dat moedeloze Sion met de woorden: Ofschoon dezen vergaten, zo zal Ik toch u niet vergeten. De Heere zegt: ‘Hoewel het mogelijk is dat een moeder haar kind vergeet, Ik…!

Gemeente, op dit woordje ‘Ik’ moet de volle nadruk vallen. Je zou het eigenlijk wel tien keer moeten zeggen: ‘Ik zal u niet vergeten.’

 

Zelfs de meest innige moederliefde kan tekortschieten - moeders zijn en blijven in zichzelf zondige mensen - maar de Heere faalt nooit! Hij kán Zijn Sion niet vergeten. Hij zál Zijn Sion niet vergeten. Hij is de Volmaakte in Zichzelf. Hij is ook volmaakt in de deugd van Zijn liefde, volmaakt in de deugd van Zijn trouw. Zo zal Ik toch u niet vergeten… Hierop valt alle nadruk!   

Hij is de Getrouwe. Zitten er moedelozen in de kerk, bij wie het vanbinnen ook zo kolkt en zo stormt? Die met gebogen hoofd klagen en jammeren: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten? Bent u zo’n moedeloze?

Welnu, dan zeg ik: Kom, hef het hoofd eens op. Sla uw betraande ogen maar op! Hij zál u niet vergeten! Want ieder die naar Hem leerde hongeren en dorsten, zal Hij nooit vergeten en nooit verlaten.

 

Wanneer u in uw leven die dorst naar God en die dorst naar Christus hebt leren kennen, dan kunt u door eigen zonden en afmakingen in het pikdonker uw weg gaan. Maar tóch: Hij zal u in al uw noden en angsten, zelfs in uw afdwalingen, uw struikelingen en  ongestalten, begeven noch verlaten. Want de Heere zegt: ‘Zo zal Ik u toch niet vergeten. Ofschoon er zo een ontaarde moeder zou kunnen zijn, Ik zal u niet vergeten.’ Wat een liefdevolle heenwijzing!

 

Voor we met onze derde gedachte verder gaan, zingen we uit Psalm 103, het zesde vers:

 

               Zo hoog Zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,

               Zo groot is ook voor allen die Hem vrezen,

               De gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan;

               Zo ver het west verwijderd is van ’t oosten,

               Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,

               Van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

3. Een krachtige verzekering

 

De Heere zegt in onze tekst bovendien: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij. De liefdevolle heenwijzing naar de trouw en de liefde van de Heere in de Heere Jezus Christus, wordt hier als het ware versterkt met de verzekering: Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd.

 

Wat bedoelt de Heere daarmee? U kent mogelijk wel mensen met een tatoeage. Zeelieden laten op hun arm of op hun hand bijvoorbeeld een anker tatoeëren, en tegenwoordig laten sommige mensen zich zelfs helemaal onder tatoeëren. Zo’n tatoeage kan doorgaans niet meer ongedaan worden gemaakt, of er moet een medische ingreep plaatsvinden. Het tatoeëren werd ook in de Oudheid veel gedaan. Als we de ceremoniële wetten van Mozes er op na lezen, was het in Israël eigenlijk verboden.

Maar daar in Mesopotamië waren veel inwoners die zichzelf tatoeëerden en iets in hun handpalm graveerden.  

 

De Heere gebruikt nu het beeld van het tatoeëren als onderwijs. Hij spreekt het terneergedrukte Sion ermee aan: ‘Zie, Ik heb u in Mijn beide handpalmen gegraveerd, Ik heb u daar ingegrift, Ik heb uw naam daarin getatoeëerd, uw muren zijn steeds voor Mij. Moedeloos Sion, uw muren zullen herbouwd worden. De werktekening ervan zie Ik iedere dag in Mijn handpalmen. En niet alleen de plattegrond van de stad Sion, maar ook de namen van al haar inwoners heb ik in Mijn handpalmen gegraveerd.’

Gemeente, hoe vaak kijken wij in onze handpalmen? De Heere zegt: ‘Ik kijk er voortdurend in. En in Mijn handpalmen, in die linker- en in die rechterhandpalm, staat het ontwerp van de stad Sion getatoeëerd. Bovendien staan daarin alle namen van haar inwoners gegraveerd.’

Wat bevestigt de Heere hier krachtig en onuitwisbaar dat Hij Sion en haar inwoners voortdurend voor ogen heeft!

 

Het is voor een bestreden en moedeloos volk een krachtige verzekering, wanneer de Heere met deze belofte het evangelie nog eens zo na aan het hart legt. Zij mogen wel eens zien dat hun naam - mijn naam! - nog voor de grondlegging van de wereld, met een onuitwisbaar handschrift in de handpalmen van de Allerhoogste staat gegraveerd.

Dan mogen zij door de werking van de Geest de stem van de Heere Jezus wel eens in het hart horen: Niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders (Joh.10:29).

Bij monde van Jesaja zegt God: ‘Let er toch op, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd.’ Daarmee wil de Heere degenen die Hem kinderlijk leerden zoeken, betuigen: ‘Hef dat gebogen hoofd nu eens op en zie eens door die betraande ogen heen. Zie op Mij! En luister wat Ik van Mijnentwege te zeggen heb.’

 

Kom, leg nu uw hart er eens naast. Weet u daar nu van? Hebt u kennis aan die trekking van de Heere met Zijn liefde? Is uw hart vanwege Zijn goedertierenheid verbroken? Heeft u toen uw zonde voor God beweend? Omdat uw hart zo vol van gemis was: ‘Ik ben de Heere kwijt’?  

Maar is toen in de nacht van de tollenaarsverbrijzeling, de Heere Jezus in Zijn gewilligheid, in Zijn middelaarsgraveerselen, in Zijn algenoegzaamheid, geopenbaard aan uw ziel? Heeft u zich toen onvoorwaardelijk aan de Heere Jezus mogen overgeven en is uw hart toen volgestroomd vanwege Zijn borgtochtelijke liefde?

 

Misschien moet u nu zeggen: ‘Ik leef in dagen dat ik die gevoelige genade zo ontberen moet, en die twijfel... die twijfel of de Heere wel het goede werk in mij begonnen is.’

Gemeente, wat een duisternis! Maar dan toch het wonder: de Heere gedenkt aan u in Zijn trouw. Hij betuigt in onze tekstwoorden tot zulke zielen: ‘Ik heb u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd.’  

Maar voelt u zich toch zo verlaten? Zijn het uw zonden die scheiding maken tussen u en uw ziel, en is de satan ook zo op de been? Wijst hij u op uw gebreken? Houdt u God voor  verdacht? Bent u zo diep neergezonken dat u op het punt staat het werk van God in uw leven af te schrijven? Wat kan het donker zijn!

 

En toch, de Heere weet wat een zondig bestaan we in ons omdragen. Dat wist Hij al van eeuwigheid; beter dan dat wij het wisten! Toen Hij de koorden van eeuwige liefde om onze zwarte ziel sloeg, kende Hij ons zondige bestaan.

Gemeente, dat kan ik nooit klein krijgen…

Daarom leg ik het aan uw hart: tot Wie zullen we met ons onreine bestaan anders vluchten dan tot die gekruisigde Christus, in Wie de Heere zulke zondaren nog wil aanzien? Ik mag het u vandaag nog prediken: in de wonden van de Heere Jezus is vertroosting voor allen die met hun zonden, hun ellende, hun smekingen en geween tot Hem komen. Er is vertroosting in de kruiswonden van Golgotha!

 

Waarom is er in die kruiswonden van Golgotha vertroosting? Weet u waarom? Omdat op de kruisheuvel alle namen van Gods kinderen in de linker- en rechterhandpalm van de Heere Jezus waren gegraveerd. Toen de soldaten de spijkers door Zijn handen sloegen, werden met elke hamerslag de namen van Gods lievelingen in de handen van de Heere Jezus geschreven. Alle namen! Bij elke hamerslag!

Deze Christus is met handen, waarin de namen van Sions kinderen gegraveerd staan, de dood ingegaan. Met diezelfde handen is Hij evenwel opgestaan uit de dood en verhoogd aan de rechterhand van de Vader. Daar ziet Hij al die namen steeds voor Zich! Kinderkens, indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige (1 Joh.2:1).

 

Misschien zijn hier vandaag wel mensen die helemaal niet klagen, die nooit uitzien naar de weg ter verlossing. Zulke mensen waren er ook in Babel. Zij misten de tempel niet. Zij misten Jeruzalem en de dienst van de Heere niet. Zij dachten mogelijk: Ach, als we ons een beetje aanpassen aan de cultuur en het denken van Babel, kunnen we het best goed hebben.

Onderzoek uzelf eens. Leeft u onbekeerd in het Babel van deze wereld? Al beschouwen we onszelf nóg zo godsdienstig, wanneer we onbekeerd voortleven zegt de Schrift dat we daarmee onder de toorn van God liggen!

 

Maar ook nu breidt Hij Zijn armen nog tot u uit en nodigt Hij: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden (Jes.45:22)! Want die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven (Joh.3:36).

Nog klopt Hij op de deur van uw hart! Al bent u nóg zo afkerig, al bent u nóg zo dwars, Hij klopt op de deur van uw hart en betuigt: Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden (Openb.3:18).

Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf!

Gemeente, bedenk het toch: u moet in de Heere Jezus gevonden worden. Anders is het voor eeuwig verloren. We moeten als een arme zondaar de toevlucht tot Jezus nemen, anders zullen we voor eeuwig moeten verkeren onder de uitgieting van Gods toorn. Wanneer Hij vandaag nodigt: Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij uw hart (Spr.23:26), dan meent Hij het! Hij meent het onvoorwaardelijk!

Daarom predik ik u: Heden, indien gij Zijn stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden! Zoek eerst het koninkrijk van God!

 

Jesaja zegt: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij. U hebt misschien wel eens toen u klein was met balpen iets op uw hand geschreven. Dat moest je onthouden, dat moest je weten. Iedere keer als je het zag, dacht je: ‘O ja, wat staat er ook al weer? Dat moet ik onthouden.’ Maar als je per ongeluk je handen onder de kraan hield, dan spoelde het weg. Wanneer een mens iets op zijn handpalm schrijft, is het mogelijk dat hij het vergeet. Maar hier staat: Uw muren zijn steeds vóór Mij.

Wat is dat vol van vertroosting, wanneer de Heere als het ware met Zijn liefdehanden uw moedeloze hoofd eens opheft en u de beloften van het evangelie voorhoudt: ‘Zie, kijk nu maar, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij.

 

Er staat eigenlijk in onze tekst: van ogenblik tot ogenblik. Altijd, zonder ophouden, denkt de Heere aan de de eeuwige belangen van de Zijnen. Er is geen moment dat Gods kinderen niet in Zijn gedachten zijn. De plattegrond van de stad Sion en de namen van haar bewoners zijn van ogenblik tot ogenblik voor Zijn ogen.

Ach, ik weet het wel, de Heere kan Zijn aangezicht voor ons verbergen. Hij verbergt soms Zijn aangezicht omdat we onze zonden niet belijden. Maar desondanks zijn die muren van ogenblik tot ogenblik voor Zijn ogen. Dáár ligt de vastheid!

Daarom, kinderen van de Heere, Hij verlevendige uw geloof door u steeds meer te laten zien op die onwankelbare grond: Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij.

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 89:1

 

‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên;
Uw waarheid t’ allen tijd vermelden door mijn reên.
Ik weet, hoe ‘t vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen;
Zo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken,
Zo min zal Uwe trouw ooit wank’len of bezwijken.